alleen maar na haar natuurlijke driften te werk; zoude een mensch
ook zoo niet kunnen doen, en even gelijk zy gelukkig leven?
De Doctor. Geenzins: want een mensch heeft edeler gaven ontfangen
als de dieren, hy is met een reden begaaft, waar door hy ver boven
dezelve verheven is.
Ik. Zou dan een dier, ieder in zyn soort genomen, zoo wel met geen
verstand begaaft zyn als een mensch?
De Doctor. Zy hebben ieder wel na haar hoedanigheid die bekwaamheden,
die zy nodig hebben, om zig zelven en haar geslacht te doen bestaan:
maar al het geen zy doen, weten zy niet waarom dat zy het doen. Het
is met een mensch zoo niet gelegen; dezelve oordeelt van het
voorledene, voorziet het toekomende en wat zig daar voorzigtig in
het tegenswoordige van te bedienen.
Ik. Ik moet dit met u toestemmen, dat den mensch van vry verhevener
hoedanigheden is, als een dier; maar waar uit zoud gy my de
aanwezentheid van een God kunnen betoogen.
De Doctor. Door die zelve reden en bekwaamheid die wy boven dieren
bezitten, worden wy geleid om zulk een Opperweezen te erkennen, dezelve
doet ons door onze uiterlijke zinnen de grootheid, wonderlijkheid,
schoonheid, en order van al het zigtbare beschouwen; wy zien dat
het van zig zelven dood is en onbeweegbaar in zyn delen, maar door
de beweging al die gestaltens en hoedanigheden verkrygt, waar in
wy het zien: dewijl het uit zig zelven onbeweegbaar is, moeten zyn
deelen door een eerste bewegende oorzaak aan de gang gemaakt worden;
niet gelijk als een gewigt of veer de raderen van een horologie
doet omgaan; maar als de maker van dat gewigt, die het zelve met
verstand en overleg toegestelt heeft, om het Horologie op een zekere
welgestelde maat en order te doen omgaan; want anders zouden wy God
als een blinde beweger moeten aanmerken, zonder te weten waarom hy
de stoffe bewoog, en de beweging zoude niet regelmatig geschieden;
maar alles zoude eer ten ondersten boven keeren, en een verwarde
Chaos veroorzaken. Daar men dit nu regt anders in de schoonheid,
regelmatigheid en order der samengestelde lichamen vind.
Ik. Ik moet het toestemmen dat men alles verwonderlijk in de natuur
en derzelver uitwerkselen vind: maar om niet boven onze kring te gaan;
zoo laaten wy alleen den mensch en zyn lotgevallen beschouwen: kan men
daar die order wel in vinden die gy voorgeeft? Hy is het voornaamste
schepsel op het oppervlak der Aarde, met zulke schoone hoedanigheden
boven de dieren begaaft, en nogtans ziet men dit voortreffelijke
schepsel ô wonder! altyd met zoo veel tegenspoeden, en ongelijke
lotgevallen besprongen! Waarom stelt die eerste beweeger geen beter
order om een schepzel te behouden, 't welk zulke voortreffelijke
hoedanigheden heeft? en daar hy zoo veel aan heeft te kosten geleid?
Hier op kwam de Doctor op de openbaring en zeide my genoegzaam even
het zelve dat gy tegens de Neger gezegt hebt. Hy zeide my om kort
te gaan dat wy menschen door onze redenkaveling en bespiegeling, wel
tot een eerste werkende oorzaak kosten komen; maar niet op hoedanig
een wijze hy met zyn schepzelen, en voornamentlijk den mensch omgaat:
dat hy de goetheid gehad had om ons door overlevering en Schriftuur,
het alles nader te openbaren en ons zyn wil te kennen gegeven, op
hoedanig een wijze hy wilde gedient zyn. Hy wist my vervolgens zoo door
zyn redeneringen, als door bewyzen uit de Schriftuur, zodanig van de
waarheid der Christelijke Religie te overtuigen, dat ik daar van ten
vollen overtuigd wierd. Maar dewijl ik hem zoo lang hy geredeneert had,
nooit van de Kerk nog van derzelver instelling had hooren spreeken;
twyffelde ik of hy wel van de Roomsche Religie was: Ik vroeg hem
dan het een en andere dezelve aangaande, en of hy ook van diezelve
gevoelens was. Waar op hy my antwoorde, dat hy nooit zoo bygeloovig
geweest was, om aan derzelver instellinge en ceremonien geloof te
slaan of toe te stemmen; maar dat hy van de hervormde Godsdienst was,
dewijl hy die het best met de gezonde reden en het geen in den Bybel
vervat was, overeen dagt te koomen.
Ik verzogt hem hier op, dat hy my de gronden van die Religie eens
wilde openbaren; maar hy zeide my voor als doen geen tyd te hebben
om dit te doen, dat als hy in het vervolg weder kwam, hy my dezelve
zou bekent maken. Daar op van my afscheid nemende, bedankte ik hem
wel duizendmaal voor zyn goede onderrigting, met verzoek van in het
vervolg volgens zyn beloften in dezelve te vervolgen.
De Heer N.... wilde in zyn verhaal voortvaren; maar hy wierd daar in
door de Heer le Sage belet met tegen hem te zeggen; Myn Heer dewijl
gy reeds zoo veel gezegt hebt zonder u te verpozen; zoo dunkt het
my nu wel eens tyd te weezen, dat gy een weinig rust: wy zullen
onderwijle een glaasje wyn drinken; want u mond zal door het veel
spreeken zekerlijk wel zyn droog geworden. Daar op iemand geroepen
hebbende om Wyn te bezorgen, dronken zy te samen een glaasje, en na
dat de Heer N.... zig weder een weinig in staat gestelt had om zyn
verhaal te vervolgen, voer hy aldus voort.
De Doctor quam my weder bezoeken, en na dat hy my het een en ander
voorgeschreven had, bragt ik hem zyn belofte te binnen; 't welk ik
hem niet zoo haast gedaan had, of hy quam dezelve na en onderrigte my
zodanig in de gronden van zyn Godsdienst, dat ik in korte tyd daar van
een volkomen kennis had. En dewijl ik dezelve zoo redelijk vond en zoo
tegenstrydig niet als die van de Roomsche Religie, begaf ik my geheel
en al aan dezelve over, hem zeggende dat zoo draa Ik weder in staat
was, en in vorige welstand hersteld, ik my zelven in de vergadering en
in de gemeente van zyn geloof zou begeven. Hy moedigde my hier verder
toe aan en prees myn verkiezing, en dewijl het niet lang duurde of ik
was volkomen hersteld, bevond ik my wel haast al in de vergaderingen
die de Gereformeerde in stilte oeffende; maar ik kon dit zelve zoo
geheim niet houden, of de Jesuiten die over al op myn gangen lettede,
hadden 'er wel gaauw de lugt af. Nu dagten zy haar tyd gevonden te
hebben, om my dat geen te doen betalen, 't welk ik door myn al te vrye
spreeken tegens die van haar order na haar gedagten verschuldigt was.
De Jesuit die myn Leermeester geweest was, vervoegde zig aan het huis
van myn Vader, en liet zig aanmelden om hem te spreeken. Na dat myn
Vader hem hem in zyn zydvertrek had laten komen, zeide de Jesuit
tegens hem: Ik dagt wel dat u Zoon van het eene uiterste tot het
andere zoude overgaan! Na eerst de grootste Vrygeest te zyn geweest,
is hy nu de grootste Ketter en dweeper geworden. Ik weet van goeder
hand, dat hy zig nu onder de zoogenaamde Gereformeerde ophoud, dat
hy zig in al haar geheime vergaderingen laat vinden, en zig in de
gronden van die Godsdienst, die zy belijden, laat onderwijzen.
Myn Vader die een zeer ieverig Catholijk was, en die liever zou
gehad hebben dat zyn Zoon de grootste Vrygeest geweest was, mits
dat hy maar nu en dan de Roomsche Godsdienst pligten bygewoont had,
als een Ketter te weezen, (zoodanig blind en buitensporig is een al
te overbodige Godsdienstiever), was hier zeer over verwondert als
hy dit hoorde. Ik heb al niet geweten zeide hy, hoe dat hy zig zoo
stil en ingetogen hield sedert dat hy niet wel te pas geweest is,
ik was dit niet van hem gewent; maar nu geeft het my geen wonder,
dat nu hy onder die fymelaars gekomen is, hy zoodanig verandert is.
Maar wat raad hier in te doen mijn Heer? U Zoon onder het oog te
brengen zeide hy, dat hy zich tegen het gezag van de Kerk en des
Konings vergreepen heeft, en dat zoo hy zich niet weder in de schoot
van de eerstgenoemde begeeft en dezelve om vergiffenis smeekt, dat
zelve gezag zal gebruikt worden om 'er hem toe te noodzaken, of anders
de maatregelen die 'er tegen gestelt zyn. Daarom is het u plicht om
hem ten scherpsten daar over te onderhouden, en hem tot zyn plicht
te doen keren; want zoo gy dit niet doet zult gy aangezien worden,
als een man die medepligtig is aan u Zoons buitensporigheden.
Mijn Vader beloofde hem dit te zullen doen, en na dat de Jesuit was
weggegaan, verhaalde hy het geen hem was voorgekomen aan myn Moeder,
Broeder, en Zuster. Dezelve waren alle zeer verwondert, en die zelve
blinde Religie-yver die mijn Vader had, bezielde haar ook boezemde
haar die zelve gedachten tegens my in. Om kort te gaan zy waren alle
zeer tegens my ingenomen, en het eerst dat mijn Vader deed, was my
by zig te roepen, om met my daar over te spreeken.
Zoo draa ik by hem gekoomen was, vroeg hy my met een verontwaardiging,
tot wat voor buitensporigheden ik my begaf: Ik vroeg hem daar tegens
wat buitensporigheden hy meende: hy daar op antwoordende zeide;
vraagt gy noch daar na? Of dunkt u dit geen buitensporigheden genoeg
te weezen, dat men zich van de waare Religie en de algemeene Moeder de
Roomsche Kerk afzondert en zich onder de snoodste en argste Ketters
begeeft die 'er onder de Zon te vinden zyn? Ik ben 'er van goeder
hand achter gekomen, en zoo gy niet van zin verandert; kunt gy staat
maaken, dat ik u niet langer voor mijn Zoon erkennen en in mijn huis
dulden zal.
Ik zogt my zoo veel te verschonen als mogelijk was, met te zeggen, dat
een mensch behoorde vry te weezen in het oeffenen van zyn Godsdienst,
die hem dagt de beste te weezen; zoo lang hy zich daar door niet
schuldig maakte aan ongehoorzaamheid tegens zyn Vorst of de wetten
van het Land; maar hy lachte met mijn verontschuldigingen, zeggende
dat de Ketters daar altijd mede voor den dag kwamen, te weten met de
verdraagzaamheid in het stuk van Godsdienst en dat zoo zy de overhand
eens hadden boven de andere, zy mogelijk veel onverdraagzamer als
dezelve zouden weezen.
Wat konde ik veel doen in zoo een netelige omstandigheid voor my? Het
beste dat my dacht was eenig uitstel te verzoeken om 'er my over te
bedenken; 't welk ik hier voornamentlijk om deed, om in de tusschentyd
eenige wijze schikkingen te beramen, om my voor de vervolgingen der
Jesuiten te bevryden. Mijn Vader bewilligde daar in, en gaf my daar toe
den tyd van veertien dagen, dewelke ik besteede om my met den Doctor
en de andere geloofsgenoten te beraden, wat ik zoude doen, en hoe hier
in te gedragen. Wy denken niet zeide zy dat gy u door de vrees van
vervolgt te zullen worden, van de waare Religie zult laten afwenden,
en om menschen te behagen, een geloof dat gy zoo billijk keurt zult
verlaten, om u tot een ander te begeeven, dat zoo strydig is tegen
het gezonde vernuft en reden? Wy raden u dat gy om die vervolging te
ontgaan; veel liever dit land verlaat om u in een ander te begeven,
daar gy meer vryheid kunt genieten: gaat dan liever na Holland dewijl
gy noch jong en sterk zyt, zal het u niet aan middelen ontbreeken, aan
uw brood te komen, 't welk wy u des te meer aanraden, om dat zoo gy
hier blijft wy gevaar lopen van een en 't zelve lot met u te zullen
moeten deelen, en in die draaikolk waar in gy thans verwart zyt,
mede zullen ingesleept worden: daar zy in tegendeel nu noch maar
alleen tegens u een haat opgevat hebbende, dezelve door u vlucht
zal worden uit de weg geruimt, en wy gerustelijk hier zullen kunnen
blijven. Wanneer gy derhalven onze raad wilt opvolgen, zullen wy u
zoo veel ons mogelijk zy helpen, en gy zult u zelven en ons van een
niet ongegronde vrees ontslaan.
Deeze raad dacht my goed te weeze en op reden te steunen: Ik maakte
my derhalven bereid om hier toe over te gaan, en des te meer, om mijn
goede geloofsgenoten niet in het zelve gevaar te brengen, waar in ik
thans was.
Men zogt my vervolgens van alle benodigtheden op de reis te bezorgen,
daar wierd beslooten dat ik zelfs myn Ouders geen kennis daar van
geven zoude, uit vrees dat zy my daar in mogten beletten, en doe ik
klaar was om te vertrekken, nam ik afscheid van al mijn goede vrienden,
't welk niet zonder tranen geschiede, en vertrok na Holland.
Daar gekomen zynde, begaf ik my ten eersten met brieven van
aanbeveling, die ik van eenige mijner geloofsgenoten gekreegen had,
na die geenen daar zy aan hoorde, en gaf haar mijn omstandigheden te
kennen. Zy beloofden my met zoo veel raad en daad behulpzaam te zyn
als mogelijk was, gelijk zy ook zoo lang ik my in Holland bevond,
te werk stelden. Maar gelijk 'er geen een van die goede vrienden
in staat was, om my in Holland iets te bezorgen, waar door ik mijn
bestaan op een fatzoenlijke wyze zou kunnen vinden; zoo rade zy my
dat ik my na de West-Indien zou begeven en wel na Surinamen, dewijl
'er zich op die tyd een goed vriend van haar t'Amsterdam bevond, die
te Suriname een Plantagie had, en een Directeur op dezelve benodigt
had. Ik keurde haar raad goed, en verzogt haar dat zy voor my die
plaats wilde verzoeken. Zy stelde het ook ten eersten te werk, en
verkregen de Directeurs plaats voor my; waar na ik kort daar na my
aan boord begaf, om na Suriname te stevenen.
Mijn reis was kort en goed, en ik kwam gezond en wel op de Plantagie
daar ik op hoorde, ik nam myn post getrouwelijk waar, 't welk my
(al zeg ik het zelfs) eenige agting onder fatzoenlyke lieden te weeg
bragt; dewijl zy my bejegende en in haare gezelschappen toelieten,
als of ik zelfs Heer van een plantagie was.
In een der gezelschappen die ik onder andere bywoonde, was een
jonge weduwe, die twee plantagien kort by de myne daar ik op was
tot eigendom had, haar man was omtrent een jaar dood geweest, en
had haar zonder Kinderen overgelaten. Deeze Weduwe stond my zeer wel
aan; dewijl zy gantsch niet onbillijk nog onvriendelyk was, ik kreeg
genegendheid voor haar, en zogt maar na bekwame middelen en wegen,
om het haar bekend te maken. De meeste zwarigheid die ik 'er in vond,
was myn armoede in vergelyking van haar rykdom, maar de liefde over
alle zwarigheden ligtelijk heen stappende, nam ik voor, maar hoe eer
hoe liever mijn hard aan haar te openbaaren.
Ik begaf my dan op een nademiddag na haar woonplaats toe, en liet
my aanmelden, verzoekende om haar eens te mogen spreeken. Zy liet my
achter in een zaaltje (waarin zy zat; om de koelte te scheppen) by haar
komen. Na dat wy in den beginnen over een en andere onverschillige
zaaken gesproken hadden, vroeg zy my wat ik te zeggen had. Mevrouw
zeide ik; Indien het geoorlooft is voor een persoon, die van de
goederen des geluks niet al te zeer voorzien is, aan een ander
van meerder middelen zyn hart open te leggen, zonder dezelven te
vertoornen; zoo wenschte ik wel dit aan u te doen en ...... Zy daarop
my in de reden vallende zeide: Myn Heer schoon iemand minder goederen
als een ander bezit, zou hy daarom niet bevoegt zyn, zyn belangens
voor te dragen? Ik geef u daar volkomen vryheid toe, en wel verre van
my daar over te vertoornen, beloof ik u, zoo het in mijn vermogen is
u eenige dienst te doen, ik het met vermaak zal werkstellig maken.
Mevrouw zeide ik daarop, het staat volkomen in u magt om my gelukkig
te maken: Ik kom om de bezitting van u beminnelijke persoon, en
schenk u myn hart; indien gy u verwaardigen wilt het zelve aan te
nemen. Zy veranderde op dit mijn zeggen van couleur, en zeide: Mijn
Heer indien ik geweten had dat gy dit van my zoud verzogt hebben,
zoude ik u zoo veel niet belooft hebben, daar by verbeeld gy u dat
dit zoo in mijn magt stond; maar ik moet u zeggen dat gy u daar
in bedriegt, vermits mijn waarde overlede man nog zoodanig in mijn
hart en geheugenis begraven leid, dat ik daar onmogelijk een ander
in zoude kunnen plaatsen. Ik bedank u derhalven voor u genegentheid
't mywaarts en wensche dat den Hemel u een vrouw mag toeschikken,
met meer volmaaktheden als ik bezit; dewijl ik niet kan overgaan om
mijn hart een ander te schenken, 't welk mijn waarde overlede man
noch ten vollen bezit.
Mevrouw zeide ik daar op, de levendige kunnen immers met de dooden niet
meer omgaan! Wat vrugt heeft u overlede man meer van u liefde? Hy is
hoop ik heden in een staat, waar in hy Hemelsche zoetigheden geniet,
om aan de geen die hy hier om laag gelaten heeft de aardsche te laten;
laat hy dan voor een ander de plaats, die hy reeds zonder vrucht
zoo lang bezeten heeft, ontruimen en maakt die ook zoo gelukkig als
hy geweest is; op dat gy en hy de vruchten van een volmaakte liefde
plukken mag. Dit zeggende en met een, een van haar handen nemende,
dezelve zagtelijk drukkende, scheen het als of zy een weinig na
mijn reden luisterde. Mijn Heer zeide zy, voor het tegenwoordige
kan ik ten minsten daar noch niet toe over gaan; wat de tyd in het
vervolg zal te weeg brengen, weet ik niet: verwin dan u zelven voor
het tegenwoordige en laat ....., Ik viel haar als doen in de reden
en zeide; Mevrouw ik begeer niets meer als tyd en vryheid te hebben
om u by wijlen eens te mogen komen bezoeken, en ik hoop dat dezelve
te weeg zal brengen, dat ik mijn geluk volmaakt zal zien. Zy stont
my dit na een zoete weigering toe en ik als doen mijn afscheid van
haar nemende, keerde ik weder tot mijnent te rug, met de hoop en het
genoegen van t'eeniger tyd mijn wensch eens vervuld te zien.
Ik kwam een dag of drie daar na wederom, en wist door mijn aanhouden
het zoo ver te brengen, dat ik eindelijk het jawoort kreeg, en daar op
kort daar na met haar trouwde. Ik heb my ganschelijk over myn trouwdag
niet behoeven te beklagen; vermits wy altyd in eendrachtigheid te
samen geleeft hebben, en onze liefde is tot heden toe niet voor
malkanderen vermindert: maar eer vermeerdert. Onze huwelijksmin is
ook met verscheide Kinderen gezegent geworden, waar van 'er nu noch
maar een in het leven is, het welk deze dogter is die ik by my heb;
de andere zyn vroeg gestorven.
Onderwijlen dat ik te Suriname woonde, heb ik ook door myn
Correspondenten uit Vrankryk de tijding gekregen, dat mijn Ouders my
van al het goed waar na ik t'eeniger tyd had kunnen staan, versteken
hadden; dat zy daar op kort daar na waren komen te sterven, en mijn
Broeder en Suster alleen erfgenaam waren gebleven. Den Doctor en de
andere Gereformeerde geloofsgenoten, hadden met de Jesuiten eenig
spel gehad; doch zy hadden door geld en geschenken te geeven, dezelve
gestilt. Wat my aanging, ik was door den Hemel zoodanig gezegent,
dat ik my niet eens over het verlies van mijn erfdeel bekreunde,
en ik misgunde het mijn Broeder en Suster niet; vermits ik het niet
nodig had.
Het is nu na by de twintig jaren, dat ik te Surinamen gewoont, en
daar zeer vergenoegt geleeft heb; het eenigste dat my een weinig
tegengestaan heeft, is de barbaarse en wreede handelwijze, die de
slaven dikwils moeten ondergaan als zy meesters aantreffen, die geen
menslieventheid bezitten, en ik wil wel bekennen zonder my daar op
te beroemen, dat ik altyd meer met goede woorden van haar heb kunnen
krijgen, als met slagen; zy hebben altijd veel van my gehouden en zy
waren zoo bedroeft dat zy een andere meester zoude krijgen, dat 'er
eenige onder waren die als kinderen schreiden, toen zy het hoorde. Ach
mijn goede meester, zeide eenige onder haar, wat zyn wy ongelukkig u
te verliezen! Waar krygen wy 'er zoo een weer als gy geweest zyt! Ik
zogt haar zoo veel te troosten als in mijn vermogen was, met tegen
haar te zeggen, dat 'er meer goede lieden in de waerelt waren als ik,
en dat ik haar raade, met braaf op te passen de genegentheid van
hun meesters te winnen; 't mogt weinig baten, de neerslachtigheit
was uit haare wezens te leezen. Ik wil hier meede te kennen geeven,
dat men dikwils door zagtheid en goetheid meer op de harten van zyn
volk kan winnen, en meer dienst daar van hebben, als door strafheid.
Na dat ik dan voorgenomen had, met mijn Vrouw en Dochter na Holland
te gaan, en wy order op alles gesteld hadden, hebben wy ons t' Scheep
begeven, en zyn op die wijze alhier aangekomen, gelijk u bekend is.
De Heer N..... had alhier zyn verhaal ten einde gebragt en de Heer
le Sage bedankte hem voor zyn genome moeite; hy maakte hier en
daar aanmerkingen over, het geen hy van de Heer N.... gehoort had;
maar dewijl het reeds laat in de agtermiddag geworden was, deed hy
het zeer kort. Zy gingen weder by het gezelschap, 't geen haar met
ongedult zat te wagten, en maakte zig dien avond op een betamelijke
wyze met het zelve vrolijk. De tyt tot rusten gekomen zynde, bedankte
het gezelschap de Heer le Sage voor zyn vriendelijkheid, en ging een
ieder van het zelve daar zy wezen moesten.
Onderwyle begonnen die aan het Schip werkte, om het zelve te
herstellen, dapper te vorderen; maar eer dat onze reizigers dit
Eiland verlieten, gebeurde 'er nog een geval, 't welk zich op deze
wyze toedroeg. Een van de Schiplieden, die in de Kerk geweest was
toen Thomas gedoopt wierd, had aldaar een Jonge Dochter gezien,
die 'er gansch niet onbillijk uit zag. Zy had hem door haar
bevalligheden zoodanig betovert, dat hy niet nagelaten had, toen de
Kerk was uitgegaan dezelve na te zien waar zy te huis hoorde, en een
gelegentheid te zoeken, om haar zyn genegentheid bekent te maken. Hy
had dezelve ook wel haast gevonden; vermits onze Eilanders gantsch
eenvoudige lieden zijnde, en bygevolge niet argwaanende, die van het
Schip de vryheid lieten, van in haar huizen te koomen wanneer zy wilde.
Hy vond gelegentheid genoeg om dit meisje zyn liefde te openbaren; maar
dezelve weigerde in den beginne hem ten antwoord te staan. Evenwel
door zyn vlytig oppassen en door de betuigingen van liefde die hy
haar deed, dit Jonge bloed gaande raakende, begon zy een weinig het
oor na hem te leenen. Doen hy zoo ver gevordert was, dagt hy het half
gewonnen te hebben en verdubbelde derhalven zyn vlyt. Hy bragt het
eindelijk zoo ver, dat hy in 't geheel meester van haar hart wierd.
Maar wat raad in dit geval te doen? Het stond hier niemand op dit
Eiland vry om by verkiesing te trouwen. Dit baarde by deze jonge
Dochter voor zoo verre zy nog redenkavelde, eenige ongerustheid;
maar de liefde het eindelijk op de reden winnende, en hy haar met
schoone belofte van getrouwheid paaijende, met tegen haar te zeggen,
dat zoo het al niet wiert toegestaan, dat zy te samen trouwde, hy
haar dan in stilte mede op het Schip zoude neemen, dewijl hy haar
nooit verlaaten zoude; zoo gaf zy zig vervolgens geheel aan hem over,
en hy genoot op die wyze van haar, het geen hem eerst na een wettelijke
trouw was toegekomen.
Maar gelijk gemeenlijk gaat, dat na de genieting de verzadiging volgt;
zoo ging het hier met onze minnaar ook, en hy begon wel haast in
zyn liefde te verkoelen. Het welk zy gemerkt hebbende, zogt zy zig te
beklagen over zyn onstantvastigheid. Hoe! Zeide zy tegen hem, is dit de
beloften agtervolgen, die gy my gedaan hebt, en is dit de vergelding
voor een liefde, die ik ten kosten van myn eer aan u verdient heb, en
waar door ik my in gevaar gestelt heb, om by de gantsche Volkplanting
in veragting te weezen? ô wreede als gy zyt! Die even het genot van
een oneerlijke lust gehad hebbende, een onnozele Maagd verlaat, die
haar hert ganschelijk aan u geschonken heeft! Maar neen ik kan niet
denken dat gy tot zoo een schrikkelijk besluit zult komen; gy doet het
eerder om my eens te beproeven en te zien hoe ik my houde zou, en of ik
'er my ook onverschillig in zou betonen. Neen myn Vriend, gy ziet dit
anders, en wat wreede twyffelingen thans mijn ziel bestormen: betoon
my dan weder als voor heen, die liefde die gy my zoo dier betuigd heb,
en stel my door overtuigende blijken van u wederom gerust.
Onze Jonkman, in plaats van zich door zulke doorslaande blijken van
liefde te laten overreden, schertste met dezelve en zeide; dat ze
zich maar wel te vreeden zoude houden, dat de tyt die alles slijt,
dit geval ook wel uit haar geheugenis zoude wisschen, en dat wat haar
eer aanbetrof en de schande die zy daar door by de Volkplanting stond
te wagten, maar inbeeldingen waaren, dat hy verders zich niet meer met
haar op wilde houden, veel minder om haar mede na Holland te neemen;
want dat hy in het geheel door geen Vrouwspersoon wilde belemmert
zyn; dat diergelijke galantereien in Europa zeer gemeen waren; dat
men dezelve daar maar voor beuzelingen aanzag, en dat hy derhalven
'er in 't geheel geen geweten van maakte.