Dit antwoort klonk de Jonge Dochter als een Donderslag in de ooren. 'T

is wel ontaarde zeide zy tegens hem; het geeft my dan geen wonder dat

dewijl gy uit zoo een Godloos Land afkomstig zyt, daar men de plicht

van eer en trouw te breeken, maar voor een beuzeling en aardigheid

aanziet, zoo een wreed en onnatuurlijk stuk durft begaan. Ik zoude nu

zelfs, al wilde gy my mede nemen, my met een manspersoon na zulk een

land niet willen begeven, die de quade gewoontens van het zelve tot

een voorbeelt gebruikt om 'er zich na te gedraagen. Want wat staat

zoude ik doch in vervolg van tyd op desselfs trouw kunnen maken? Gaat

dan maar alleen na dat schoone Land; terwijl ik hier zal blijven om

in myn eenzaamheid myn misslag te betreuren en my aan een droefheit

over te geven, daar de Dood wel haast een einde van maken zal.

Deeze wanhopige woorden gesproken hebbende, verliet zy hem, en liet

ons Jong manspersoon, alleenig staan; die zich weinig over haar zeggen

bekommerde en denkende, dat zy het zoo niet meende als zy wel voorgaf,

zich naar elders heen begaf. Maar de Liefde die dog overal zyn rol

wil speelen, in wat afgelegen oort des weerelts dat het ook zoude

mogen weezen, wilde hier ook betoonen dat zyn magt gantsch niet te

veragten is, en dat indien men hem eens het oor geleent heeft en

men hem in het hart een plaats vergunt, hy zoo ligt daar niet weder

uit te krygen is: dewyl hy gemeenlijk niet alleen verzeld is met die

aanlokselelen en bekoorlijkheden, waar mede hy den arme sterveling

betovert; maar ook met al die gruwelen en monsters waar de Minnenyt,

de spyt; en de wanhoop wel de voornaamste van zyn.

De Liefde dan het hart van onze jonge Dochter verlaten hebbende, had de

wanhoop en de spyt in zyn plaats gelaten; deeze vermeesterde het zelve

zoodanig, dat zy voor zich nam, dewyl het leven haar maar een last was,

zich van het zelve te ontdoen, en een einde van baar droefheid, te

maken. Rampzalige sterveling! Wat zyt gy niet te beklagen! Gy vervalt

dikwils van het eene quaad in een ander, 't welk nog veel erger als

het eerste is. Zoo ging het onze Jonge Dogter ook: in plaats van zich

aan eenig mensch vertrouwt te hebben, en haar droefheid geopenbaart,

kropte zy het by haar zelven op en smoorde alles in haar eige boezem.

Zy dan een koort genomen hebbende, maakte 'er een strop van en

verhing zig des avonds toen het duister was geworden aan een Boom,

die even buiten het vlek aan den ingang van het zelve stont. Doch eer

zy hier toe was overgegaan, had zy eerst het geval en de oorzaak van

haar Dood op een zeker blad, 't welk zoo veel als voor papier diende,

geschreeven, en het zelve tusschen haar gordel dewelke zy om haar lyf

had gestoken; op dat het neffens haar lyk mogt gevonden worden. Den

inhoud van dit papier luide aldus.

Aan alle die van de Volkplanting zyn.

"Dat gy my hier in zoo een beklagelijke staat bevint, daar van

heeft niemant de schuld, als een Matroos van het Schip, 't welk

hier eenigen tyd aan dit Eilant gelegen heeft. Zyn naam is Jan

Jansz. dezelve heeft my door schoone beloften weten over te haalen

en door betuigingen, dat hy my tot aan zijn Dood beminnen zou,

dat ik my aan hem geheel over gegeven heb: maar deeze trouwlooze,

na dat hy het genot van myn Lichaam gehad, en zyn onkuische min

daar mede verzadigt, heeft hy zijn beloften in den wind geslagen,

en my in de allerdroevigste staat gelaten, daar een Jonge Dogter

als ik ben, ooit in komen kan. Dewijl ik nu myn ongeluk niet heb

konnen overleven, en my geschaamt heb om myn zwakheid aan anderen

te openbaren, ben ik tot dat uiterste gekomen, waar in gylieden

my thans vind. Ik hoop dat den Hemel hier door mag verzoent zijn,

dat ik my tegens de gewoontens van ons Land aan iemand overgegeven

heb, die my zoo trouwlooslijk verlaten heeft, en die het schenden

van eer en trouw als een beuzeling na de gewoonte van zyn Land

(zoo als hy my zelfs gezegt heeft) achtede."

Zy wierd den volgende morgen al heel vroeg met dit geschrift gevonden

en het zelve wierd de Heer le Sage als hooft der Volkplanting bekent

gemaakt. Deezen goede Heer was zeer over dit geval verlegen; terwyl de

meeste der Inwoonders van het Vlek om wraak en straf tegen het breeken

der Wetten van gastvryheid riepen. Hy liet daarom de voornaamste der

Volkplanting vergaderen, om zig met dezelve te beraden hoe zig in

deeze omstandigheid te gedragen. Zy waren alle eenparig van gedagten

dat de Matroos straf verdient had; dat zy daarom den Schipper en

de voornaamste van het Schip zouden zien te bewegen, dat zy hem aan

haar overgaven om hem die straf te laten ondergaan, en zoo zy niet

goetwillig wilde, dat men hem dan met gewelt zou zien te krygen.

Dit dan aldus besloten zijnde, lieten zy de Schipper en andere

Officieren van het Schip by haar komen, en als doen de Heer le Sage het

woord voerende, zeide tegens haar uit naam der gantsche Vergadering:

dat dewijl 'er een matroos van haar Schip was die tegens de Wetten

der gastvryheid een Maagd van de Volkplanting verleid had, en door

schoone beloften van haar eer berooft; hy verzocht dat men de Matroos

aan den raad overleverde, om hem na haar goeddunken de verdiende

straf te doen erlangen. De Schipper en de andere Officieren stelden

zig wel in het eerst daar tegen; met te zeggen, dat dewyl hy een

Hollander en daar by een varentsgezel op een Hollands Schip was, het

daarom de regtspleging in Holland daar zy na toe stevende toe quam,

om hem zoo hy iets misdreven had te straffen, en dat zy om die reden

niet welvoeglijk hem aan haarlieden kosten overgeven: maar de Heer

le Sage en de raad bragten daar tegens in, dat dewijl het onder het

gebied der Volkplanting geschiet was daar dit misdryf was gepleegt,

het niet meer als billijk was, dat het in en door de magt van het

zelve gestraft wiert; dat de misdadiger zyn leven niet zou behoeven

te verliezen; maar dat zy hem een kastyding evenredig na zyn misdaad

zoude doen ondergaan, om daar door de gemoederen der Volkplanting te

stillen en een voorbeelt aan andere te geven om dezelve van diergelyke

bedryven afteschrikken. Dat zy hem vervolgens weder op vrye voeten

zouden stellen; op dat hy zyn verrigting als Matroos op het Schip

weder zou kunnen oeffenen.

De Schipper en Officieren van het Schip bewilligden hier eindelijk

toe, met dat beding, dat zy hem zelfs, als of het buiten haarlieder

kennis was, zouden doen aanvatten; op dat zy van alle verdere

onderzoekingen zouden bevryd zyn. Daar mede wierd ten eersten aan

eenige der Volkplanting last gegeven, om hem te vatten; en dewyl hy

zig op dien tyt niet op het Schip bevond, kosten zy hem gemakkelijk

krygen. Hy wierd als doen in een zekere woning zeer naauw bewaard,

tot dat zyn straf ter uitvoer wierd gebragt.

De Raad vergaderde doen weder, men besloot in dezelve dat al de

Maagden van de Volkplanting boven de veertien Jaren, by malkanderen

zouden vergaderen; dat zy zig in twee reien zoude scharen, gewapent

met dunne en zwakke teenen, waar door de misdadiger met de naakte

huit tien maal heen en weder zoude geleit worden, en hy op dusdanig

een wys van ieder van haar een slag zoude krygen.

De tyt gekomen zynde, Vergaderde de Maagden en stelden zig in twee

reien ieder met tien teenen gewapent. Het zelve geschiede in het open

Velt; alwaar al het volk zoo van de Volkplanting, als van het Schip,

om aanschouwers te wezen, vergadert waren. De Heer le Sage met de

voornaamste des volks, die den raad uitmaakte, zaten op banken,

gesteld voor den ingang der in twee ryen geschaarde maagden, en na

dat de matroos wel geboeyd voor hem gebragt was, las hy dezelve zyn

misdaad, en de straf die hy daar door verdiend had voor. Als hy dit

verrigt had, wierd den misdadiger met het boven lyf naakt uitgekleed,

en met de handen geboeid, door de gelederen geleyd. De maagden die al

een redelijk getal uitmaakte, sloegen dapper toe; zoo dat het bloed zig

wel haast met de striemen op zyn rug begonnen te vertoonen; terwijl

de gramschap op haar aangezigt op een levendige wyze vertoonde; als

wraak nemende over het schendig stuk dat hy aan een van haar staat

en kunne bedreven had. Toen de straf dus ter uitvoer was gebragt,

moest de matroos voor de Heer le Sage en den Raad verschynen, en

dezelve bedanken voor haarlieder regtmatig vonnis: De Heer le Sage

gaf hem doen nog een verstandige bestraffing, en daar mede wierd hy

weder op vrye voeten gesteld.

De maagd die haar zelven van het leven berooft had, wierd statelijk

begraven en de maagden die de straf aan haar belediger geoeffent

hadden, gingen alle met een treurige vertoning agter het lijk. Dus

nam dit treurspel een einde; 't welk van grooter gevolg had kunnen

wezen, indien de Heer le Sage en den Raad zig daar niet voorzigtig

in gedragen hadden, en het volk op die wyze weder te vreden gesteld.

Na dat die van het Schip zig van haar geleden ongemakken herstelt

hadden, en het Schip in die order gebragt, dat het weer in staat was

zee te kunnen bouwen; maakten zig onze reizigers weder vaardig om

aan boord te gaan.

Zy voorzagen zig van alle verversingen en benodigtheden, die zy maar

kosten bekomen; 't geen de Eilanders zeer mild aan haar uitdeelde. De

Heer N.... en de voornaamste van het Schip bleven ook niet in gebreken,

om aan de Heer le Sage en den Raad geschenken te geven, uit erkentenis

voor haar genoten weldaden. Het afscheid was smertelijk, en de Heer

le Sage met de Heer N.... zyn Vrouw en Dochter storte weg in tranen;

maar Thomas was 'er nog wel het meest over aangedaan.

Men kost de Heer le Sage bezwaarlijk uit zyn armen rukken, zoo vast

hield hy hem in dezelve besloten, en de hikken die hy gaf zonder een

eenige traan te kunnen loozen, gaven genoegzaam zyn benepen hart te

kennen. Eindelijk zyn hart zig door een vloed van tranen beginnende te

ontlasten, en zyn mond die door zyn overmatige droefheit was gesloten

geweest, zig nu wederom beginnende te openen, sprak hy hem op deeze

wyze aan.

Myn waarde Heer, wat valt het my smertelijk u te moeten verlaten! Gy

zyt naast God en de Heer N.... den genen die ik het meest verschuldigt

ben. Gy hebt my daar ik als in den duistere voort wandelde, niet

wetende welke weg ik verkiezen zoude; op den eenen en regten weg

gebragt, daar ik met veiligheid op gaan kan. Wat ben ik u daar niet

voor schuldig? Gewisselijk al moeste ik myn geheele levensloop u ten

dienst staan, was ik zulks verpligt. Maar daar myn hart zoo bereid

is om u ten dienst te staan, wil myn lot niet dat ik het volvoer:

een scheiding die ons mogelijk voor altoos van malkanderen rukt,

staat het my niet toe; ô hoe smertelijk valt my dit! Gewisselijk

indien ik het niet liet om de Heer N.... en zyn Familie, die ik

neffens u voor myn grootste vriend op den aardbodem erken, daar zou

niets in staat zyn om my van u af te rukken, en ik zoude liever met

u de uiterste behoeftigheit willen uitstaan als my na elders heen te

begeven. Vaart wel dan myn Heer, ik wensch dat den Hemel u verder in

uwen ouderdom ondersteunen zal, en ons nog eens weder te samen voegen;

is het hier niet in dit tranendal, ten minsten in een ander en beter

leven: daar ons geen wisselvalligheden meer zullen ontmoeten, om ons

van malkanderen te scheiden; maar daar wy de vrugten van een volmaakte

vriendschap zullen konnen genieten.

Daar op moesten zy hem als met geweld na de bood trekken, om na het

Schip te brengen, terwijl de Heer N.... nogmaals de Heer le Sage

bedankte en vaarwel zeide, met beloften dat wanneer hy in Holland

zoude gekomen zyn, een gelegentheid zou zien te krygen, om met het

een of ander Schip eenige goederen, die hy wel het meest nodig had,

te bezorgen; en dus in vervolg van tyt correspondentie te samen houden.

Wanneer zy te samen in het Schip waren gekomen, kon Thomas nog niet

nalaten van tranen te storten. Ach gelukkig Eiland! zeide hy, daar

u inwoonders in haar handel en wandel met de bekentenis van haar

geloof over een komen! Al zyn 'er geen schatten by u te vinden,

of rykdommen te winnen, die dikwils meer tot 's mensen verderf als

voordeel strekken, houde ik u nogtans voor gelukkig. Uwe inwoonders

bezitten de waare rykdom, 't welk is de vergenoeging en de opregtheid

van zeden; dit gevoegt by het geen de eenvoudige natuur tot vergelding

van haar arbeid op u opgeeft, om haar van het noodzakelijke en zelfs

het geen haar tot vermaak en verquikking verstrekken kan, te bezorgen,

konnen hier wel by al de schatten van het oosten ophalen? Ach gelukkig

Eiland! Vaart wel, hervatte hy nogmaals; ik zal u mogelijk nooit

weder zien: maar u geheugenis zal my nogtans altyd in gedagten blyven.

Ondertusschen hadden de Schiplieden de Ankers opgeligt, en de Zeilen

opgeheist om Zee te kiezen. Zy namen haar afscheit van de Eilanders

nog met eenige Kanonschoten, en daar op zeilde zy voort en raakte

spoedig uit het gezicht.

De Heer N.... gaf het de naam van het benevelde Eiland, en rekende de

breete en lengte uit, waar op het zelve gelegen was; op dat de gene

die hy 'er in het vervolg na toe wilde zenden, het zoude kunnen opdoen.

Zy hadden een heele goede reize en haar de wind dienende, kwamen zy

behoude op de reede van Texel ten anker. Als doen de Heer N.... zyn

Pakgoederen, die hy in het Schip had, daar uit hebbende laten ligten,

vertrok hy met zyn Vrouw, Dogter, en Thomas na Amsterdam, en begaf

zig in een Logement; om aldaar zig eenigen tyd op te houden, tot dat

hy een beter gelegentheid zoude gekregen hebben.

Doe zy in Amsterdam gekomen waren, was Thomas zeer verwondert over

die groote en pragt der Stad; de Dogter van de Heer N.... vergezeld

met zyn Vrouw, Dogter, en Thomas, lieten niet na verscheide dagen na

den anderen door de Stad te wandelen en aldaar al het merkwaardige

te bezigtigen: doe zy dit nu eenige tyd gedaan hadden, vroeg de Heer

N.... aan Thomas wat hem wel dagt wegens haar gelegentheid en of

hy ook wel zin in dezelve had. Als ik u naar waarheid myn gevoelen

zal zeggen, myn Heer zeide Thomas; zoo moet ik u te kennen geven,

dat ik zeer verwondert ben over haar uytgestrektheyd, volkrykheid en

pracht: maar dit neemt niet weg, dat het my (indien ik verkiezing

had om te woonen waar ik wilde) hier veel te woelig zoude wezen;

daar by dunkt my dat de lucht hier ook zeer zwaar en bedompt is,

vervuld met zware en stinkende dampen, die uit de gragten komen. Wat

dunkt u van de gewoontens en zeden der inwoonderen? vroeg hem de Heer

N..... verder; daar is niet veel op te roemen antwoorde hem Thomas,

niet dat ik zeggen wil dat 'er in het geheel geen eerlyke lieden in

zouden weezen; maar ik heb 'er tot nog toe zoo wynig in gevonden, dat

indien ik het niet om uwentwil was, ik wel zoude wenschen op staande

voet by de Heer Le Sage op het benevelde Eyland te wezen, of in eenig

ander oord des waarelds daar my de menschen, vriendelyk in haar zeden

volmaakter zoude voorkomen. Wel zoo Thomas zeide de Heer N...., gy

geeft geen al te groote lof van de inwoonders van Amsterdam, indien

'er al eenige onder zyn daar niet veel op te roemen valt; zoo zyn 'er

evenwel dat heele brave lieden zyn, en daar men zig in vyligheid mag

op vertrouwen: gy moet dan zeer ongelukkig zyn, tot nog toe de ergste

getroffen te hebben; want anders zoud gy 'er op een andere wyze van

oordeelen. Dit kan wel zoo wezen antwoorde Thomas; maar ik heb hier

dog in het algemeen gevonden, dat de menschen zeer baatzugtig zyn,

en dat zy zig van alle middelen bedienen om zig te verryken, dat zy

weinig agting voor een eerlijk man hebben als hy geen geld heeft;

maar weder in tegendeel voor iemand die middelen bezit, de grootste

eerbied hebben; al is hy het onwaardigste schepsel dat 'er leeft.

Dit spruit uit de behoeftigheid, daar de meeste menschen in gedompeld

leggen, hervatte de Heer N....; 't welk veroorzaakt dat zy meer eerbied

gebruiken voor iemand die ryk is, als voor den genen die niet bezit;

want wat kan iemant die middelen nodig heeft door de eerlykheid van

een ander gebetert worden, die zoo wel behoeftig is als hy? Daar hy

in tegendeel van de overvloed eens ryke, al was hy ook de grootste

schurk, nog eenig voordeel kan genieten, 't welk zyn behoeftigheid

kan te hulp komen.

Hier om myn goede Thomas beoordeelen wy ligtelijk iemand, die wy

indien wy zyn omstandigheden wisten, zouden vryspreeken. Gelooft my

myn vriend, de menschen zyn hier niet anders als in andere gedeeltens

der waereld; maar de omstandigheden waar in zy zig bevinden, maken 't

onderscheid. De armoede en de behoeftigheden hebben iets verlijdelijks

in zig, dat den mensch dikwils tot daden doet overgaan, die hem

anders tegen de borst zouden stryden en hy is daar door zelfs wel

genootzaakt om het te doen, al heeft hy 'er geen zin in. In Holland

en voornamentlijk hier in Amsterdam is het duur teeren, en dewijl

den een van den anderen leven moet, moeten zy zien hoe zy best aan

de kost komen.

Gy moet dan evenwel met my toestemmen myn Heer zeide Thomas, dat een

Land niet zeer te pryzen is, waar men zoo bezwaarlijk aan het nodige

kan komen, en daar men om 'er aan te geraken zulke laagheden moet

begaan? Ik voor my, ik wilde liever onder de wilden in de bosschen

van Amerika leven, als my daar toe te begeeven.

Wel, wel; onder de wilden te leven zoude ook zoo vermakelijk niet

weezen, zeide de Heer N...., zy plagen malkanderen alzo wel als

de Europiane..... Dat is waar hervatte Thomas; maar dit is als zy

als vyanden tegen malkanderen opstaan: Die geenen die onder een

hooft hooren, beminnen en eeren malkanderen als Broeders, en staan

malkanderen in haare behoeftigheden by. Gy hebt daar zelfs meenigmalen

blyken van gezien onder de wilden te Surinamen, die men bokken

gebynaamt heeft: hoe trouw en menschlievend dat zy voor malkanderen

zyn en hoe zy malkanderen in benodigtheden de behulpzame hand bieden.

Onder ons Negers in Africa zoude even het zelve in zwang gaan; want

wy kunnen ons ook met weinig behelpen, en zyn daarom zoo behoeftig

niet als de Europianen: was die Koopmanschap in menschen daar niet

ingedrongen; zoo dat de Ouders haar Kinderen dikwils niet ontzien

te verkopen, en dus de allernaauwste banden, die de natuur te samen

geknoopt had, verbreeken. Het is wel waar dat men in Europa zoo een

uiterlijke handel in menschen niet bedryft; maar zoo als ik wel heb

gehoord, hebben hier eenige zulke slimme vonden, om de menschen van het

geen zy bezitten, te beroven; dat zy wel genootzaakt zyn zig zelven

aan haar of andere over te geven, op zekere voorwaardens die zoo wel

na slaverny zweemen, dat 'er niets anders als de naam aan ontbreekt.

De Heer N.... het woort opnemende, zeide. Dat gy tegens de Europianen

en tegen de Hollanders zoo zyt vooringenomen, komt daar van daan,

dat gy haar zeden en gewoontens nog niet gewent zyt; wanneer gy wat

langer hier zult zyn geweest, zult gy 'er wel anders van oordeelen. Gy

zult dan ondervinden hoe veel braver en eerlijke lieden hier gevonden

worden, en het geen gy nu voor laagheden en verkeertheden aanziet,

zal u als dan zeer regtmatig en billijk schynen.

Ik hoop die dag eens te beleven, antwoorde Thomas, maar ik wil wel

bekennen dat ik tot nog toe, die regtmatigheid niet heb gevonde, en ik

geloof dat 'er al heel wat tyt toe zal vereischt worden, om my daar

van te overtuigen; maar laten wy het voor deeze reis daar by laten

berusten myn Heer; dewijl ik met dat gelt dat gy my gegeven hebt,

om Laken en voering tot een kleed voor my te kopen, heen zal gaan by

een Winkelier, om te zien of ik het krygen kan. By wien zoude ik wel

het beste te regt kunnen komen? hebt gy ook kennis aan een Lakenkoper

daar ik my op zoude kunnen vertrouwen, dat hy my niet bedriegt? Daar

zyn 'er hier verscheide in de Stad die voor eerlijke lieden te boek

staan, antwoorde de Heer N...... Daar is 'er voornamentlijk een, dat

een man is, die my wel bekend is, en die gy gerustelyk op zyn woord

mag geloven; zegt hem, ik moet dat en dat hebben en laten hem begaan,

en gy zult zien dat hy u wel zal handelen.

Dit diende ook wel zoo te wezen zeide Thomas; want ik heb weinig kennis

van die Koopmanschap, en de Heer N..... gegroet hebbende, ging na het

huis van die Lakenkoper. Hy daar komende, vond hem in zyn Winkel,

en hem gegroet hebbende, zeide dat hy hem op zyn woort eenig Laken

moest verkopen van die en die couleur; dewijl hy 'er weinig kennis

van had, en dat hy het daarom op hem aan liet komen. Zeer wel myn

vriend zeide de Lakenkoper, ik zal u zulke goede waar voor u geld

leveren, dat gy 'er ten hoogste over zult voldaan zyn: en daar mede

een oud verlegen stuk Laken krygende, dat half van de mot verteert

en daar weinig wol op was, zeide; ziet daar myn vriend, daar hebt gy

Laken dat zoo zagt als zyde is; 't is wel waar dat het een weinig

dun is; maar dat komt door zyn fynte: dit gelt het allernaaste zoo

veel. Belief gy nu dat ik u daar van af snyde? Ik zoude het u raden;

want gy zult nooit beter Laken voor zyn geld krygen.

De goede Thomas (om dat de Lakenkoper zoo in ernst scheen te spreeken)

geloofde al het geen hy zeide. Myn Heer zeide hy; dewyl ik u op u woord

geloof en u voor een eerlyk man aanzie: zoo wil ik u laten begaan;

maar is dit de allernaaste prys? Geen penning minder antwoorde de

Koopman. Als het dan zoo is zeide Thomas, sneid zoo veel ellen van het

stuk af als ik tot een kleed nodig hebbe; t'welk de koopman gedaan

hebbende, ging met de voering ook zoo te werk als hy met het laken

had gedaan; gevende hem niet anders als het geen oud en verlegen was.

Als Thomas zyn gekogte goed betaalt had, groete hy de Koopman en

ging na huis. T'huis komende liet hy de Heer N.... zien het geen hy

gekogt had. Ik geloof dat ik wel te markt ben geweest zeide hy tegen

dezelve, die Koopman heeft my verzekert dat'er geen beter Laken en

Voering voor dat geld te krygen was.

De Heer N.... in plaats van het zoo goed te vinden, zag 't

tegendeel. Dat Laken en die Voering deugd niet, zeide hy; gy zyt

'er mede bedrogen: want het is verlegen en half van de mot opgevreeten.

Hoe kan dit weezen myn Heer antwoorde Thomas: gy zegt immers! dat

het zoo een eerlyk man is die gy zoo wel kende? Dan ben ik in myn

meening bedroogen geweest, hervatte de Heer N.... ik heb hem 'er

altyd voor aangezien; maar nu zie ik dat ik daar in gemist heb. Met

dit te bekennen dat gy kunt missen in uwe denkbeelden myn Heer; zult

gy mogelyk nog eer van zin als ik veranderen over de eerlykheid en

bestaanlykheid der Europianen, vervolgde Thomas; daar gy nu reeds

weder een staaltje van ziet; want gy zult my niet kunnen wys maken,

dat gy niet meer diergelyke staaltjes ondervonden hebt. Gaat haastig

weder na de Lakenkoper toe zyde de Heer N.... en zegt dat hy u ander

en beter goed of uw geld wederom geeft; t'welk Thomas doende, zyde

tegen hem: myn Heer daar is u goed wederom, het deugd niet; gy hebt

my bedrogen, ik moet ander en beter in de plaats hebben; of anders

moet gy my myn geld wederom geven.

Zagt, zagt myn vriend, antwoorde de Koopman; wy geven zoo schielik

geen ander goed, of het geld in de plaats: gy hebt het gekogt en af

laten snyden. Ik zou het nu al wilde ik het, niet zonder myn schade

wederom kunnen nemen; daarom is het te vergeefs, dat gy de moeyte

gedaan hebt van wederom te komen: vermits ik 'er niet toe zal overgaan.

Niet toe overgaan! Myn Heer heeft evenwel belast dat ik het u

zeggen zoude dat gy het wederom moest nemen, zeide Thomas. Wie is

u Heer? vroeg de Koopman. Hy is de Heer N.... en hy is altyd van

meening geweest dat gy een eerlijk man waart; antwoorde Thomas. Wel

dat spyt my, zeide de Koopman dat ik dit niet geweten heb; ik zoude

u als dan beter gestelt hebben, maar nu kan ik het onmogelijk doen;

dewyl het reeds afgesneden is: op een ander tyt zal ik u beter helpen.

Dan hoor ik wel myn Heer, zeide Thomas, dat gy onderscheid maakt,

wie dat goed by u komt kopen! Is het niet het zet zelve wie dit doed

als de lieden u betalen? dit is geen brave lieden werk. Een Winkelier

moet zig van het slegte zoo wel als van het goede weten te ontdoen,

zeide de Koopman; want anders zoude hy daar mede blyven zitten, en

reken eens wat schade hy als dan zig zoude doen? Dan moest hy het

slegte goed voor slegt verkopen antwoorde Thomas, en laaten het slegt

betalen; maar niet voor goed en duur; maar het gaat zoo met ulieden,

dat als het met u belang overeenkomt, en gylieden een onkundige voor

hebt gylieden daar niet van weet, om dien te bedriegen. Ik zal dan

het goed maar weder mede nemen, dewyl het niet anders kan wezen; maar

gy zult lang wagten eer ik wederom zal komen om ander te kopen. Hier

mede vergramt weg gaande zonder hem goeden dag te zeggen, begaf zig

weder by de Heer N.... die hoe zeer hy anders gebelgt was dat Thomas

zoo bedrogen was; evenwel in zyn hart moest lachen, dat hy de Koopman

zoo de waarheid gezeit had.

Gy diend ook wel een hoed en kousen te hebben, zeide de Heer

N.... tegen Thomas; gaat by de Winkelier die daar woont; ik twyffel

niet of gy zult daar zeer wel te regt komen; want dat is een man die

niet alleen voor zeer eerlijk te boek staat; maar zelfs voor vroom:

hy is in Kerkendienst, en derhalven is 't niet te denken dat hy u

bedriegen zal. Koopt daar dan een hoed en kousen van die prys. 'T

is wel myn Heer; zeide Thomas ik ga u wil volbrengen: maar ik hoop

niet dat gy weder in u meening mag bedrogen worden: en daar (na dat

hy geld van de Heer N.... tot zyn Koopmanschap ontvangen had) begaf

hy zig na het huis van den Winkelier.

Geschiedenis van een Neger Zyn Reize met de Heer N.... van Surinamen naar Holland.... enz. · 第 4 / 6 段