Moses die ons de eerste verborgentheden der Openbaring beschryft,
is de allereerste en outste Schryver geweest, en heeft ons het begin
van alles en de oorspronk van goed en kwaad op een zeer duidelyke
wyze beschreeven, en zoo veel als de grondslag geleid, waar de
gantsche Bybel vervolgens op gebout is. Hy doet ons voor eerst een
korte Beschryving hoe dat God dit magtig Heelal door zyn Almagtige
wil en welbehagen uit niet te voorschyn brengt; vervolgens hoe hy
het zelve in order schikt en verdeelt, hoe hy den Hemel, Zon, Maan,
Sterren, de Aarde, de Zee, allerhande Gedierten en voortbrengselen
op en in dezelve schikt, en eindelyk komt hy op den Mensch, als of
dezelve het einde was waarom dat hy alles voortgebragt had. Na dat
hy nu alles geschapen heeft, ziet hy dat alles zeer goed is. Hier
uit bespeurt men dat Moses als door ingeving zegt, dat God als de
oorspronk alles goeds moet aangemerkt worden, en dat men hem als de
oorzaak van het zedelyk en natuurlyk quaad niet moet toeschryven,
maar dat hy den Mensch goed en oprecht en na zyn beeld gevormt
hebbende, dat is te zeggen met een vryheid van wil om te verkiezen,
hy hem derhalven beproeven wil, hoedanig hy zyn wil en vryheid zal
gebruiken. Hy doet derhalven een beschryving van den Hof waar in hy
den Mensch zette om dezelve te bewonen en te bebouwen, en stelt daar
een Boom in tot zyn beproeving, met verbod om van desselfs vrugt niet
te eeten, opdat hy zig niet strafbaar make aan ongehoorzaamheid. Den
Mensch in plaats van zyn gehoorzaamheid aan God te betonen, laat zig
verleiden door den Satan, den Vorst der duisternis, die de oorzaak
is van zyn eigen en der Menschen ongeluk, en vervolgens van al het
quaad dat 'er in de zeden en in de natuur is te vinden. Door zyn
overtreeding en ongehoorzaamheid haald hy zig het quaad op den hals
dat hy daar door verdient had. De gansche natuur schynt als nu aan
te spannen om hem te verdelgen. De vermogens die hy boven andere
schepzelen verkreegen had, om zyn maker daar door te verheerlyken,
zyn door zyn overtreding zoodanig bedurven, dat hy nu niet meer in
staat is iets goeds uit zyn eigen zelve te willen, veel minder om
het zelve te volbrengen. Hy is daarom voor altoos bedurven; maar den
Maker van het heel al, niet willende door zyn grondelooze goedheit
dat het menschdom geheel verlooren ging; besluit om hem te redden,
zyn eigen Zoon in de Wereld te zenden om de straf te ondergaan, die
hy zelve anders verdient had, en om den eisch te voldoen die hy van
hem zelve gevordert had. Hy belooft derhalven, hem die Verlosser als
de tyd vervuld zoude wezen, te zenden, en neemt hem daarom weder in
genade aan. Hy moet dagelyks stryden tegen zyn eigen zondige natuur,
tegens veele omstandigheden die hem omringen, tegens de gevolgen van
de zonden, namentlyk allerhande tegenspoeden, ziektens, ja eindelyk
de dood zelve. En dus word de tyd waar in den mensch gestelt is,
geen tyd van belooning, maar van verzoeking: wanneer hy zig daar wel
in gedraagt, heeft hy de belooning daar van na de Dood in het andere
Leven te wagten. Dit alles vind men door de gansche Schriftuur van stuk
tot stuk aangehaalt, en een mensch die maar op een regtmatige wyze
zyn reden wil gebruiken, vint daar in de waarheid met het Goddelyk
gezag gepaart, en word daar door in zyn kennis zoodanig verligt,
dat veel zaken die hem duister en twyffelagtig scheenen, hem nu ten
vollen bekent zyn. Wie kan my anders de oorspronk van het zedelyk
en natuurlyk kwaad doen weten, als die zelve Schriftuur: Hier leer
ik uit dat God goed is en regtvaardig, die alles goed gemaakt heeft
en den mensch met groote voorregten begiftigt, die hem voor altoos
zoude hebben gelukkig gemaakt zoo hy dezelve niet had misbruikt,
en door den Satan als de oorzaak van al het kwaad daar toe verleid
was. Hier leer ik uit dat hy zig over der menschen ongeluk ontfermt
heeft, en door zyn Zoon zig met hem verzoent, waar door hy weder in
staat is om zyn goedertierenheit te genieten. Hier leer ik uit dat
God een beloner zynde van de genen die hem zoeken, 'er een ander
leven te verwagten is als dit, waar in dat ieder na dat hy verdient
heeft op een regtmatige wyze zal beloont en gestraft worden, en dat
men derhalven hier in dit leven niet van iemands deugd of ondeugd
moet oordeelen aan zyn geluk of ongeluk dat hy hier ondergaat;
hier leer ik vervolgens uit dat ik my voorzigtiglyk moet schikken
in al het geen my overkomt, en my aan de Goddelyke voorzienigheit te
onderwerpen; dewyl ik weet dat alles tot myn beste moet verstrekken,
en geloof my myn waarde vriend dat gy nooit geruster nog vergenoegder
zult geleeft hebben, dan als gy aan de Schriftuur gelooft, en een
waar Christen zult geworden zyn. Bid God derhalven dat hy u goede
gedagten mag geven en u zelfs in de waarheit wil leiden, op dat gy
het regte geloof en overtuiging mag krygen, en gy zult gelukkig zyn.
Hier zweeg de Heer le Sage, de Neger had onderwyle hy gesproken had,
met een groote aandagt toegeluistert en na dat hy zyn reden geeindigt
had, zeide hy: mijn Heer, indien my iemant zou kunnen overtuigen,
zoo zoud gy het wezen. Gy hebt my zoo voldaan met my een korte schets
van den Bybel te geven, dat ik my wel aan u gezegde wil onderwerpen;
daar blijven nog eenige twyffelingen en zwarigheden in my over; maar
ik hoop in het vervolg door u onderregting daar in het geheel van te
worden ontdaan. Ik verzoek u dat terwijl wy hier moeten wagten tot
dat ons Schip herstelt is, om wederom de Zee te kunnen bouwen dat
gy my toestaat u zomtyts eens te komen bezoeken, om nog meer door u
onderwezen te worden. Dit stond de Heer le Sage gaarn toe, en zeide
hem dat terwijl de tyd mogelijk kort zoude weezen dat hy hier zoude
kunnen vertoeven, hy daarom tweemalen des daags, des morgens en des
middags een uur zoude komen, want dat hy het voor zig zelven een
plicht rekende, om voor de welstand van zyn Ziel zorg te dragen. De
Neger beloofde hem dit te zullen doen, en na dat zy nog over eenige
onverschillige zaaken gesprooken hadden, nam de Heer N.... en de Neger
afscheid van de Heer le Sage, en gingen vervolgens naar hare woning.
Doen zy daar gekomen waren, was het eerst dat de Neger deed, Mevrouw en
Mejuffrouw N..... te verhalen, wat voor een gesprek hy met de Heer le
Sage hadde. Wat ben ik gelukkig zeide hy de Heer le Sage aangetroffen
te hebben! 't Is als of de Voorzienigheid gewild heeft dat wy hier aan
dit Eiland moesten komen, om my van een twyffeling te ontdoen, daar
ik misschien anders nooit van zoude verlost zijn. Ach Mevrouw! Ach
Mejuffrouw! vervolgde hy weder, de Heer le Sage is een eerlijk man,
die my op een bondige en eenvoudige wyze van de waarheid onderregt
heeft, daar ik zoo lang na gezocht heb: ik hoop dat hy my in het
vervolg noch van eenige kleine zwarigheden zal ontdoen.
Hy ging vervolgens zoo als hy met de Heer le Sage afgesproken had, hem
tweemalen des daags bezoeken, en hy wierd zoo wel door de waarheden
onderrigt en nam zoo wel toe in de kennis, dat de Heer le Sage hem
oordeelde waardig te weezen het Sacrament des Doopzels te ontfangen,
en in de Christelijke Kerk ingelyft te worden. Hy sprak daar over met
de Heer N..... en de volgende Zondag wierd daar toe verkoren om deze
plechtigheid te volvoeren.
Dezelve gekomen zynde, was ieder nieuwsgierig om deeze plechtigheid
te zien, de gansche Volkplanting was te zamen gekomen; Zelfs die van
het Schip, uitgezondert eenige weinige, die daar op moesten verblijven
om het noodzakelyke te verrigten, zoo dat de Kerk schier te klein was
om de menigte die vergadert was, wel te kunnen plaatzen: de Heer Le
Sage deed ook vooraf een welgepaste predicatie, hy had tot zyn text
het laatste gedeelte van het twee en dartigste vers uit den acht en
sestigste Psalm: (Moorenland zal zich haasten zyn handen tot God uit
te strekken,) en voerde dezelve zoo wel uit, dat het een ieder als in
verrukking weg voerden, en de toejuiging van de gansche Vergadering
met zig nam. Toen de Predicatie geeindigt was, wierd vervolgens de
plechtigheid van den Doop aan hem volvoert, en hy verkreeg de naam
van Thomas; die zy wel voorbedagtelijk uitgekozen hadden, om dat
hy zoo veel als het tegenbeeld van dien Apostel had geweest; dewyl
hy gelijk dien zelve Apostel niet als door handtastelijke bewyzen
had kunnen overtuigt worden. Het was waardig om te zien, met wat
een Godsdienstige aandagt onze Neger de Predicatie had aangehoord;
het zelve had een groote indruk op de gansche Vergadering gegeven,
en eenige van dezelve de tranen uit de oogen geparst; dat een mensch
onder het blind Heidendom geboren en opgevoed, zoo een liefde voor
de waarheid en het goede had, en daar door veel Christenen die
tyt in overvloed hadden, om die waarheden te kunnen onderzoeken,
beschaamde. Maar toen den Doop aan hem verrigt wierd, was hy
voornamentlyk zeer ingetogen en de eerbiedigheid met welke hy dit
Sacrament ontfing, gaven genoegzaam aan de Aanschouwers te kennen,
met wat een Godvrugtigheid hy voor het zelve ingenomen was.
Deeze plechtigheid nu volbragt zynde wierd hy van de Heer N.... van zyn
Familie, van die van het Schip en van de voornaamste der Volkplanting
geluk gewenst; en dewyl deeze plechtigheid des Voordemiddags geschiede,
had de Heer Le Sage hem met de zoo evengenoemde te Gast genodigt,
om tot zynent het middagmaal te houden, en dewyl die Nademiddag niet
Gepredikt wierd, hadden zy tyd en gelegentheid om onder deeze maaltyd,
die na de liefde en eenvoudigheid der eerste Christenen ingerigt was,
malkanderen op een vriendelyke wyze te onderhouden.
Myn Vriend, zeide de Heer Le Sage tegens de Neger, gy zyt nu een
Christen geworden; maar ziet toe dat gy uw bekentenis wel beleeft. Gy
staat in het korte na een Land te gaan, daar gy dingen zult zien die
met de belydenis van de Christelijke Religie niet over een komen:
schoon ik 'er nooit ben geweest, heb ik genoeg van myn Vader en
andere gehoort, hoe het 'er toegaat: onze Gemeente is hier klein,
daar by van alle Volkeren des Aardbodems, die dezelve zoude kunnen
bederven, afgescheiden; maar in Europa daar Milioenen van menschen
zyn, van allerhande zeden en gevoelens, kan het zoo precies niet
toegaan. De Mensch is van natuur verdorven, daar by van verschillende
hoedanigheden, voeg hier by de gewoontens en zeden van zoo veel
verscheide Volkeren, en derzelver gevoelens in het stuk van Godsdienst,
dit kan niet anders als een groote invloed in het zedelijke en in de
samenleving veroorzaaken: Weest derhalven op u hoede dat gy niet door
derzelver omgang verleid word, en tragt zoo veel als in u vermogen is,
met deugtzame en Godvruchtige lieden om te gaan, op dat gy niet met de
algemeene stroom des waerelds word weggesleept, en in een verzoeking
ingewikkeld, daar gy bezwaarlijk uit zoude komen, want het is veel
voorzigtiger en gemakkelijker de gelegentheid tot het kwade te myden,
als zig zelve daar in te begeven, zig daar van te onthouden. Evenwel
zoo gy zomtyds genoodzaakt mogt wezen met de wereld om te gaan,
zoo spant alle kragten en vermogen in om u van dezelve onbevlekt
te bewaren, en bid den Hemel dat hy u daar toe moge bekwaam maken;
want als gy op u eige kragten steunt, zoud gy weggesleept zyn eer gy
het wist.
De Neger (die wy in het vervolg Thomas zullen noemen) bedankte hem
voor zyn goede raad, en zeide hem dat hy reeds in Surinamen zoo veel
kwade voorbeelden gezien had, hy wel denken konde het in Europa niet
beter zoude gaan, dat hy derhalven nodig oordeelt altyd op zyn raad
te denken, en met de hulp des Hemels zoo veel op zyn hoede te zyn,
als maar mogelyk was.
Na dat zy het middagmaal gehouden hadden, zonderde zig de Heer le
Sage met de Heer N.... van het gezelschap af, en gingen te samen in
den Tuin een weinig wandelen, die hy agter zyn huis had. Na dat zy
zig dus een weinig vertreeden en malkanderen over een en andere zaken
onderhouden hadden, zeide de Heer le Sage tegens de Heer N.... Myn Heer
dewyl gy een Fransman van geboorte zyt en te Surinamen en elders zyt
geweest, zult gy zeker redenen gehad hebben, u zo ver van u Vaderland
te verwyderen, en gy zult zekerlijk wel ontmoetingen gehad hebben
die wel waardig zyn dat dezelve verhaald worden; doet my derhalven
die vriendschap, van my het geen u in u levensloop wedervaren is te
verhalen, terwijl wy hier in dit Prieeltje (hem met een het zelve
aanwyzende) op ons gemak kunnen gaan zitten, en gy zult my vermaak
aandoen. De Heer N.... zeide tegens hem, dat zoo hy hem daar genoegen
mede kon geven, hy 'er ten eersten bereidwillig toe was, en daar op
zig te samen in het Prieeltje begevende, begon hy zyn verhaal aldus.
De gevallen van de Heer N....
Ik ben te Lion in Vrankryk geboren, myn Vader was daar een redelijk wel
gegoed Koopman, en myn Moeder een Juffrouw van een deftige Familie,
maar zy waren beide van de Roomsche Religie, 't welk de oorzaak is
geweest dat ik het land geruimt heb.
Ik wierd dan om kort te gaan, met nog een Broeder en Zuster die ik had,
in de Roomsche Religie opgevoed; maar een weinig tot jaren gekoomen
zynde, dat ik by my zelven begon te redenkavelen, streed my dezelve
zoo zeer tegen de borst en kwam my zoo bygelovig voor, dat ik (schoon
ik het aan myn Familie niet dorst te openbaren) op het laatst aan alles
begon te twyffelen. Ik moest by de Jesuiten ter Kerk gaan, en had zelfs
daar een van tot myn Leermeester, om my in de Godsdienst te onderwyzen;
maar in plaats van my te verligten en myn gemoed door baarblykelijke
redenen te overtuigen, deed hy myn twyffeling en ongelovigheid nog
meer vergrooten. Wie zou zig die maar een weinig gezond verstand
bezit, door de sluitredenen die zy in de School van Aristoteles
geleerd hebben, kunnen laten overtuigen, en door zyn zedekunde tot
het ware zedelijke laten brengen? Voornamentlijk als het dient om zig
in een Godsdienst te doen onderwyzen, die hemelsbreed van de zyne
verschild. Ik wil wel bekennen dat het by my die uitwerking deed,
dat ik eindelijk zoo veel van het een als van het andere geloofde.
Ik hield evenwel myn gevoelens zoo veel verborgen als maar mogelijk
was; zoo dat myn Ouders en die genen die dagelijks met my omgingen,
my voor een goed Catholijk aanzagen. Zelfs de Jesuit die my onderwees,
gaf aan myn Vader te kennen, dat zoo hy my in haar order wou doen
ingaan, ik noch t'eeniger tyd een stut en pilaar van de Kerk worden
zou; maar ik betuigde daar volstrekt geen lust toe te hebben, en dat
ik my liever in een wereltlijke stand wilde begeven. Myn Vader die
my daar ook niet in dwingen wilde, besloot my dewijl ik zyn outste
zoon was, in zyn negotie op te brengen; op dat hy out geworden zynde,
ik hem daar van tot hulp in zou kunnen wezen.
Ik onderwijle ouder wordende, begon aan deeze en gene kennis te krygen,
die van dezelve gevoelens waren waar in ik was, en die met de naam van
sterke geesten betytelt worden. Dezelve bedorven my nog meer, en daar
ik van te voren nog van een goed en zedelijk gedrag was geweest, ging
ik welhaast over tot allerhande overdaat. Wat is een mensch ongelukkig,
die in het geheel geen Godsdienst hebbende, als een Schip is dat op een
ongestuime Zee legt te dobberen, niet weet wat streek hy zal houden,
en gevaar loopt van t'eniger tyd op de Klippen der verleiding en van
zyn ondergang te verbryzelen! Zoodanig was het met my ook gestelt;
want ik nam van dag tot dag in een kwade levenswys toe, waar van
myn Ouders wel haast de waarheid van gewaar wierden. Zy zogten my
eerst door zagtheid daar na door strafheid hier van af te trekken;
maar dit mogt alles niet helpen, en wie zou ook zyn Ouders kunnen
gehoorzaam zyn, die met alles de spot dryft en door geen gezonde
reden of Religie daar toe aangedrongen word?
Dewyl zy zagen dat al haar bestraffingen en vermaningen geen invloed op
my hadden, spraken zy daar over met de Jesuit myn geweze Leermeester,
om my daar eens over te onderhouden, en om te zien of zyn bestraffingen
geen meer indruk op myn gemoed zoude hebben, hy kwam dan ook by my;
maar in plaats dat dit zoude geholpen hebben, maakte hy het kwaad
nog erger. Hy zogt my op zyn manier met zyn Godsdienstige taal en
zedekunde myn kwaad voor oogen te houden; 't welk ik in den beginne
met een gelatenheit aanhoorde, het geen hem eenige goede gedagten
voor my inboezemde; maar het was veel eer, om hem met des te meer
kragt dat gene te zeggen, 't welk hem gansch niet aan zoude staan. Ik
ben altyd wat haastig van natuursgesteltheid geweest; wanneer myn
driften gaande wierden, was ik niet wel meester over dezelve, en
door dezelve te veel den brydel te vieren, zeide ik dikwils meer
als de voorzigtigheid in omstandigheden, waar in ik dikwils was,
wel toe zoude laten. Het ging my in deze gelegentheid ook zoo; want
na dat ik hem een weinig uit had laten spreeken, viel ik hem met een
onverwagte haastigheid zoodanig in zijn reden, dat hy wel genoodzaakt
was dezelve te staken en my aan te horen.
Myn Heer en Priester van de order der Societeit van Jezus, zeide
ik hem met een gelaat waar in de veragting en verontwaardiging te
leezen was, wanneer zult gy eens ophouden met u ongelukkig rammelen,
't welk my al lang verveelt heeft? Wilt gy my met de lessen van uwen
Aristoteles tot iets overtuigen daar gylieden zelfs den spot mede
dryft? Wanneer het met u belangens niet overeenkomt, zoud gy zelfs
u Overigheid ik laat staan u Ouders niet gehoorzaam zyn. Laat dan af
van my verders u lessen mede te deelen en gebruikt dezelve maar voor
u eigen zelfs, zonder een ander daar mede te vermoeijen. Gylieden
moet de grootste weetnieten des Werelds zijn, indien gy gelooft
't geen gy leert; of zoo gy het zelfs niet gelooft ('t welk ik eer
denk te wezen) de allergrootste huichelaars. Gaat dan by de geene
die met u brabbelarye gedient is, en laat my leven zoo als ik wil;
want gy, nog u geheele Societeit zijn niet in staat om my tot andere
gedagten te brengen, en het moesten al gantsch andere lieden zijn,
die in staat zoude wezen zulks te doen.
Dit gezegt hebbende, stont ik op en ging heen, zonder hem verder ten
antwoord te staan, en gy kunt wel denken hoe hem dit in de ooren moet
geklonken hebben. Ik wil ook gaarn bekennen dat dit wat al te ver ging;
want daar hy om quam, te weten om my mijn levensgedrag te bestraffen,
was niet meer als billijk; maar het gaat gemeenlijk zoo, als quade
Zedemeesters een ander bestraffen willen, dat dezelve weinig indruk
kunnen maken, al zeggen zy ook de waarheid.
Ik ging vervolgens het huis uit, en quam in drie dagen en drie nagten
niet wederom, die ik doorbragt met ligt gezelschap; dezelve verstreeken
zijnde en myn geld oprakende, was ik wel genootzaakt weder na huis
te gaan, om wederom wat ander zien te krygen. Te huis komende vond ik
daar alles in de grootste onroering om mijnent wil, niet wetende waar
ik somtyds beland mogt weezen, en of ik wel ooit weder zoude komen.
Wat zijn de Ouders niet ongelukkig, wanneer zy Kinderen hebben die
zig niet tot deugde schikken! Behalven het verquisten van geld, moeten
zy nog de grootste ongerustigheden uitstaan, uit vrees dat haar niet
t'eeniger tijd eenig quaad mag ontmoeten: Dus ging het mijn Ouders in
dit geval ook. Toen zy my zagen, (in plaats dat zy my bestraften) waren
zy zoo verblijd my wederom te zien, dat de vreugd op haar aangezigt te
leezen was; mijn Vader scheen dezelve noch te willen verbergen met eene
deftigheid in zijn gelaat aan te neemen, om daar door zijn achtbaarheid
te betoonen, en my te vragen waar ik van daan quam en waar ik my zoo
lang opgehouden had; maar hy liet zig zoo gemakkelijk nederzetten,
dat men wel bespeuren konde dat het niet van herte geschiede.
Ondertusschen was de Jesuit en die van zijn order zeer op my gebeeten,
om dat ik hem en zijn Societeit zoodanig de waarheid had gezegt. Zy
zogten my allerhande lagen te leggen, en my op de een of andere wijze
een trek te speelen; maar zy hadden het eenige tyd te vergeefs gezogt:
het eenigste dat zy hadden kunnen doen, was mijn Vader met scherpe
dreigementen te overladen, en hem te zeggen dat hy toe zou zien dat ik
niet weder my op dusdaanige wijze tegens de Societeit zoude uitlaten;
want dat zy anders wel weten zoude wat haarlieden te doen stond,
en hy aanspreekelijk voor my zoude weezen; om dat hy zyn Zoon niet
belette een Societeit, die de voornaamste steun en pilaar van de
waare Moeder der Roomsche Kerk was te beledigen.
Mijn Vader die een goed Catholijk was, en die het wel gaarn anders
had gewenst, verantwoorde zig met de tranen in de ogen, zoo goet
en zoo quaat als hy konde en zeide, dat het hem leed was, zulke
kwaade gerugten van zijn Zoon te moeten hooren; maar dat het tot
nog toe in zijn vermogen niet was geweest my tot reden te brengen,
dat dewijl zy ondervonden hadden, met hoe weinig vrugt de lessen en
bestraffingen zelfs van een uit haarlieder Societeit op mijn gemoed
te weeg gebragt hadden, hy nog minder in staat meende te weezen om
my te overtuigen. Zy waaren daar in geenen deelen mede te vreeden;
maar bleeven by haar vorige dreigementen.
Ik ging onderwijlen mijn ouden gang in mijn levenswijs, en gaf my
zoodanig tot de overdaad en allerhande buitenspoorigheden over,
dat ik daar door niet alleenlijk die weinige goede naam die ik nog
had verloor; maar zelfs begon mijn gezondheid van dag tot dag te
verminderen, en mijn levensgeesten en kragten zoodanig verdweenen,
dat ik niet alleen ongevoelig voor de vermakelijkheden wierd; maar
zelfs zoo veel als een walg daar voor kreeg, en dus het bekende
spreekwoord in my bewaarheid wierd, dat het sterke beenen zyn die
weelde dragen kunnen.
Deeze onmagt was het eerste middel om my een weinig tot inkeer te
brengen. Hoe zeide ik by my zelven, ik meende altijd gelukkig en
vermakelijk te leven, en ik ben kwalijk in diergelijk een levenswijs
getreeden, of ik ben 't reeds moede en heb 'er een walg van af! Waar
komt deeze ongevoeligheid van daan en deeze afkeer? Het moeten
dan zekerlijk deeze vermakelijkheden niet zyn die ik bygewoont
heb, 't geen een mensch kan gelukkig maken: want anders zoude ik
daar meer smaak in moeten krygen. Dus by my zelven mymerende was
'er niemand, die my daar op voldoende oplossing geven, of daar ik
dorst te vertrouwen. Ik smoorde dan alles by my zelven en wierd zoo
zwaarmoedig, dat ik my genoegzaam van alle gezelschappen afzonderde,
't welk een groote verwondering by al die geenen die my te vooren
gekent hadden, te weeg bragt.
Myn Ouders en Familie waren voornamentlijk zeer nieuwsgierig hier
van de oorzaak te weten; dewijl ik te vooren haast nooit te huis was
geweest, nu zeer weinig uitging, en genoegzaam altyd op myn Kamer zat
te mymeren: maar ik liet daar nooit het een of ander van blijken;
gevende alleen voor reden, dat ik my zelve niet als te wel bevond,
('t welk ook zo was) en dat ik my derhalven zoo veel stil hield als
mogelijk was. Zy waren daar over aangedaan, en de liefde tot haar
Kint door myn voorig kwaad gedrag, in haar nog niet uitgeblust zynde,
waren zy zeer bezorgt om my in myn voorige gezontheid te herstellen.
Zy gebruikte dan alle middelen die zy dagten daar bekwaam toe te
weezen; maar alles mogt niet helpen, wat zy ook te werk stelde. Ik
wierd van dag tot dag zwaarmoediger en droefgeestiger, 't welk zy
voor lichaamsonpasselijkheid aanzagen, en van voornamen waren een
geneesmeester by my te laten komen; om na de oorzaak van mijn kwaal te
vernemen en my daar van te herstellen. Zy verkozen hier toe een man,
die door zyn konst zeer beroemt was, en door zyn lange ervarentheid
in dezelve, een naam had verkregen, dat hy de allervoorzigtigste en
bekwaamde Doctor van gansch Lions was.
Deeze man, by my gekomen zijnde; ondervond myn kwaal van een heele
andere natuur, en van een heele andere oorzaak oorspronkelijk te wezen,
als myn Ouders zig verbeelden. Na dat hy verzogt had my eens alleen te
spreeken, en de omstanders waren weg gegaan, zeide hy tegens my; uwe
onpasselijkheid is om zoo te spreeken geen eigentlijke ziekte, het is
een verval van kragten en levensgeesten, verzeld met zwaarmoedigheid,
die u alle lust beneemt; daarom zoo gy iets op u hart hebt, zoo
betrouwt het my toe; op dat nevens de Medicynen die ik u zal laten
gebruiken, ik u daar by met een goede raad mag bystaan. Ik wilde in
den beginne veinzen met te zeggen, dat my van dien kant niets ontbrak
en dat ik by my zelven heel wel te vreeden was; maar hy wist my zoo
te overtuigen en door zijn schranderheid zoodanig in myn gemoet te
dringen, dat ik wel genoodzaakt was hem mijn hart te openbaren.
Myn Heer zeide ik tegen hem; dewijl ik zie en ondervind dat gy een man
van oordeel zijt, dat gy genoegzaam als in myn hart heb kunnen zien,
wat 'er in om gaat, en daar by myn kwaal zoo wel uitgevonden hebt;
zoo wil ik u de oorzaak van het een en het andere niet verzwyge;
maar u daar van een openhartige belijdenis doen.
Ik maakte hem als doen bekend wat voor gedagten ik van den Godsdienst
gehad hadde, waar door ik tot allerhande buitensporigheden was
vervallen, 't welk my in dien staat gebragt had, waar in ik my thans
bevond en dat zoo hy in staat was om my uit die akelige omstandigheden
te redden, ik het hem al mijn leven dank zoude weten.
Ik dagt wel dat ik het zoude geraden hebben, zeide hy tegens my;
om u dan voor eerst een goede raad te geven, is dit, dat gy u zelven
zoo veel vermand als mogelijk is en dat gy alle zwaarmoedige gedagten
van u zelven zoekt af te weeren; Ik zal ondertusschen door de hulp
des hemels u zulke middelen laten gebruiken, dat ik hoop door die
zelve hulp gesterkt, u weder tot voorige kragten te herstellen. Weest
derhalven goeds moeds en houd een ordentelijke levenswijs en alles
zal wel gaan. Hy schreef vervolgens een recept, om voor my klaar te
laten maken, en na dat hy belooft had den anderen dag weder te komen,
nam hy afscheid van my om zyn andere Patienten te bezoeken.
Doen was het als of ik een weinig in myn gemoed verligt was; deeze
man zeide ik by my zelven, schynt een verstandig man te weezen:
mogelijk kan hy my niet alleen van myn zwakke natuursgesteldheid
genezen, maar my ook eenige onderrigtinge in het zedelijke geven:
als hy wederom komt, zal ik my met hem daar eens een wynig over
onderhouden en hem toetzen of hy daar ook bekwaam toe is. Dusdanig
my te vreeden gesteld hebbende, gebruikte ik de middelen die hy my
geordonneert had, en om kort te gaan, den anderen dag gekomen zijnde,
bleef hy ook in geen gebreken my te komen bezoeken.
Het eerste wat hy deed, was my te vragen hoe ik my al bevond en of
zyn hulpmiddelen ook eenige uitwerking gehad hadden. Dat gaat heel wel
myn Heer zeide ik tegens hem; maar zoo lang als ik nog met een zekere
ongewisheid en twyffeling behebt ben, zal myn gemoed die rust en kalmte
nooit konnen genieten als zy anders wel zoude. Wat is dat voor een
ongewisheid en twyffeling? Zeide hy tegens my, het is die over den
Godsdienst, antwoorde ik hem, daar ik u gisteren van gesproken heb;
indien gy my daar eenige verligting in kunt geven, zult gy my nog meer
dienst doen als of gy my op staande voet van myn zwakheid genas. Ik heb
nooit geen gelegentheid gehad om met een verstandig man daar over te
spreken, en dewyl ik u daar voor aanzie, zoo doet my de vriendschap
en laaten wy een weinig daar over spreken. Myn vriend zeide hy,
voor als nog zyt gy niet in staat, om u met diepzinnige redeneringen
te vermoeijen u gesteltheid is te zwak; wanneer dezelve een weinig
sterker zal weezen en haar voorige kragten zal beginnen te krygen,
zullen wy tyd en gelegentheid genoeg hebben om dit te doen. Laten wy
het derhalven nog eenige dagen uitstellen; wanneer ik oordeel dat gy
'er in staat toe zy, zal ik u wel waarschuwen, en stel u voor het
tegenwoordige gerust tot dat die tyt zal gekomen zyn.
Ik was hier mede te vreeden, en na dat hy nog eenige dagen over my
gegaan had, bevond ik my merkelijk beter, en hy oordeelden nu de tyd
gekomen te wezen, om myn verzoek te beantwoorden.
Dewijl gy u zoo wel bevind zeide hy, schynt die tyd gekomen te wezen,
dat wy ons een weinig onderhouden, over dat geen daar gy my laatst
van gesproken hebt: indien gy nu genegentheid daar toe hebt, wil ik
my wel zoo als my de tyd toelaat, daar over met u inlaten. Ik nam de
gelegentheid waar, en sprak hem aan op deze wijze.
Mijn Heer. Het is my lief u voor het tegenswoordige zoo wel genegen
te vinden, en my in staat te keuren om met u daar over in gesprek te
treeden. Dewijl het nu onnodig is om weder te herhalen 't geen ik u
reeds gezegt heb, en het geen de twyffeling en ongelovigheid van den
Godsdienst betreft; zoo is alleen mijn verzoek, dat zoo gy my daar in
eenige verligting kunt geven, gy my het grootste vermaak des werelds
zult doen.
De Doctor hier op antwoordende zeide; zeer gaarn, maar waar mede
zullen wy beginnen, ik denk evenwel dat gy wel een natuurlijke Religie
zult hebben?
Ik. In het geheel niet: ik geloof zoo min aan een natuurlijke als
geopenbaarde Godsdienst.
De Doctor. Na ik aan u horen kan, Gelooft gy dan niet aan een
Opperwezen, 't welk men God noemt?
Ik. Neen ik mijn Heer, en ik wenste wel dat gy my van de aanwezentheid
van dat opperwezen een weinig kost overtuigen.
De Doctor. Ongelukkig mensch die zonder God of Godsdienst in de
waereld leeft! Het geeft my geen wonder dat gy u tijd in zoo veel
wreede twijffelingen en zwaarmoedige gedagten door moet brengen;
want was 'er geen God, wy waren de ongelukkigste van alle schepselen.