"Hans, kijk voor je, of denk je misschien dat Toon, omdat ie z'n
been brak, geen honger kan hebben? Zeg, gun je 't me niet? Kom, hou
je lange gezicht maar thuis, je moest je wat schamen.--Och! Hans,
wat gaap je. Bah! wat scheelt me zoo'n kruimel. Hier! hierrr dan,
domoor!! Hierrr! Stil, wou je m'n vingers er bij?--Zoo, ouwe rakkert,
dat doet je weer goed, hé? Ja, je kunt nog van geluk spreken, schrale
lummel; 't is waar, 'en halve kost, maar 'en leven zoo lui as 'en
Oostersche prins; en ik.... en ik dan met m'n geradbraakte ribbenkast
en gebroken been! 'k Wil dadelijk ruilen, ja zelfs al moest _ik_
aan 't lijntje. Zie zoo," vervolgt de spreker, terwijl hij smakkend
den laatsten brok van 't roggebrood, waarvan Hans weder verreweg het
grootste deel had bekomen, vermaalt: "nou kun je tot morgen den mond
afvegen. Kon jij me maar helpen! Ik wed, je dee 't. Och, wat kijk
je weer goejig; omdat ik zoo dikwijls je rauwe borst met olie heb
ingesmeerd, hé?--Wel zeker, pluis jij die stoelbiezen maar op; de
rijke lui zouden zeggen, voor 'en nadissertje. Zie, ezel! zoo moest
ie wel vallen; wacht!" en de man vat een gebroken schippersboom,
die naast hem tegen den wand staat en aan welks einde een ijzeren
hoek zit; haakt er mede naar den gevallen, schier matloozen stoel,
en brengt alzoo het nagerecht meer nabij den hongerige met het lange
gezicht en den uitgerekten hals.
Er volgen eenige oogenblikken van stilte, door niets afgebroken dan
door het geknabbel van Hans, die zijn zwak gebit op de vermolmde
stoelleuning en sporten beproeft.
Toon schijnt zich met de pogingen van Hans te vermaken, althans gedurig
zien wij hem den haak in het telkens omvallende dessert slaan, ten
einde het opnieuw onder zijn bereik te brengen.
Met een zucht betuigt de man eindelijk, dat het donker wordt; en,
dat zijn "ribbenkast," die een pijnlijke bewerking scheen ondergaan
te hebben, of wel het lijdende been hem zeer doet, getuigen de weinig
opwekkelijke geluiden die, naarmate de duisternis al dieper daalt,
ook menigvuldiger worden.
Hans schijnt te slapen. Hij knabbelt niet meer, en zegt--niets.
"'t Wordt laat, zou Grietje mij vergeten?" zegt Toon weer overluid,
misschien in de hoop dat Hans zal ontwaken om in zijn onrust te
deelen. Maar Hans blijft stil en zegt--niets.
"Ha!" herneemt de man na een pauze van weinige minuten: "ik hoor
een voetstap," en nauwelijks heeft hij die woorden geuit of de deur
wordt van buiten geopend, en met een lantaarn in de hand treedt een
meisje van ongeveer zestien jaren het verblijf binnen, dat we thans
meer nauwkeurig kunnen opnemen.
Lezer, gij hebt al veel gezien: rijk gemeubileerde salons; vorstelijke
zalen, zalen, waarin de weelde aan 't pruilen raakte dewijl ze er
niets meer te doen vond; en, zoo ge ze niet met uwe oogen gezien hebt,
dan kent ge ze toch omdat ge lid zijt van uw leesgezelschap. Ja,
gij hebt veel gezien; hutten ook, hutten van steen, hutten van leem,
hutten van stroo, hutten van plaggen, _met_ en _zonder_ schoorsteenen,
_met_ en _zonder_ steenen vloeren, hutten tot zelfs onder den grond. Ge
hebt ze betreden, zij het ook aan de hand van een beroemd auteur,
en gij hebt gehuiverd op het denkbeeld dat in _zulke_ dingen naar
echtheil wordt gejaagd, dat er kindertjes worden geboren, soms meer
dan een dozijn, en 't eenige wat u bevredigen kon was de gedachte:
dat "vriend Hein" er toch óók zijn visites brengt.
Lezer! gij hebt veel gezien, maar iets als 't geen wij u gaan
voorstellen, zaagt ge van binnen nooit, wij zijn er zeker van.
Het verblijf, waarin de lantaarn die het meisje meebracht een
geheimzinnig licht werpt, is een ruimte van ongeveer tien voet lang
en acht voet breed, en zeker moet gij alvorens binnen te treden uw
hoed afzetten, wilt ge, zonder dien aan het deksel van dit vertrek
te beschadigen er recht in overeind staan. Wij zeiden: het deksel,
want ja, de planken wanden, die de onmiskenbaarste sporen dragen
van hun veeljarige diensten te water, zoowel door de ovale lijnen
die ze beschrijven, als door de ontelbare spijkergaten, welke zooveel
mogelijk met klei of veelsoortige propjes zijn dichtgewerkt, die wanden
dragen tot dak,--in vereeniging met een paar palen welke midden in
het vertrek staan--twee broeikastramen waaraan de ruiten ontbreken,
al mag er ook een scherf in enkele hoeken zijn achtergebleven. Dit
raamdak, eenige duimen buiten den wand uitstekende, is in het midden
aan de palen stevig vastgebonden, terwijl het in de zijwanden met
spijkers en touw werd bevestigd, doch, voorzeker zou het al zeer
weinig aan zijn doel hebben beantwoord, indien het niet hier met een
stuk zeildoek en ginds met eenige oude planken of enkele pannen ware
bedekt geweest. De groote bouwmeesteres Natuur heeft er haar adem
over heen laten gaan; en thans ligt daarbuiten over het geheel een
grauwachtig waas verspreid.... adres aan kerkmuren en oude schuttingen.
Onwillekeurig zijn we buiten de woning gekomen, en met een vluchtigen
blik ontwaren wij, in weerwil van de heerschende duisternis, dat de
hut, die we zoo aanstonds weer binnengaan, op slechts geringen afstand
van eenige huizen is gelegen, waarbij de wip van een ophaalbrug een
zonderlinge vertooning tegen de lucht maakt, en ontwaren dat de hut
aan de achterzijde door het lies wordt gestreeld 't welk een breede
trekvaart--misschien wel een kleine rivier omzoomt, terwijl langs de
voorzijde een smal zandpad, door stompwilgen overschaduwd, naar de
huizen met de ophaalbrug voert.
't Is toch eene deur die wij ontsloten om den toegang te verkrijgen;
eene deur, al vervingen ook leeren lapjes de hengels, en al moet zij
veeleer worden ter zij gezet, dan dat zij door een zachte drukking
openvalt. Ge hebt het gezien hoe wij--met de geheime sluiting
bekend,--een prop vodden bezijden de deur uit den wandspleet drongen,
en den arm door de verkregene opening staken ten einde den grendel,
die zich aan de binnenzijde bevindt, te verschuiven.
Vreemde huishouding die uw opmerkzame blikken treft! Een plank
in den hoek ter rechterzijde, op klossen tegen den wand bevestigd,
draagt het voornaamste huisraad, waarvan, behalve eenige onherkenbare
voorwerpen, een zwartachtig blikken koffieketeltje, een geborsten
kommetje, een wateremmer, een paar groene flesschen en een klein
bijbeltje de hoofdartikelen uitmaken. Ter zijde van het raam--zoo
ge het ding, waarin zich twee jammerlijk verweerde glasruiten te
midden van een aantal opgeplakte koffie- en tabakszakjes bevinden,
een raam wilt noemen--ligt een voorwerp, dat veel overeenkomst met een
oud vensterluik heeft, op een paar lage schragen om de functies van
tafel te verrichten. In den hoek ter linkerzijde brengen een zestal
latjes het deksel met den wand in verbinding, en komen wij te meer
op het denkbeeld dat het gezegde toestel een ruif moet verbeelden,
dewijl zeer in de hoogte nog eenige spichtige hooihalmen al treurende
nederhangen. Zie, aan een der beide palen, die het dekseldak schragen,
hangen haam, jaagkussen, oorshout en lijn eendrachtig bijeen, terwijl
de haak der tweede paal een kleine lantaarn draagt, benevens een
wilgenhout met een eindje gevlochten touw er aan 't welk, alzoo
vereenigd, den naam van zweep ontving.
En thans den blik naar beneden; 't is een soort van krib of houten bak,
waarin de man ligt, dien wij 't woord tot Hans hoorden voeren. Van het
beddegoed, 't welk een bruin geelachtige kleur heeft--men herinnere
zich wat de geschiedschrijvers aangaande de Spaansche Prinses Isabella,
tijdens het beleg van Ostende in 1601, hebben opgeteekend,--van dat
beddegoed met een rosbruin wollen deken willen we verder niet gewagen,
terwijl gij ons, na een onderzoekenden blik, haastig de vrijheid
schenkt om niet aan te wijzen, wat hier en daar onmiddellijk met
den aarden vloer in aanraking komt. _Onmiddellijk_, want Hans, van
wien we wel degelijk notitie nemen, heeft ook een leger dat, enfin,
dat voor eenige weken versch stroo is geweest.
Hans ligt voor de legerstee van zijn meester, en terwijl het lange
gezicht van den eerste op den rand der kribbe rust, glijdt de hand van
den laatste, heen en weer over den mageren hals van zijn ouden vriend.
Toon Ritter, bijgenaamd "de witte," is sedert een tijdsverloop
van circa vier en twintig jaren schuitenjager aan het Stichtsche
vaarstation, in welks nabijheid zich de beschrevene hut bevindt. Voor
zeker is hij zijn bijnaam aan de grijze haren en den grijzen baard
verschuldigd, die, vooral in dit oogenblik, zeer verward zijn
hoofd en kaken omgeven. Al vindt ge u bij een eerste beschouwing
onaangenaam getroffen, toch zult gij ons toestemmen, dat er iets
goedigs op dat ruige en morsige gelaat te lezen is. Ja, uit zijn oogen
stralen vriendschap en liefde, vriendschap en liefde voor den oude,
die aan zijn zijde ligt; voor het magere, akelig magere jaagpaard,
't welk hij ruim zes en twintig jaren het zijne noemde.
Overdreven!
Klinkt zóó een hoofdschuddend intermezzo?
Wij verheugen ons, waarde lezer, dat ge twijfelt, 't is een bewijs,
dat gij nooit zaagt 't geen wij u voorstelden, maar we verzekeren u,
dat die hut naar 't leven werd geteekend.
"Waarlijk, ik dacht Grietje, dat je me vergeten hadt," zei Toon,
terwijl hij nog steeds zijn hand over den hals van zijn vriend liet
gaan: "'t wordt hier binnen zoo donker, en als ik niets zien kan,
dan verveel ik me, hé?"
"Ja, 't moet een schrikkelijk vervelend leven zijn," sprak Grietje:
"En altijd te bed, met dit warme weer; 't is hier om te stikken!"
"Zoo," zei Toon: "daar voel ik geen zier van; 't is me vrij
onverschillig of 't warm of koud is. Als je 't benauwd vindt smijt
dan de deur maar wat open," liet hij er op volgen, ziende dat het
meisje zich met haar voorschoot het zweet van het aangezicht wischte.
Grietje maakte terstond van het aanbod gebruik, en verhaalde toen,
dat ze wel eerder zou gekomen zijn, indien hare moeder niet zoo laat
op _Water-zicht_ was gebleven, waar morgen alles schoon moest zijn,
omdat de vreemde lui uit stad er overmorgen zouden aankomen.
"Zoo," zei Toon: "'t spijt me, dat er weer volk op dat huis komt;
ze moesten al die kasteelen en weelderigheden den nek maar breken;
't steekt 'en armen jager de oogen uit als hij al die luilekkerheden
dagelijks voorbijkomt en zijn tong met een schraal stuk brood mag
smeren."
"Hoe gaat het je anders?" hervatte Grietje, zonder de philosophie
van den jager te beantwoorden, terwijl ze den emmer van de plank nam.
"De Meester het 'm degelijk gezet, en als alles zoo blijft, dan
zal ie met Gods hulp wel gauw weer bruikbaar wezen; maar weet je,
m'n ribbenkast, hé?"
"Ja, wacht, de levertraan!" bedacht zich het meisje, en haalde een
halve wijnflesch uit haar zak te voorschijn, op welk gezicht de man in
een schaterend lachen uitbarstte, zoodat Hans er van wakker schrikte.
"Waarachtig! waarachtig!!" riep Ritter: "Je bent een goed schepsel,
ha! ha! Wáár drommel heb je dat opgesnord? Maar zie je, m'n kind,"
vervolgde hij, nog gedurig lachende: "die liflafjes zijn voor mijn
ribbenkast _nul_. Levertraan!! bah! da's kost voor de kinderen. 'k Weet
nog wel dat Hans.... Maar hé, waar reutel ik van," viel hij zich zelf
in de rede, en prevelde op een geheel anderen toon: "Ben je verdoemd,
dan is het _dáárom_!"
Grietje begreep niet waarom Toon eerst om de levertraan had gelachen,
en terstond daarop om Hans, dien hij zonder ophouden den mageren hals
streelde, zoo somber en vreemd was geworden.
"Maar Toon," hernam het meisje: "nu _ik_ mijn best heb gedaan om je
den heilzamen drank te bezorgen, nu kun _jij_ de moeite wel nemen ze te
gebruiken!" en het fleschje den man toereikende, die het werktuiglijk
aannam, vatte zij opnieuw den emmer, terwijl zij met de woorden:
"Hans zal wel dorst hebben," het huisje verliet.
Of Toon er spijt van had, dat hij heeft gelachen om een geneesmiddel,
waarvan Grietje wel eens gehoord had, dat het verlorene krachten
terugschonk, doch waarvan hij in _zijn_ toestand eer een nadeelige
uitwerking verwachtte, of, dat er iets anders bestond, 't welk zijn
geest kwam kwellen....? Althans, hij staarde in het flikkerende
kaarsje, 't welk in de lantaarn brandde, en terwijl hij met de
linkerhand het fleschje omvatte, krauwde hij met de rechter het paard
zachtkens achter de ooren, waarna diens hoofdrekken duidelijk bewees,
dat het hem goed deed.
Nog maar weinige minuten heeft de man zoo gezeten, toen hij zichtbaar
zijn gehoor scherpt, dewijl een vreemd geluid zijne ooren treft. Hij
luistert.... en ja, duidelijk hoort hij nu met een klagende stem
zijn naam noemen. Hoor! alweder, doch luider! Geen windje beweegt
de bladeren en toch ... het lies schuurt tegen de achterzijde der
hut alsof het sterk wordt bewogen. Hoor, nogmaals klinkt een angstige
kreet, en Toon, zich ontsteld opheffende, roept met een krachtige stem:
"Grietje! Grietje!!! wat is er?"
Geen antwoord, alles is stil; zelfs het lies wordt niet meer bewogen.
Een oogenblik schijnt Ritter besluiteloos; hij ziet vóór, naast en
achter zich, alsof hij iets zoekt, dat hulp kan verschaffen; doch een
enkele blik op het fleschje, dat tastbare teeken der hulpvaardigste
goedheid, doet zijn aarzeling enden; eensklaps vat hij den boomstok,
richt zich met diens behulp geheel overeind; werpt de beenen--ook dat,
't welk niet bewogen mag worden--buiten het leger: bromt iets om een
pijnlijke gewaarwording te onderdrukken, en verlaat strompelend doch
met haast zijne woning.
De duisternis belet ons Ritters bewegingen gade te slaan. Wij hooren
hem nogmaals het meisje bij haar naam roepen; vernemen--zoo wij
ons niet bedriegen--een klagend gesteen; hooren het water plassen,
borrelen en tegen den oever kletsen, terwijl het lies, opnieuw bewogen,
een treurig en zuchtend geluid schijnt te geven.
Twee dagen na ons bezoek in de hut van Toon Ritter, heerschte er op
den huize _Water-zicht_ een groote drukte. Een rijtuig, dat voor
weinige minuten het ijzeren hek was binnengereden, had de nieuwe
bewoners ter plaatse hunner bestemming gebracht.
Twee vrouwelijke dienstboden benevens een knecht die, vroeger
reeds aangekomen, naar hartelust den baas hadden gespeeld, trokken
suikergezichten. Leentje de oudste, was onbedaarlijk om mijnheer en
mevrouw en de juffrouw aan te toonen, hoe ze _dit_ hier en _dat_
daar, en ziet u, ginder de "eetisjeere" en achter de "kouseuse",
geplaatst had; onbedaarlijk om te verhalen, hoe ze Krisje, haar
keukenkameraad, maar haastig aan den pot had gezet, omdat mijnheer
en mevrouw en de juffrouw wel honger zouden hebben, terwijl ze er
in éénen adem--ofschoon zachter tot mevrouw--bijvoegde: "Weet u,
vermisel, spersjes, kalfsg'hakt, doppertjes, kropsla en nog ies,"
welk laatste,--men kon het aan 't geheimzinnig knippen, van haar
linkeroog bespeuren,--een verrassing moest wezen.
Leendert de knecht, draafde de gang door, de trappen op, de trappen
af, naar de keuken, naar de plaats, en dan weder van voren af aan,
altijd met iets in handen, zoodat mevrouw er mede te doen kreeg,
en Leendert beval, zich niet zoo vreeselijk te vermoeien; maar,
o, hé, daar wist Leendert niet van: hij had in die dagen vooruit,
wel anders geslaafd, en 't meeste wat hem speet was, dat mijnheer en
mevrouw den boel--buiten de schuld van hem en de meisies--tóch niet
in 't fatsoen zouden vinden, omdat die _werkvrouw_ zoo nalatig was
gebleven en hem en de meisies voor alles alleen had laten zitten.
't Sprak vanzelf dat mevrouw, toen haar echtgenoot zich had verwijderd,
ten einde zich na een vervelende reis eenige oogenblikken in den
fraaien aanleg te verpoozen, haar gedienstige de vraag deed, wat de
oorzaak van het terugblijven der werkvrouw geweest was.
"Och, dat slag van menschen heeft altijd zooveel uitvluchten,"
sprak Leentje: "dan dit en dan dat, en gisteren bleef ze weg omdat,
een kind dat in 't water viel, er heel slecht aan toe was. En, of ik
al liet weten," vervolgde de trouwe dienstbode: "dat mevrouw zeer
ontevreden zou zijn wanneer ze niet kwam, ze bedankte er voor en,
liet mevrouws werk in den steek."
"Maar hemel, is dat niet natuurlijk," antwoordde de dame zichtbaar
bewogen: "Een moeder die haar kind wil verzorgen.... mij dunkt....!"
"Nietwaar mevrouw!" hernam Leentje hoofdknikkend: "Dat zei ik
terstond. Maar Krisje en Leendert, o hé!" en zij trok den neus op,
als wilde ze zeggen: die denken er anders over.
Wij laten de dames, begeleid door de voortreffelijke werkmeid, de
ronde door het fraaie gebouw doen, 't welk schoon zou wezen, maar nog
bitter vuil was, en op orde zou zijn, terwijl alleen de kamer waar de
entrée had plaats gehad, er iets naar geleek. Wij laten mijnheer zijn
wandeling door den aanleg maken, en verwonderen ons niet indien hij
straks, wel verfrischt maar weinig tevreden, zal huiswaarts keeren,
dewijl hij een vijand van onkruid en nalatigheid is; om zoo kort
mogelijk te verhalen wat ons van de nieuwe bewoners van _Water-zicht_
bekend is.
De Heer Brolet, ongeveer zestig jaren oud, is een man van een deftig
voorkomen. Zijne gelaatstrekken hebben iets edels, en zijne manieren
getuigen dat hij in de groote wereld te huis is.
Geen wonder: sedert een reeks van jaren maakte hij deel uit van
het belangrijke lichaam, dat ons koninkrijk bij het buitenland
vertegenwoordigt. Om het gebonden en gekunstelde hofleven
voor het vrije landleven, waarnaar hij zoolang reeds gehaakt
had, te kunnen verruilen, werd hij op zijn verzoek onlangs uit
Frankrijk teruggeroepen! Was zijn gelaat edel, zijn inborst was
het evenzeer. Liefde voor zijn vaderland, liefde voor waarheid en
recht kenmerkten zijne daden, terwijl innige trouw hem aan zijne
gade verbond, en de teederste liefde voor zijne dochter uit zijn
geringste woorden sprak. En toch, toch ontbreekt de edelste parel
in de kroon, die wij den man op de grijze haren drukten, de parel
van den Godsdienst. Ja, hij bewonderde de werken der schepping,
maar den Schepper kende hij niet. Stof was alles, tot stof zou alles
wederkeeren. De bijbel was het boek, waarin de schoonste moraal werd
opgeteekend. Die moraal te prediken was de edelste zaak, zij steunde
het recht, breidelde de hartstochten en bewerkte een onmiskenbaren
innerlijken vrede. Kunstig samengesteld bevatte die bijbel een
schoone idylle: van het zalig herleven na den dood, dien spoorslag
voor den zinnelijken, eenvoudigen mensch; die rustaanbrenger voor
den flauwhartige als hij ijst op het denkbeeld om weder te worden
wat hij eenmaal was: alsof de stof nog bewustzijn zou hebben van een
verloren bestaan!
Arme diplomaat, wat waant gij u hoog verheven boven die armen van
geest, die gij goedwillig doch meelijdend beschouwt; de armen van
geest.... die óók bewonderen, maar verder zien: door de stof, in den
glans der eeuwige liefde.
Mevrouw Brolet, slechts weinige maanden jonger dan haar echtgenoot,
is een vrouw van een rijzige gestalte. In vroegere jaren moet ze
zeer schoon zijn geweest, 't geen nog aan de regelmatigheid van hare
gelaatstrekken te zien is, terwijl er over haar wezen een frischheid
verspreid ligt, die bij de meeste vrouwen van haar leeftijd vruchteloos
zal gezocht worden.
Nevens een zekere fierheid--die misschien in vroegere jaren tot
trotschheid zou zijn overgegaan zoo ze wat minder verstand had
bezeten--heeft mevrouw Brolet een uiterst zachtaardig en liefdadig
karakter. Wél te doen was immer haar lust, doch--hare weldaden,
hoe schoon op zich zelven, ze kunnen niet wegen in de weegschaal der
hoogste Liefde, omdat ze haar loon zoekt in den dank der bedroefden.
Ze had een edel en rechtschapen echtgenoot gevonden, die schoone vrouw,
en, ze was gelukkig met hem; doch voorzeker zou zij gelukkiger zijn
geworden, zoo de fijne draad van godsvrucht door haar vroolijke jeugd
geweven, door den echtvriend ware gevlochten tot een hechten band,
die bindt aan den hemel.
Hij deed het niet, maar ontrafelde haar geheel. Geheel....? Wellicht
spreken we een te voorbarig oordeel uit. Ja toch, zelfs in het
wufte Parijs maakte zij des Zondags vroeger toilet met hare dochter,
ten einde de _sermons_ van den gevierden Coquerel te gaan hooren,
en,--spraken de beide dames bij hare thuiskomst ook meestal slechts
van toiletten, somwijlen zeiden ze toch ook dat het "mooi" was
geweest, en bleef mevrouw een geruimen tijd minder spraakzaam dan ze
't gewoonlijk was.
Jeannette, de eenige dochter der echtelieden, is omstreeks acht en
twintig jaren oud. De natuur heeft niet van haar gemaakt wat de meeste
vrouwen--en natuurlijk--zoo gaarne zijn: eene schoonheid. Hoewel verre
achterstaande bij 't geen hare moeder nog vertoonde eenmaal geweest te
zijn, is Jeannette toch volstrekt niet, 't geen men leelijk noemt. Ze
heeft fraai zwart haar en sprekende oogen, terwijl bij een rijzige
gestalte, eene bevallige losheid hare, bewegingen kenmerkt.
Is het te verwonderen dat Jeannette, die van hare jeugd af aan de
ouders, wier oogappel zij heeten mocht, niet verliet, en zelfs in
hunne nabijheid haar wetenschappelijke vorming bekwam, die ouders in
geaardheid en begrippen grootendeels evenaarde?
Al had de diplomaat zich nimmer spottend over Godsdienst, of wat
daarmee in verband stond, uitgelaten; al had hij zijne dochter
den "gewonen gang" laten gaan, en haar zelfs een gouden halsketen
geschonken toen zij op zestienjarigen leeftijd hare belijdenis had
afgelegd, Jeannette was slim genoeg om uit des vaders handelingen zijn
denkwijze te raden, en wat ze dus eenmaal had beleden, ze vergat het
aldra, en ging met hare moeder ter kerke, evenals ze naar comedies,
concerten of bals ging: _un passe temps! voilà!_
Ofschoon wij Jeannette alzoo in de meeste opzichten, wat haar karakter
betreft, een getrouw afbeeldsel harer ouders noemden, zoo bezit zij
toch eene ondeugd, vreemd aan die opvoeders harer jonkheid. De ondeugd
is: een vaak in 't oog springende trotschheid.
Even gaarne als haar ouders het deden, betoonde zij hulpvaardigheid aan
ongelukkigen of armen, doch één woord van gemeenzaamheid--zoo eigen aan
den minder beschaafde--was voldoende om haar van het voorwerp dat haar
meelijden wekte afkeerig te maken. De gemeenzaamheid waarmede hare
ouders somwijlen de dienstboden bejegenden, kon ze niet verdragen;
in hare schatting stonden die menschen op een lageren trap; men moest
ze geven wat hun toekwam; voor 't overige bestonden ze om bevelen te
ontvangen en die ten uitvoer te brengen; _voilà tout_.
Dezelfde ondeugd echter, die haar den mindere op een afstand
deed houden, had haar meermalen aan de bespotting of minachting
harer meerderen prijs gegeven. Jeannette toch was, zoowel om hare
niet-adellijke geboorte als om het middelmatige van haar uiterlijk,
eene der geringsten in de hooge kringen waar zij, om de betrekking
haars vaders, eertijds verscheen. Die trots, dikwerf aan stuurschheid
grenzende, had menigen jonker of baron een glimlach ontlokt, terwijl
de vrouwelijke noblesse in de Fransche hoofdstad, haar laatstelijk
den naam van "_la reine imaginaire_" gegeven had.
Zeker was het die ondeugd, welke tot zeer kort geleden een slagboom
tusschen haar en de liefde had opgeworpen.--De liefde toch zoekt niet
immer idealen, maar heeft wel knevels doen krullen en minnezangen
doen vloeien voor oogjes, die vrij wat minder aantrekkelijks hadden
dan die van Jeannette. We zeiden: "tot zeer kort geleden," want
nauwelijks uit Frankrijk teruggekeerd, was Oscar Halmon--de eenige
nabestaande der familie Brolet--zijn oom en tante in hun hotel te
's-Hage komen bezoeken, en, mocht zijne nicht reeds vroeger geen
onaangenamen indruk op hem gemaakt hebben, nu hij haar wederzag, die
fraaie taille door het élégante van een Fransch toilet omgeven, nu
werd dat oude gevoel eensklaps, maar sterker opgewekt, en déclareerde
hij zich den avond vóór het vertrek der familie naar _Water-zicht_,
aan de nicht, die jegens den _eigen_ neef het hooggespannen gevoel
van eigenwaarde niet had kunnen--of willen--toonen, en hem verrast
en verlegen doch waarlijk getroffen, haar jawoord schonk.
Dat _Water-zicht_ aan Jeannette ijselijk waterachtig toescheen;
dat ze de dienstboden lui en het huis vreeselijk vuil vond; dat ze
voorts het eenvoudig diner maar weinig eer aandeed, 't zal niemand
bevreemden die zich het meisje kan voorstellen, dat, uit het gewoel
der wereld eensklaps werd overgebracht op een stil buiten, waar niets
haar van het beeld spreekt 't welk haar geest vervult; waar ze verre
is van hem wien ze pas het jawoord schonk, doch wiens naam ze niet
op de lippen durft nemen.
"Ja mevrouw, we mogen God danken!" sprak de werkvrouw, toen zij,
den dag nadat de familie Brolet op _Water-zicht_ was aangekomen,
hare verontschuldiging over haar terugblijven betuigd had: "mijn
lieve Grietje is het gevaar te boven. 't Was een akelig geval, dat
verzeker ik je, maar God heeft alles ten beste geschikt, want ook
den ouden jager, die tot Grietjes redding het meeste toebracht, heeft
het geval niet zóóveel kwaad gedaan als men in 't eerst wel meende;
't is een goeje stumperd; Grietje had altijd zoo'n medelijden met hem,
en bracht hem zijn brood en koffie. Het mansvolk is meer astrant van
aard, en 't hielp hem maar zelden; 'k zei daarom, ga jij je gang
maar Grietje. 't Is haar wel opgebroken, maar 'en mensch moet 'en
mensch toch helpen, nietwaar? 't Is anders hard als je je kinders ziet
lijden. Mevrouw heeft er immers ook?" besloot de woordenrijke moeder:
"Een meisje nietwaar?"
"O ja," antwoordde mevrouw Brolet, en voegde er, op Jeannette wijzende,
bij: "Daar zit mijn éénige."
"Ei, zoo, is dat al een meisje van u?" hernam de vrouw, gedurig met
haar hoofd schuddende: "Och heere neen, de mijne is lang zooveel
mans niet; maar Grietje is ook pas met St. Jan in haar twintigste
jaar gegaan, en licht dat de jongejuffrouw een kruisje meer heeft."
Jeannette beet zich op de lippen.
Mevrouw, die wel wist dat hare dochter in zulk een gesprek weinig
behagen schepte, zei kort af: dat het daar nog ver van af was,
waarop de werkvrouw nog een bewonderend: "Ei, ei, 'en knap stuk
vrouw-mensch!" ten bescheid gaf.
Jeannette beet zich zóó sterk op de lippen, dat ze er de tranen van in
de oogen kreeg; en mevrouw, die het ook wat te grof werd, sprak kortaf:
"Komaan, nu de scha wat ingehaald! Leentje zal in de keuken zijn. Als
't boven klaar is, begin dan 't eerst met den koepel."
"Zeer wel," sprak de werkvrouw, en vertrok.
Mevrouw prevelde iets binnensmonds, en de werkster kon de keuken ter
nauwernood hebben bereikt, toen ze werd teruggeroepen, en mevrouws
woorden haar in de ooren klonken: "En je hebt me niet eens gezegd of
je dochter het soepje smaakte, dat ik haar gister gezonden heb?"
"O! ja--ja wel mevrouw, dat schikte genoeg," antwoordde de vrouw:
"Maar zie je, de witte pieren die er in dreven, die lustte ze niet;
ik was er niet vies van, maar raars is er toch niet aan."
"Dus in 't vervolg niet weer?" vraagde mevrouw op een toon, die niet
haar gewone was.
"Dat is te zeggen, ja wel, als ze mevrouw niet ontrieft," sprak de
gevraagde: "Wij menschen koken die dingen zoo niet; als mevrouw dan
zoo goed wou wezen die pieren er uit te doen."
Volgens Jeannettes opinie was het in deze streken--naar die ééne
vrouw te oordeelen--een onbeschoft menschenras; en mevrouw verklaarde:
dat ze al _zelden_ zoo weinig dankbaarheid had ondervonden!
In den namiddag van dienzelfden dag zaten de echtelieden met hunne
dochter aan de theetafel. Een zoel windje drong door de opgeschoven
vensters naar binnen.
De heer Brolet schetste voor zijne dames,--natuurlijk in de fransche
taal--het genotvolle van 't landleven, in tegenstelling met het
bedwelmende eener wereld zooals men die pas verlaten had. Wel is waar
vond men ook hier doornen, doch hoe luttel leeds brachten ze aan,
in vergelijking met die waarmede men ginds in het gewoel gedurig in
aanraking kwam; en, terwijl hij zijne beenen recht gemakkelijk over
elkander sloeg, en een wolkje manilladamp naar het hooge plafond
zond, vraagde hij: "Bevalt het je evenals mij, Octavie? En jij
Jeannette....? Maar neen, je schijnt je in de stilte nog niet op je
dreef te gevoelen; je bent naar 't me voorkomt afgetrokken, en toch
namen we ons besluit nadat ook jij je begeerte naar deze verandering
hadt te kennen gegeven. Zeg kindlief, je blijft zoo strak op je
borduurwerk staren; scheelt er iets aan? betreur je de stad?"
"Wel neen papa," antwoordde het meisje, en met een zekere fierheid
wierp zij haar hoofd achterover, en zag naar buiten.
"Zie je dien man wel Jeannette?" vroeg mevrouw, die reeds eenige
oogenblikken naar buiten had gekeken: "Het schijnt alsof hij in
't onzekere is wáár hij wezen moet. Zie, daar verdwijnt hij weer
achter de struiken. Kijk François, nu komt hij terug; zie, 't is
een koetsier; hij leidt een paard bij den toom," en mijnheer Brolet,
die inmiddels het raam was genaderd, zag nu, evenals de beide dames,
dat eerst de man met het paard en daarop een rijtuigje te voorschijn
kwam, welk rijtuig nu voor het ijzeren hek stilhield.
"Misschien een welkom-visite van een onzer onbekende buren," sprak
mevrouw, en wierp een haastigen blik door het vertrek.
"Al zóó gauw!" zei mijnheer: "Nu, op het land neemt men dat zoo
nauw niet. Maar Octavie, zie eens!" riep hij weder: "mij dunkt
het is...." en terwijl de meer bejaarde oogen der echtelieden zich
scherpten ten einde den persoon, die uit het rijtuig kwam en het
hek opende, te herkennen, overdekte een sterk rood het gelaat der
dochter, want, terstond had zij gezien dat het Oscar Halmon was,
die nu regelrecht op de huisdeur toestapte.
't Spreekt vanzelf dat de oom en tante de grootste verwondering aan den
dag legden dat ze neef Oscar nu reeds op _Water-zicht_ zagen. De vader
evenwel was inderdaad minder verwonderd dan hij zich betoonde. Een
blik op Jeannette--die zich echter met een bewonderenswaardige
zelfbeheersching terstond had hersteld--had hem genoeg gezegd; en,
al gevoelde hij zich door des jonkmans verschijning onaangenaam
gestemd, hij was te zeer een man van de wereld om zijn gewaarwording
te verraden.
En de neef kon--met een eenigszins rooskleurig gelaat--zeer wel
begrijpen dat oom en tante verwonderd waren. Heer! hij had nicht
Jeannette nog niet opgemerkt.--Hoewel anders zelden, was hij ditmaal
waarlijk confuus.--"Hoe vaar je?"--"_Merci_!"--Maar hij had oom
over een belangrijke zaak te spreken! en daarom was hij maar met de
diligence tot Utrecht en van daar met een rijtuig naar hier gekomen,
't rijtuig zou nog wel voor het hek staan; en--om een zeker iets
te verbergen, rekte Oscar zijn hoofd in een schuins achterwaartsche
richting naar het raam.--Dat rijtuig kon daar bezwaarlijk met voerman
en paard den nacht doorbrengen, terwijl hij toch niets kon bepalen
vóór dat oom of tante van blijven of gaan had gesproken. Oom Brolet
was te schrander om neefs verlegenheid niet te bespeuren, en te humaan
om geen uitredding te bezorgen.
"Mij dunkt, je moest je rijtuig maar terug zenden," zeide hij: "De reis
van Den Haag naar _Water-zicht_ is wat groot voor een theevisite. Of
heb je zaken die een oogenblikkelijke terugreis vorderen?"
"Volstrekt niet. Als ik u niet dérangeer?" antwoordde Oscar vragend,
maar stond tegelijkertijd op, en vloog het vertrek uit naar buiten.
Mevrouw Brolet vond het een vreemden inval; en mijnheer zei, dat
neefje altijd zoo iets raars had, terwijl Jeannette zag, dat Oscar
blootshoofds, _au petit galop_, het gazon traverseerde, zijn bevel met
het verschuldigde geld aan den koetsier gaf, en op den terugtocht,
naar zijn kuif tastte die door de galoppade een weinig in de war
was geraakt.
Ofschoon een pijnlijk gevoel het gemoed van den heer des
huizes vervulde, zoo betoonde hij den neef toch de meeste
welwillendheid. Buitengewoon levendig hield hij hem bezig met de
schoonheden van Fontainebleau, en de _pièces d' opéra_ die hem
weleer hadden verrukt, doch met meer geestdrift nog roemde hij zijn
_Water-zicht_, dat voor hem een Fontainebleau en _miniature_ was, en
prees hij den wildzang der nestbewoners, 't welk hem het treffendst
kunstgenot vergoedde.
Mevrouw Brolet deelde het pijnlijke gevoel van haren echtvriend niet;
ze meende werkelijk dat Oscar zijn oom over een andere zaak moest
spreken, dan die waarom hij inderdaad was gekomen. En waarlijk,
er behoorde ook wel de scherpzinnigheid van den diplomaat toe,
om terstond te raden dat de jongeling--die maar zelden een blik op
het meisje sloeg, hare hand kwam vragen, en dat zij, die met een
buitengewone fierheid, schier aan minachting grenzende, antwoordde,
wanneer hij haar een enkele maal toesprak, hem trouw had beloofd en
een teedere verbintenis met hem begeerde.
Wij zouden van het geduld te veel vergen indien wij nauwkeurig
gingen verhalen, wat er verder op _Water-zicht_ aan de theetafel en
vervolgens gedurende een avondwandeling--oom met neef voorop, moeder
en dochter volgende--verhandeld werd. Dit evenwel moet men weten:
Oscar schoot den kogel af die hem zwaar op 't hart had gedrukt,
en, al _trof_ hij den eenigszins voorbereiden oom, deze behield
toch de kracht om wederkeerig zijne verweringsmiddelen in 't werk te
stellen.--Op grond van Oscars jeugdigen leeftijd,--hij was nauwelijks
drie en twintig jaren--op grond zijner nog geringe maatschappelijke
betrekking,--Griffier bij het Kantongerecht--maar inzonderheid van
zijn beperkte financiëele middelen, joeg hij den kogel terug naar
het hart, waar hij nog zwaarder woog dan te voren.
--Geduld hebben! Wachten! Nog jong genoeg! 't waren verpletterende
woorden!
--Hij--Oscar--geen man om Jeannette in een stand te onderhouden
als dien waarin zij tot heden geleefd had! 't was een onbetwistbare
waarheid! En, toen de minnende neef met de gemoedelijke verklaring:
dat met Gods zegen zijne zaak toch zoo _duister_ niet was, nog een
laatsten coup had gewaagd speelde er een glimlach om de lippen des
diplomaats, en klonk zijn finale: "Althans wanneer _ooms_ middelen
toereikende waren om het _licht_ te bezorgen."
Den volgenden morgen werd neef Oscar met ooms rijtuig naar Utrecht
gebracht. De echtelieden Brolet zagen elkander--toen ook Jeannette
naar hare kamer vertrokken was,--als in verrukking aan: het onweder
was voorbij; hun kind hadden ze weer behouden, en slechts de gedachte
pijnigde hen een oogenblik: of dan de slag toch niet eenmaal zou
moeten treffen.
Jeannette?
Vertrouwelijk heeft ze geen woord met den neef gewisseld. Ze heeft
getracht door woord noch blik te verraden in welke betrekking zij reeds
tot den jongeling stond. Zonder te vragen heeft ze hem, innerlijk
diep getroffen, zien vertrekken. Alleen bij den laatsten handdruk,
dien zij, in tegenwoordigheid der ouders, van hem ontving--is er een
klein stukje papier van zijne hand in de hare overgegaan.
Op haar kamer gekomen, hebben eenige tranen haar donkere oogen
beneveld, en eindelijk.... eindelijk heeft ze gelezen de met potlood
geschrevene regels:
"Dierbare Jeannette! Om ons verschil in leeftijd, mijn beperkte
inkomsten en geringe maatschappelijke positie, werd mijn dringend
aanzoek vooralsnog van de hand gewezen, en alzoo mijn innigste hoop
vernietigd. Dierbare, houd moed! gij zult gelukkig worden, al zij
de stond ook verder verwijderd dan wij zoo vuriglijk wenschten. Uw
eeuwig liefhebbende Oscar."
En gewis, ze vloeiden toen milder, de tranen van het minnende meisje;
gewis, ze slaakte diepe zuchten en drukte het strookje papier, waarop
de dierbare letters werden geschreven, met hartstochtelijkheid aan
haar brandende lippen, om het straks aan haar golvenden boezem te
verbergen?.... Pardon, niets van dat alles. Hadt ge zulks vermoed,
dan kent gij Jeannette nog niet. Neen, zij is gekrenkt; zij gevoelt
zich vernederd, en te meer dewijl zij zich die vernedering ten deele
zelve bezorgde. Nooit te voren had zij een aanzoek ontvangen als
dat van den neef, op den laatsten avond vóór hun vertrek uit de
residentie. Door de nieuwheid aangenaam verrast, schonk zij het
"ja" ten antwoord.--Doch thans--aan wien had zij het achteloos
geschonken? Aan een knaap, die de macht niet bezat om zijn woord
gestand te doen; die het niet tegensprak, dat zijne inkomsten
beperkt waren, en dat zijn maatschappelijke positie onbelangrijk
was; die als een kind had moeten vragen, maar ook als _een kind_
was weggezonden. Ja, nogmaals kwamen er tranen in hare oogen, maar
het waren tranen van gekrenkten trots. Het berouwde haar ontzettend
zich zelve, gelijk zij zulks noemde, in de oogen der ouders te hebben
weggeworpen, want waarschijnlijk had papa aan haar vroegere onrust
wel bespeurd, of althans gisteren zeker van dat "kind" vernomen, dat
zij alreeds een schromelijke onvoorzichtigheid had begaan.--Welnu, de
fout moest hersteld worden, en, al sprak er ook een zachtere stem van
binnen, die voor een oogenblik de teedere snaar der min deed trillen,
zij nam het vaste besluit zich te verheffen boven het slijk waarin zij,
althans ten deele, zich zelve gebracht had.
Nog dien zelfden morgen toonde zij lachend het bewuste briefje
aan hare ouders, met de verzekering, dat ze niet begreep wat die
jongen bedoelde; of hij misschien om háár.... doch hemel! dat zou te
bespottelijk zijn! Die jonge onbeduidende heertjes verbeelden zich
somtijds zooveel; 't was om te lachen! Oscar was een aardige jongen,
maar zóó mal had ze niet gedacht dat hij wezen zou.
Onbegrijpelijk verlichtend werkten Jeannettes woorden op de gemoederen
der ouders; hun hemel was geheel opgeklaard. Papa gaf het meisje een
hartelijken zoen; mama deed hetzelfde, en de dochter gevoelde zich
door de luide verklaring des vaders: dat hij te goed zijn Jeannette
kende om niet te weten, dat ze zich voor zoo'n partij wat te hoog
moest gevoelen, volkomen in hare eer hersteld.
Schrandere diplomaat! gij zaagt maar al te wel, dat die ondeugd
uwer lieveling haar opnieuw geheel de uwe doet zijn, doch, ge vreest
niet dat deze overwinning slechts een kortstondige zal wezen, in dat
diezelfde ondeugd u met den gevreesden slag gaat bedreigen.
Slechts een tien minuten gaans van _Water-zicht_ ligt, mede aan
den zandweg, welke de vaart of kleine rivier tot oever, en den
schuitenjagers tot jaagpad verstrekt, de grootste buitenplaats uit
den omtrek, het fraaie _Rozen-Hove_ van den baron Tolenveld.
De baron, een man van middelbaren leeftijd, is sinds twee jaren
weduwnaar, en behield uit een kortstondigen echt, twee lieve kinderen,
die hem het gemis der beminde gade te meer deden betreuren. Hij,
een geleerde, die--zooals er wel meer gevonden worden--schatten
van kennis vergaarde om ze mee naar den grafkuil te nemen; hij, die
zijn leven het liefst te midden zijner boeken sleet, nog meer na den
dood van haar, die te kort de zijne was om hem de genoegens van het
gezellige en huiselijke leven te doen beminnen, hij zag met weemoed
op de panden eener verbintenis neer, die hij wellicht verstandiger
had gedaan van nimmer te sluiten. De doodschheid die er voortdurend
op het fraaie _Rozen-Hove_ heerschte, had reeds drie _bonnes_ van
meerdere of mindere geschiktheid, de treurzalen doen ruimen, zoodat
de arme Tolenveld ten laatste tot het resultaat kwam, dat slechts
moederzorg een _blijvende_ zorg zou kunnen worden.
_Water-zicht_, dat drie jaren onbewoond was geweest, had sedert 1o
Mei nieuwe bewoners gekregen. Ofschoon zijn geest er tegen getuigde,
zoo vond Tolenveld zich toch eenigermate verplicht om dien lieden,
als naaste buur, een bezoek te brengen; en, twee dagen nadat wij
Oscar Halmon in de diepste neerslachtigheid zagen vertrekken, stapte
de lange baron de plaats van den nieuwen buurman binnen, en werd er
door de familie allerminzaamst ontvangen.
Wederzijdsche plichtplegingen.--Des barons verzekering: dat het hem
aangenaam was deze fraaie plaats weder bewoond te zien. De aanmerking
van Brolet: dat _Water-zicht_ ontegenzeggelijk lief, doch _Rozen-Hove_,
naar het hem toescheen, enorm veel grootscher van aanleg was; en de
vraag ten slotte: of de possessie zich niet naar het vaarstation
uitstrekte--tot aan zoo'n armoedige hut? Een toestemmend antwoord
met de woorden:
"Ook die hut staat op grond aan _Rozen-Hove_ behoorende. Ontelbare
malen werd dat ding met geweld gesloopt, doch, als een champignon
verrees het telkens des nachts, nog ellendiger dan thans, totdat
mijn vader eindelijk aan des eigenaars volharding toegaf, terwijl
het nu door den loop der jaren een minder afzichtelijk aanzien heeft
verkregen."
Verder liep het gesprek over stad en land; over auteurs, en het vele
onkruid, 't welk Brolet te midden van zijn bloembollen ontwaard had. De
heer des huizes voerde grootendeels het woord, want Tolenveld bevond
zich, ofschoon op bezoek, gedurig te midden van zijne boeken. Mevrouw
informeerde naar de jongelui--want de dienstboden hadden haar reeds
op de hoogte van des barons positie gebracht. Jeannette zei, dat ze
de kleinen waarschijnlijk gisteren had zien wandelen; ze zagen er
allerliefst uit; en de baron gaf toe dat zulks mogelijk was; waarna
hij opstond met de verzekering dat hij met zeer veel genoegen de
kennis der familie gemaakt had.--Drie passen deed de lange baron
naar mevrouw, en boog met het hoofd; daarna drie passen links tot
voor Jeannette, en bracht weder zijn kin en overhemd met elkander
in aanraking--terwijl hij haar tevens, door de oogwimpers heen, nu
meer van nabij beschouwde--om eindelijk den nieuwen buurman de hand
te reiken.
De knecht liet hem uit, en de heer Brolet zag den langen baron,
even statig als hij gekomen was, het hek weer uitstappen, en vond,
dat de man wel stijf maar anders niet kwaad was.
Een paar dagen nadat de contra-visite door den heer van _Water-zicht_
op _Rozen-Hove_ was afgelegd, prevelde Brolet bij zich zelven, dat
die Tolenveld een gezellige buurman was, want, Leendert had den baron
aangediend, en Tolenveld trad dan ook weinige oogenblikken later even
recht weer binnen als hij de eerste maal ter deure was uitgegaan.
De baron was spraakzamer; verhaalde meer van zijn vroegere
omstandigheden; deed een beroep op het gevoelen der dames of zijne
positie niet treurig moest genoemd worden; bood der familie de
vrije wandeling op _Rozen-Hove_ aan; wilde zeer gaarne van het aanbod
gebruik maken om Emile en Louis met de kindermeid den volgenden dag op
_Water-zicht_ te doen doorbrengen, en, hoewel somwijlen een Latijnsch
of Grieksch werk hem voor den geest kwam en alzoo den geregelden loop
zijner woorden belemmerde, zoo won hij toch al meer in de schatting
van Brolet, terwijl ook na zijn vertrek de dames getuigden, dat hij
waarlijk zoo stijf niet was, waarbij Jeannette nog voegde: "En niets
van den trots die adellijke stedelingen, zoowel hier als in Frankrijk,
zoo belachelijk maakt."
En de lange baron, die reeds een geruimen tijd een tweede huwelijk
als een noodzakelijk kwaad had beschouwd; die, weinig met het
schoone geslacht in aanraking komende, zich toch te hoog boven een
huwelijks-advertentie verheven gevoelde, hij wandelde met het vaste
besluit naar zijne studeerkamer terug, om de niet-adellijke geboorte
van juffrouw Brolet ter zijde te stellen en--háár tot vrouw te nemen.
"Ik trouw haar!" dat was de rede waarmee hij zijne overpeinzingen
besloot; die sluitrede stelde hem aanvankelijk gerust, doch, reeds den
volgenden dag besefte Tolenveld dat die rust geen duurzame zou zijn,
zoolang het verbond niet gesloten en juffrouw Brolet niet de moeder
zijner kinderen was.
Nog dienzelfden avond had Jeannette van den _puissant_ rijken baron
een declaratie ontvangen, hoofdzakelijk in deze woorden: "Mejuffrouw
Brolet! ik biede u mijne kinderen, mijnen naam en mijne fortuin aan."
En,--nog dienzelfden avond riep Brolet, toen hij zich met zijn
gade alleen bevond, dat de buitenlucht een peststof bevatte, die
hun het kind der liefde dreigde te ontrooven! "Wat zou ik hem
antwoorden!" besloot hij, terwijl hij met haastige schreden de
kamer op en neer ging: "Het aanzoek is te vleiend; de partij is te
schitterend. Je kent onze Jeannette; ik weet dat de titel van barones
haar als een begeerd kleinood in de oogen blinkt; en--Tolenveld
beweerde dat hij van hare toestemming volkomen zeker was."
Terwijl de pijnlijk verraste ouders tot laat in den nacht voortspraken,
en Brolet met de woorden besloot: "Morgen ga ik naar Den Haag om zoo
mogelijk den gevreesden slag te keeren!" stond de dochter voor het
geopende raam van haar slaapvertrek, opdat het nachtelijk zomerkoeltje
haar gloeiende wangen zou koelen, en, somtijds dacht ze nog wel
aan den jongeling die, in de residentie wedergekeerd, geen rust kon
vinden, dewijl het beeld zijner nicht hem telkens als een ideaal voor
den geest trad, en zich afvraagde, wanneer.... _wanneer_ het zalige
tijdstip zou komen? en waarom.... wáárom geen letter schrift van hare
hand hem geworden was? doch, voor dien titel: Madame la baronne,
moest bij Jeannette alles achterstaan; die titel was de kroon aan
welker verwerving ze reeds had gewanhoopt; en ofschoon het koeltje
inderdaad den blos der wangen verdreef, dáár, in dat hoofd vermocht het
niets te koelen, de denkbeelden waren te zeer verhit, die denkbeelden
zagen de droomen van vroegere en latere dagen verwezenlijkt; men zou
haar noemen:
Baronesse tolenveld van rozen-hove en meijersstein!
En, Jeannette volgde met haar gedachten een leven van grootheid en
eere, totdat zij eindelijk stuitte.... op den prachtigen grafkelder
der Tolenvelds; zij zag er _in_, en ontwaarde: een menigte zwarte
kisten, en schedels, en beenderen. En toen--toen werd ze huiverig,
en sloot het venster, en begaf zich te bed, maar kon in den aanvang
den slaap niet vatten, totdat ze eindelijk sliep, en akelig droomde:
hoe ze pijlsnel in de diepte verzonk, en 't benauwd had, vreeselijk
benauwd! want geen licht of lucht drong er tot haar door; alles was
nacht, pikzwarte nacht; stikken moest ze.... levend begraven!
Toon Ritter, dien we ongeveer zeven weken na de kennismaking weder
ontmoeten, ligt op dezelfde plaats waar wij hem de eerste maal
aantroffen, maar zijn uiterlijk heeft er in dien tijd niet bij
gewonnen. Zijn gelaat is schrikkelijk beenig en hoekig geworden;
terwijl de vingers, die in de manen van Hans woelen, er ijselijk dor
en skeletachtig uitzien.
Toon heeft dezelfde kwaal, die al de heeren en dames in de
tooneelstukken hebben, namelijk: dat hij hardop denkt. Doen _zij_
het ten pleiziere van hen, die aan gene zijde van 't voetlicht zitten,
wellicht heeft _hij_ het zich aangewend, ten genoegen van den vriend
die immer rustig aan zijn voet ligt. Aan zijn _voet_, want beenen en
ergo _voeten_ heeft Toon niet meer; die noodlottige watergeschiedenis
heeft Ritter meer kwaad gedaan dan Grietjes moeder gemeend had. Zijn
linker ligt in den grond naast de hut; op het rechter rust Hans met
zijn "lange maar goeje gezicht."
"'k Had het nooit gedacht ouwe jongen," zegt Toon: "dat jij 't nog
langer zoudt kroppen dan ik; maar 't zal er op uitloopen, dat zal
't! Die koorts da's 'en ding waar jij geen last van zult krijgen;
maar ik,--'k ben nú eens zoo koud dat ik bibber, en dan zoo heet als
'en oven! Jij vaart er maar goed bij, schrale lummel; mijn portie ook
hé! Toch--vet wor je niet; ik kan ze tellen als vroeger;" en de jager
streek met het stokje dat hij vinger noemt, langs het rasterwerk,
waar 't bruine vel van Hans los over heen ligt.
"'t Is toch wonder," herneemt Toon na eenige minuten, terwijl hij in
het versletene bijbeltje tuurt 't welk naast hem lag, en waarvan het
getal ezelsooren legio is; "Wonder! Hij kan het toch wel; daar staat
het: "En - de - Je - zus - op - gé - staan - zijn - de - uit - de -
sy - na - go - ge, - ging - in - het - huis - Si - mo - nis; en -
de - Si - mo - nis - wijfs - moe - der - was - met - ee - ne - groo -
te - koort - se - bé - van - gen, - en - de - zij - ba - den - hem -
voor - haar. - En - de - staan - de - bo - ven - haar - bé - straf -
te - hij - de - koort - se - en - de - de - koort - se - ver - liet -
haar.... 's Wonder!" vervolgt hij sprekende: "ik heb daar óók gelezen:
"Ende die bidt zal ontvangen;" maar, of Hij het kan, Hij bestraft mij
de koorts niet.--Hé!" herneemt hij eenige oogenblikken later: "Hij
_kan_ wel, maar Hij _wil_ niet, omdat,--och, goeje Hans, je weet wel,
omdat ik verd...." Doch neen, dat woord wilde er niet uit; hoe meer hij
geloofde dat het met hem zelf "naar den kuil ging," des te weeker werd
ook de grond waarin het bitterst geloof sedert jaren was geworteld.
"Hans! schrale lummel! zeg dan, jou heb ik toch bij mijn weten geen
kwaad gedaan, is 't wel?" herneemt de jager: "'En enkele smeer toen je
jonger waart, daar wil ik af zijn; maar anders....? Hé, heb ik niet
dikwijls meegetrokken aan de lijn als 't al te straf liep? En als je
honger hadt dan kreeg je ook altijd je portie;--ja vreten genoeg; en,
'en borrel voor Toon: 'en klontje voor Hans. Nu is 't uit ja; maar al
lust je nog altijd meer, je hebt het toch beter dan menige stumperd,
die meer ransel dan brood krijgt, en van 's morgens tot 's avonds in
't haam hangt dat de borst er uitziet als 'en gevild konijn."
Het magere jaagpaard geeuwt verschrikkelijk.
"Neen, jou heb ik geen kwaad gedaan," hervat de jager: "En Grietje ook
niet, die zonder Toon voor de poes was geweest. Hij, die alles kan, zal
daar ook wel notitie van nemen. Hij kan alles, ja zelfs één die dood
is weer levend maken, en dan zal 't Hem al weinig moeite kosten om--'t
een tegen 't ander uit te schrappen. Ziedaar, al hou ik de koorts, ja,
al ga ik om zeep, och Hans, als ik maar niet voor altijd verd.... ben!"
Toon Ritter zou misschien zijn alleenspraak hebben vervolgd, zoo niet
de deur zijner hut geopend, en een jongeling ware binnengetreden,
die er armoedig en ziekelijk uitzag.
"Ik breng slechte tijding Toon," zei de nieuw aangekomene.
"Slechte tijding Geurt! Hé wát dan?" vraagde Ritter.
"De bos geeft geen cent meer," hernam Geurt [42].
"Hé, wát zeg je?" zei Ritter.
"Geen cent!'" herhaalde Geurt: "Ze zeiden allemaal dat ze 't geld
te noodig hadden; twintig centen kost één pondje brood, en drie en
zestig één kannetje olie."
"Maar.... maar...." zei Toon, terwijl hij zijn nagels bezag, die weer
zoo blauw werden.
"'t Is niet anders," hervatte Geurt: "Nadat de jakkenie afschuift,
zeggen de jagers dat je 't wel houwen kunt."
"Vijf en twintig stuivers!" zei Toon, en hij geeuwde verscheidene
malen achtereen.
"Ja 't is 'en kwaad ding," hernam de ander: "En dan zoo slecht er
aan toe te zijn, zooals jij; ik weet er van mee te praten wat die
drommelsche koorts is."
"Goeje lummel!" zuchtte Toon, klappertandende, nadat Hans hem had
aangekeken alsof deze begreep dat de kwelgeest zijns meesters weer
in aantocht was.
"'k Had de mijne óók aan het bad te danken dat ons de goede Grietje
deed redden," sprak Geurt weder: "Maar hoewel die ellendige kwaal
nu weg blijft, ik ben nog te slap om te werken.--Grietje is vandaag
weer minder," liet hij er op volgen, en Toon zag dat Geurt zoo nat
in de oogen werd.
"Zoo," zei Ritter, terwijl zijne tanden steeds klepperden, en
langgerekte geeuwen zijne woorden afbraken: "dan zal vrouw Lagers--'t
ook--al erg hebben; ze kan dan--niet van huis.--Dat arme Grietje! 'k
Heb haar--wat dikwijls gezegend,--en voor haar welzijn gebeden." En na
een geruimen tijd stilte, zuchtte Toon zachtjes: "Hij kan wel helpen
maar doet het niet."
"Wie?" vraagde Geurt.
"Wie--?" herhaalde de jager: "Wel Hij die Simonis wijfs moeder van
de koorts hielp, en er ook een _levend_ maakte die dood was."
"Ja, Ja, onze Heer!" zei Geurt: "Ik wist niet Toon, dat je Dien
ook kende."
"Vroeger best!" sprak Toon, terwijl de koorts hem vreeselijk over
't gansche lichaam deed rillen: "Ik heb Hem een poos--links laten
liggen....--maar, nu ik zoo dikwijls alleen ben,--zie je, nu heb ik
Hem weer eens aangesproken. Hans heeft nooit klagen gehad,--en het
redden van Grietje, dat heeft Hij ook gezien."
"Spreek maar zooveel niet," zei Geurt medelijdend, en reikte den
lijder de waterflesch toe, waaruit Toon met graagte een dronk nam.
"Ja, jij hebt het hard," vervolgde Geurt: "maar de arme weduw ook. Niet
de deur uit kunnen, en vier kinders over den vloer hebben, waarvan
de oudste, die zoo goed is, en aardig met werken wat aanbracht,
plat te bed ligt en hare zorg behoeft!"
"En--de--jakkenie--dan?" steunde Toon, terwijl hij weer naar de
flesch greep.
"Wacht Toon, hier is ie. Ja, daar het ze te veel koerakter toe,"
zei Geurt.
"Als--je--niet anders--kunt!" zuchtte Ritter.
"Dat zeg ik ook," hervatte de jongeling: "maar vrouw Lagers wil er niet
van hooren; ze zou liever gebrek lijden dan een cent te vragen. Als
ik maar niet zoo slap was," liet hij er op volgen: "'k verdiende dan
licht een duitje en bracht het haar voor 't goeje Grietje."
"Kreeg ik--de twee gulden 's weeks--uit de bos nog maar," steunde Toon,
terwijl hij de hand op het gloeiende voorhoofd legde: "dan kon ze--er
één--van--krijgen. Hans zou z'n--portie--tóch hebben,--maar nu--vijf
en twintig stuivers....!"
"'t Is náár Toon, dat wij niet werken kunnen," zei Geurt na een
kleine pauze, waarin hij den lijder nogmaals de flesch aan den mond
had gebracht, en voegde er weder na eenige oogenblikken zwijgens bij;
"Maar zeg eens, als Hans...?"
Toon Ritter legde plotseling de hand op het dier, dat naast hem lag,
en zuchtte, terwijl hem een paar tranen in de, door koortsgloed
glinsterende oogen kwamen: "Och,--Hans!"
"Hij is toch zoo slecht niet?" hernam de jonkman.
"Hans!--mijn eenige,--mijn brave Hans!" riep Ritter in opgewondenheid:
"Als Toon d'r onder leit--hé--wat jij dan?" En zich oprichtende
en met beide handen zijn voorhoofd bedekkende, riep hij luider,
terwijl hij Geurt strak in de oogen zag: "Zeg,--geef jij
'm--den--genadeslag--hé? Dan--gaan we samen, nietwaar ouwe weerlich?"
Geurt zag op het dier en diens hijgenden meester neer, en waagde
het niet zijn meening te uiten. Zonder te spreken zette hij zich op
den rand van Ritters kribbe, en bleef om den man die zich voor zijn
dierbare Grietje had opgeofferd, zoo mogelijk tot hulp te zijn.
De middag verliep, en, toen de avond begon te vallen, verliep ook
langzaam de felle koorts, welke aan de slooping van Ritters krachten
had gewerkt. Geurt gaf het paard te drinken, en nadat hij met een bezem
diens leger een weinig had gereinigd, strooide hij den meegebrachten
bundel lies onder het dier, waarvoor hij een dankbaren blik van den
armen Ritter bekwam.
De oude jager, die sedert zijne verschijning aan het genoemde veer,
of vaarstation, zich over het algemeen geen vrienden gemaakt had, en
wiens paard, waaraan hij zoo bijzonder gehecht was, onder den naam van
"Ritters Hans" bekend stond, had reeds lang geleden Grietjes liefde
gewonnen, door haar, op zekeren dag toen zij van een boodschap naar
stad met doorgeloopen voeten huiswaarts keerde, op zijn paard te
beuren, en haar zoo den moeitevollen tocht te verkorten.
Uit liefde voor vrouw Lagers dochter, had Geurt, sedert Grietjes
bedlegerigheid, de diensten, welke het meisje den ouden jager
verleende, van haar overgenomen. Was hij ook door zijn eigen ziekte
menigmaal verhinderd geworden om den verlaten jager te bezoeken
en de hand te leenen, Geurt had toch altijd gezorgd dat Toon de
noodigste hulp bekwam, maar zelf het brood der armoede bij zijne
ouders genietende, en onbekwaam om boerenwerk te verrichten, was
hij menigmaal inwendig kregel geworden, wanneer hij het jaagpaard van
Ritter beschouwde, dat als een dood--neen als een verslindend kapitaal,
daar lui en onnut zijn dagen sleet.
't Was, toen Geurt voor den wat rustiger liggenden man de zaken zooveel
mogelijk had beredderd, dat hij Hans over den kop streek en langzaam
zeide: "Hans heeft het beter dan een van ons allen."
"Nietwaar?" zei Toon, en vestigde een welgevalligen blik op het paard.
"Ja ja," hernam Geurt: "en 't is maar een dier. Een mensch is toch
meer!"
Ritter zag den spreker vragend aan.
"Mij dunkt hij zou toch best eens naar buiten kunnen, een toertje
zou hem zeker niet schaden," zei Geurt.
"Hoe meen je?" vraagde Ritter.
"Wel!" hernam de jonkman: "'t ware beter voor hem dat hij er nu eens
uitkwam dan hier altijd zoo stijf te liggen."
Toon zag den spreker weer vragend aan, staarde toen eenige oogenblikken
op zijn bruinen vriend, en herhaalde langzaam: "Beter....?"
"Zeker!" betuigde Geurt, die, met de woorden: "beter voor hem,"
toevallig den juisten toon meende getroffen te hebben.
"Hij wordt hier zoo stijf, hé?" zei Ritter, terwijl het aan zijn stem
te bespeuren was, hoezeer de koorts hem opnieuw geschokt had.
"Een enkele jaagtoer....?"
"Neen neen, dát niet!" viel de jager haastig in: "_met_ Toon, jawel,
maar _zonder_ hem niet! Ik meende _grazen_," voegde hij er iets
later bij.
Wat Geurt ook spreken mocht, Toon was niet te bewegen om zijn paard
voor den jaagdienst aan den jongen af te staan, die zich zelven beter
in staat rekende jaagtoeren te doen dan boerenwerk te verrichten. Het
uitzicht om, gescheiden van zijn vriend, door _hem_ te verdienen,
streelde den jager niet, en hoezeer ook met Grietje bewogen, wilde
hij zijn Hans echter aan geen ander toevertrouwen, al kon hij ook
haar of de haren daardoor een tegemoetkoming bezorgen.
Zonder zijn doel te hebben bereikt, verliet Geurt eenige oogenblikken
later de hut, maar beloofde toch vast, dat hij Hans morgen eens
buiten zou brengen omdat hij anders zoo stijf zou worden: "'t Was
beter voor hem."
En de jager, weder alleen gelaten, slaakte diepe zuchten; hij
gevoelde wel dat zijn tijd naderde, maar, dat het leven zelfs voor
den arme verlatene veel bekoorlijks heeft, bewezen de woorden welke
hij halfluide tot _Hem_ sprak, dien hij een poos "links had laten
liggen," terwijl hij eindelijk nog op treurigen toon riep: "Mijn
Hans! mijn goeje Hans!"
't Is schrikkelijk warm, zoo warm, dat zelfs de vogels zich niet
durven bewegen, en, op de takken der schaduwrijke boomen gezeten,
elkander zwijgende beschouwen, terwijl ze gapende schijnen te vragen:
Kun je me 't zwemmen ook leeren?--Zóó warm, dat de visschen de moreele
convectie bekomen dat ze levend gekookt worden, en eenigen, die niet te
lui zijn om een sprong boven hun element te wagen, met de verzekering
terugkeeren, dat het daarboven is om flauw te vallen.--Zóó warm, dat
de paarden in 't land--als naar gewoonte kop bij staart en staart
bij kop,--te vadsig zijn om elkander te verlossen van de hongerige
muggen en vliegen, die--op hunne beurt, lachen in een weertje 't welk
zoo bij uitnemendheid geschikt voor de vermeerdering hunner familie
is.--Zóó schrikkelijk warm, dat de daglooner--met permissie--zweet op
het bloote denkbeeld dat zijn schoftuur weldra zal verstreken zijn,
dat de geleerde van al zijn wetenschap niets kan luchten dan: dat
het verbazend warm is, en de ongelukkige wandelaar die tot loopen is
gedwongen, en niet zooals vele natuurgenooten, in priëeltjes of waar
de zon de minste kracht uitoefent, Seltzerwater met wijn en suiker kan
slurpen,--de oogen branden van den gloed dien het zandpad weerkaatst,
terwijl hij met de zweetparels op het gelaat, en de longen door het
stof, dat zijn eigen tred veroorzaakte, als toegeschroeid, aan niets
kan denken, dan--aan gloeiende ovens en dolle honden.
't Is vreeselijk warm, zóó warm dat we met alle medeschepselen, die
niet door de warmte leven, deernis hebben: met de vogels, de visschen,
de gedwongen wandelaars, maar inzonderheid met die ongelukkige
slachtoffers der binnenlandsche scheepvaart die men jaagpaarden noemt.
Zie, ginds in de verte op het spiegelgladde riviertje, glanst een
helder licht; 't is de weerkaatsing van de brandende middagzon op
den voorsteven eener onlangs frisch geteerde tjalk.
Dood langzaam nadert het vaartuig dat zich helder in het water
spiegelt, en waarop een schipper aan het roer hangt, even lui en even
slaperig als zijn tegenvoeter, die in het water te zien is.
Op het dek, niet verre van den kleinen schoorsteen waaruit een teeder
blauw rookzuiltje lijnrecht naar boven stijgt, ligt, onder de schaduw
van een over boomstokken gehangen zeil, eene vrouw, omringd door een
vijftal kinderen, waarvan er drie met de armen onder het hoofd op den
buik, en twee op den rug met de knieën opgetrokken en het aangezicht
met de handen bedekt, liggen te geeuwen of te slapen. De man aan het
roer benijdt de vrouw in de schaduw, de vrouw in de schaduw benijdt
de kinderen die met de warmte "beter uit hun fatsoen kunnen", de
kinderen--die niet slapen--benijden de visschen, en willen zelfs wel
kikkers zijn, terwijl de arme _sleeper_ dier benijders, op zijne beurt
en op zijne manier, gewis alles benijdt wat loopen, staan, zitten,
liggen en slapen kan, in stede van zóó te moeten sloven als hij.
Arm jaagpaard! De tong hangt je wel ter lengte van zes duim den
spitsen bek uit. Het zweet dat je huid door alle poriën ontspringt,
druipt gestadig op den zandweg, vanwaar de--heden zoo plaagzieke zon
het terstond komt oplikken.
Arm dier! wat zet je die voorpooten scherp, en wat staat je lichaam
scheef. Die vracht moet wel schrikkelijk zwaar zijn. Arm dier! wat
zie je flauw uit de oogen; 't is jammer dat hij, die tamelijk bleek
en zichtbaar amechtig op je rug is gezeten, den blik niet kan opvangen
dien je bij wijlen ter zijde werpt: gewis, hij zou medelijden gevoeld
en je niet zoo onophoudelijk een "kovort!" of "hei, huup!" hebben
toegevoegd, 't welk niet zelden met een hakpor vergezeld gaat.
Neen, dien blik bespeurt hij niet, hij heeft het ook zelf te warm
om medelijden met jou, den langzamer looper, te gevoelen. Hij
heeft geen medelijden met je, arm dier, al is hij niet ongevoelig,
die aanporringen vloeien voort uit medelijden, uit een zuiver en
beminnelijk medelijden.
--Hemel, hoe is het mogelijk! zucht het zwoegende paard.
Ja wel, Geurt Snipper heeft innig medelijden met het arme huisgezin
van vrouw Lagers, doch vooral ook medelijden met het lieve Grietje,
dat hem zoo na aan 't hart ligt en, ofschoon langzaam herstellende,
nog uiterst zwak is, terwijl zij elke versterking of verkwikking moet
ontberen, dewijl moeder ze niet verschaffen kan en de mevrouw van
_Water-zicht_ maar hoogst zelden iets zendt--"omdat die werkvrouw
zoo heel weinig dankbaarheid kent."
Geurt heeft medelijden met vrouw Lagers en Grietje, maar ook gevoelt
hij--nader met Toon Ritter in kennis gekomen--medelijden met dien
ongelukkige.
Wat de man nog bekwam werd grootendeels door zijn viervoetigen gezel
verorberd. Toon leed waarlijk gebrek; voor zijn paard spaarde hij
alles uit den mond, en, dewijl Toon zich voorheen aan niemand en
aan niets dan zijn paard had gehecht, zoo was er ook nu geen ander
die zich zijner aantrok, of hem in zijn ellendigen toestand eenige
lafenis bood. Geurt had medelijden met Grietje en met haar redder,
en, om hun ongemerkt eenige versterking te kunnen bezorgen, greep
hij een, wel is waar vergeeflijk doch niettemin laakbaar middel aan,
en maakte zich schuldig aan schending van goed vertrouwen.
Terwijl Toon Ritter--immer zwakker--zijn bruinen vriend gaarne de
buitenlucht gunde, dewijl het "beter voor hem zou zijn," en het paard
alzoo aan Geurt medegaf opdat het eenige uren langs het riviertje
zou weiden, maakte de jongeling van het dier een zoodanig gebruik
als waarvoor hij meende dat het geschapen was.