Dat Geurt in het bezit van Ritters paard mede naar de jaagvrachten

dong, betwistte men hem niet, en, in stede dat Hans vreedzaam den

oever begraasde, maakte hij reeds sedert eenige dagen bittere toeren,

die hem te zwaarder vielen aangezien zijn langdurige rust hem de

leden verstijfd had.

't Bevreemdde Ritter wel gedurig dat Geurt zoo vreeselijk lang uitbleef

eer hij zijn vriend en gezel terugbracht, zoodat hij reeds eenige

malen gezegd had dat Hans maar bij hem zou blijven, doch Geurt had

dan steeds een uitvlucht gevonden, terwijl hij telkens met de woorden

besloot, dat de buitenlucht toch zooveel beter was.

Ja, 't was Ritters Hans die reeds een klein halfuur "in 't haam had

gehangen" om de tjalk te vervoeren, maar nóg eens: Geurt zag den

smeekenden blik niet die de arme, waarop hij gezeten was, gedurig

ter zijde wierp. Hij dacht aan Grietje, en verheugde zich dat hij

haar wat suiker en vleesch zou kunnen bezorgen, maar voelde het niet,

hoe Hans gedurig in de knieën knikte. Hij dacht aan Toon, en besloot

ter verfrissching eenige chinaasappelen mee te brengen, welke hij

zou zeggen voor een oud kleedingstuk in ruil te hebben bekomen,

maar zag het niet hoe akelig de viervoet met de oogen ging draaien,

en hij riep alweder: "Huup! huup! vort Hans! kovort!"

Doch Hans, ofschoon hij zich bij iedere aanporring geweld deed,

zoodat de beenen hem letterlijk kraakten, hij kon.... neen, hij kon

niet meer. 't Werd hem zoo schemerachtig voor de brandende oogen. Met

zulk eene warmte, zóó zwaar te trekken, en daarbij nog een persoon op

zijn rug te dragen, 't ging zijn krachten te boven, en--het arme dier

snakte naar den adem, stond jammerlijk hijgende stil, deed weder op een

vernieuwde aanporring van zijn berijder, eenige waggelende schreden,

doch ternauwernood was Geurt--die nu eerst besefte dat Hans het te

kwaad kreeg--van zijn rug gesprongen, of het oude paard wankelde ter

zijde, stak den neus in de lucht om zoo mogelijk ruimer te ademen,

rilde een.... twee.... driemalen, en toen--toen knikten zijne knieën

en viel de arme stakker op het jaagpad neder.

Geurt ontstelde hevig toen hij Ritters vriend zoo onverwacht zag

vallen, zelfs aan de mogelijkheid had hij niet gedacht.--Wat te

doen! De schipper aan het roer riep luide: "Geef 'm wat lange

haver! Ransel z'n luie bast!"

--Z'n luie bast! Arme Hans! je verstaat het niet, gelukkig voor jou! je

zoudt weemoedig zijn geworden en misschien met wrok den laatsten

stond zijn tegemoet gegaan. Je verstaat het niet, maar Geurt des

te beter.... en.... Neen, wel roept hij: "Huup huup!" wel trekt hij

aan den toom, en spant hij zijn geringe krachten in om je weer op de

been te krijgen, doch je mishandelen in dezen stond.... neen, dát kan

hij niet. Je brekende oogen, die zoo weemoedig schijnen te vragen:

Waar is mijn goede baas toch? zij treffen de zijnen. Aanstonds laat

hij zijn pogen varen, en, terwijl het medelijden hem ijlings zijn oude

pet met water doet vullen, om te beproeven, of een teuge den amechtige

ook zal verkwikken, doorziet hij het netelige van zijn eigen toestand.

--Zoo Hans eens kapot ging! zou Toon dan niet vragen? zou Toon hem geen

bedrieger noemen?--En, op het geroep van den schipper geen antwoord

gevende, voegde hij net zieltogende paard de vriendelijkste namen toe;

streek het over den zakkenden kop, en riep eindelijk tot den schipper,

dat hij toch komen zou om, ware het mogelijk, den stakker, die zoo

raar deed, in 't leven te behouden.

Geurts beroep op de hulp van den ongevoeligen schipper bleef

vruchteloos; met de handen onder zijn kin en de ellebogen op het roer

geleund, ging hij bij _dit_ en bij _dat_ voort, om jager en paard naar

weinig uitgezochte plaatsen te verwenschen, er gedurig bijvoegende:

"Jakker d'r op, zoo je niet luier dan je luie knol bent."

Ten einde raad, en al meer vreezende dat Hans het niet kroppen zou,

zag Geurt in 't ronde of er dan geen meelijdend schepsel in den omtrek

was, die hem raad of hulp zou willen verschaffen.

Het ijzeren hek van _Water-zicht_ is slechts een vijftig schreden

van die plaats verwijderd. En, ijlings loopt hij er heen; treedt het

binnen, en aarzelt niet het fraaie huis te naderen, waar hij hijgende

aankomt. Na een korte aarzeling rukt hij aan de schel, zóó sterk,

dat mama en dochter Brolet--die aan de achterzijde der woning in de

schaduw eener warande zitten te puffen, en niets weten te zeggen dan

dat zij stikken--elkaar verbaasd aanzien, en bijna op het denkbeeld

komen, dat de zonnegloed brand deed ontstaan.

Leendert de huisknecht, die, evenals de koetsier, den tentwagen in

't koetshuis had uitgekozen om er zijn af....ge....mat....te leden

rust te bezorgen, vernam het schellen niet. De meisjes in de keuken,

wier kornetten los, en wier armen slap langs haar zittende lichamen

hingen, begrepen dat Leendert wel komen zou, en bleven waar ze waren.

"Ieder zijn _vak_!" zei Krisje; zoodat mevrouw bij het

tweede gelui--terwijl ze zich steeds met haar waaier zocht te

verkoelen--opstond; iets van "die booien!" prevelde, de gang betrad,

en de voordeur--die voor een tochtje was opengelaten--naderende,

al spoedig voor den angstigen Geurt stond.

"Wat wil je zoo haastig vriendje?" vraagde mevrouw.

"Och! of je me helpen kan juffrouw!" antwoordde Geurt met ter

neergeslagen oogen, en, ware hij niet zoozeer met Hans vervuld geweest,

hij zou voorzeker--onvoorbereid om zoo iets voornaams te ontmoeten--er

nog veel minder vrij hebben bijgevoegd. "Als je niet dadelijk helpt

dan zal het te laat zijn!"

"Maar wát is er dan toch?" vraagde mevrouw.

"Zie je juffrouw, 't is eigenlijk buiten mijn schuld," antwoordde

Geurt: "want mishandeld heb ik hem niet, maar zie je, de warmte! Is

er dan niemand die me kan helpen eer ie kapot gaat?"

"Kapot!" herhaalde mevrouw: "Spreek je van een beest of van een

voorwerp."

"Och ja, van Hans, juffrouw!" hernam Geurt haastig: "Maar heb je dan

geen mansvolk hier, en kun je geen drank geven? De rijke lui weten

altijd meer dan een ander. Toe gauw, eer het te laat is, want Hans

leit op z'n asem." En zich daarna omwendende, liep hij ijlings terug,

maar riep nog in 't heengaan: "Gauw dan, hij leit vlak bij 't hek."

Eenige minuten later trotseerden mevrouw en Jeannette,--Papa was nog

niet uit Den Haag teruggekeerd--de vreeselijke warmte, om aan hare

nieuwsgierigheid te voldoen.

Behalve stroohoeden met vervaarlijke randen, droegen zij groote

Oostersche zonneschermen, die ze, als noodzakelijk bij een _équipement_

voor 't buitenleven, in den _grand bazar_ hadden gekocht. Leendert en

Willem volgden geeuwende, terwijl Kris en Leentje met de boezelaars

boven hare hoofden, aan 't hek bleven gluren om óók eens te zien wat

er eigenlijk te doen was.

Toon Ritter ligt op dezelfde plaats waar wij hem reeds een paar malen

hebben aangetroffen. De dokter, die hem eenige uren geleden bezocht,

heeft hem alweer een drank voorgeschreven, maar zich evenzeer alweder

verwonderd over de taaiheid van dat gestel.

Op dit oogenblik ontwaakt de man uit een lichte sluimering.

"Waar ben je?" zegt hij flauw en met gesloten oogen, terwijl hij

met de hand bezijden zich voelt, en die eindelijk op den rand zijner

kribbe laat rusten: "Ik droomde daar van den tijd toen je nog klein

waart Hans, toen je kleine oogen mij zoo goedig aanzagen, en toen

ik--om jou--om jou verd.... raakte, hé!--Maar Hans, ik heb daar ook

gedroomd: dat Hij 'en groote pen van goud nam, en zei: "Ik zal het maar

doorhalen! hé! en 't was vreeselijk licht ook, en ik las, ofschoon ik

m'n bril niet had: "Toon Ritter," en daarachter dat leelijke woord--je

weet wel. Maar Hij sprak weer: "Die gelooft heeft zal zalig worden,"

en streek toen met mooien inkt dat leelijke woord uit, en schudde

mij de hand, en gaf me brood met lekkeren wijn, net zooveel als ik

lustte. Zie je, 'k was in den hemel; en toen ik wel genoeg had, en

net als vanouds op m'n twee beenen liep, toen zag ik ook jou weer,

mijn goeje Hans; maar niet zooals je nou bent, maar blank van vel,

en fraai van leden, en zwart van haar, want weet je, jij zelf waart

bij Teunis in 't kuiltje. En weet je nou Hans, waarom ik er _toch_

kwam?" vraagt Ritter terwijl hij opnieuw met de hand naar het paard

zoekt, dat zich niet aan zijn zijde bevindt; "omdat ik geloofd had

dat Hij alles kan, en omdat ik trouw was geweest voor jou.... hé! dat

spreek je niet tegen?"

Ritter strekt al gedurig zijn magere vingers verder uit om het dier

te bereiken, doch, dewijl zijn uiterste poging vruchteloos blijft,

wendt hij zich om; opent de oogen; werpt een doffen blik in 't

ronde, en roept eensklaps met een door den schrik versterkte stem:

"Hans! Hans! waar ben je gebleven?"

Zie, hij schijnt tot bezinning te komen. Geurt heeft zijn vriend

meegenomen, dewijl het _beter_ voor hem zou zijn; 't is waar... doch,

tóén was het morgen en nu.... 't moet wel tegen den avond loopen. Zou

Geurt hem vergeten? En naarmate de zwakke jager zich over het

uitblijven van den jongeling met den bruine al ongeruster maakt,

bromt hij gedurig, dat het niet meer gebeuren zal, want hij gevoelt

het maar al te zeer dat hij nog slechts kort met hem vereenigd zal

blijven; en, eenmaal had hij bij zich zelven gezworen: het dier te

zullen verzorgen en trouw te bewaken tot aan zijn einde.

Naarmate de tijd al meer en meer verliep, klom Ritters bezorgdheid. Zoo

hard hij zulks vermocht riep hij het dier eenige malen bij zijn naam,

en eenige malen ook den naam van hem, aan wiens zorg hij zijn vriend

veilig had toevertrouwd. Geen antwoord, geen geluid zelfs--dan het

gegons der muggen.

't Kostte Ritter een groote inspanning, om, zooals hij vroeger

meermalen deed, ook nu op de vingers een schel gefluit voort te

brengen, maar toch het gelukte, en zóó zelfs, dat de kalkoenen op een

nabijgelegen hoeve, zich verplicht gevoelden het met een oorverdoovend

gegil te beantwoorden.

Intusschen het fluitend signaal bewerkte niet wat Ritter

verlangde. Hans kwam niet opdagen, en Geurt evenmin. 't Waren pijnlijke

oogenblikken die de zwakke sleet; zijn eigen toestand had hem nooit

zoo bekommerd als het thans de onzekerheid deed wat er toch met Hans

mocht gebeurd zijn; en, zijne handen vouwende, zuchtte hij tot Hem

die alles kan: "Heere, verlos mij uit de benauwdheid!"

Zat Ritter in de benauwdheid--op een paar schreden van de hut

verwijderd, stond er een wiens hart niet minder beklemd was. Geurt

had het snijdend geluid zeer wel gehoord, en 't was hem door de ziel

gegaan. Reeds verscheidene malen had hij zich tot nabij Ritters woning

begeven, doch telkens ook was hij teruggekeerd, dewijl de moed hem

ontbrak om den man onder de oogen te treden.

Hoor! weder klinkt het schel gefluit, en eensklaps zich vermannende,

loopt de jonkman tot nabij de hut; blijft eenige oogenblikken voor de

kleine deur staan, maar eindelijk--eindelijk opent hij haar; treedt

met een kloppend hart binnen, en staat weldra, doch zonder een woord

te spreken, voor den nederliggenden jager.

"Waar is Hans?" vraagt Ritter terstond, terwijl hij de oogen op de

opengelaten deur houdt gevestigd, in de verwachting dat het paard

nog volgen zal.

Geurt ziet voor zich neder maar antwoordt niet.

"Waar is Hans?--Maar spreek dan!" roept Toon, terwijl de grootste

onrust op zijn gelaat is te lezen: "Den ganschen dag heb je hem buiten

gehouden!" en weder doet hij het snijdende fluitje hooren nog in de

hoop dat het paard zal verschijnen.

Eenige oogenblikken lang heerscht er in het verblijf een pijnlijke

stilte; eensklaps echter heft Ritter zich met geweld overeind, en

den zwijgenden Geurt met zijn donkerbruine oogen strak aanstarende,

zegt hij op akeligen toon: "Bij God, zeg dan, zeg.... waar is Hans?"

Maar Geurt kan niet spreken; en de hand voor de oogen drukkende,

komt hij den spreker een schrede naderbij, maar berst te gelijk in

tranen uit.

Eene rilling doorloopt Ritters leden. Zich geheel voorover buigende,

grijpt hij Geurt bij zijn buis; trekt hem geheel tot zich, en zegt met

een gesmoorde stem: "Zeg--zeg ellendige! heb je mijn Hans vermoord?"

Dat was te veel! Hoewel de bitterste zelf beschuldiging hem pijnde,

_die_ verdenking woog al te zwaar; en het was door haar dat Geurt de

kracht bekwam tot het doen eener volledige bekentenis, en verhaalde,

hoe hij met de beste bedoelingen het paard had gebruikt voor het werk,

waartoe hij toch meende dat het geschapen was; maar, dat de warmte

hem moest hebben bevangen, zoodat de stakker er nu inderdaad niet

best aan toe was.

Ritter, die onder het hakkelend en gedurig afgebroken verhaal van den

jonkman, hem niet zelden een blik had toegeworpen, die van zijn onrust

en hevige smart getuigde, staarde hem, toen hij ophield met spreken,

eenige oogenblikken sprakeloos doch met bevende lippen aan. Doch,

nadat Geurt de hand des jagers had gegrepen, en nu innig geroerd om

vergiffenis smeekte, wendde Ritter eensklaps den blik van hem af,

en riep met een akelige stem:

"Ik heb hem verlaten! Mijn eed!! O God!" maar liet er terstond op

volgen, terwijl hij den brenger der Jobstijding aanzag: "Je hebt

niet gezegd of hij dood is; zeg, leeft hij niet meer? Zeg, waar heb

je mijn Hans gelaten?"

"Neen neen! dood was hij niet," zei Geurt zeer snel.

"Niet! niet!" riep de jager, den spreker in de rede vallende, terwijl

een bruinachtig roode kleur zijn geelbleek gelaat kwam kleuren:

"Niet!?--Hijsch mij op!--Hier,--hier dan; zie, ik ben zoo slap

niet.--Hans, ik wil je nog zien! Help dan! Dáár, daar liggen de

spullen: help! als je niet wilt dat je de eeuwige pijn treft!" En

de man, wiens krachten den arts ten eenenmale als uitgeput hadden

toegeschenen, wierp het dek van zich af; greep den boomstok, en trok

er de bedoelde bovenkleed ing mee naar zich toe.

"Maar in 's hemels naam, wat wil je?" sprak Geurt ontsteld: "Toon! hoe

zou je naar _Water-zicht_ komen? Jij, die te zwak bent om op te

staan. En wie zou je helpen! Je weet dat _mijn_ krachten...."

"Zwijg!" riep Ritter in zenuwachtige opgewondenheid: "Wil jij me niet

helpen, hé! dan zal ik alleen er wel komen; want zien zál ik hem--al

moest ik ook kruipen!"

Wat Geurt ook spreken of raden mocht, de oude jager was niet te bewegen

om van zijn voornemen af te zien. Hij wilde en zou zich naar zijn

Hans begeven, al ware het ook ten koste zijner laatste krachten. Die

zelfopoffering zou wellicht de doemwaardigheid vernietigen, welke

hij,--door de zorg van het paard, ofschoon met een goede bedoeling,

aan een ander te vertrouwen,--opnieuw over zich gebracht had.

't Verdient toch opmerking dat de arme jager bij het bittere leed,

dat hem inderdaad door een ander werd berokkend, geenszins dien

bewerker hard viel of met beschuldigingen en smaadredenen overlaadde,

maar alleen zich zelven beschuldigde, en slechts de gevreesde straf

voor _zich_ meende weggelegd. 't Verdient opmerking, want, ofschoon

wij,--eveneens zouden gedaan hebben, en de droevige gevolgen van begane

misslagen steeds ons zelven wijten, er zijn toch een aantal _andere_

menschen, die de schuld maar terstond op een ander werpen....! Adam

had het niet gedaan: de vrouw had het gedaan; de vrouw? wel neen, die

leelijke slang! Ja wel, die _andere_ menschen hebben gewoonlijk vrouwen

of slangen bij de hand, die met het pak bezwaard worden; en weet ge wie

vooral zoo ontelbare malen voor hen de schuld moet dragen,--edoch in

andere gevallen dan het beschrevene--'t is het kind met dien breeden,

mismaakt breeden rug, dat die _andere_ menschen "temperament" noemen.

En Geurt hielp den jager zooveel hem mogelijk was, maar begreep ook

hoe langer zoo meer, dat het voor hem een vergeefsche poging zou zijn

om den zwakken en daarbij verminkten man, zonder meerdere hulp, ter

plaatse te brengen waar zich zijn stervende makker bevond. Plotseling

rees er een gedachte bij hem op, en met de woorden: "Wacht, ik zal

eens zien...." liep hij de hut uit; en ofschoon Ritter hem nariep,

die vreesde dat Geurt niet terug zou komen, vervolgde hij zijn weg

tot nabij de hoeve,--waar de kalkoenen opnieuw het gefluit van den

jager beantwoordden--maar kwam ook, geen twee minuten later, in een

kleine roeiboot langzaam het stroompje afzakken.

Menige pijnlijke kreet ontvlood er aan Ritters lippen, eer hij met de

zwakke hulp van den jongeling, het bootje bereikte, en daarin half

liggende gezeten was. De hoop om Hans nog levend te vinden steunde

echter zijne krachten, en gedurig moest Geurt, die maar slap de riemen

bewoog, van Ritter de aansporing vernemen:

"Maak toch wat haast, eer het te laat is!"

Voor weinige minuten was Brolet van zijn tocht naar de residentie

teruggekeerd, ook _hij_ had het dien dag schrikkelijk benauwd

gehad. Geen wonder: brandende zon en--kokend bloed!

Mevrouw Brolet, die de ramen van haar echtvriends kamer had

opengeschoven opdat de avondkoelte hem eenige verfrissching zou

schenken, was mede met de _eau de cologne_ in de weer, maar noch het

een noch het ander baatte om den verhitten man tot kalmte te brengen.

Zonder een rechtstreeksch antwoord op haar belangstellende vragen te

bekomen, verstond mevrouw uit de afgebrokene bittere woorden van haar

gewoonlijk zoo zachtaardigen echtvriend genoeg, om er uit op te maken,

dat zijne poging niet met den gewenschten uitslag was bekroond.

Vol bitteren wrevel was de man, en waarom? Omdat hij, die zelf ten

allen tijde de wetten verdedigd en zich wars van elke knoeierij had

betoond, nu, daar het zijn eigen belang gold, gaarne die wet had zien

krommen, om, wat krom was recht te maken.

En, wat wilde hij dan?

Immers, hij wilde zijn kind behouden, haar niet prijs geven

aan.... Neen, neen, dat wilde hij niet, en terwijl de diplomaat

halfluide zwoer, dat hij een middel zou uitdenken om den noodlottigen

slag te keeren, al spanden ook alle aardsche machten te zamen, rees

hij van zijne zitplaats op, en liep, met de hand tegen het voorhoofd

gedrukt, haastig de kamer op en neer.

Mevrouw Brolet, die een onbepaald vertrouwen op het beleid en goed

verstand van haar echtgenoot had, gevoelde zich door die laatste

positieve woorden geruster, en spoedde zich naar beneden om het oog

over een verfrisschend avondgerecht te laten gaan.

Nog maar weinige oogenblikken bevond mevrouw zich in het

beneden-achtervertrek, toen door de openstaande tuindeur Jeannette

binnenkwam, gevolgd door den baron Tolenveld, die zijn eigenaardige

buiging voor de aanstaande schoonmama maakte.

"O mama," sprak Jeannette haastig: "u moet met papa eens gauw

meegaan. Toen wij zooeven, na in de plaats te hebben gewandeld, voorbij

het turfschuurtje kwamen waar dat akelige paard is gebracht, toen

kwam Leendert er uit, en zei, dat de baas van het dier was gekomen,

en dat het kluchtig was om te hooren zooals die man tot het arme dier

sprak. U moet dadelijk komen," voegde zij er bij: "Nietwaar Tolenveld,

volgens den knecht moet het wel _curieus_ zijn? Kom!" en snel verliet

zij het vertrek; en de baron zei in zich zelven: "_Cura, curiosus_," en

volgde zijne _futura_, zonder op de aanstaande schoonouders te wachten.

Reeds vóór de geliefden,--of beter, de verloofden--bevinden wij ons

in het gezegde turfschuurtje, om er van de "curieuse klucht" getuigen

te zijn.

Op den steenen vloer, waarover een bos stroo is uitgespreid,

ligt de bruine vriend van Toon Ritter; hij ligt er met de pooten

uitgestrekt, nog eveneens als toen hij er voor weinige uren met

een stenend geluid den laatsten adem uitblies. Alleen de kop, welke

na dien stond zijdelings achterover in het stroo was gezakt, wordt

eenigszins omhoog gehouden. 't Is de arm van den ouden jager die hem

omvat, en zijn ruige kin er op rusten laat, terwijl hij zelf op een

omgekeerde kuip gezeten, wordt ondersteund door den zwakken Geurt,

die mede tegen een stapel hakhout een rustpunt heeft gevonden.

Aanvankelijk vernemen wij niets dan een klagend gezucht 't welk nu

en dan des jagers lippen ontsnapt.

"Ouwe stakker! Heeft Toon z'n woord gebroken!" klinkt eindelijk

Ritters hokkende stem; "heeft hij jou uit het oog verloren en zich

ten tweeden male den eeuwigen toorn op den hals gehaald?--Zeg, brave

ouwe stumper! moest je die goeje oogen dicht doen, zonder Toon naast

je te zien? Zeg, kun je ze dan nog niet eenmaal opslaan--dat ik ze

toedruk? Zeg, zou er dan nog geen greintje leven in je zijn? Huup

Hans! huup!" en met de vlakke hand slaat Ritter zijn makker op het

gevoellooze lichaam.--"Dood! mors dood!" steunt de jager opnieuw:

"Och! waarom heeft Hij die alles kan, jou niet 'en poosje langer bij

asem gelaten? hé? of, Toon vooraf den genadeslag gegeven? Verdoemd

als ik ben!--Waarom ook stond ik je af aan een ander!"

De laatste woorden des jagers werden op een zoo diep verslagen toon

geuit, dat Geurt een zenuwachtige rilling gevoelde, en hem bewogen

toefluisterde. "Maar Toon, de schuld is immers aan mij! Ik maakte

misbruik van je goed vertrouwen; ik was het die Hans--doch zonder

opzet...."

"Zwijg! zwijg! Paai me toch niet!" roept Toon met een nare stem:

"Wat jij deedt, da's jou zaak, maar wat er tusschen hem en z'n baas

was, dat raakt jou geen zier. Zeg, zeg--ouwe!'" besluit de grijze

met fluisterende stem, terwijl hij zijn hoofd geheel op den kop

van zijn dooden makker laat rusten, en de voorboden der sloopster

zijner krachten, zijn van inspanning doodelijk vermoeid lichaam doen

trillen: "Zeg, kon je maar--bidden--hé; maar je hebt daar nooit geen

verstand--van gehad.--_Ik_ durf het niet,--en de Eerste--hé!! verdoemt

me!"

Zie, de "klucht!" heeft ons dermate beziggehouden dat wij het

binnentreden der verloofden niet bemerkten, en nóg zouden we 't hoofd

niet van den armen man hebben afgewend, zoo we niet ter zijde een

zacht gepraat hadden vernomen.

"Maar wie is die ongelukkige man toch?" vraagt Jeannette aan hem,

wiens gade ze hoopt te worden, terwijl een mengeling van deernis en

afschuw op haar gelaat is te lezen.

"Men noemt hem Toon de Witte, geloof ik," fluisterde Tolenveld:

"hij woont in de armoedige hut die eenige malen uw aandacht trok."

Er volgt een langdurige stilte, door niets afgebroken dan het gezucht

van den jager die, ten halve met den rug naar de aanwezigen bij

den ingang van het schuurtje gekeerd, hen niet bemerkte, en evenmin

bespeurt dat, eenige oogenblikken later, nóg een heer en dame, het

tamelijk donkere verblijf binnentreden.

Zichtbaar onaangenaam wordt de heer Brolet door de tegenwoordigheid des

barons getroffen, dien hij na zijne thuiskomst nog niet ontmoette. Even

spoedig echter als de voorhoofdrimpels verschenen, verdwijnen ze

weder, en een vriendschappelijke groet der heeren breekt de stilte,

en doet den lijdenden jager even het hoofd naar de zijde wenden,

waar zijne bezoekers zich bevinden.

"Een zonderlinge vertooning," zegt Brolet op een toon die eenigszins

zijn wrevele stemming verraadt, en voegt er wat zachter tot zijn

echtgenoot bij: "Waarom werd dat volk hier binnengehaald?"

Mevrouw Brolet fluistert eenige bevredigende en vergoelijkende woorden,

en besluit, op den jager wijzende: "_Pauvre homme, il a l'air bien

souffrant!_"

"_A qui la faute!_" zegt Brolet schouderophalend, doch wordt evenals

zijne dames een oogenblik later met deernis vervuld, daar hij den

jager ziet trillen en beven, terwijl deze, door een hevige benauwdheid

overvallen, langzaam in de armen van den jongeling zinkt, die hem

met moeite ondersteunt.

Jeannette laat Tolenvelds arm los, en roept op meewarigen toon,

terwijl haar kleur door een doodelijk bleek wordt vervangen: "Hoe

akelig! Och, wie helpt hem?"

Mevrouw Brolet mede ontsteld, doet een schrede naar den armen lijder,

doch wordt door haar echtvriend in den weg getreden, welke laatste

den jager ijlings nadert, en, zonder op de onreinheid der kleeding

acht te geven, hem in zijn armen vat. Den insgelijks bevenden Geurt

gelast hij, om haastig de hulp der dienstboden te gaan inroepen;

zij moeten een paar dekens en de flacon uit mevrouws toilet ten

spoedigste medebrengen.

Nog vóór dat Geurt het schuurtje verlaat, zijn de dames, door haar

natuurlijk gevoel gedreven, reeds met hulpvaardige bedoelingen ter

deure uitgesneld.

De baron, die zelden zijn bedaardheid verliest, wankelt een oogenblik

tusschen het plichtbesef om de aanstaande moeder zijner kinderen te

volgen, en dat, 't welk hem zegt den heer Brolet de behulpzame hand

te bieden; doch, in zijn tweestrijd besluit hij noch tot het een,

noch tot het ander, en blijft waar hij zich bevindt, maar verzoekt

den heer Brolet toch maar vrij uit te spreken, zoo er iets mocht

wezen waarin hij zijn hulp behoeft.

De gevraagde is te zeer met den lijder vervuld, dan dat hij den

voorslag des barons kan beantwoorden; zijne oogen zijn onafgebroken

op het akelige gelaat van den man gevestigd, dien hij in zijne armen

houdt, en terwijl deze al sneller ademhalende, enkele malen de woorden:

"Hans! Hans!" met een naar geluid doet hooren, klopt het hart van den

hulpvaardige met hevige slagen; maar spreekt hij toch gedurig van:

moed houden, en dat het wel beter zal gaan.

Zie, 't moet een geweldige koorts zijn, die den arme als het ware

verscheurt. Gedurig drukt hij de hand tegen het gloeiende hoofd,

dat hem bonst alsof 't bersten zal; eenige malen grijpt hij in

de kleeding waar zij hem de hijgende borst bedekt, als waant hij

zich daardoor lucht te zullen verschaffen. De last wordt Brolet te

zwaar. Gelukkig! daar treden de knechts het schuurtje binnen; ze

hebben dekens, een paar kussens, benevens eenige fleschjes en andere

zaken bij zich, welke mevrouw heeft geoordeeld dat noodig of nuttig

konden zijn.--Zou ze ook nú op dankbaarheid hebben gerekend....?

Leendert vervangt de plaats van zijn meester.

Gedurig een zonderling onderzoekenden blik op den kranke werpende, is

Brolet niettemin ijverig in de weer om met den koetsier een tamelijk

geschikt leger voor den jager te spreiden. Dit gereed zijnde, gelast

hij zijnen bedienden, om den ongelukkige behoedzaam daarop neer

te leggen. Zulks geschiedt; en nauwelijks heeft een lavende teug de

brandende tong verkoeld, en houdt de huisknecht een natten doek op het

gloeiende voorhoofd, terwijl Willem reeds met het bevel is verdwenen:

om Juno in te spannen en terstond den dokter uit het naburige dorp

te halen, of de man opent flauw de oogen, en werpt voor de eerste

maal een blik op zijn voornamen helper.

Zie.... de glinsterende oogen, wat blijven ze strak op den man

gevestigd--die zich haastig tot den baron wendt, en hem noopt tot

de dames te gaan, "daar alles nu geschikt is."--Zie, wat spalkt

hij die oogleden wijd.... en wijder open; wat akelige, schrikkelijk

akelige uitdrukking op dat vermagerde bleeke gelaat; hoor, wat naar

gegorgel in de keel, alsof zij te zeer is toegeschroeid om een woord

te doen hooren. Zie.... zie... hoe akelig!--Daar schudt hem een wreede

demon. Maar toch, hoor, het is alsof in dat nare gereutel de woorden:

"Mijn Hans!" nog even zijn mond ontsnappen.

't Is nacht, doch geen zooals men zich daags voorspeld had, van

onweer en plasregens; maar strak en helder en zwoel, en weder een

dag voorspellende als die, welke straks ter ruste ging.

De pendule in het slaapvertrek der echtelieden Brolet heeft reeds

één geslagen. Nog geen half uur geleden is de heer des huizes die

kamer binnengetreden.

Was het zijn goedhartige aard, die hem zoolang alleen bij den lijder

in het schuurtje deed vertoeven, dewijl hij ook Leendert--tot diens

verwondering--bevolen had om zich dorpwaarts te spoeden, ten einde

eenige eenvoudige geneesmiddelen uit de apotheek te halen, ofschoon

Leendert meende, dat mevrouw ze wel in huis had, doch die--volgens

mijnheer--niet versch genoeg waren? Was het enkel uit medelijden,

dat hij de uren, sedert dien eersten stond verloopen, zooveel mogelijk

zonder andere hulp bij den armen jager heeft doorgebracht, wiens einde

door den geneesheer, gedurende zijn kortstondig en laat avondbezoek,

als zeer nabij voorspeld was? Waren er ook andere redenen? Leendert is

er zeker van, want--achter het schuurtje is eene sloot, en tusschen

die sloot en het schuurtje bleef nog een voetbreed gronds, waarop

distels en klitsplanten welig tieren. En nu.... jammerlijk zijn die

schoone bladen vertrapt, vooral ter plaatse waar zich die reet in de

planken bevindt.

Op het oogenblik dat wij Brolet wedervinden, staat hij met over

elkander geslagen armen tegenover zijn echtgenoote, die, in een

leunstoel gezeten, haar aangezicht met de beide handen bedekt.

"Spreek dan Octavie!" zegt Brolet met gesmoorde doch gejaagde stem:

"zou zulk een toeval mij niet de haren te berge doen rijzen? Kon er

een rampzaliger denkbeeld rijpen dan naar deze streek te trekken? Ken

je zulk een toeval, dat ons den man hier doet weervinden, van wien

wij sedert al die jaren niets meer vernamen!? Maar antwoord mij dan,

_wát_ moet ik doen?"

"Zij zal het besterven!" zucht mevrouw, terwijl een stroom van tranen

haar wangen besproeit.

"Besterven!?" herhaalt de man, en treedt op het raam toe waardoor hij,

aan 't einde der laan, het schijnsel van het licht ontwaart 't welk

binnen het schuurtje brandt: "Neen, neen! dat zal ze niet!" herneemt

hij terugkeerende: "Als je dáár geweest waart," en hij wijst in de

pas verlatene richting; "dáár, en je hadt den angst en de smeekende

blikken van den ongelukkige, zooals ik gezien; je hadt zijn diep

treffende, schoon weinig samenhangende woorden gehoord, je hart zou

evenals het mijne hebben geklopt! Maar zeg, meen je 't waarlijk,

zal ons kind het besterven?"

Eenige oogenblikken staat de vragende man weder voor zijn weenende

vrouw zonder antwoord te bekomen, maar eensklaps slaat mevrouw Brolet

den blik tot hem op, en de hoop is op haar gelaat te lezen, dat hare

vraag: "Maar François, is 't geen bedrog?" een antwoord zal uitlokken

't welk nog niet den stempel der volste overtuiging draagt.

Maar neen, helaas! bedrogen had hij zich niet; de waarheid sprak maar

al te luide, en in weinige, vluchtige woorden gaf hij aan zijn gade de

bitterste bewijzen eener zekerheid, welke hij zich zelven zoo gaarne

ontveinsd had.

Nog had Brolet zijn verslag niet ten volle geëindigd, toen een vreemd

geluid op het portaal de aandacht der echtelieden wekte.

"Jeannette! o God! zoo zij 't gehoord had!" roept mevrouw, en wil

ijlings opstaan; doch Brolet houdt haar terug, en terwijl hij bare hand

in de zijne vat, fluistert hij snel en merkbaar bewogen: "Octavie,

wees bedaard; heeft Jeannette ons waarlijk beluisterd,--zegen

dan met mij een toeval, 't welk mij van den pijnlijksten last

ontheft. Zij heeft dan vernomen 't geen het noodlot mij dwingt haar

te zeggen. O! ik gevoel het, mijn levensvreugd ware verwoest, indien

het denkbeeld mij bijbleef, dat ik uit zwakheid de laatste bede van

een uitgaanden levensgeest had versmaad. Ja, een ontzettend toeval

doet ons huiveren, en verijdelt mijne plannen; maar nu, schep moed,

wie weet of de uitkomst ons niet de rust zal schenken, waarnaar wij

reeds zoolang en zoo vurig verlangden."

"Mijn arm kind!" zuchtte mevrouw: "God moge haar nabij zijn!"

Brolet fronst de wenkbrauwen; drukt zijn echtgenoote een kus op het

voorhoofd, en verlaat haastig de kamer. Op het portaal gekomen, ontdekt

hij _haar_ niet, die zijne verbeelding er gemeend had te vinden. Hare

kamer grenst aan die der ouders. Met een zacht kloppen zal hij haar

wekken. Doch zie, de deur is niet gesloten, zij staat op een kier.

"Jeannette!" roept hij zacht: "slaap je mijn kind?" en eenige malen

herhaalt hij de vraag, doch zonder een antwoord te vernemen. De vader

aarzelt niet de deur wat verder te openen; hij ziet naar binnen,

en nogmaals roept hij luider: "Jeannette!"--Maar neen, zij is er niet.

Ontwaakt uit een korte sluimering die haar geest had vermoeid, met een

afzichtelijk dood paard 't welk gedurig, om haar te vangen, de stijve

voorpooten uitstrekte, had een ongewoon gerucht in de aangrenzende

kamer harer ouders, Jeannettes opmerkzaamheid getrokken. Bij 't naar

bed gaan heeft zij in stilte de bespottelijke menschlievendheid van

haar papa bewonderd, die zelfs zijn domestieken de nachtrust had

gegund om bij die "akeligheid in het schuurtje", waar zij het te

benauwd had gekregen "de rol van _ziekenverpleger_ te spelen." 't

Ontstelde haar eenigermate de stem haars vaders te hooren. Was hij

terug, dan voorzeker moest die man wel dood zijn.--Hu! daar was toch

iets akeligs in; daarginder in dat schuurtje: een dood paard, en een

dood mensch nog daarbij!

Haar legerstede verlatende, was Jeannette op den wand toegetreden,

die haar van het slaapvertrek der ouders scheidde. Ofschoon nu en dan

eenige klanken vernemende, kon zij, door den halfsteenschen muur, toch

onmogelijk goed verstaan wat er gesproken werd. Het luider noemen van

haar naam had echter dermate hare belangstelling gewekt, dat zij in

allerijl eenige kleeren heeft aangetrokken, en, het vertrek in stilte

verlatende, op het portaal aan de kamer der ouders heeft geluisterd.

Geen vijf minuten later bevond het meisje zich weder binnen

haar slaapverblijf, doch toen.... hoe geheel anders stonden haar

gelaatstrekken dan vóór het verlaten harer kamer. Een lijkkleur

had zich over haar wezen verspreid; haar boezem jaagde onstuimig, en

vreeselijk trilde haar geheele lichaam, terwijl haar blikken verwilderd

in het ronde zwieren. Krampachtig klemden zich hare vingeren om de

leuning van een stoel; haar knikkende knieën benamen haar schier de

macht om zich staande te houden, doch--eindelijk was het, alsof een

besluit werd genomen, alsof een plotseling opgekomen denkbeeld haar

krachten vernieuwde. Zij trad op het raam toe; staarde een oogenblik

op het schuurtje aan 't einde der laan; bracht de hand aan haar

voorhoofd; had nogmaals een gevoel alsof het bloed in hare aderen

stolde, maar, ook dát oogenblik ging voorbij, en zich eensklaps naar

de deur wendende, verliet zij weder het vertrek; sloop met een fel

bonzend hart doch met onhoorbaren tred voorbij de kamer der ouders,

en daalde langs de breede marmeren trap snel naar beneden.

Terzelfder tijd dat Brolet te vergeefs zijne dochter roept, bevindt het

meisje zich voor de deur van het schuurtje. Haar moed dreigt opnieuw

te bezwijken; eenige seconden blijft zij luisteren, doch, daar binnen

een zacht gekreun vernemende, verheft zij met fierheid haar hoofd;

slaat de hand aan de klink, en treedt, ofschoon een huivering haar

bekruipt, met tamelijk vasten tred het schuurtje binnen.--Neen,

't is nog niet gedaan met den armen Ritter.

De heer Brolet heeft hem verlaten, nadat er op een hevige

gemoedsbeweging, door koortshitte verhoogd, een oogenblik van

schijnbare rust gevolgd was. Hoe ontelbare malen had hij in zijne

tegenwoordigheid: "Mijn Hans! mijn kleine Hans! mijn kind!" geroepen;

en dan luider met onrustige gebaren, terwijl hij Brolet daarbij

dreigend had aangezien: "Mijn kind! Breng haar hier.... eer ik sterf!"

In de levendigste kleuren was Ritter, en ook zijn voornamen bewaker,

opnieuw datgene voor den geest gekomen, 't geen zij beiden nooit

vergeten, doch waaraan zij zoo gaarne--ofschoon om zeer verschillende

beweegredenen--de herinnering zouden hebben verloren.

Ja, de weinige woorden die Brolet, na de herkenning, met den jager

wisselde, zij verlevendigden in beider gemoed zoo krachtig 't geen

er omstreeks zeven en twintig jaar geleden was voorgevallen.

't Was een stormachtige Octobermorgen. Door den mullen zandweg tusschen

de Overijselsche plaatsjes Oldenzaal en Ootmarsum werd een fraaie

reiskoets, door twee jonge paarden langzaam voortgetrokken. De heer

en de dame daarin gezeten, wenschten nog vóór den nacht Bentheim te

bereiken, alwaar ze eenige dagen dachten te vertoeven alvorens zich

naar de plaats hunner bestemming--Westphalens hoofdstad--te begeven.

Ze hadden het zwaar genoeg die paarden! De Noordoosten wind, waartegen

ze moesten opwerken, joeg hen het zand in de snuivende neusgaten. De

koetsier liep naast het rijtuig, in de eene hand de teugels houdende,

en met de andere aan den rand van zijn hoed. Ook de oude huisknecht

had, door af te klimmen, den last der bruinen verlicht, en antwoordde,

door het portierglas heen, gedurig op de vragen der meewarige dame,

en stelde haar gerust,--de bruintjes zouden de reis wel goed maken.

Plasregens, die voor weinige dagen de zandwegen in stroomen

herschiepen, hadden op sommige plaatsen gaten veroorzaakt, die den

viervoetigen betreders reeds eenige malen een buitengewone kniebuiging

hadden afgedwongen.

"Ho! ho!" had het eensklaps van de heizijde geklonken; doch de

waarschuwende stem kwam te laat, want reeds lagen de beide paarden

met de voorpooten in een gat 't welk, met afgewaaide bladeren gevuld,

hunne opmerkzaamheid had verschalkt. De man, die voor weinige minuten

met zijn kruiwagen om plaggen te steken was uitgegaan en óók in de

diepte van het gat was geraakt, bracht, dewijl zich geen andere hulp

in den omtrek bevond, het zijne bij, om de paarden weer op de been te

helpen. 't Gelukte; doch Juno, de bijdehandsche, had den rechterpoot

dermate verstuikt, dat hij den koetsier aanzag als wilde hij zeggen:

"Hoe zal dat verder gaan?" De heer en de dame, die na het ongeval

terstond het rijtuig hadden verlaten, vernamen van den koetsier, dat

Juno "inkapabel" voor de reis was, en dat er raad moest geschaft worden

zoo mijnheer en mevrouw Bentheim nog vóór den nacht wilden bereiken.

De plaggensteker was toen de man geweest van wien men hulp of raad

kon verwachten. Het eenige wat hij zeggen kon was, dat Scholte [43]

Roerd, die aan 't einde der vlakte bij gindsche hooge boomen zijn erf

had, paarden genoeg bezat, en vier zelfs die in 't span liepen zoo

goed als de beste. Gaarne had hij zich bereid verklaard om den heer

van het rijtuig naar den rijken Scholte te geleiden, als ze dan maar

'en oog op het schaap wilden houwen dat ginds bij den kruiwagen lag.

Terwijl de heer, aldus begeleid, naar Scholte Roerd was getrokken,

om ter vervanging van Juno een van diens vierspan ter hulp te vragen,

was mevrouw--na het arme paard te hebben gestreeld--op de plaats

toegetreden waar "het schaap" lag. 't Was een kind, dat nog maar

weinige maanden oud scheen te zijn. Zij kreeg medelijden met het arme

wicht, 't welk een dot in het mondje had, waaruit de kracht--zoo die

er in was geweest--reeds lang moest verdwenen zijn. 't Was een aardig,

ja zelfs een mooi kindje, en in weerwil dat de gure wind het gezichtje

verkleumde, lachte het toch toen de dame het vriendelijk aanzag en

_ratada_ zei.

Ja, de voorname dame had erg medelijden met het arme kindje, en ze

streelde het met haar mof in 't gezichtje, en 't kriebelde wel, maar

toch, het lachte er van; en mevrouw kwam ook al eens met den vinger

op 't lijfje: _kiesewiesewiet_, en dan kraaide het, zoodat ze 't hoe

langer hoe akeliger vond om het wormpje daar op den kouden grond te

laten liggen. Ja, ze had het schaapje opgenomen--hoewel ze van de

vuile plunje wat vies was geweest--en had het met zich gedragen en

in het rijtuig gelegd. Gretig had het bloedje de kruimels genuttigd,

welke de dame het vervolgens had toegevoegd, en toen mevrouw eindelijk

de trommel, waarin zich haar proviand bevond, had gesloten, omdat de

kleine niet meer lustte, toen begon ze achter haar mof kiekeboe te

spelen, en 't kindje lachte alweer, en.... zij pinkte een traan weg.

Gaandeweg had de plaggensteker, die al zeer armoedig in de kleeren

was, den heer--die een warmen pels droeg--zijne levensgeschiedenis

meegedeeld, nagenoeg op de volgende wijze: "M'n vader en moeder, zie

je, die hei j' toch niet gekend, maar schraal ha'n ze't wel, daar ku'j

over rekenen. Toen vader stierf--'k zie 'm nog--zei ie voor 't laatst:

"Jong'! 'k heb altijd m'n brood gehad al was 't ook droog. Werken

zie je! werken met God en met eere! Toen moeder stierf had ze 'en

akelige pijn, maar ze zei toch: "God kan alles, bid da'k zacht zal

sterven, en da w' ons in den hemel weerzien," dat zei ze. 't Was kort

op mekaar. Toen zin ze begraven, zie je, zoo netjes as 't hoeft, maar

leeg was de hut, en 'k had zoo alleen geen schik op de hei. Weet je,

toen liep ik naar Mie van den scheeper [44] en ze had zin om met me

mee te gaan, al was ik 'en dikke veertiger. Nou, zie je, mee ging

ze, en, toen ze zuchtig wier, he'k ze getrouwd ook, laat domenei

spreken [45]. Weet je, 't wordt met Sinte Matijs 'en jaar dat z'en

kleine kreeg, en as 'k ze niet getrouwd had, misschien leefde ze nog,

want zie je, het schaap van 'en kind deed haar den dood aan. Toen ze

begraven wier, was 'k nog malkelieker dan van vader of moeder, en as

'k nou 's avends alleen onder de plaggen zit, en heiboenders maak,

dan zeg ik zoo dikwijls: "Och God! a'j alles kunt, waarom hei j' dan

Hanskes moeder niet uit 't kraambed geholpen?" Zie je, nou ploeter

ik met het schaap al 'en maand of acht, en al mag ik het graag, 't

is toch 'en euvel alleen voor 'en man. Alle dagen vraag ik aan God:

dat ie 't lieve Hanske bij d'r moeder zal halen. Maar fluite! Ze

blijft waar ze is."

De heer had den man, toen deze zijn verhaal had geëindigd,

heel vriendelijk toegesproken, en gezegd, dat zoo'n kindje toch

inderdaad een heele troost moest wezen, er bijvoegende, dat vele en

zelfs voorname lieden, vruchteloos naar zulk een schat verlangden,

hetgeen de man op zijne beurt allemaal best wou gelooven, maar ook

opmerkte, dat ze dan niet in zijn geval moesten wezen, hij kon Hanske

toch moeielijk mee naar stad nemen als ie de bezems en boenders ging

brengen, zijne hut lag alleen, buurvrouwen waren er niet, en zie je,

dan hing het schaap soms vier uren achtereen in den band aan 'en

spijker, zoodat hij, terugkomende, 't geschreeuw wel een kwartier

ver over de hei hoorde klinken.

Toen de beide mannen al meer en meer de hoeve van den Scholte naderden,

ving de heibewoner een ander gesprek aan, 't welk ten doel had om den

heer uit het rijtuig van de onnoemelijke schatten des Scholtens een

denkbeeld te geven. _Alles_ was van Scholte Roerd: die schaapskooi,

die schapen, dat bosch, die landerijen, alles, _alles_ wat de heer

naast of vóór zich zag en,.... hoe was hij er aangekomen?

"Weet je," had de man weder gezegd: "mijn grootvader heeft den zijne

gekend toen hij net zooveel had als er nu op m'n hand leit. Wat

deed ie?.... Van werken en sjouwen had ie duiten appart geleid, en,

toen ie tien gulden bij mekaar gekoejoneerd had, toen ging ie naar

de Deventersche paardenmarkt, en kocht er 'en afgedankte kerresier,

die ook al voor de dillejans had geloopen. Hoe hij 't aanlee wist

grootvader niet best, maar dat ie krooi en rooi en soms laat nog aan

't varen [46] was, dat had ie zelf wel gezien. De eenige deern van

Scholte Dikkers had ie eens toevallig opgelaajen, hoe, en waar, en

wat, dat wist ie ook niet, maar zie je, ze wier olik naar hem, en,

toen het eindelik zou en moest, toen kreeg hij ze binnen ook. Weet je,

mijn grootvader zei altijd: "dat heeft hem de kerresier gevaren," en,

spaarde eiges altijd zooveel als ie kon, maar as 't maar 'en gulden

of _drie_ liep dan kwam er 'n kink in de kabel en--_op_ ging het weer."

"En waarvoor wilde je grootvader sparen?" had de heer gevraagd,

die gedurende het verhaal over iets anders gedacht, en slechts de

laatste woorden verstaan had.

"Wel, hei'j dan geen ooren meer?" had de bezemman geantwoord: "ik zei

immers, om 'en paard te krijgen, maar 't is er nooit toegekomen weet

ie, en m'n vader kon er ook niet bij, en ik--wat zou ik, hé! 'k ben

al blij da'k het leven hou, en zoo'n schaap lust ook wel wat anders

dan keisteenen."

Scholte Roerd, wiens grootvader, zooals de overlevering zeide, door

een paard--_wij_ zouden zeggen door een meisje--rijk was geworden,

had den vreemden heer vriendschappelijk ontvangen en te woord

gestaan. Gaarne had hij zich bereid verklaard, den heer met een

fraai span bruintjes, 't welk binnenkort naar de markt zou, tot aan

Bentheim te varen. _Gaarne_, want de Scholte was trotsch op de dieren,

en 't was hem de reis wel waard om ze eens in 't heerentuig voor een

mooi rijtuig te zien.

Nog wel een uur had de dame den tijd gehad om met de kleine in het

rijtuig kiekeboe te spelen alvorens zij de karavane over de hei

zag naderen.

Scholte Roerd had--toen men met het tweespan nabij de plaats

des ongevals was gekomen--terstond met het oog eens kenners, de

fraaie Juno onderzocht. Nu hij het paard eens liet loopen, had

het kootgewricht zich niet--zooals zulks in den gezonden toestand

het geval is--teruggebogen, zoodat het welzeker verstuikt moest

wezen. Het gewricht zwol gaandeweg erger, terwijl het maar al te

zichtbaar was, dat de minste drukking het arme dier een hevige smart

veroorzaakte. "Dadelijk wasschen met keukenzout, water en azijn!" had

Roerd gezegd, en de koetsier, die er toch ook verstand van meende te

hebben, had van een mengsel klei met _eau de goulard_ gesproken, om

welken raad hij echter door den lompen boer--zooals hij den Scholte

heimelijk noemde--werd uitgelachen. Wie vond er klei op de hei! en

welke boer in den omtrek hield er o' de goelaar op na!? Dat had de

Scholte gevraagd, en _wij_ vragen, wie dáár de domme was?

Terwijl men ook Diaan had afgespannen, en de Scholte, met behulp

der mannen, de fraaie tuigen vergespte, ten einde ze voor Mieke en

Treeske pasklaar te maken, en hij gedurig riep, wat of ze van z'n

bruintjes zeiden, was de heer, half buiten half binnen het rijtuig,

in een zacht maar belangrijk gesprek met de dame gewikkeld.

Weinige oogenblikken nadat de heer zich met haaste van het portier

had verwijderd, heeft hij, op eenigen afstand van het rijtuig,

een niet minder belangrijk onderhoud met den heibewoner gehad. Een

glans van verrukking heeft zich over het gelaat van den armen man

verspreid.--Een paard.... dát paard voor hem! En zijn schaap, zijn

Hanske: een rijkeluiskind! O zeker, hij deed het,--wanneer de heer

en mevrouw, op handslag beloofden, dat ze het goed zouden oppassen,

en er altijd voor zorgen.

Ja,--zoowel de heer Brolet als de arme jager, hadden zich dat voorval

op de heide met de meeste levendigheid herinnerd, en, dat de eigenaar

van het rijtuig de eerstgenoemde, en de plaggensteker de man was,

die nu bij zijn dooden Hans lag, zal men voorzeker reeds terstond

vermoed hebben.

Toon Ritter had zijn "deerntje" nog eenige kussen gegeven, alvorens hij

het portier zag sluiten. Scholte Roerd, naast den koetsier gezeten,

had de zweep doen klinken; het rijtuig was van die plaats verdwenen,

en Toon, die bij zijn kruiwagen met het mooie paard was achtergebleven,

had het rijtuig nageoogd, totdat Diaan,--door den huisknecht, die

in het bakje zat, bij den halster gehouden--om den hoek van het

akkermaalshout, waar de weg zich kromde, verdwenen was.

In den aanvang had de arme Ritter zich rijker dan de rijkste Scholte

gedroomd, en alles aangewend om de spoedige herstelling van het dier

te bevorderen, waarvan hij zich zulke gouden bergen beloofde. Roerd

was den volgenden morgen teruggekeerd, doch, zonder zijn bruintjes. De

rijke heer had ze hem gaarne afgekocht, want waarlijk, ze pareerden

best, en ze liepen als hazen! 't Sprak van zelf, dat het voorval in den

omtrek ruchtbaar werd, en naarmate zulks meer en meer het geval was,

kreeg Ritter minder vrede met Juno, en dacht meer aan zijn Hanske,

dat, de hemel wist waar, in de wijde wereld zat. Vooral de vrouwen uit

den omtrek vielen hem danig hard, dat hij zoo'n bloedje, "z'n eigen

vleesch toch," had afgestaan, terwijl zij, die hem het meest benijdden,

er zeker van waren, dat er op dat paard geen zegen zou rusten.

Ja, al mocht Toon Ritter, met den schrikkelijk gedegradeerden Juno,

die, hoewel genezen, al spoedig de duidelijkste sporen van minder goede

dagen vertoonde, wat meer verdienen dan hij het tot hiertoe gedaan

had, hij vreesde hoe langer zoo meer dat de voorspelling bewaarheid,

en Juno hem niet zou aanbrengen "wat de kerresier den grootvader van

Roerd had gevaren."

Somwijlen, wanneer Ritter des avonds aan zijn ontslapene Mie heeft

gedacht, was hij angstig geworden, totdat hij eindelijk het plan had

gevormd om, kostte wat het wilde, zijn Hanske op te zoeken.

Helaas! alle pogingen waren vruchteloos geweest, en, dewijl zelfs de

naam van den heer met het rijtuig hem onbekend was gebleven, moest ten

laatste de hoop wel verdwijnen om tot het gewenschte doel te geraken.

Nog drie jaren was Ritter, na die ontmoeting op de heide, in het oord

gebleven, waar hij het eerste daglicht aanschouwde; maar toen ook

was hij de plek, die hem gestadig aan "de zondige daad" herinnerde,

plotseling en in stilte ontvloden. Met het paard, 't welk hij den

naam zijner verworpene kleine gaf, en waaraan hij hoe langer zoo meer

de liefkozingen schonk, die hij thans zoo gaarne aan zijn kind had

gegeven, trok hij op Holland aan: misschien dat daar.... Maar neen,

God zou _hem_ niet helpen, die zijn eigen bloed had verkocht; en het

denkbeeld wortelde diep, dat die rampzalige daad hem de eeuwige pijn

zou bezorgen.

Wat er verder van Ritter werd, is hoofdzakelijk reeds vermeld

geworden. Eerst gedurig van domeingrond verdreven, bouwde hij--ruim

vier en twintig jaren geleden--zijn ellendige woning op grond aan

den ouden baron Tolenveld behoorende, en wij hoorden het reeds, hoe

des barons, wel zeer natuurlijke sloopzucht, in 't einde schipbreuk

leed op de onoverwinlijke bouwzucht van den armen jager.

En wat gevoelde die, voor zijn tijd vergrijsde arme nu? Wij wagen

het niet er een volledig antwoord op te geven; alleen weten wij, dat

het hem was, alsof er een hamer gestadig in zijn gloeiend voorhoofd

klopte, snel, onbegrijpelijk snel, en dat iedere bons hem den naam in

de ooren dreunde van het gestorven dier, waarvoor een onbegrijpelijke

liefde Gods hem het verstooten kind wilde terugschenken. Hij dankte

gedurig den _Groote_, die alles kan, voor een zegen hem nog op aarde

geschonken, terwijl de vreugde hem hier reeds bereid, zijn hoop deed

kiemen--dat het "_daarboven_ nog wel terecht komen zou."

En zou de arme zich bedriegen? Had zijn berouw geen liefde

gewekt? Was zijn hoop niet gebouwd op den Eenige, die almachtig

is? Voorzeker!--Maar zie, de deur van het schuurtje wordt geopend, en

zonder dat Toon haar bemerkt, treedt zij, die uit het korte verslag

van Brolet, aan zijn gade gegeven, de ijselijkste waarheid vernam,

het doode paard voorbij en op den lijder toe.

Zonderling! op dat gelaat, 't welk ons straks de diepste verslagenheid

teekende, lezen wij in dit oogenblik, behalve een uitdrukking, welke

wij met den naam van medelijdend afgrijzen zouden bestempelen,

eene fierheid, die het gevolg van een schitterende verwachting

moet wezen. Ja, voorzeker, zij is zich immers altijd bewust geweest

voor iets groots, iets edels geboren te zijn. En nu die plotselinge

ontdekking, dat zij _niet_ is de dochter van hen, die zich hare ouders

noemden, maar, een aangenomen kind!--Ja, de hoop heeft haar namelooze

smart gestild, de hoop, dat de roman, waarvan zij zich eensklaps

tot heldin zag verheffen, schitterend zal ontknoopt worden. Een

oogenblik staat zij bij den man stil, die, zonder de oogen te openen,

verscheidene malen achtereen den naam noemt van _haar_, die zich zoo

nabij hem bevindt.

"Je paard is dood, arme man!" zegt Jeannette, terwijl het geluid van

haar eigen stem haar in dit oogenblik een huivering aanjaagt.

Ritter slaat de matte oogleden op, en staart het meisje onafgebroken

aan, terwijl zijn mond weder gedurig den naam doet hooren, die hem

in het hoofd dreunt.

"Daar ligt hij," herneemt Jeannette, op het paard wijzende, maar voegt

er als in eenen adem bij: "Spreek, goeje man, wat is er van het kind,

dat je voor een dier hebt kunnen verruilen? Zeg, heb je bewijzen van

haar afkomst? Spreek, zoo je herstelt, zal ik je schitterend beloonen."

"Och, Hans! Hansje! Hans!" klinkt het als te voren. De grijze doffe

oogen staren het meisje hoe langer zoo strakker aan, en terwijl

Ritter een vruchtelooze poging waagt om zich op te heffen, en

Jeannette ontsteld een schrede achterwaarts doet, roept hij akelig:

"O God!--is zij--is zij--mijn Hans,--mijn Hanske,--mijn kind!?"

Nogmaals is het de trots die Jeannettes boezem doet jagen. Zij kan

de ontzettende waarheid niet gelooven. Met haaste nadert zij weder

den man, grijpt zijn magere hand, en zegt op gejaagden toon: "Ja, ja,

ik ben het kind, waarvoor men je dat paard in ruil gaf; maar om Gods

wil, verzwijg het niet: wie waren mijne ouders?.... Toe! zeg het;

ik zal je oppassen, gezond en rijk maken. Spreek dan! spreek! maak

mij niet ongelukkig!"

De arme eenvoudige jager met het immer bonzende hoofd, geheel gevuld

met die eene gedachte: God is mij genadig! hij had de bedoeling der

vraag niet gevat. Hij had alleen gehoord: "Ik _ben_ het kind; ik

zal je oppassen, gezond en rijk maken." Ja, nogmaals wilde zij van

hem hooren, dat hij werkelijk haar vader was; en met nog pijnlijker

stem dan te voren, sprak hij, terwijl hij flauw de hand drukte die

de zijne had gegrepen: "Hanske,--dame,--ja,--God zegt mij--dat je

mijn kind, mijn Hanske bent. Hanske die ik verstiet.--Ik kan--niet

spreken.--Als--wij--in den--hemel--elk--an--der weerzien--zal--ik je

alles--ver--tellen; en dan--zal je me--ook verge--ven hé!--dan--zal ik

je--de hand boven--'t hoofd houwen,--net als ik Hans, in de plaats--van

jou dee.--God, ja God kan--alles--al--les!"

En toen--toen bleef zijn mond wel open, maar hij sprak niet meer; toen

bleven de oogen wel opgespalkt, maar aardsche dingen aanschouwden ze

niet langer, want de God, die alles kan, had het wonder gewrocht dat

niemand een wonder noemt: Hij had den geest ontbonden van het stof;

eene ziel overgebracht naar het huis waarin vele woningen zijn.

Hebt gij deernis met den overledene....? O! heb het niet; maar wél

met haar, die op den arm des pleegvaders geleund,--want ook deze was

ongezien van het sterven des jagers getuige geweest--met pijnlijk

snikken het schuurtje verlaat, waar haar trots werd geknakt en--Gods

almacht zoo treffend was verkondigd.

"Je komt te laat vrinden!" zei Leendert de huisknecht tot een

meisje dat, door een jongeling begeleid, het hek van _Water-zicht_

was binnengetreden, en gevraagd had, of ze Toon Ritter eens zien en

spreken mocht.

"Te laat!" zeiden Grietje en Geurt--want zij waren het--schier te

gelijk; en het meisje voegde er bij: "Maar zeg, hij is toch niet dood?"

Op een weinig kiesche wijze gaf Leendert een bevestigend antwoord;

en Grietje, die wij veel verzwakt en vermagerd vinden, drukte het

voorschoot voor hare oogen, en Geurt riep met innige bezorgdheid:

"Och, Grietje, maak je nou niet van streek; ik zei immers wel dat

het er om houwen zou!"

Of Geurt al beweerde, dat het haar te veel zou aandoen den gestorvene

nog eens te zien, het weenende meisje bleef op dat verlangen

aandringen. Al was hij dood, toch wilde zij _hem_ nog eenmaal

aanschouwen, die in den ellendigsten toestand niet had geaarzeld,

haar van een wissen dood te redden. Geurt moest toegeven, en Grietje

trad aan zijn zijde het schuurtje binnen, maar ontstelde minder dan

Geurt zulks vermoed had, toen zij het lijk van den grijzen man, zoo

nabij dat van zijn dooden makker zag liggen. Zij had hem voorheen ook

meermalen nabij het paard zien slapen, maar dan, alsof lichaams- of

zielesmart hem kwelde; en nu.... nu lag hij zoo kalm, zoo onbeweeglijk;

en, starende op het lijk, drukte zij den arm van Geurt, en zei zacht:

"Toon heeft het nu beter bij _God_. Wat was hij ongelukkig!"

Die woorden klonken vertroostend voor den jongeling in wiens

binnenste gedurig eene stem sprak: Gij hebt den dood van Toon en

zijn makker verhaast.--Ja Grietjes woorden verlichtten zijn gemoed,

maar ook zij brachten hem tot het levendig bewustzijn, dat de zegen

des Allerhoogsten niet rust op de _ongeoorloofde_ middelen, waarmee

men een goed doel meent te bereiken.

En ze gingen te zamen weer heen, Grietje en Geurt, en ze zeiden

niets; en Grietje bracht de haring in 't koolblad gewikkeld, aan hare

moeder terug; een mootje zou Toon misschien verkwikt hebben; maar,

Toon at geen haringen meer, en de werkvrouw vond het een ijselijkheid

dat ze door Grietjes ziekte zoo niets had kunnen toebrengen om Toon

te gerieven.

De gebeurtenis, welke de heer Brolet een _toeval_ genoemd had,

bracht een groote verandering in het vreedzame leven, maar ook in de

gemoederen der bewoners van _Water-zicht_ te weeg. Eene waarheid,

zoo'n aantal jaren met de meeste zorg verborgen, voor wier aan 't

lichtkoming met vreeze was gewaakt, en welker ontdekking--door een

huwelijk bedreigd--de schrandere diplomaat, nog weinige uren geleden,

zeker meende te voorkomen, zie, een vreemd, een zeer vreemd, een

ontzettend vreemd toeval, had haar op 't onverwachtst aan 't licht

gebracht. Aan 't volle licht; want, ondanks de verwijderingszorgen

door Brolet genomen,--men herinnert zich die vertrapte klitsbladen en

brandnetels juist onder het schuurraampje, waardoor het dienstpersoneel

gegluurd heeft--ging het verhaal in den omtrek weldra van mond tot

mond: "De juffrouw van de nieuwe lui op _Water-zicht_, is 'en eigen

dochter van Toon Ritter! je weet wel, van den jager dien ze ook al

_de witte_ noemden, en die nu dood is."

We zeiden, die gebeurtenis bracht verandering in het vreedzame

leven. Ja, een ontzettende! want het kind der armoede, opgevoed in

een stand die niet de hare was; voor wie men het gebod: "gij zult uw

ouders eeren," door haar zelfs niet met haar ware afkomst bekend te

maken, had krachteloos gemaakt; wier liefde men had begeerd, en wie

men een onbegrensde liefde had toegedragen,--een liefde welke zich

echter niet had geopenbaard in een streven naar genezing van haar

zielekwaal,--het hooghartige maar tevens beklagenswaardige meisje, was

door het gebeurde op 't allerhevigst geschokt geworden; de aanbrekende

morgen vond haar in een onopwekbare dofheid; den middag bracht ze in

koortsig ijlen door; en tegen den avond werkten haar sterk geschokte

zenuwen dermate hevig, dat de geneesheer die ijlings was ontboden,

ten zeerste voor een verstandsverbijstering beducht was.

En nu, zie ze daar zitten, de echtelieden, in weinige dagen zichtbaar

verouderd. Zijn ze niet gestraft voor een daad, die een zedelijke roof

mag genoemd worden? Een roof, want ja, ze hebben niet het kind eens

armen opgevoed, maar zij hebben der armoede afgekocht wat God niet

wil dat verkocht worden zal. Ze hebben _wettig_ willen bezitten wat

hun niet wettig kon toebehooren; ze hebben in stede van _gelukkig_

dat kind der heide _ongelukkig_ gemaakt.

Maar toch, heb medelijden! Zie, daar gaat de diplomaat met het hoofd

ter neergebogen, door de lanen van zijn landgoed; voor weinige uren

heeft hij een uiterst beleefden brief van den baron, zijn buurman

ontvangen, waarin deze "om familie-omstandigheden als anderszins,"

meent van de hand van mejuffrouw Brolet te moeten afzien, terwijl hij

HEd. een spoedige herstelling toewenscht. Zie, hij staat daar stil,

wendt den blik naar den achtergevel van zijn huis; staart eenige

oogenblikken op het venster der kamer, waarbinnen de arme Jeannette

door hare pleegmoeder met nog twee verzorgsters bewaakt wordt; wischt

de tranen weg die langs zijn kaken biggelen, en terwijl hij daarna,

schijnbaar toevallig, het oog op dat schuurtje aan 't einde der laan

doet rusten, is het alsof de laatste woorden, die er aan den mond

des stervenden ontvloden, en hem sinds dien stond zoo gedurig het

hoofd doorwoelden, opnieuw, maar krachtiger in de ooren klinken:

"God kan alles!"--God kan alles!

Zie, Brolet loopt weder voort; staat later nog eens stil; werpt

weder den blik naar het venster waar _zij_ zich bevindt, die de

vermogens der rede verloor: en zie hoe hij onder een tranenstroom

de oogen naar hooger wendt, en hoor hem zuchten: "Maak haar gezond,

en ik zal gelooven, God, dat Gij bestaat, en dat alles Uw werk is!"

Reeds hadden schrale nachtvorsten de heerlijk bloeiende dahlia's

verslapt en ontkleurd, en over 't beukenloover een bruine tint

verspreid, en nog altijd bleef Jeannettes rede in enge banden

gekluisterd, en nog altijd weenden hare opvoeders. Maar, had

de vrouwe reeds sinds lang vertrouwend den blik naar den Hemel

gewend, ook de diplomaat zeide niet meer: "God, maak haar gezond

en ik zal gelooven!" maar in stilte en luide: "God, Gij kunt

alles! o! Almachtigste, o mocht het zoo wezen!"

En,--er was vreugde in den hemel, groote blijdschap. De zwakke mensch

had zijn afhankelijkheid aan een hoogere macht in ootmoed beleden.

't Was een schoone middag van een der laatste Octoberdagen. Jeannette

op den arm harer pleegmoeder geleund, doorwandelde sprakeloos en met

strakken blik, de slingerpaden achter het huis. Brolet ging aan haar

andere zijde. Een hoek omslaande, stond eensklaps Leendert voor de

zwijgende wandelaars, en verhaalde, naar den adem hijgende, dat hij

overal naar de familie gezocht had, tot achter in de plaats bij den

grooten vijver toe, want, dat er een heer was gekomen, die zijn naam

niet wou zeggen, maar dien hij toch dadelijk had herkend, dezelfde

uit Den Haag, die er in 't voorjaar geweest was, en, Leendert dacht

er bij: die uit verliefdheid z'n fooi vergat.

Brolet wenkte den knecht dat hij terug zou keeren, en nadat de

pleegvader, achter den rug van het meisje om, een beteekenisvollen

blik met zijn gade had gewisseld, gevoelde hij eensklaps zijn hand

door Jeannette vatten, en zag, hoe zij den blik tot hem opsloeg,

terwijl ze zachtkens zeide: "Oscar Halmon."

Zie, zie, hoe geheel verschillende van den eersten blik, de tweede

geweest is, welken de verbaasde echtelieden met elkander wisselden.

Ja, een onbeschrijfelijke verrukking maakte zich van hen meester. Voor

de eerste maal na dien verschrikkelijken nacht, had zij het bewijs

gegeven, dat haar rede nog vatbaar voor een gezonde werking was.

Ofschoon Oscar Halmon bitter teleurgesteld na zijn eerste bezoek

op _Water-zicht_, in zijn woonplaats was wedergekeerd, ofschoon hij

zich ten zeerste had verwonderd dat hij geen enkel woord van oom of

tante vernam, daar _hij_ toch eenige malen een vriendschappelijken

brief had gezonden, toch was hij niet minder met belangstelling aan

_Water-zicht_, en met innige liefde aan zijne nicht blijven denken,

die, "zooals van zelf sprak," evenmin eenig antwoord op zijn vluchtig

geschreven briefje gezonden had.

Vervuld met het doel om hooger te klimmen ten einde zijn wensch te

verwerven, had Oscar, door de loffelijkste middelen er naar getracht

een voordeeliger post te bekomen. Voor weinige dagen was dat streven

met een gewenschten uitslag bekroond geworden, en hij, die niets had

vernomen van 't geen er gedurende den zomer op _Water-zicht_ voorviel,

hij spoedde zich met zijne aanstelling naar het Stichtsche, om _meer_

te verwerven:--de vrouw zijner keuze.

En ja, _hij_ was het--de eenmaal verstooten en verloochende

jongeling,--die de eerste vonken der wederkeerende rede mocht doen

gloren.

Oscar, met alles bekend gemaakt, ontmoette denzelfden avond het meisje

dat, door een indrukwekkende bleekheid, hem schooner toescheen dan te

voren. Zij zag hem. Eerst bleef zij roerloos staan, beschouwde hem

met een rustigen blik, doch, toen hij haar naam had genoemd, drukte

zij eensklaps haar beide handen voor de oogen, en weende tranen,

de eerste weldadige tranen na dien akeligen nacht.

Sedert twee jaren staat het buitengoed _Water-zicht_ ledig. Oscar

Halmon is met het herstelde pleegkind van oom en tante Brolet,

Hanske Ritter, in den echt getreden. Zij wonen in een fraai huis te

's Gravenhage, en de oudelui hebben een woning twee huizen verder.

Hansje Halmon, de gelukkige gade, zij was in een harde leerschool

geweest, maar ja, zij had er geleerd, hoe God de hoovaardigen kan

treffen, en met innigen dank voor hare redding, ondervindt zij het

nu, hoe wezenlijke liefde in eenvoud des harten, veredelt en waarlijk

gelukkig maakt.

Wel verre van te huiveren bij het herdenken van haar afkomst, eert

zij de nagedachtenis van een vader, die om harentwille zooveel

zielesmart had geleden; zij zegent Gods bestiering, die haar den

vader deed hervinden, tot zijn eigen vrede, en tot welzijn van _haar_

tijdelijk en eeuwig heil, en, nabij die plek waar eenmaal de hut van

den grijsaard stond, kocht zij een kleine hoeve, waarin zij het paar

gelukkig maakte, 't welk dien armen vader had liefgehad.

En de diplomaat....? Hij heeft met zijn gade God gedankt. Hij gelooft,

ja hij gelooft aan een hoogere Macht, al begrijpt hij de wereld en

hare raadselen niet.

Ritters Hans stierf, maar Ritters Hanske leeft nog, en eenmaal hoopt ze

haar arme ouders der aarde, rijk en zalig in den hemel weder te zien.

Betuwsche novellen, en Een reisgezelschap · 第 39 / 43 题