Alexander. B. 28 Mei 18.5."

Deze haastig geschreven brief, werd even haastig gevouwen en verzegeld,

terwijl alleen het: "Aan Suze," op de buitenzijde werd gesteld,

en--nog dien zelfden middag zag Barend Flitz, die bij de weduwe Van

Saffelen thee dronk, Van Bavik het raam voorbij stappen.--Waar mocht

dat heengaan? Naar stad? Neen! vervl.... naar de Gliekkes!

"Zei je wat Barend?" vraagde de weduwe.

"Neen mevrouw, niets," antwoordde Flitz: "Maar weet u ik heb haast,

ik heb iets te doen. Dank u, 'k heb volstrekt geen dorst meer. Neem mij

niet kwalijk," en hij greep naar zijn hoed en vatte zijn "_siks pens_"

[39] en verliet, zonder mevrouw op haar verdere vragen te antwoorden,

het vertrek.

Had de candidaat-notaris, toen hij mevrouw Van Saffelens huiskamer

betrad, voor eenige oogenblikken eigen angsten en zorgen vergeten,

om de bedroefde, met de bespiegelingen hoe alles door hem zou worden

aangelegd indien hij als notaris "in plaats van mijnheer mocht

worden benoemd," wat op te vroolijken; (!) had hij--om _haar_ een

aangename afleiding te bezorgen (?) van de veranderingen gesproken,

die hij in de notariswoning zou maken, wanneer mevrouw--die toch

zeker in kamers zou gaan--haar verlaten had, was hij, tot meerdere

opbeuring misschien, bij die bespiegelingen zelfs een enkele maal in

't komieke gevallen: sedert hij het valsche gelaat van dien Bavik weder

aanschouwde, waren al die droombeelden vervlogen, en was al het komieke

op eenmaal verdwenen; het kookte hem feller dan immer in de borst,

en, terwijl mevrouw Van Saffelen niet wist wat Barend zoo eensklaps

tot vertrekken had genoopt, en de heer Meyer Jr.--die Flitz tegen

't vallen van den avond even buiten het dorp ontmoette--niet begreep

hoe hij zoo kortaf "bonswaar," had gezegd, zat Barend Flitz met zijn

dikken haakstok in het akkermaalshout, dat de rechterzijde der laan

van _Vredelust_, benevens de linkerzijde van den landweg begrensde,

en wachtte..... wachtte op het "gemeene sjusjet," wachtte lang,

zeer lang met weinig vredelievende gevoelens.

Zooals Barend daar tusschen de takken en blaren gezeten was,

had hij volkomen den tijd om zich alles te herinneren wat het

negatieve vriendschapsvuur voor _dien_ persoon in zijn binnenste kon

brandende houden. Bij alles herdacht hij ook zijn laatste bezoek op

_Vredelust_. Na de terugkomst der familie was hij niet in gebreke

gebleven haar een verwelkom-visite te brengen, maar hoe.... hoe werd

hij ontvangen!? Mijnheer was hem in de gang te gemoet gekomen, en had

zijn vriendelijken groet niet beantwoord zooals hij dat voorheen zou

gedaan hebben. De dames had hij niet kunnen spreken, want zij waren

druk aan den schoonmaak, die tot haar terugkomst was uitgesteld;

en terwijl Barend, op Gliekkes verzoek, mede naar de goudvischkom

was gewandeld--zonder zelfs te zijn binnengelaten,--had hij veel van

goudvisschen en telkens weder van goudvisschen gehoord, doch van háár

had hij niets vernomen, van háár, die ook na zijn schrijven niets van

zich hooren liet; van haar die ingepakt, en hem totaal ontstolen was!

Meer dan drie volle uren had de candidaat-notaris reeds in zijn

schuilhoek doorgebracht, zonder dat eenig levend wezen het hek van

_Vredelust_ was uitgetreden. 't Was erg donker, want de bewolkte

lucht beroofde het aardrijk van het zachte stargeglim, en Flitz,

die volstrekt niets zien kon, scherpte des te sterker zijn gehoor,

maar hoorde.... ook volstrekt niets dan, nu eens het voorbijrijden

van een kar of wagen op den landweg, en dan weder het zacht getikkel

van regendroppels op het eikenloof waaronder hij verscholen zat.

Dat Flitz zoo langzamerhand van den drup iets meekreeg, zal niemand

verwonderen, evenmin als het iemand bevreemden zal dat het toeven aan

die plaats, hem om verschillende redenen hoe langer zoo onaangenamer

werd. Eensklaps echter begint hem het hart vreeselijk te bonzen.--Hij

hoort iets.--Ja, duidelijk.... zuchten! Zuchten, somwijlen afgewisseld

door een onderaardsch brommend geluid.--Rechts aan de zijde van

den landweg schuifelt iets.--Het bloed stijgt hem met geweld naar 't

voorhoofd, doch stroomt insgelijks met geweld naar de hoofdbron terug,

nu dat zelfde gerucht en geschuifel zich ter linkerzijde, in de laan

van _Vredelust_, laat hooren. 't Schiet hem ijselijk in de beenen,

zóó ijselijk, dat hem de knieën knikken. De _six pence_ wordt met een

zenuwachtige krachtsinspanning aan het benedeneinde omklemd; de dikke

haak is zijn eenige wapen, een wapen zeer geschikt om beentjes te

lichten, maar zeker niet bestand tegen een aanval van helsche machten.

Nadat het gezucht en geschuifel nu eens verder af en dan weder meer

nabij, onzen Barend nog eenigen tijd het angstzweet uit al zijn poriën

had gelokt, treft plotseling, zeer nabij de plaats waar hij zich

bevindt, een akelig spookachtig gebrom zijne ooren. Duidelijk verneemt

hij ketengerammel, en.... juist zint hij op het middel om door een

zijsprong het akkermaalshout en tevens het monster te ontspringen,

toen hij een hevigen gil uitstoot, want met een ander akelig geluid,

dat veel overeenkomst met het hoesten van een oude tooverkol heeft,

is het spook-monster op hem aangevlogen, en gevoelt hij den heksenklauw

hem 't vleesch van zijn rechterbeen scheuren! zoodat zijne angstkreten

zich weldra ijzingwekkend in het rond doen hooren.

"Fik! Alla! Hier Fik!" klinkt het gebiedend van de landwegzijde. Doch

Fik--het spookmonster--Fik die nog steeds tusschen zijn oude tanden

de broekspijp van den bevenden aspirant-notaris klemt, schijnt

niet genegen om, zonder zijn prooi, tot den baas terug te keeren,

en, steeds rukkend en wederrukkend, sliert hij Flitz--die van den

schrik geen kracht bezit om weerstand te bieden--door de takken met

zich voort, totdat ze beiden op den landweg staan, en een krachtig:

"Kerel wie ben je?" Flitz in de ooren dreunt.

"Ik!" schreeuwt Flitz met holle stem; maar voegt er stenend bij:

"Roep in 's hemelsnaam dat akelige beest.... of...."

"Alla Fik, laat los! Hier!...... _hier_ zeg ik je!!" klinkt het weder

gebiedend, maar ook even gebiedend nogmaals: "Spreek, wie ben je?"

"Ik!--ikzelf," is het antwoord, en wij durven niet vast bepalen of dat

antwoord in den eenvoud des harten werd gegeven, of wel dat onze Barend

den naam maar liefst wilde verzwijgen van hem, die uren achtereen in

't kreupelhout zat om den burgervader een beentje te lichten.

De baas van Fik meent de stem van _ik_ te hebben herkend; dat _ik_

klonk zoo Flitzig, doch--het verlangde antwoord niet ontvangende, voelt

hij zich gerechtigd den door Fik gevangen persoon, een landlooper

te noemen; en nader tredende--terwijl hij in de zwarte figuur nu

volkomen den candidaat-notaris herkent--vat hij hem bij den kraag,

en zegt met nadruk:

"Dat zitten tusschen 't kreupelhout in den laten avond komt mij

razend verdacht voor; misschien heb je geen logies in 't dorp of

in een hooiberg kunnen krijgen; hé? Welnu, ik zal je een betere

slaapplaats geven dan onder den drup der blâren. Vooruit! je zult

heerlijk slapen onder den toren! Vooruit zeg ik je! En, zoo je

misschien een buitengewonen dienst van je beenen denkt te vergen,

reken er op dat Fik en mijn persoon er zes te zamen hebben. Voorwaarts,

marsch!--Fik, links!"

De oude trouwe Fik plaatst zich op 't commando aan de linkerzijde

van zijn gebieder, doch _ik_ die nog bevend van angst, den man van

gezag niet herkent, prevelt iets van: "Laat me gaan asjeblief?" en

verwenscht heimelijk zijn nare "posietsje," te meer daar hij tot

overmaat van ramp zijn haakvormig wapen in 't kreupelhout achterliet,

dewijl de beide handen hem onontbeerlijk waren geweest om de nijdige

takken uit het aangezicht te keeren.

"Maar hemel! geloof toch.... ik ben...." zucht de gevangene.

"Een landlooper, een struikroover of nog erger misschien," valt de

meester van Fik hem dreigend in de rede: "Voorwaarts! marsch! of

anders zal mijn trouwe bloedhond genoodzaakt zijn z'n tanden met je

strot te doen kennis maken."

Fik een _bloedhond_! Gelukkig! Fik de goede oude hoort het niet,

maar de candidaat des te beter. Een bloedhond! En haastig wendt hij

zich om en stapt, zonder een woord te spreken met een akelig gezicht

voorwaarts, en verzwijgt nog steeds zijn naam, ofschoon het noemen

er van hem misschien de vrijheid zou hebben teruggegeven.

't Gaat voorwaarts. Fik, naast zijn baas in gepeins voortstappende,

geniet het voorrecht om door diens parapluie voor den steeds dichter

stroomenden regen te worden beschut. Flitz wordt doornat. Langs de

kwast van zijn pet, die treurig neerhangt, glijdt het regenwater in

den réservoir tusschen hals en stropdas, zoodat hij van tijd tot tijd

allerzonderlingst met zijne schouderblaren werkt. 't Gaat voorwaarts,

doch Van Bavik--men heeft hem ongetwijfeld terstond herkend--vindt

zich een paar malen verplicht zijn gevangene een zachte drukking te

geven, daar Flitz weinig lust gevoelt om het logement te betrekken,

't welk hem is toegezegd.

't Gaat voorwaarts, doch nauwelijks heeft ons drietal den

zoogenaamden Molenhoek omgeslagen, waardoor de gloeiende Nº. één

der dorpsverlichting in de duisternis zichtbaar wordt, of Barend

wendt zich tot den strengen man die hem volgt, en zegt op een toon,

die van zijn angst getuigt:

"Hoor beste vriend, als ik je eens.... een paar kwartjes gaf, wat

dunkt je? Waarachtig, ik ben een fatsoenlijk man; misschien ken je

me wel, ik heet mijnheer Flitz."

"Verschrikkelijk! verschrikkelijk! Omkooping van 't gerecht!" roept

de _beste vriend_, op een toon, die den gevangene bewijst hoezeer

zijn voorslag de verontwaardiging van den gerechtsman heeft opgewekt:

"Twee kwartjes! En dan een valschen naam opgeven! Denk je dat ik mij

knollen voor citroenen laat verkoopen? Een heer zou zich bij ontijd op

een afgelegene plaats tusschen 't struikgewas verbergen! Voorwaarts zeg

ik je!" En, als tot zichzelven sprekende, vervolgt hij: "Verzwarende

omstandigheden, 't Opgeven van een valschen naam!" En luider:

"Vooruit dan!--Fik geef acht!" Maar Barend, die op het achtgeven van

den _bloedhond_ niet bijzonder gesteld is, volgt het tot hem gerichte

commando, terwijl hij stil voortgaande herhaaldelijk de waarachtige

verzekering geeft, dat _hij_ en niemand anders dan _hij_ de heer

Flitz is, 't geen het kleinste kind van 't dorp zal kunnen bevestigen.

In 't einde heeft ons gezelschap de dorpsstraat bereikt. Gelukkig

voor den druipenden candidaat, dat de plassende regen, al wat leeft,

binnenshuis houdt. Zij treden den hoek van het schoolhuis om. Daar,

aan de linkerzijde is de woning van den notaris-weduwe, en het raam van

't kantoor, waarbinnen zelfs de stomme boeken zouden kunnen getuigen

dat _hij_ wel degelijk Flitz is.

"Voorwaarts!" roept de vreemde diender nogmaals, en, ginds vertoont

zich het kerkgebouw--dat nog zwarter dan de duisternis zelve is; het

gevreesde kerkgebouw, dat hij zoo ontelbare malen met een dubbeltje

en een cent in zijn rechter-vestjeszak is binnengegaan, waar zijn

eigen naam in drie verschillende banken gesneden staat, waarvan hij de

kleinste ruitjes in 't groote raam honderden malen heeft overgeteld;

waarin hij zoo menig rustig uurtje heeft doorgebracht, en waarvan

hij nu--zoo geen onvoorziene redding daagt--het onder den toren tot

nachtverblijf zal bekomen, in 't akelige gezelschap van de doodsbaar,

waarop nog onlangs de kist van den notaris stond.

Akelige voorstelling!--Maar hoor, eensklaps klinkt het achter hem:

"Halt!" en omziende bespeurt hij dat hij zich ter plaatse bevindt,

waar die wilde Let hem eens zoo'n leelijke poets speelde, en ziet hij

dat de gevreesde meester van den bloedhond, zijn hand aan de deurklink

van 't _Geldersche Wapen_ slaat, terwijl hij oogenblikkelijk daarna,

nogmaals diens gebiedende stem hoort, met het bevel om binnen te gaan.

Flitz treedt binnen. Het licht van 't olielampje, dat in de gang

brandt, doet hem in den aanvang nog minder zien dan buiten, waar hij

zwarter tegen zwart toch onderscheiden kon.

Fik niest.

Van Bavik, die beter _licht_ kan verdragen, schuift zijn gevangene

zachtkens zijn kamer binnen; sluit de deur; doet een lucifer

ontbranden, waardoor Flitz opnieuw de oogen sluit en Fik nogmaals

niest; ontsteekt zijn lamp, en, terwijl Fik zijn nest ruikt, zich

afschudt en daarna op 't kussen in 't mandje rolt, ruikt Flitz

lont; schudt zenuwachtig met zijn hoofd, en wenscht zich verre van

hier--liefst op zijn "paardenhare," met hoofd en al _onder_ de dekens.

Treurig! Akelig treurig staat hij daar, de ongelukkige

candidaat-notaris, tegenover den man die hij thans bij 't lamplicht

volkomen herkent, tegenover hem dien hij verfoeit, veracht, en wien

hij een val in 't zand, benevens een roffel met den "siks pens"

had toegezworen; tegenover den valschaard, den Judas--die hem zijn

"kroon van 't hoofd had genomen en Suus voor den neus wegkaapte," die

lafhartig en leugenachtig, dat kleine beest in 't nest een bloedhond

noemde, om, bang als hijzelf was, zijn tegenpartij vrees aan te

jagen. Doch ook, daar stond hij tegenover hém, die nu recht had te

vragen: wáárom hij zich in 't kreupelhout verborgen had. Tegenover den

man, die op een scherpen toon dreigde, en.... verbeelll! stijf en stout

vol hield hem niet te kennen, met de bewering dat de heer Flitz--een

lief en charmant mensch, zijn intieme vriend--nimmer de dwaasheid

in 't hoofd zou hebben gekregen, om zich "uit de grap"--zooals hij

gezegd had--des avonds laat in 't natte kreupelhout te verbergen; en,

al bestond er werkelijk eenige gelijkenis tusschen hem en genoemden

heer, hij het niet zijn kon, maar een gemeene struikroover moest wezen.

Wat Flitz ook ter zijner verdediging mocht aanvoeren, alles was

vruchteloos, evenzeer als het een vergeefsche poging bleef, om

den burgemeester tot de overtuiging te brengen dat hij werkelijk de

persoon was die Van Bavik daareven--hoe valschaardig!--zijn _intieme_

vriend had genoemd.

"Spreek van geluk kerel, dat ik niet terstond met de handboei te

voorschijn kom," zegt Van Bavik eindelijk: "Binnen een paar minuten

zal mijn veldwachter hier zijn, om je naar het hotel te expedieeren

vanwaar je morgen vroegtijdig naar W. zult worden overgebracht,

en, dewijl het je zeker niet onverschillig kan wezen welk lot je

verder zal bereid worden, zoo wil ik,--in naam des Konings! de

goedheid hebben zijn geëerbiedigden wil onder je oogen te brengen:

de straf voor landlooperij, verdacht oponthoud, poging tot omkooping

en naamvervalsching,--beide laatste zoo sterk voor een misdadig opzet

pleitende. Zie hier," en de jonge burgervader houdt den ongelukkigen

candidaat het blad voor, waarop het vonnis voor zooveel boosheid

gedrukt staat.

De confusie maakte bij onzen Flitz, van lieverlede voor een gevoel

plaats, dat hem zegt: je hebt toch ook handen aan je lijf Barend. Er

kiemt een denkbeeld, dat men den draak met hem steekt; hij wil

een anderen toon aanslaan, doch bezint zich dat het verblijf in 't

kreupelhout toch altijd een naar punt ter verdediging zal wezen.--Een

gemoedelijk woord dan, een woord.... Maar nog eer het besluit is

genomen omtrent de wijze waarop hij zich zal verdedigen, dreunt het:

"Lees dan kerel!" hem met kracht in de ooren, en.... een oogenblik

later vliegt Fik, met een allerijselijkst geblaf uit zijn nest op

den vreemdeling aan, daar deze letterlijk gilt toen hij zijn vonnis

heeft gelezen, vervat in de woorden:

"Z. M. heeft benoemd tot notaris te B., den heer B. Flitz."

Fik bekomt een sterke vermaning om "koest" naar zijn nest te gaan,

en op het oogenblik dat Van Bavik zijn gevangene tot kalmte stemt,

door hem trouwhartig de hand te schudden en met zijn benoeming geluk

te wenschen, gilt de ontstelde juffrouw Kamp buiten de geslotene deur:

"In 's hemelsnaam wat is hier te doen?"

De burgemeester acht het onnoodig om voor zijn huisgenooten te

verbergen wat in het nieuwsblad gedrukt staat, en terwijl Flitz

nog niet van zijn verbazing bekomen, den zonderlingen vijand als

wezenloos blijft aanstaren, houdt deze der ontstelde vrouw, door

echtvriend en dienstboden gevolgd, de courant voor, en zegt: "Ziet

ge, wij lachten met ons drieën omdat _hier_ de benoeming van den heer

Flitz tot notaris, en _daar_ de mijne tot kantonrechter te W. staat."

Weinige oogenblikken later trok het personeel, aan 't _Wapen van

Gelderland_ verbonden, terug naar de plaats van waar het gekomen was,

doch juffrouw Kamp, alles behalve lachende, want.... wie verzekerde

haar dat een nieuwe burgemeester ook als deze, bij háár den intrek

nemen, en even prompt in de betaling zou zijn!

De veldwachter verscheen, maar, er was "van des burgemeesters orders"

volstrekt niets, dan dat hij het nieuwsblad bij de heeren wethouders

ter inzage zou bezorgen, dewijl zij anders in weerwil der groote

verbeteringen in het postwezen, het blad--hedenavond door Van Bavik

uit de stad meegebracht--eerst den volgenden dag des namiddags zouden

te zien krijgen.

Wij zullen niet verhalen wat er verder in de kamer van den nieuw

benoemden kantonrechter verhandeld werd, 't zij genoeg gezegd dat de

beide heeren te zamen een glas wijn dronken, dat Flitz een uur later

zijn zonderlingen vijand de hand schudde, en in tamelijk verwarde

woorden betuigde, dat een mensch zich bedriegen kan, dat hij het

"waarachtig" niet geweten had, en hartelijk hoopte dat Van Bavik,

wat gepasseerd was als gepasseerd zou beschouwen, totdat hij in eene

stemming--hemelsbreed verschillende van die waarin hij binnenkwam--de

kamer verliet, en in 't naar huis gaan ontelbare malen de woorden:

"Ik notaris!" herhaalde.

En de nieuw benoemde kantonrechter, waarmede besloot hij den

gewichtigen dag?

Zie, hij neemt het langwerpige boek met den groen lederen omslag,

legt het vóór zich op de schrijftafel, en schrijft op bladz. 142:

"28 Mei 18.5.

"Zóó spoedig verwachtte ik de blijde uitkomst niet. Morgen zal Suze

mijn brief ontvangen, en schier gelijktijdig het raadsel, daarin

vervat, uit het nieuwsblad zien opgelost.

"De kantonrechter van W. met een inkomen van circa twee duizend gulden,

zal in genade worden ontvangen door de ouders, die den burgemeester

van B. op een inkomen van vierhonderd gulden, de hand hunner lieveling

moesten ontzeggen.

"De hooggeplaatste neef, de neef mijner lieve moeder heeft, zonder

zijn plicht te verzaken, aan mijne wenschen voldaan. Zal het land

schade lijden door mijne benoeming? Mocht die neef voor den dooven

ouden man--nu reeds voor den Grooten Rechter verschenen--niet een jong

mensch in de plaats stellen, die met hart en ziel zijn belangrijke

roeping hoopt te vervullen, al is hij dan ook de zoon eener beminde

nicht?--Is het _hem_ euvel te duiden dat hij, met betrekking tot den

notarispost, den raad van den burgemeester der plaats het oor leende,

den raad van den neef--burgemeester--die een geluk, door hem zelven zoo

vurig begeerd, ook gaarne een ander geschonken zag? die in gemoede kou

verklaren, dat de aspirant de achting van den overleden notaris genoot,

en gedurende diens ziekte met ijver de werkzaamheden verrichtte?

"De morgenschemering is reeds voorbij. Een schoone dag is aangebroken,

een dag die den sleutel tot een reeks van nog blijdere dagen

geeft. Groot is mijne blijdschap; streelend het gevoel, dat ik een

weinig tot het geluk van hem mocht medewerken wien ik, ondanks mij

zelven, een ergernis geworden was.

"Slaap wel mijn liefste vrouwtje! Droom liefelijk, gij moogt het.

"Rust wel mijn waardste Flitz! Eerst kwelde ik u buiten mijn toedoen;

dezen avond deed ik het om uwe vreugde en uwe verrassing nog grooter

te maken! Rust wel en droom genoeglijk; gij kunt het.

"Slaap wel, neef van mijn engelachtige moeder; gij hebt geen kwaad

gedaan. Zie in uw droom twee dankbare aangezichten.... misschien

ontwaart ge op den achtergrond er nog twee, die u welgevalliger zijn.

"Slaap wel mijn beste trouwe Fik, snork naar hartelust. Je gaat weer

naar stad, hoor! en je krijgt 'en nieuwen halsband ook, zoo oud als je

bent, 'en halsband met een opschrift: Voor moed, beleid en trouw. En

zeker, als je jonger waart, en op twee beenen gingt, dan--dan spande

ik mijn besten kruiwagen in om je een veldwachterspost te bezorgen.

"Slaapt allen wel! Ook _ik_ ga slapen, in de blijdste stemming,

met een hart dat uitroept:

"O goedheid Gods, nooit recht geprezen!

Heet _hij_ een mensch, dien Gij niet treft?

Hoe snood ondankbaar moet hij wezen,

Die 't hart niet vroolijk tot U heft!

Neen! _alles_ aan God dank te weten,

Zij steeds _mijn_ plicht, _mijn_ werk, _mijn_ lied!

De Heer heeft nimmer mij vergeten;

Vergeet, mijn ziel! den Heer ook niet!"

In de dagen die volgden, klonk het nieuwtje door B. en omliggende

plaatsjes van mond tot mond: Burgemeester Van Bavik kantonrechter

te W.--en Flitz--notaris! 't Algemeen houdt van veranderingen, en

daarom had het vrede met Van Baviks benoeming, al werd er op den

armen Minister heel wat afgegeven, die ook al--'t was eigenlijk

schande--neefjes en nichtjes--let wel "nichtjes"--boven anderen

voortrok.--In B. c. a. zou iedereen natuurlijk _vreemden_ boven _eigen_

hebben voorgetrokken!.... hm!!!

De jonge dorpelingen, vooral degenen die voor weinige maanden:

Leve de burgemeester! hadden geschreeuwd, en 't levendigst hunne

vreugde over zijn komst aan den dag legden, waren ook nu weder het

meest met zijn vertrek ingenomen. Geen wonder, het zou weer feest in

't dorp worden; ze zouden weer rijden; en--licht dat een nieuwe wat

scheutiger dan deze zou zijn, want voor alles wat er gedaan werd,

had Van Bavik slechts een som van vijftig gulden gegeven, waarvoor

alleen de armen waren onthaald geworden. De oudere dorpelingen, die

de pret meer in hunne beurzen hadden gevoeld, meenden dat die gekheid

voor een nieuwe nu wel achterwegen kon blijven; maar, ofschoon wij

niet kunnen zeggen wat er bij de komst van dien nieuwe gebeurd is,

wij gelooven vast dat de jongelieden den boventoon hebben gekregen,

want, dat brengt de tijdgeest zoo mee.

't Sprak van zelf dat er machtig veel visites werden gebracht aan

den kantonrechter Van Bavik, en aan den notaris Flitz; vooral aan den

laatste, dewijl er van den eerste ook al zoo raar gepraat was, maar

ook voornamelijk dewijl hij den dag na zijn benoeming in den avond

was vertrokken, en nu, twee dagen later, nog niet was teruggekeerd.

Flitz ontving visites, en tapte madera alsof het water was. Hij

ontving van al de dorpsheeren--ja ook van sommige dames--visites,

maar die één, die één kwam niet opdagen, _hij_ niet, die vroeger de

eerste zou geweest zijn.

"Nog een glaasje? 'en halfje dan?" zei Flitz, met de madera-karaf

schermende.

"Dankje, heusch niet, hi hi!" lachte juffrouw Doortje Haspels, die met

pa was medegegaan, en 't ijselijk aardig vond om eens in een kamer van

'en jongeheer te zitten.

"Toe maar!" dreigde Flitz; maar eensklaps werd hij vuurrood, want een

zeer bekend hoofd schoof het raam voorbij, en een oogenblik later

klonk de winkelschel--Flitz had kamers bij een bakker--terwijl er

onmiddellijk daarna op de deur werd getikt.

"Binnen!!!" riep de notaris--zoo hard dat juffrouw Doortje er

"puur" van ontstelde en.... de persoon die binnentrad was de heer

van _Vredelust_.

Wij laten den aangenaam verrasten notaris, voor Gliekkes welgemeenden

gelukwensch op het hartelijkst zijn dank betuigen, en spoeden ons

naar _Vredelust_, ten einde ons te overtuigen dat de dames, zooals

Gliekke zijn vriend verzekerde, welvarende zijn.

't Bevreemdt ons bij het binnentreden van 't woonvertrek, de dames

niet alleen, maar in 't gezelschap van den heer ex-burgemeester Van

Bavik aan te treffen.

"'t Zal Gliekke razend spijten," zegt mevrouw: "Nog geen uur

geleden ging hij naar het dorp om zoowel ú als den heer Flitz een

felicitatiebezoek te brengen. Eerst gisteren zag hij de benoemingen

bij toeval in de Staats-Courant. Waarlijk uw verblijf alhier is van

korten duur geweest, terwijl wij door onze lange afwezigheid slechts

weinig van uw aangenaam gezelschap konden genieten."

"En toch durf ik hopen mevrouw," antwoordt Van Bavik: "dat mijne

kennismaking met u en de uwen geen voorbijgaande zal geweest

zijn. W. ligt slechts een klein uur van hier; vooral des zomers is

het een lieve wandeling; en...." liet hij er na een kleine pauze op

volgen: "wanneer ik in mijn nieuwe betrekking te W. gevestigd zal

zijn, vertrouw ik dat ook dames mijn nederige woning zullen betreden,

terwijl een lief vrouwtje haar met blijdschap ontvangen zal."

"Een vrouwtje!" roept mevrouw Gliekke met een kermisgezicht, terwijl

Suze een blik op Van Baviks tweeden roksknoop werpt, even onderzoekend

als dien, waarmede zij iederen morgen uit haar venster den weerhaan

begroet.

"Geëngageerd!?"

"Ja, waarlijk mevrouw," herneemt Van Bavik: "en zeer zou ik mij

bedriegen, indien mejuffrouw uwe dochter en haar naamgenoot, mijn

beminde Suze, na een kennismaking, welke ik hoop dat eerlang zal

plaats hebben, geen vriendinnen werden."

"Suze....?"

"Suzette Van Hilsdorp," zegt de heer ex-burgemeester, en wil er nog

iets bijvoegen, maar wordt door den terugkeerenden heer Gliekke,

gestoord, die, met de beide handen vooruit, hem in éénen adem

gelukwenscht, en verhaalt dat hij "bot ving" maar blijde is hem hier

nog aan te treffen.

Gliekke, door zijne gade op de hoogte der belangrijke mededeeling

gebracht, vervalt ten tweeden male in een hartelijken gelukwensch

waarmede de dames instemmen.

't Gesprek tusschen de heeren wordt levendig.

De heer des huizes stelt zich veel van de conversatie met mijnheer

en mevrouw Van Bavik voor, wanneer zij althans twee- of driemalen op

_Vredelust_ willen komen tegen hij eenmaal in stad, dewijl hij vooral

na dat laatste verblijf in mevrouws stad--nog meer afkeer van al wat

stad is gekregen heeft. Ook de benoeming van Flitz geeft aanleiding

tot levendigheid in 't gesprek, en nadat de heer des huizes ten

slotte nog heeft aangemerkt, dat Van Bavik al heel vlug een tweede

ik voor 't nieuwe nestje heeft gezocht, en deze daarop glimlachende

heeft geantwoord, dat bij zulk een benoeming noodwendig een _Suze_

behoort, ziet hij, dat de Suze, die tegenover hem zit, een kleur

krijgt, terwijl Gliekke, die den kantonrechter weinige oogenblikken

later in persoon uitlaat, hem nog--in vertrouwen--toefluistert:

"En Flitz is doodelijk. Enfin, 't wordt nú wat anders."

Om een verkeerde gevolgtrekking ten opzichte van Suze Gliekke bij

den lezer te voorkomen, zoo voeren wij hem naar het oogenblik terug,

waarin wij het meisje met den belangrijken brief van Barend Flitz in

handen, Heerengracht No. 260 achterlieten.

Wat Suze na de lezing er van gevoelde, loste zich op in de woorden:

"Die goeje Flitz!"

De goeje Flitz! Neen, háár had de gebrekkige stijl niet gehinderd,

want vader Van Alphen leerde dat men moet schrijven zooals men praat;

en Flitz had waarlijk geschreven zóó als hij zou gesproken hebben.

Die goeje Flitz! Hij toch was de eenige geweest die haar een woordje

had toegesproken, dat maar zelden een meisjes-oor kan treffen zonder in

het maagdelijk hartje weerklank te vinden, Barend was de eenige geweest

die Suus--ofschoon op plompe wijze--het woordje liefde deed hooren.

Bemind te worden.... och, het is zoo'n zalig gevoel! De uitverkorene

eens mans te zijn.... o, het is zoo'n streelende gewaarwording.

Pardon dames, wij weten 't wel, gij laat ook blauwtjes loopen; maar

wij weten 't evenzeer, dat er dan ook niet zelden papa's en mama's

achter de schermen zitten; dan klinken de woorden: Geen bestaan,

slechte conduite, of veel te min, ook meestal bovenuit.

Och, voor het wezen dat, volgens een onzer zangers, _van liefde leeft_,

is het zoo'n streelende gedachte dat zij _bemind_ wordt, en van dien

één, uit duizenden de uitverkorene is. Vandaar ook dat Adèle met

Piet--over wiens lafheid ze vroeger op 't kransje zoo lostrok--heden

engagement-visites maakt; dat Jeane met Adriaan--wiens groote neus zoo

dikwijls haar spotlust wekte--morgen één neus zal uitmaken; dat Nelly

met Willem--wiens ernst en stijfheid hem eertijds in hare oogen tot een

onuitstaanbaar être maakten--binnen kort dezelfde dorpspastorie hoopt

te betrekken; dat Gonne om Heinrich--wien ze op de stoomboot leerde

kennen, en na dien tijd slechts tweemalen ten harent ontving--ouders

en broeders en zusters en vrienden en vaderland wil verlaten, om het

dierbare wezen--van wien ze weinig meer weet dan dat hij een "_ganz

grosser Weinhändler_" is--naar het groote Duitschland te volgen.

Die goeje Flitz! Hij was het die haar gezegd had: "Suus ik heb je zoo

lief!" en, ofschoon de nieuwe burgemeester iets raars in haar gemoed

had doen trillen, vooral toen zij, door Barends verklaring geschokt,

hem zoo buitengewoon hoorde zingen, zij was weder geheel en al _Flitz_

geworden, nadat papa zoo ongevoelig, zoo onaardig over dien goeden

jongen had losgetrokken, en haar verbood gemeenzaam met hem te zijn

zooals zij het tot hiertoe geweest was.

Na het vertrek van _Vredelust_ had ze veel aan den vriend gedacht,

en weinig vermaak in de genoegens geschept, die haar in de stad van

mama waren aangeboden. De neven vond ze onuitstaanbaar, vooral neef

Doris die altijd als ze uitgingen met zijn arm kwam aanzetten, alsof

ze niet _alleen_ kon loopen!

Die goeje Flitz! Hij had haar gezocht, maar natuurlijk in die groote

stad niet kunnen vinden. Zij zelve wist immers ook nooit--wanneer

ze huiswaarts keerde--op welke hoogte zij zich bevond, en zou buiten

twijfel in zijne plaats verdwaald zijn.

Die nieuwe burgemeester! Wie had kunnen denken dat hij, zooals Flitz

schreef: "veel te onfatsoenlijk was om het in een brief als deze neder

te stellen." Wat mocht het zijn dat hem, die waarlijk toch heel aardig

en nog veel meer was, zoo in minachting bracht, terwijl Barend scheen

te vermoeden dat hij hem nog bovendien bij haar in den weg stond?

Maar, als Flitz iets zeide dan moest het wel waar zijn, en 't bleek

dus almede dat het alles geen goud is wat blinkt.

Betuwsche novellen, en Een reisgezelschap · 第 34 / 43 题