B. den 12 Mei 18.5. PS. Atjuu Suus!"

Deze brief, dien wij Barend letterlijk naschreven, werd aan het bekende

adres verzonden, en door Suze Gliekke ontvangen, juist toen zij alleen

met lichte hoofdpijn te huis was, terwijl de overige familieleden

zich in Artis bevonden.

In den namiddag van een schoonen Mei-avond--twee weken ongeveer na de

terugkomst van de familie Gliekke op _Vredelust_--vinden wij Alexander

Van Bavik voor het opgeschoven raam zijner schrijfkamer weder.

Zijn gelaat draagt de duidelijkste sporen eener blijde zeer blijde

gemoedsstemming, en in zijn hand houdt hij een brief, welks korte

inhoud door hem reeds verscheidene malen werd gelezen en herlezen.

"Moeder! Engel! dat is uw werk," spreekt hij halfluide in vervoering,

en Fik die naast zijn stoel te snorken lag, eensklaps bij de voorpooten

vattende, springt hij op, en danst met zijn vriend de kamer door, zóó

wild, dat Fik, die al tamelijk oud is, en zelfs in zijn jonge dagen

niet dol veel van dansen hield, begint te pruttelen, en juffrouw Kamp

eenige oogenblikken later om 't hoekje van de deur kijkt, en vraagt,

of burgemeester om 't servies op 't kastje zal denken, en heengaat

met een:

"'t Is niet pluis in den bol!"

Een half uur later zit de burgemeester voor zijn schrijftafel en

schrijft:

"_Liefste Vriendin!_

De nacht is voorbij, de morgenschemering breekt aan, en de zon

van ons heil zal weldra lichten. Innig beminde, de scheidsmuur

zal vallen. Mijn maatschappelijke positie werd een schoone

verbetering toegezegd. Spoedig zal ik u aan 't kloppende hart mogen

drukken. Spoedig zal ik u geheel kunnen toebehooren, en--maar neen,

de last tot zwijgen werd mij nadrukkelijk opgelegd. Voor _ieder_ moet

ik zwijgen.--Maar voor u....?--Het allereerst!--Of zoudt ge voor het

altaar der liefde hechten aan het woord van hem, die den vriend geen

trouw hield, en wiens ontrouw u alzoo eenmaal gebleken was?

Vaarwel mijn innig geliefde Suze. Spoedig hoop ik u een meer

uitvoerig, een geheel bevredigend antwoord te kunnen toezenden, zoo

de omstandigheden mij niet mochten veroorloven u in persoon woorden

van liefde te komen toespreken.

Geloof mij Uw onveranderlijk trouwe vriend:

Betuwsche novellen, en Een reisgezelschap · 第 33 / 43 题