Al het geen hier gezaait en geplant wierd, groeide zoo welig

GESCHIEDENIS

van een

NEGER,

Zyn Reize met de Heer N....

van SURINAMEN

naar HOLLAND:

Haare Aanlanding, (door oorzaak van een

zware Storm) aan een onbekend Eiland,

Beschryving van de Gouverneur van

het zelve, de Heer LE SAGE;

Zyne aankomst op het Eiland, zyne vlugt

uit Vrankryk om de Religie, naaukeurig

verhaal van de Godsdienst, manier

van leven, van de Inwoonders van

het Eiland, overgang van de Neger

tot de Gereformeerde Religie,

zyn vertrek naar Holland

met de Heer N....

Ontmoetinge van de Neger te Amsterdam,

zyn Huwelyk met de Dochter van de

Heer N...., enz.

op een Zedekundige wyze geschreven.

Te UTRECHT,

By S. DE WAAL, Boekverkoper

op het Oudkerkhof.

Aan den

LEZER,

Dit werkje zal voor een Roman van veele worden aangezien, maar

een ieder, met een aandagtig oog het zelve inziende, zal van het

tegendeel worden overtuigd, en van de mogelijkheid der gevallen

overreed zynde, kan het tot nut van de Lezeren dienen. Dit zoo

zynde heeft den Autheur zyn Oogmerk bereikt.

Vaart wel.

GESCHIEDENIS

van een

NEGER.

Op een der Plantagien te Surinamen gelege, aan de Rivier woonde een

Heer die 'er veel Slaven op had. Onder dezelven was een jong Slaafje,

die naauwelyks den ouderdom, van twaalf jaren bereiken kon. Hy had

hem eerst gekogt, zynde hy van de Slave Kust met meer anderen van

zyn natie gekomen.

Deeze jonge Slaaf schoon zwart van Lichaam zynde, was echter wit en

blank van Ziel. Zyn noodlot dat hem onder een verachtelyke Natie had

doen gebooren worden, had die schade vergoed, met hem hoedanigheden

te geven, die buiten gemeen waren. Benevens een juist oordeel, had

zy hem een schrander en doordringend verstand, en een zeer sterke

geheugenis gegeven, daar by een edelmoedige neiging tot de Deugd,

en tot het zedelyke, dat het wel rykelyk, tegen de zwartheid van zyn

Lichaam, en de verachtelykheid zyner geboorte kon opweegen. Hy kon

echter onder de Negers voor schoon gerekend worden; want behalven

dat zyn Lichaam wel gevormt was, had hy iets in zyn weezen, dat zoo

deftig en innemende was, dat het de genegenheid won, van een ieder

waar hy mede omging.

Zyn Heer, die de Heer N.... geheeten was, was een Man, die eerlyke

gevoelens bezadt, en die door de wederwaardigheden die hy in zyn jeugd

gehad hadde wys was geworden. Hy was een Fransman van geboorte, en van

de Protestantse Godsdienst; 't welk de reden was geweest, dat hy zyn

Vaderland al vroegtydig had moeten verlaten, en een ander opzoeken,

waar hy met meer rust en vryheid dezelve mogt oeffenen. Hy was dan na

Holland gegaan, maar daar zyn bestaan niet kunnende vinden, vervolgens

na Surinamen vertrokken; alwaar hy zig in dienst op een Plantagie

begeven en zig zoo wel gedragen en het geluk hem zoo wel gediend had,

dat hy op 't laatst zelfs Heer van twee geworden was. Hy was gehuuwt

en had daar door verscheide Kinderen verwekt, dewelke alle op een na

gestorven waren, het welk een Dochter was. Maar wy zullen hier na nog

wat breedvoeriger van zyn gevallen spreeken als het te pas zal komen.

De Heer N.... dan ons Negertje gekogt hebbende bespeurde welhaast

die goede hoedanigheden in hem, die hy bezat, en hy begon daar door

een genegenheid voor hem te krygen en eene agting, verre boven zyne

mede-slaven. Hy verschoonde hem derhalven; van moeyelyke en veragtelyke

arbeid te doen, en nam hem om hem in zyn huis ten dienst te staan;

waar in hy zig van tyd tot tyd zoo wel kweed, dat hy zig hoe langer

hoe meer in zyn genegentheid inwikkelde, en waar door hy zig een weg

baande om zyn vertrouwen geheel te winnen.

Hy onderwylen ouder wordende begon zyn schone hoedanigheden zig hoe

langer hoe meerder te vertonen, en, hy daar door zig des temeer in

de gunst van zyn Heer in te wikkelen, tot zoo ver zelfs dat zyn Heer

hem Neger-Officier maakte, en leezen en schrijven liet leeren, 't welk

een groote afgunst onder zyn Medeslaven veroorzaakte. Hy beloofde hem

verders als hy noch eenige tyd gedient had dewyl hy voornemens was zig

binnen korten tyd weder na Holland te begeeven, om aldaar zyn overige

dagen in rust te verslyten, mede te nemen, en als dan vry te maken.

Het duurde ook niet lang, of de Heer N.... zyn goed 't geen hy in

Suriname bezat aan anderen overgedaan hebbende, begaf zig met zyn

Vrouw en Dochter en onze Neger op een Schip, 't welk zeilrede lag om

naa Holland te stevenen.

Zy hadden in het eerst heel goed weder; maar na dat zy omtrent acht

dagen in Zee geweest waren, wierden zy van een zeer zware storm

beloopen, verzeld met Donder en Blixem, dat het niet anders was of

Hemel en Aarde zou vergaan. Een ieder was als doen in de grootste

verslagendheid des Werelds; maar het geen het deerniswaardigste was

om te zien, was dat Mevrouw en Mejuffrouw N.... zig alle beide om den

hals van de Heer N.... wierpen; doende niet anders als schryen en

roepen: Ach myn waarde Man! Ach myn waarde Vader! Wy zullen u niet

verlaten, daar gy blyft, blyven wy ook, en wy zullen zoo doende te

zamen sterven. De Heer N.... zogt haar zoo veel te vertroosten en

moed te geven als maar in zyn vermoogen was, schoon hy zelve wel

diende vertroost te worden, met te zeggen myn waarde Vrouw en Kind,

steld u zelven doch een weinig gerust; het zal hoop ik zoo ver niet

koomen, en betrouwt op des Hemels hulp, die ons gemakkelyk redden kan.

Het verwonderlykste dat te zien was, was in onze Neger, hoe

standvastig en onverschrokken van moed hy zig betoonde, en met

wat voor een zorgvuldigheid hy voor zyn Heer en deszelfs Familie

ingenomen was. Ach Mevrouw en Juffrouw zeide hy, maakt u zelven

doch niet al te zeer beangst, en bedroeft doch myn goede Heer met u

klagten zoo niet! Gy zyt al te zamen te goede Lieden, dat ge zoo zoud

verlooren raken, de Groote Geest en Heer van het leven zal wel zorg

dragen voor uwe behoudenis en niet toelaten dat gy een ongeluk krygt;

schept derhalven moed, en her zal mogelyk wel schielyk veranderen. Dit

zeggende, en met een in de grootste zorgvuldigheid zynde om Mevrouw

en Mejuffrouw N..... op te passen, was een en dezelve zaak, dan was

hy eens by haar, dan liep hy weder by het boodsvolk om te vernemen,

of het gevaar ook groot was, en om eenige goede tyding te verneemen,

om het haar lieden bekend te maken.

Het scheen als of den Hemel ook haarlieder klachten verhoorden;

want na de storm tweemaal vierentwintig uuren doorgestaan te hebben,

begon dezelve allenxkens te bedaren en de Zee die zeer onstuymig

geweest was, zig een weinig tot rust te begeeven. De vreugd wierd

weder in haar lieder hard gebooren, terwyl zy het ontredderde Schip

zoo goed als zy konden herstelde: Maar dewyl het zeer gehavend was

wierd 'er beslooten het eerste Land dat zy ontdekte aan te doen,

om een goede Reede of Haven te zien te krygen, en het dan weder in

staat te brengen om haar reize te bevorderen.

Het duurde ook niet lang of zy ontdekte een Kust die haar lieden

onbekend scheen, vermits zy de hoogte genomen hebbende aldaar geen

Land verwagtende waaren. Zy naderde dezelve van langzamerhand,

om dat zy bevreest waren voor Klippen en ondieptens, en toen zy

zoo naby gekoomen waaren, dat zy het Land onderscheidentlyk kosten

zien, ontdekte zy een inham; alwaar zy na toe stevende. Doen zy daar

ingekomen waren, bevonden zy dezelve zeer goed om te ankeren en tot

een veilige Haven voor het Schip te verstrekken; waarom zy dan ook

het anker uitwierpen, en vervolgens de Boot in 't water bragten,

om daar mede na land te varen.

De Heer N..... met zyn Vrouw Dogter en de Neger waren de eersten die

zig na Land begaven: maar wat waren zy verwondert een Land 't welk

na haar gedagten woest en onbebouwt moest wezen, zoo wel bebouwt

en vrugtbaar in allerlei soorten van voortbrengsels te zien. Hier

had men aangename Weiden, daar vrugtbare Koornakkers, gints wederom

Wynbergen, aangename Boomgaarden en Tuinen, die allerhande soorten

van Moeskruiden en Ooft te voorschyn bragten.

Noch een weinig voortgewandeld hebbende, ontdekte zy van verre een

soort van een Vlek, het geen met zeer lage Huisjes bebouwt was. Zy

gingen daar vervolgens na toe en ontmoete even buiten het zelve

eenige Lieden, die bezig waren het Land te bebouwen. Zy waren bekleed

met Beestevellen en hadden Mutzen op en Schoenen aan ook van dezelve

gemaakt. Zy schrikten doen zy onze Reizigers het eerst gewaar wierden,

en deeze een weinig op haar hoede wezende, naderde langzaam om te

vernemen, of zy ook iets quaads in de zin hadden. Toen zy dit vernamen,

wenkte zy met de handen, om ze te doen naderen: maar hoe wierden onze

Reizigers verrukt als zy by haar gekomen waren haar in het Fransch

aan te horen spreeken en tegen haar te zeggen, dat ze in het geheel

geen vrees behoefde te hebben; vermits zy by Lieden gekoomen waren,

die haar als zy het nodig hadden, zoo veel als in haar vermogen was

alles goeds zouden doen. De Heer N..... vroeg haar vervolgens in het

Fransch wat voor Luyden dat zy waren; daar zy op antwoorden dat zy van

Franse afkomst waren, en dat zoo hy nieuwsgierig was, om haar verdere

omstandigheden en gevallen te weten, zy hem met die geen die hy by

hem had, by het hoofd van haar volk zoude brengen, die haar verder

onderrigting daar van zoude geven. De Heer N..... verzogt haar dit te

willen doen, en zy bragte hem met zyn Vrouw, Dogter, Neger, en anderen

die met hem mede gegaan waren, in het Vlek. Daar in gekomen zynde,

ontmoete haar nog meer diergelyke gekleede Menschen, waar onder ook

eenige Vrouwen en Kinderen waren, die alle zeer verwondert waren,

aldaar onze Reizigers te ontmoeten, en dezelve agter na volgden,

tot zy by een zeker Huisje gekomen waren.

Als zy daar gekomen waren, gingen twee van die Luyden die onze

Reizigers het eerst ontmoet hadden binnen; en aldaar een weinig

vertoeft hebbende, kwamen zy weder te voorschyn met een oude

eerwaardige Gryzaard, ook op die zelve wyze als de overige van zyn

volk gekleed, uitgezonden dat zyn Muts wat hooger en met een rand die

wat breeder was, versiert was; Zyn Kleed was ook eenigzins langer als

dat van de anderen en hing hem Mantelsgewys tot op de voeten neder. Hy

had een lange gryzen baard, in zyn gelaat vertoonde zig iets deftigs

en schoon hy al van hoge jaren scheen te zyn, had hy egter nog zoo

veel vuur en levendigheid in zyn oogen, dat het scheen als of het

niets vermindert was.

Deeze eerwaardige Gryzaard dan tot onze Reizigers genadert zynde,

ontfing dezelve met een zoo vriendelyke openhartigheid, dat hy ten

eerste het goed gevoele en vertrouwe van de Heer N..... en die by hem

waren won. Den Hemel zy gedankt zeide hy, dat ik het geluk hebben,

van voor myn dood nog eens Luiden te zien, afkomstig uit een Land,

daar ik en de geenen die met my hier woonagtig zyn haar Voorouders ook

uitgesprooten zyn; want na ik merken kan zyt gylieden Europianen. Dit

is zoo zeide de Heer N.... zyn wy niet alle ten minsten de meeste

van ons zyn daar gebooren, of van ouders voortgekomen die daar

gebooren zyn. Wy komen van Surinamen, om na Holland te stevenen;

maar het ongeluk heeft gewild, dat wy een zwaare storm gehad hebben,

die ons by na heeft doen vergaan, en ons Schip zeer geteitstert heeft,

dat wy genoodzaakt zyn geweest het eerste land dat wy ontmoete aan

te doen, om het zelve zoo veel als in ons vermogen is te herstellen

en onze reis dus te vervolgen. Wy verzoeken u dierhalven dat gy ons

vergund hier eenige tyd te mogen ophouden; tot dat wy dit volbragt

hebben, en ons met eenige benoodigtheden te voorzien, dewyl wy het

dankbaarlyk erkennen zullen. Maar dewyl dat ik u in het korte ons

wedervaren verhaald heb; zoo doed ons de vriendschap ons de uwe te

doen weten; vermits ik zeer nieuwsgierig daar na ben, en wat voor

een land het is dat gy bewoond. Zeer gaarn antwoorde de Greisaard;

maar dewyl ik zie dat gylieden eenigzins vermoeit zeid, zoo laat

ons in huis gaan, ververst u daar een weinig met het geen ik heb,

en dus kunnen wy het met meer gemak doen. Ik zal onderwylen eenige

van myn lieden na het overige van uw volk zenden, om dezelve te doen

verwittigen dat gylieden hier zeid, en dat wy u en haar met al de

bystand die in ons vermogen is zullen tragten te helpen.

Zy gingen daarop te zamen in huis, alwaar hy haar in een soort van

een zaaltje gebragt hebbende, en haar aan een langwerpige tafel had

doen nederzitten, allerhande verversingen van spys en drank liet

voorzetten. Onze Neger was 'er zelfs niet van uitgezondert, die mede

aan dezelve Tafel met zyn Heer gezeten was. Zyn Heer merkte hem zoo

zeer niet aan als zyn dienaar, als wel als zyn vriend vermits hy zig

zoo zeer in desselfs gunst gedrongen had. Wat de greisaart aanging hy

had zig aan het midden van de tafel geplaats, om des te beter als hy

zyn verhaal deed gehoort te kunnen worden; hy onderhield vervolgens

gedurende de verversing zyn gasten met vriendelyke gesprekken, en na

dat zy zig wel verfrist hadden begon hy zyn verhaal aldus.

De gevallen van de Heer le Sage.

Ik ben van franse afkomst; myn Ouders waren van de Gereformeerde

Religie, en van die gene die men in Frankryk Hugenoten noemde. Zy

waren genoodzaakt haar Vaderland te verlaten om een ander Land op

te zoeken daar zy met meer vryheid en rust haar Godsdienst konden

oeffenen. Zy besloten dan met meer andere van hare Geloofsgenoten

zig na de Westindien te begeven, en zig aldaar in een Colonie die

als doen opgerigt wierd ter neer te zetten. Na dat zy het geen zy

hadden kunnen verkopen verkogt, en het geen tot de reis noodzakelyk

was gekogt hadden, en zig alzoo in staat gesteld haar reis te kunnen

vervorderen, gingen zy met verscheide andere lieden gelyk gezegt is,

zoo Mannen, Vrouwen als Kinderen scheep.

Zy hadden in den beginne goede Wind en Weder; maar na drie weken

zylens begon de Wind zoo geweldig op te steeken, en hand over

hand toe te nemen, dat de Matrozen nauwelyks de tyd hadden van de

zylen in te nemen uit vrees dat dezelve anders aan flarden zouden

waijen. Zy lieten het vervolgens voor de Wind met een zeil loopen,

om het slingeren van het Schip eenigzins te beletten; maar het zelve

bleef niet lang in zyn geheel; want het woey heel schielyk aan flarden,

en zy moesten dus op Godsgenade blyven dryven.

Zy wierden ook geweldig door een sterke stroom die uit het Noorden

kwam voortgedreven, en na dat zy dus zes dagen tussen leven en dood

geworsteld hadden, wierden zy door een zoodanige dikke mist omringt,

dat zy kwalyk een Schips lengte van haar af konden zien. Toen wierden

Zy nog meer bevreest, om ergens tegens klippen of op zantbanken te

stooten, waar door zy in gevaar waren van schipbreuk te leiden. Het

duurde ook niet lang, want na omtrent een half etmaal door die mist

gedreven te hebben; wierden zy zoodanig op een santplaat gedreven,

zonder dat zy 'er tegen hadden kunnen verzien, dat het Schip zoo vast

bleef zitten als of het was geklonken geweest. Dit veroorzaakte ten

eerste een groote onsteltenis, al het volk dat binnen in het Schip was,

kwam ten eerste boven lopen, om des noods zynde zig beter te kunnen

redden, en dewyl het in den nagt was dat dit voorviel, hadden zy nog

minder gelegendheid om van zig af te zien waar zy waaren.

Zy waren dus in de grootste ongerustheid des Werelds, terwyl zy

alle oogenblikken verwagte dat het Schip door de zware golven der

Zee aan stukken geslagen zoude worden, maar het hield nog stand

tegens der zelven verwoede aanvallen, terwyl het hoe langer hoe

dieper in het zand zig inwikkelde, zoo dat zy wel kosten merken,

dat 'er voor haarlieden geen kans was om het Schip te behouden. De

dag op dien schrikkelyke nagt kwam midderwyl aan, en dewyl de zwaare

mist en nevel met deszelfs komst ook een weinig verdweinde, konden zy

bescheidentlyk zien, dat zy op een zandplaat geraakt waren, die niet

ver en omtrent een schoot weegs van de kust van een zeker land gelegen

was. Zy beslooten dan eenparig om zig met de bood daar op te redden,

't welk zy ten eersten ter uitvoer bragten. De bood dan uitgezet zynde,

was myn Vader en zyn Vrouw mede een van de eerste die daar in gingen:

maar het was niet zonder levensgevaar, vermits de baren geweldig op

deeze bank slaande, zy alle ogenblikken verwagtende waaren van om

te slaan. Zy kwamen evenwel behouden aan land, terwyl de anderen ook

met alle spoed gered wierden.

Zy zouden evenwel al haar goed en wat 'er op het Schip was hebben

moeten verliezen, indien de Wind niet een klaps was gaan leggen, en

zy dus bekwamelyk het zelve van tyd tot tyd daar uit hadden kunnen

ligten. Zy ontlade dan het Schip en bragten alles aan de Wal, vermits

zy wel zagen geen kans te hebben om het ooit weder vlot te krygen,

dewyl het zoo diep in het zand gewoeld was.

Ondertusschen hadden zy zoo veel als in haar vermoogen was goede wagt

gehouden, uit vreeze dat 'er zomtyds inwoonderen in het land mogten

weezen en zig dus voor derzelver overrompeling te dekken, dewyl zy

tot nog toe geen tyd of gelegendheid gehad hadden om het zelve op

te speuren: maar de handen een weinig ruymer gekreegen hebbende,

ging 'er eenige uit om te vernemen op wat oord van de Waareld dat zy

waren. Dezelve versagen zig van schietgeweer, om zig des noods zynde

daar mede te verweren, als zy van eenige wilde Volkeren of Beesten

mogten aangevallen worden; en dus voorzien zynde trokken landwaarts

in; maar vonden nergens menschen waar zy kwamen, en gaven daar wel

in haast de tyding van. Dit het volk stouter gemaakt hebbende om het

land te ontdekken, begaven zy zig om het verder te doorkruysen. Zy

bevonden eindelyk dat het maar een Eiland was, van by na twintig

uuren gaans in den omtrek, dat het vervolgens zeer vrugtbaar was,

en met eenig gedierte (dog geen schadelyke) en gevogelte verzien was.

Zy kwamen daar op de anderen dit bekend maken, die van twee kwaden het

beste willende kiezen, besloten ergens een vrugtbare valey te zoeken,

die niet ver van de Zee was om zig daar ter neder te slaan, tot 'er

tyd toe dat 'er eenig Schip voorby mogt varen, of wel het Eiland aan

mogt doen; op dat zy dus nog t'eeniger tyd mogten gered worden. Met

deeze hoop nog bezield zynde, verkozen zy deeze zelve valey die wy

nu tegenswoordig nog bewoonen, zy sloopten vervolgens het Schip,

en van het houtwerk dat zy daar van kregen, maakte zy zoo veel als

een loots of schuur, waarin zy zich voor de ongemakken van lucht en

weder konde dekken. Hier behielpen zy zich zoo goed en zoo kwaad als

zy konden, en bergde haar mondbehoeftens en goederen die zy uyt het

Schip gelost hadden daar in.

Zy zagen ondertusschen van tyd tot tyd uit of zy geen Schepen vernamen;

maar dit een geruymen tyd geduurd hebbende, en gewaar wordende dat

zy vergeefse moeyte deden, terwijl zy in al dien tyd niets vernomen

hadden, zoo begonden zy eerst regt te overwegen wat in deeze staat

te doen. Myn Vader die wel het meest by haarlieden in aanmerking was,

wierd daar over raad gevraagd: Myn vrienden zeide hy, hier is goeden

raad duur, wy moeten van de nood een deugd maken, het zoude kunnen

zyn dat wy hier al ons leven blijven moesten; want dit kan wel een

Eilandje zyn dat in geen aanmerking by de Zeevarende is, of dat

het nog geheel onbekend is, en dus niet word aangedaan. Wy hebben

ten minsten wynig hoop van redding, en daarom is het beste, dat wy

hier zoo goed en kwaad als wy kunnen, ons zoeken te behelpen, onze

levenswys zoo te regelen dat wy het nodige voor ons onderhoud kunnen

vinden, en vervolgens een goede order onder ons zoeken te bewaren,

om het met rust te kunnen genieten. Daar moet dan voor eerst by ons

een hooft en opziender gesteld worden, die over de andere een zeker

gezag heeft, om de verschillen die 'er mogten ontstaan te beslissen,

en die met medekennis van de anderen de schikkingen beraamd, die hy

dunkt gevoeglyk te weezen tot onzer aller welzyn; 't overige zal dan

van zelfs wel volgen.

Zy waren hier mede zeer wel te vreeden, en na dat 'er eenig gemurmel

onder de gemeente gereezen was, verkozen zy eenparig myn Vader als

hoofd en opzigter over deeze nieuwe Volkplanting. Myn Heer zeide zy,

wy zyn van uwe deugd overtuygd, wy kunnen niemand gevoeglijker neemen,

om deeze waardigheid te bekleeden als gy; wy beroepen u eenparig

en verzoeken dat gy het aan geliefd te nemen. Myn Vader wilde uit

zedigheid zig daar van ontslaan; maar hoe meer hy het wygerde aan

te neemen, hoe meer zy hem daar toe aandrongen. Eindelyk was hy wel

genoodzaakt om het aan te neemen, zeggende dat dewyl zy zulke goede

gedagten voor hem hadden opgevat en hem genoegzaam tegens zyn wil en

dank genoodzaakt om het aan te nemen, hy haar derhalve voor eerst

bedankte, haar vervolgens vermaande om hem in alles wat redelyk en

met de Volkplanting best bestaande mogt weezen te hooren, en met

toestemming van de meesten, in zaken van belang te gehoorzamen. Zy

beloofde hem alle eenparig dit te doen, dit was het begin en de

grondslag van deze nieuwe Volkplanting.

Myn Vader had voor deezen in Vrankryk zoo veel als voor Predicant

gedient, hy moed dit ampt by het andere waarneemen, vermits 'er

niemand onder de gemeente was die het gevoeglyk konde doen; ziet

daar hem dan in het geestelijke en wereldlijke te werk gesteld. Hy

verkoos dan eenige van de voornaamste van de Volkplanting tot zyn

raden, om hem te helpen beraadslaan, hoe verder te werk te gaan. De

form van bestiering en verdeeling was dan wel het voornaamste dat by

haar in aanmerking kwam. Voor eerst wierd dat beslooten, dat alle

goederen gemeen onder haarlieden zoude weezen, of liever dat alles

wat 'er was de Volkplanting in zyn geheel zoude toebehooren, en dat

al die geen die iets benodigd had, de geenen die daar het opzigt

over hadden om aan zouden spreeken, 't welk haar dan zoude gegeven

worden. Ten tweede men zoude de loots slopen en maken daar van eenige

byzondere wooningen, waar in de Familien ieder afzonderlyk in zoude

woonen, om des te meer vryheid te hebben, en in de woning van myn

Vader dewyl hy Predicant was, zou de Godsdienst geoeffent werden,

zoo lang tot zy in staat waren om een Kerk te maken. Ten derde men

zoude het land dat 'er bekwaam toe was bebouwen, met die vrugten

en gewassen die zy uit Europa medegebragt hadden; hier toe zouden

eenige aangesteld worden die zy daar het bekwaamste toe zouden agten,

de vrugten zoude vervolgens daar van op zyn tyd ingezameld, en in

een zeekere plaats bewaardt worden, waar van zy vervolgens aan de

gemeente een generaale uitdeeling zoude doen. Wat 'er wyders zoo in

het Kerkelijke als Wereldlijke mogt te schikken vallen, zoude naar

gelegenheid van zaaken in den raad afgehandelt worden.

Dit dan alzoo beraadslaagt zynde, wierd het zelve vervolgens ook

ter uitvoer gebragt. Men sloopte de Loots van desselfs afbraak,

benevens eenige takken van Boomen, en het geen zy het gevoeglijkste

krygen konden, maakte zy eenige Huisjes of Hutjes om ieder Huisgezin

afzonderlijk te kunnen huisvesten. De wooning van myn Vader wierd

eenigzins grooter gemaakt, om dat zy daar den Godsdienst in wilde

oeffenen, en dewyl hy het hoofd van de Volkplanting was, wierd al

het goed in zyn bewaring gegeven, op dat hy het aan den geenen die

het zoude benodigt hebben, uit zoude deelen. Zy maakte dan zoo veel

als een Voorraathuis van zwaare takken van Boomen, die zy zoodanig

door malkanderen werkte, dat het zoo veel als voor een Schuur konde

doorgaan: zy overtrokken hem met een Zeil dat zy uit het Schip gehaald

hadden, zoo dat alles wat 'er in was, redelijk wel voor regen en

weder bewaard was. Daar wierden eenige hoeken lands uitgezogt dewelke

bebouwt zouden worden, en zy bevonden deeze gantsche streek zeer

bekwaam daar toe.

Zy hadden allerhande Zaden, zoo van Koorn als Moesdery, benevens eenige

jonge Vrugtboomen, waaronder den Wyngaard mede gerekend was uit Europa

mede genoomen, om dezelve in de Colonie, waar zy na toe meende te gaan,

te zaaijen en te planten; dezelve kwamen hier nu heel wel te pas,

en daar wierden eenige Luiden te werk gesteld om dezelve te zaaijen

en te planten. Maar het ongemakkelykste was het Land te beploegen,

vermits zy geen Paarden of Ossen hadden om dezelve voor de Ploeg te

spannen. Zy hadden wel twee Ploegen mede gebragt, maar geen Beesten

om voor dezelve te trekken; evenwel stelden zy het zoo goed en kwaad

als zy konden te werk, en dewyl de grond hier zeer mul en los is,

kon het nog eenigszins gaan om dezelve door menschen te laten trekken.

Al het geen hier gezaait en geplant wierd, groeide zoo welig, en

bragt zoo veel vrugten voort, dat het een vermaak was om het zelve

te zien. De Wynstok zelfs bragt zoo overvloedig vrugten voort, als

hy ergens in Europa zoude hebben kunnen doen; zoo dat zy van alles

in korten tyd overvloedig voorzien waren en een leven kosten genieten

't welk met de eenvoudigheid van haare zeden over een kwam.

Dus levende hadden zy alles wat redelyke menschen die een stil en

zeedig leven willen voeren, wenschen kunnen, en zy wierden het zelve

zoo gewent, dat zy in vervolg van tyd om Europa niet eens meer dagten;

of zoo zy dit al deeden, was het eer om haar voorige staat met deeze

te vergelyken, die na haar gedagten hier by in geen vergelyking kwam,

en ik heb myn Vader dikwils horen zeggen, dat hy hier in dit eenvoudig

en opregte leven meer genoegen vond, als hy ooit in Europa zelfs by

de grootste vreugde-bedryven hadde.

Ondertusschen groeide de Volkplanting van tyd tot tyd aan, en de

Vrouwen bragten hier wel haast verscheide Kinderen ter Wereld;

waar onder myn Moeder mede kon gerekent werden. Zy had nog geen

Kinderen zoo lang zy met myn Vader gehuuwt was geweest; maar toen zy

hier omtrent twee jaren gewoont hadden, beviel zy van my, en ik ben

ook het eenigste Kind geweest dat zy gehad heeft. Na dat ik groot

begon te worden, besteede myn Vader zyn zorg om my op te voeden,

toen ik de ouderdom van zeven jaren bereikt had, nam hy zelfs de

moeite van my leezen en schryven te leeren, en my in de gronden

van de ware Christelyke Godsdienst te onderwyzen, waar in ik wel

haast goede voortgang maakte. Na dat hy dan de eerste gronde geleid

had om 'er vervolgens een goed gebouw op te timmeren; zoo besteede

hy al zyn bekwaamheid, om my de waare Godgeleertheid en Zedekunde

in te scherpen. Het is u juist niet nodig zeide hy eens tegen my

(na dat hy een begin met my daar in op te leiden gemaakt had)

om u in al die subtile questien, in al die disputen, waar mede de

Godgeleerde en Wysgeeren zig ophouden in te wikkelen, de staat waar

in wy zyn vereischt zulks niet; want wy woonen hier op een Eiland van

alle volkeren des Aardbodems afgescheiden, en dit handje vol Volk

waar wy thans onder woonen, zyn alle eenvoudige en opregte lieden;

zoo dat gy het van die kant niet nodig hebt, en voor u zelfs nog

minder, vermits gy daar door van de waare Godsvrugt en Zedeoeffening

eer zoud afgeleid, als wel in bevestigt worden; evenwel dewyl de

voorzienigheid den mensch met reden en verstand begaafd heeft, zoo

wil hy ook zeker dat wy die op een betamelijke wyze gebruiken, en

dat wy niet gelijk een dom dier gedreven worden over al heen, waar

de geen die ons onderrigt wil lyden. Ik zegge vervolgde hy, dat gy

als mensch en als redelijk schepsel die vermogens van redenkavelen

die gy van den Hemel ontfangen, mag en moet gebruiken. Om die reden

zal ik u de zwaarste en wigtigste tegenwerpingen die 'er tegen de

natuurlijke en geopenbaarde Godsdienst gemaakt worden, bekend maken,

en u daar tegens in de oplossing der zelve onderrigting geeven, en

laten het vervolgens aan u eigen oordeel over wat gy daar van dunkt,

en of de Christelijke Religie die wy hier op dit Eiland belijden,

niet de waare is.

Hy onderrigte my dan hoe wy uit de beschouwing van al dit zigtbare

tot de kennis van een God opgeleid worden die zig baarblijkelijk daar

in vertoonde, wat al tegenwerpingen 'er al gemaakt wierden, en op

hoedanig een wyze beantwoord: maar dewyl die kennis zeer duister en

onvolmaakt was, leide hy my verder op tot de geopenbaarde Godsdienst,

en ging daar even mede te werk als hy met de natuurlyke gedaan had. Om

kort te gaan hy verlichte myn kennis zoodanig door myn goede lessen

te geven, en wist my door zyn redeneren zoodanig te overtuigen,

dat ik van al het geene waar van hy my onderrigting deed, volkomen

in desselfs waarheid bevestigt wierd.

Myn Moeder kwam ondertusschen te sterven, toen ik den ouderdom

van omtrent twintig jaren bereikt had, myn Vader was 'er zeer over

aangedaan, en dewyl hy zyn jaren begost te krygen, stelde hy myn aan

het Volk voor, om voor hem de dienst in het Kerkelyke waar te nemen;

Ziet daar zeide hy (na dat hy de voornaamste by een vergadert had)

myn Zoon, dien ik zoo veel als in myn vermogen was, tot den dienst

van Gods Kerk opgeleid heb; Ik heb dezelve nu al verscheide jaren

waargenomen, myn jaren die thans beginnen te klimmen, en my dit ampt

zwaar beginnen te maken, begeren dat ik daar van ontslagen ben, ik stel

u hier myn Zoon in de plaats voor die ik bekleed heb, ik oordeel 'er

hem bequaam toe, en gylieden kunt hem in vervolg van tyd met meer nut

als my gebruiken. Zy ontsloegen myn Vader vervolgens op zyn verzoek,

en namen my in desselfs plaats aan; hem met eenen biddende dat hy

het ampt van hooft des Volks nog zoude waarnemen: want zeide zy,

wy kennen niemand bequaamer daar toe dan gy, en uw jaren kunnen u

daar niet van ontslaan; vermits gy des te meer ervarentheid hebt om

ons Welzyn te betragten: Wanneer u Zoon wat meerder jaren verkregen

en gevolgelijk meerder ondervinding gekreegen heeft, zullen wy zien

wat wy met hem voor hebben: maar tot nu verzoeken wy dat gy het zelve

nog blyft waarnemen.

Dit beloofde hy haar te doen tot 'er tyd toe dat ik of een ander

wat meerder bequaamheid zoude hebben om het waar te neemen. Daar

mede scheide de vergadering, en ik wierd als Predicant in myn Vaders

plaats aangestelt.

Na dat ik omtrent twee jaren den Predikdienst waargenomen had,

moest ik my ten Huwelijk begeven: (Want wy zyn genoodzaakt als wy tot

zekere jaren gekoomen zyn te trouwen, op dat de Volkplanting niet uit

sterve) en dewyl dezelve by het lot geschied en niet by verkiezing,

had ik het geluk van een Vrouw voor my te bekoomen, die my heel wel

aanstond en van zeer goede hoedanigheden was. Ik heb dezelve in de

dertig jaren gehad, en in dien tyd 'er zeven Kinderen by verwekt,

die alle in het leven gebleeven, en ook al gehuuwt zyn. Myn Vrouw

is nu al over de twaalf jaren dood geweest en ik heb zedert dien tyd

altyd alleen geleeft.

Ondertusschen eenige jaren gehuuwt geweest zynde, wilde myn Vader zich

ontslaan van het ampt van hooft der Volkplanting. Hy verwittigde dit

aan de voornaamste des volks, en stelde my met een voor, om als zy

my oordeelde bequaam te weezen, in zyn plaats gesteld te worden. Zy

wilde hem in het eerst nog niet ontslaan; maar op zyn sterk aanhouden

gingen zy 'er toe over, en verkozen my eenparig in zyn plaats. Ik heb

die post nu al veele jaren waargenomen en neem dezelve nu tot heden

toe nog waar; dewijl ik nog gezond en sterk ben, de Volkplanting

heeft groote liefde en genegentheid voor my, en ik doe aan myn kant

ook zoo veel als in myn vermogen is, om alles aan derzelver geluk en

welvaren toe te brengen als maar mogelijk is. Wy leven hier alle zeer

gerust en wel te vreden; Want wy zyn hier alle in een volkome vryheid

gesteld, en in een rust die van geen vyanden buiten ons kan gestoort

worden: Want gylieden zyt de eenigste die zoo lang dit Eiland door

ons bewoont is, het zelve heeft aangedaan, en het is iets wonders

dat gylieden het ontdekt hebt: Want wy gissen en onze gissingen zyn

niet ongegrond, dat het zelve niet als by geval kan ontdekt worden;

vermits desselfs Kusten en de gansche Zee daar rondom altyd met een

zware nevel overdekt is. Gy moet een tyd tot u geluk getroffen hebben,

dat dezelve daar niet is geweest, anders zoud gy dit Eiland met behoud

van u Schip nooit gevonden hebben.

Hier eindigde de Heer le Sage zyn verhaal, 't welk haar alle zeer wel

voldaan had en verwonderde. De Heer N.... stemde met hem toe dat het

zekerlijk door een nevel, die de Kust als omringde, moest veroorzaakt

worden, dat dit Eiland nog niet ontdekt was: Want dat anders nu zoo

veel Schepen die deeze Zee passeerden, 'er wel eenige het zoude ontdekt

hebben. Hy vroeg hem verder naar eenige omstandigheden de gewoontens

en zeden dezer Volkplanting, daar de Heer le Sage hem een voldoende

ontdekking van deed, met hem in het korte een geheele beschryving

daar van te doen.

Gy hebt uit het verhaal 't geen ik van de ontdekking van dit Eiland

gedaan heb en van de eerste beginselen van deeze Volkplanting genoeg

kunnen opmaken, zeide hy dat haare wyze van regeering zoo veel als

een Volksregeering is, schoon 'er een hooft over is, is het veel

meer door zyn raad als magt dat hy beveelt; 't welk niet zonder

de toestemming van de voornaamste des volks mag of kan ter uitvoer

gebragt worden. Dezelve komen te zamen wanneer 'er over een zaak van

aangelegentheid moet geraatpleegd worden; Dan gelden de meeste stemme,

het hooft heeft twee stemme. Verders is hy niet meer als raadsman die

het beste voor de Volkplanting moet behartigen. Ik heb u ook verhaald

dat 'er by ons gemeenschap van goederen plaats heeft, of liever dat

het hooft dezelve in zyn bewaring heeft, en daar van geeft aan den

geene die het nodig heeft. Dus doende zyn wy hier alle even ryk en

gelukkig, ons geluk is voornamentlijk gegrond op de hulp en bystand

die wy malkanderen moeten geven, en zoo de welstand van de gansche

Volkplanting betragten. Daar word dan voornamentlijk zorg gedragen

over de opvoeding van onze Jeugd. Wanneer de Kinderen den ouderdom

van zeven jaren bereikt hebben, moeten zy alle na school gaan, dat

in het algemeen voor de Kinderen der Volkplanting is opgerigt. Hier

worden zy in lezen en schryven en in de gronden van de Religie het

eerst onderrigt; vervolgens in eenige konsten en wetenschappen die

in de zamenleving nodig zyn: maar voornamentlijk in een Christelijke

Zedekunde, waar door haar hart van jongs op als tot de deugd gevormt

word, en waar door zy nutte leden van ons kleine gemeene best staan te

worden. Wanneer zy nu den ouderdom van veertien jaren bereikt hebben,

worden zy geschikt om het geene zy geleerd hebben ter uitvoer te

brengen, en tot iets aangesteld, 't welk het best met haar bekwaamheid

over een komt. Maar dewyl de gansche Volkplanting werkzaam moet weezen;

zoo is 'er ook een zekere tyd toe gesteld. Men werkt niet meer als

agt uuren op een dag de overige tyd is tot godvrugtige oeffeningen,

tot eerlijke tydkortingen, of tot de rust geschikt; 't welk maakt

dat den arbeid niet zwaar vald; maar met vermaak verrigt word.

Als onze lieden den tyd van twee en twintig jaren bereikt hebben (ik

meen de Jongmans, want de jonge Dogters moeten als zy agtien jaren

bereikt hebben trouwen) moeten zy zig in den echt begeven: het zelve

geschied niet by verkiezing; maar by loting. Daar worden zoo veel Jonge

Dogters als 'er Jongmans zyn en die alle de vereiste Jaren daar toe

hebben verkoren, de gebrekkelijke daar van uitgezondert, (die zyn van

het huwelijk uitgesloten) dezelve worden in de Kerk gebragt, hare namen

op papiertjes geschreven; vervolgens ieder byzonder in malkanderen

gerold, de Jongmans werpen vervolgens met Dobbelsteenen wie de eerste,

tweede, enz. zal weezen om te trekken, als dit nu gedaan is, trekt

ieder voor zyn hooft als het zyn beurt is een briefje uit 't Bekken,

en welkers naam daar in geschreven staat moet hy trouwen. Dit is een

gewoonte die by ons altyd in gebruik geweest is, en daar is nog nooit

geen verschil over ontstaan 't welk daar uit voortvloeit dat onze

Jonge luiden de billikheid der Wetten, Zeden en gewoontens van het

Land en der Volkplanting, van jongs op zoodanig worden ingeboezemd;

dat zy dezelve altyd met vermaak ondergaan.

Als zy nu gehuuwd zyn, word ieder paar een woning aangewezen, waar

zy vervolgens in rust en vreede kunnen wonen, en de Kinderen die zy

krygen worden op die wyze opgevoed als gezegt is.

Hier hebt gy nu de voornaamste Zaken der Volkplanting rakende,

zeide de Heer le Sage; daar zyn nog wel eenige klynigheden; maar zy

verdienen onze aanmerking niet.

Wanneer hy nu met zyn verhaal gedaan had, stonden zy op: de Heer le

Sage gong met de Heer N.... zyn Familie, de Neger en het gantsche

gezelschap, en geleide dezelve door het Vlek, om het zelve te

bezigtigen. Hier blonk overal de eenvoudigheid uit; vermits zy

van veel wereldse goederen die men in Europa heeft, berooft waren:

hadden zy aan de andere kant ook weder met geen ongerustheden en

zorgen te stryden daar men in Europa voor blood staat. Onze Neger

stont dit voornamentlyk wel aan; myn Heer zeide hy tegens de Heer

N.... ik heb altyd gedagt of die Religie die gy beleed wel de regte

was, vermits de Levenswyze die ik daar van te Surinamen zoo strydig

met derzelver belydenis vond, my dikwils heeft doen wankelen, dat

ik tot nog toe geen besluit heb kunnen nemen om my te laten Dopen en

een Christen te worden: maar dit Volk leeft volgens haar belydenis,

en haar levenswys die goed is, geeft meer indruk op myn gemoed als

haar Leer, daar nog veel werk toe zoude behooren, om myn gemoed daar

van te overtuigen: weest daarom zoo goed, en spreekt daar eens met de

Heer le Sage over. Dezelve schynt een verstandig man te weezen, mogelyk

zal hy my van de waarheid van zyn Geloof kunnen overtuigen, en als hy

in staat is om dit te doen, ben ik geneigt een Christen te worden,

vermits derzelver Zedekunde my altyd zeer wel heeft aangestaan. Dit

beloofde hem de Heer N.... te doen, en al wandelende gaf hy de Heer

le Sage te kennen 't geen de Neger op hem verzogt had.

Myn Heer zeide hy, ik heb hier een Neger die van heele goede

hoedanigheden is, en daar ik gelyk gy wel heb kunnen bespeuren veel

van houde, dewyl ik hem niet handel als een Slaaf; maar als iemand

die vry gebooren is. Ik heb hem ook met na Holland te gaan zyn

vryheid geschonken, en merk hem niet zoo zeer als myn Dienaar als

wel voor myn Vriend aan. Hy is een persoon van een goed verstand,

en die liefde voor de waarheid heeft; maar ik heb hem tot nog toe

van de waarheid der Christelyke Religie niet kunnen overtuigen: Ik

verzoek derhalven dat gy uw bekwaamheid een weinig wilt besteeden,

om hem zoo het mogelyk is daar van een levendig denkbeeld te geven,

en hem uit de onzekerheden en twyffelingen daar hy tot heden toe in

geleefd heeft, te redden.

Seer gaarn zeide de Heer le Sage; het zal my een vermaak zyn indien ik

hem daar toe brengen kan, en ik twyffel niet of ik zal door des Hemels

hulp, daar wel toe geraken, als hy maar een weinig na reden luisteren

wil; laat hy morgen nademiddag maar in myn Woning komen, wy zullen met

malkanderen daar eens over spreken. De Heer N.... gaf dit aan de Neger

te kennen, die het zelve aan nam te doen. Na dat zy nu nog een weinig

te zamen gewandelt hadden, scheiden zy van malkanderen, en bedankte

de Heer le Sage voor zyn vriendelykheid en voor zyn beleefd onthaal.

Ik heb vergeten te zeggen dat de Heer le Sage haar eenige Woningen

had laten aanwyzen, waar in zy zig kosten ophouden, zy gingen daar na

toe en vonden daar al het gemak, 't geen haar een eenvoudig leven kost

geven, zy wierden vervolgens van al het noodzakelyke voorzien. Die by

het Schip gebleven waren wierden ook van al het geen zy nodig hadden

ondersteunt; dezelve maakte zig gereed om het Schip zoo veel in order

te brengen als maar mogelyk was, om haar reize spoedig te vervolgen.

Den anderen dag de nademiddag gekomen zynde, gong de Neger verzeld van

de Heer N.... na het huys van de Heer le Sage: daar gekomen zynde,

wierden zy van dezelve vriendelyk ontfangen, en na zig een weinig

ververst te hebben, viel het gesprek over het geen waar van zy daags

te vooren malkanderen verwittigt hadden. Ik heb van u gehoord zeide de

Heer le Sage tegens de Neger, dat gy wel wenste eenige onderrigting van

my te hebben, aangaande de waarheit van den Christelyke Godsdienst: Ik

ben bereid u daar van zoo veel te overtuigen als maar in myn vermogen

is, en ik twyffel niet zoo gy niet hartnekkig wilt zyn, u daar van te

overtuigen. Gy kunt al het geen daar tegens inbrengen wat u goeddunkt,

terwyl ik zal tragten door de bystand des hemels het zelve zoodaanig

te wederleggen, dat ik niet twyffel of gy zult daar van overtuigt zyn.

De Neger. Myn Heer niets zoude my aangenamer weezen als dat gy my hier

toe zoude kunnen brengen; maar my dunkt ik vind zoo veel zwarigheden

tot die overtuiging, dat gy 'er veel werk toe zult hebben.

De Heer Le Sage. Gelooft gy aan een God?

De Neger. Alschoon ik een Neger geboren ben, en onder Afgodise Volkeren

ben opgevoet, heb ik evenwel door myn redeneren en bespiegeling

ontdekt, dat de Godsdienst van myn Natie gantsch niet goet is,

dat dezelve met zoo veel Afgodery en bygelovigheid verzeld was, dat

een ieder die maar een weinig verstand heeft, daar een afschrik van

moest hebben.

Dit heeft my derhalven aanleiding gegeven om dezelve in de grond

van myn hert te veragten, en de waarheid zoo veel te onderzoeken

als in myn vermogen was. Maar wat zyn wy arme stervelingen niet met

veel duisterheden omringt, daar wy door onze zwakheid niet door heen

kunnen zien? Evenwel ben ik door de beschouwing van de natuur desselfs

order en schoonheid zoo ver gekomen, dat ik een eerste oorzaak daar

van erken; maar met zoo veel duisterheden en onzekerheden, dat ik

zomtyts schyn te twyffelen aan het geen ik in den eersten opslag als

voor waarheid aangenomen had.

De Heer le Sage. Gy schynt dan een opperwezen te erkennen, maar welke

zyn die duisterheden en onzekerheden, waar door gy dikwils weer schynt

te twyffelen aan het geen gy in het eerst had toegestemt?

De Neger. Om dat my de gevallige uitkoomsten en bestieringe der dingen

zoo wonderlyk schynen voor te komen, dat met de volmaaktheit van een

wezen die Heer en Onderhouder van alles zoude wezen, schynt te stryden.

De Heer le Sage. Waar in schynt het u strydig te wezen met de

volmaaktheid van dat Opperwezen?

De Neger. Om dat ik zoo veel tegenstrydigheden en zoo wel kwaad als

goed in de werelt gewaar worde, ook is dit kwaad en dit goed zoo

ongelyk verdeeld en aan de menschen te beurt gevallen, (die 'er het

volmaaktste schepsel op zyn) dat het niet wel over een te brengen

is, met de regtvaardigheid en goetheid van een Wezen dat dezelve zou

geformeert hebben, en nog zou onderhouden.

De Heer le Sage. Dewyl gy zoo wel kwaad als goed gewaar word, moet

u dit niet opleiden om de oorzaak daar van te onderzoeken?

De Neger. Ja zeker: maar myn vernuft en reden zyn daar veel te zwak

toe, om dat uit te vinden; voornamentlyk als ik gewaar worde, hoedanig

dat dat goed en kwaad verdeelt word; daar ik dikwils deugtzame menschen

als guiten en booswigten zie lyden, en weer in tegendeel de snoodste

fielten met geluk en voorspoed zie overgoten, hoe kan ik dat overeen

brengen met de reden en billykheid?

De Heer le Sage. Evenwel moet alles wat 'er is, zoo wel kwaad als goed

een oorzaak gehad hebben; en dit is het geen dat wy menschen met ons

vernuft en bespiegeling niet kunnen ontdekken, hierom heeft dat Wezen

dat de oorspronk en onderhouder van alles is, ons door overlevering en

by geschrift geopenbaart, dat wy anders met ons vernuft nooit zouden

ontdekt hebben.

De Neger. Gy komt daar met de openbaring te voorschyn; wie zal my

zeggen dat hy van of door dat Wezen is te voorschyn gekomen; kunnen

'er niet schrandere menschen geweest zyn die dezelve in en door haar

eige harzenen en invallen gesmeet en geschreven hebben?

De Heer le Sage. Neen: Want dewyl het maar menschen geweest zyn die

dezelve geschreven hebben; kosten zy nooit in die verborgentheden

indringen, daar geen mensch uit zyn eige natuur of bequaamheid kan

bykomen; zoo dezelve niet door een hoger geeft en bequaamheid bestierd

wierden: want zy konden immers zoo min als gy, weten waar dat het

quaad van daan was gekomen?

De Neger. Zy kunnen dit wel verzonnen hebben, zoo wel als veele andere

zaaken die daar in geschreeven staan.

De Heer le Sage. Dit is onmogelyk; want de eenvoudigheid in het

verhaal der zaaken, schynt te stryden tegens eigen vindinq; daar by

hadden die genen die het geschreven hebben, 'er in 't geheel geen

belang by, waarom zy het zoude verciert hebben; want veele hebben

'er niet alleen tydelyke goederen en gemak door verlooren; maar zelfs

lyf en leven. Het zoude immers de grootste zotterny des Werelds zyn,

zig voor een verciering in het grootste gevaar te stellen?

De Neger. Dit is waar, en dit is de reden ook waar door ik dikwils

gewankelt heb en in twyffel gestaan, of ik het gelooven moest of niet.

Geschiedenis van een Neger Zyn Reize met de Heer N.... van Surinamen naar Holland.... enz. · 第 1 / 6 段