Flitz zegt: "'t Spijt me; 'k wou ook eens het woord."

De gastheer roept Frederik, die, van al 't schenken achter tafel zoo

waterig uit de oogen ziet; gelast hem een ander glas aan den heer

Flitz te geven, en nadat het gevraagde voor de scherven in plaats

is gesteld, geeft hij met genoegen het woord aan Flitz, die met

een vuurroode kleur opstaat, en met het ten boorde toe gevulde glas

in handen, een paar maal ziegzaagt, zoodat een: "Voorzichtig!" hem

't rechteroor treft, en vangt eindelijk aan:

"Praatjes zijn praatjes, afin, maar ik hou er van om te zeggen, wat

ik denk. 'k Heb voor Suus een vers van vier bladzijden, zoo maar weg

gemaakt." Niemand nog zei den armen Flitz een vleiend woord van zijn

dichtstuk, zelfs Suze had nog niets dan een zacht: "Dankje voor je

lieve attentie," kunnen of durven uitbrengen.

"Afin, da's 't zelfde," vervolgt Flitz: "Ik zeg het niet om er van

te spreken, daar hou ik niet van, maar afin, ik weet wat ik weet, en

dat Suus vandaag, op den 18den Februari jarig is, dat wist ik al toen

ze nog als 'en meisje van veertien jaren op m'n knie zat.... Weet je

wel Suus? Afin, ik ben hier al zoolang bekend als de familie hier is,

en 'k drink dan 't welzijn van dezen huize! Afin Suus, daar ga je....!"

En Suus ging, of wel de inhoud van het voorwerp, waarmede Flitz de

jarige dame telkens bedreigd had, gleed binnen ter plaatse waarvoor

het bestemd was, doch, waar het nederkwam als olie in 't vuur.

Wij zouden ten opzichte van Flitz zeer onrechtvaardig zijn, indien

we niet getuigden, dat hij het welzijn van dien huize hartelijk

meende. Hij had er blijken van gegeven, want, niet slechts dat hij

gedurende de zes jaren dat de Gliekkes te B. woonden, op de drie

jaarlijksche feesten der huisgenooten--en Flitz woonde ze trouw

bij--telkens dat welzijn gedronken had, hij toonde ook dat het welzijn

hem werkelijk ter harte ging: eens met dien brand in den schoorsteen,

en eens met waken toen mijnheer Gliekke de koorts had.

De toost van den heer Flitz, ofschoon--maar neen, we zeiden dat toosten

niet gecritiseerd behooren te worden--de toost maakte opgang, en

zelfs Doortje begreep dat het: "hi hi, 't welzijn van dezen huize was."

Aan alle zittingen komt een einde, en ook hier stond het gezelschap

ten laatste op; de dames om in 't nabijzijnde vertrek voor de koffie

te zorgen, de heeren--dominee uitgezonderd--om trots de zedeloosheid

der tabaksplant een sigaartje te rooken.

Wat werd er verder van den avond?

Als 't u lust, kom dan straks wanneer de koffie gedronken en de

sigaartjes gerookt zijn, mede naar de tweede salon, waar de kroon met

brandende bougies in 't midden hangt en de bougies op de lusters ook

zijn aangestoken; ziet er het gezelschap, eerst met een pousse-café,

daarna met fijn porselein in de handen, en later onder 't genot van

punch of bisschop of rooden wijn met gebakjes, en luistert eerst _hier_

en dan bij een ander groepje, en later naar datgene waar het gansche

gezelschap in deelen zal.

"Onder ons," zegt de gastheer zachtjes, terwijl hij met de handen op

den rug naar het turfvuur gekeerd staat: "'t is 'en beste jongen, geen

kwaad zit er in, maar, zonder betrekking! Suze is mijn eenig kind,

en hoe goed hij ook zijn moge, al is hij geen buitengewoon vernuft,

je begrijpt: een schip in zee zonder bestemming, daar heeft de reeder

geen vrede mee."

"A juist," zegt Van Bavik, terwijl hij een blik in zee stuurt.

"Van weinig familie," herneemt de gastheer: "maar toch fatsoenlijk,

en nog al fortuin, althans hij leeft hier goed en verteert zijn geld

zonder verdiensten."

"A zoo," zegt de jonge burgemeester, en beschouwt de bloemen van het

Deventer tapijt waarmee de vloer bedekt is.

"Entre nous--geen mensch weet er van," herneemt de vertrouwelijke

vader nog zachter: "Als de jongen een post had, een postje, begrijp

je--van 't notariaat wil ik niet spreken--'k zou zeggen: fiat vriend,

maar zie je, een mensch als ik, die al mijn leven gewerkt heb, ik

weet bij ondervinding dat niets om handen hebben een treurig lot

is. De vrouw heeft geen krediet voor den man, die geen betrekking in

de maatschappij bekleedt; _hij_ wordt een janhen en zij is er de dupe

van.... hoe vaar je....?"

"Dankje," zegt Van Bavik tot Frederik, die hem voor de vierde maal een

glas punch presenteerde, en de gastheer herneemt, terwijl Frederik

juffrouw Doortje nadert: "Maar je spreekt er niet van, want ik hou

me alsof ik van den prins geen kwaad weet."

"Wat een mooie preek hield die mijnheer de burgemeester," zegt Saartje

van den dominee tot Doortje die bisschop gebruikt.

"'En toost meen je!" lacht Doortje.

"En zoo uit het hoofd!" herneemt Saartje: "_Va leest_ ze altijd."

"Zou er gedanst worden?" lacht Doortje: "Me dunkt hij moet wel prettig

galoppeeren; 'k zal 't eens aan Suze vragen.... al was 't in de gang!"

Doortje ziet naar de jarige om, maar ontdekt haar niet, en vermoedt

evenmin, dat deze staat, waar zij,--Doortje--wel graag een dansje

zou willen maken.

Ja, Suze staat in de gang, ze houdt zich aan de leuning van de trap

vast, en Barend Flitz staat vóór haar.

"Suze, ik wil het bepaald van je weten, hoor! van avond nog, op

't oogenblik!" zegt Barend.

"Maar Flitz hoe zal ik, hoe kan ik?" spreekt Suze stamelende.

"Zullen en kunnen!" herneemt de jongeling, die, volgens de

keuken-verklaring van Frederik, wel drie flesschen op heeft en

"poes kaffé en pons" ook: "Zullen en kunnen da's malle praat Suze,

zie je, ik wou het weerga's graag weten, ik heb er mijn reden voor;

ik zeg dat ik allemachtig verliefd ben, dat zeg ik, en dat va niet

arm is dat zeg ik ook. Of heb je andere plannen, spreek?"

't Is niet bijzonder licht bij de trap, en we kunnen derhalve niet

zien, welke de uitdrukking van Barends gelaat bij dat "spreek" is,

evenmin als we in Suzes kijkers kunnen lezen wat er in hare ziel

omgaat, maar meenen een geluid te hooren alsof dat "spreek" bij het

meisje iets anders dan woorden heeft uitgelokt, en vernemen wat later

heel duidelijk dat de jarige schreit.

"Suus.... neen Suus, zoo meen ik het niet. Suze schei uit, dat

vind ik nu akelig!" fluistert Barend op een geheel anderen toon dan

dien, waarop hij zoo pas heeft gesproken: "Je voelt immers dat ik je

liefheb. Och Suze, ik heb je zoo lief, en ik dacht dat het van daag

de dag moest wezen waarop ik het zeggen kon. Suze als ik je leed doe,

zeg het dan maar. 'k Wil alles voor je doen. In den nacht zelfs wil

ik naar stad loopen om breikatoen of wol voor je te halen. Suus,

lieve Suze, schei toch uit met huilen, als je pa het merkt! Zeg,

ben je boos, of hou je toch van me? Suus, als je huilt, daar word ik

zoo naar van. Zeg dan, wat zal ik doen? Wát wil je hebben?"

Een oogenblik stilte, alleen een nokkend geluid.

"Toe zeg dan, toe spreek toch?"

"Och, laat me.... dan.... nú.... met vrede Barend," is Suzes antwoord,

door 't schreien belemmerd, en op hetzelfde oogenblik klinkt het in

de gang:

"Suze, waar ben je?" en het meisje, dat de stem der danslustige

Dorothea herkent, grijpt Flitz bij de hand; schuift hem de roepende

te gemoet, en snelt zelve de donkere gang in.

Ongeveer een halfuur later bevindt ons gezelschap zich opnieuw

vereenigd in het salon; de dames staan of zitten bij de piano, die voor

deze gelegenheid uit de woonkamer naar 't salon werd overgebracht, en

waarvoor Suze is gezeten die, werkelijk lief, de reeds vroeger genoemde

_Rêverie_ speelt. Flitz staat aan hare zijde, tuurt tamelijk dof op

het muziekblad en heeft reeds een paar malen: "O jé," gezegd, daar Suze

't blad omsloeg terwijl hij nog slechts ter halverwege gekomen was.

Op algemeen vereerend verzoek, draagt Saartje van den dominee

vervolgens _De Kalif van Bagdad_ voor, en speelt Flitz daarna een

paar walsjes van Strauss bij wijze van obligaat op zijn fluit--hij

voor een verrassing in den zak stak--zoo charmant in de maat, dat

Doortje met haar gewoon: hi hi hi, aanmerkt: "Ik galoppeer al."

Of de heer burgemeester ook aan de muziek doet....?

Een weinig aan den zang. De gitaar voor accompagnement: hij laat zich

niet gaarne bidden en zal daarom beproeven om zich, bij gebreke van

zijn instrument, met de piano te accompagneeren.

Waarom Van Bavik zijn eerste voornemen zoo spoedig laat varen,

om de gevoelvolle Romance: "_La bénediction d'un père_" te zingen,

weten wij niet, maar zeker is het, dat hij na het instrument eenige

smeltende akkoorden te hebben ontlokt, den: "_Afscheidsgroet aan het

Vaderland_" aankondigt, en met een onverklaarbaar gevoelvolle stem

de regelen zingt, die wij ter eere van den dichter hier laten volgen:

Vaarwel, mijn Vaderland,

Het schip doorklieft de baren,

En 't oostlijk windgebruis

Fluit hevig door het want,

Mijn oog kan nauwlijks meer

Uw blinkend duin ontwaren;

Gij hoort mijn stem niet meer, } _bis._

Mijn dierbaar Vaderland [38].

Ze hebben het allen _gehoord_; wat meer zegt, ze hebben het allen

_verstaan_. De herhaling der beide laatste regels, zoo ontegenzeggelijk

roerend, zoowel door het melancholische hunner beteekenis als door het

wegsleepende van muziek en voordracht, ze hebben zulk een indruk op

de hoorders gemaakt, dat zelfs Doortje niet lacht, en Flitz--wellicht

niet wetende _wat_ hij doet--insgelijks als betooverd, met de heeren

instemt, die in een uitbundig Bravo! bravo! losbarsten.

Misschien, lezer, kent gij menschen--wellicht één zelfs van zeer

nabij--wier zenuwen spoedig in beweging zijn te brengen, of althans

somwijlen in een stemming verkeeren, dat zij--gij verstaat de

uitdrukking--"niet _zóóveel_ noodig hebben om geheel van streek

te geraken."

Suze was er zóó eene. De dag van heden had haar in overvloed stof

tot nadenken opgeleverd; verschillende omstandigheden werkten nu eens

vroolijk dan weder geheel anders op haar prikkelbaar gemoed; en nu,

zich ter nauwernood, als met geweld van het onverwacht en zoo vreemd

gevoerde gesprek met Barend Flitz hersteld hebbende,--had zij zich,

op verzoek, terstond aan de piano gezet, in de hoop dat de sporen

van haar tranen in dien tusschentijd geheel zouden verdwijnen. Ze

had gespeeld en zich goed gehouden, hoewel ze duidelijk bemerkte

dat Barend zoo _raar_ deed. Ze had naar de _Kalif_ geluisterd met de

oogen zoo strak op de stijve vingers der speelster gevestigd, alsof

ze haar de kunst wilde afzien, en.... was zij beverig geworden toen

bij het einde van het eerste couplet de stem van den zanger gevoelvol

het vaderland een smeltend "Vaarwel" toezong, zij trilde zichtbaar

toen in het tweede couplet die stem nog welluidender klonk,--maar,

toen nu ten laatste nogmaals die woorden:

"Vaarwel, vaar eeuwig wel,

Mijn dier-baar va-der-land!"

als wegstierven, en zich in eenige klagende piano-akkoorden oplosten,

toen barstte zij in een hevig snikken uit, juist op het oogenblik

dat ten tweeden male een luid "Bravo! bravo!" het salon vervulde.

Gij lacht, oude zee-kapitein, die vijf en twintig of meerdere jaren op

de Oost of West hebt gevaren, en nu "vol kou en ongemak" met uw voeten

in 't vilt! uw tijd moet slijten met onze beuzelverhaaltjes te lezen.

Gij haalt de schouders op, grijze snorbaard, die u niet herinnert een

traan te hebben gestort, dan toen ge in 't jaar twaalf, zoo droevig

in de richting van 't _vaderland_, moest terugtrekken, en zelfs _die_

tranen niet heet bleven, omdat de vorst, die des winters méér dan een

keizer te zeggen heeft, ze spoedig op uw kaken tot ijsparels stolde.

Ge zegt, onnatuurlijk! oude juffrouw, die liever trappen schuren dan

muziek hoort, en slechts gevoel voor uw kat hebt.

Ge zegt, flauw! respectable mijnheer of mevrouw, die tranen hebt

gestort in zware beproevingen, bij smartelijke verliezen, maar 't hoofd

hebt gebeurd dewijl uw plicht vorderde dat ge werkzaam zoudt blijven.

Of gij lacht, of gij de schouders ophaalt, of gij 't onnatuurlijk of

flauw vindt, Suze kan 't waarlijk niet helpen, zij kan niet helpen,

dat hare zenuwen--mijne heeren en dames!--niet gelijk aan uwe zenuwen

zijn: ze kan niet helpen dat ze nog zoo weinig in het leven ondervond,

ze kan niet helpen dat ze, bij een zang zooals zij dien nimmer hoorde,

in snikken uitbarst, ze deed zich meer geweld aan dan gij zoudt meenen,

en wij, wij kunnen 't niet helpen indien gij _geen_ meisje kent, dat

in de plaats van Suze, evenals zij, niet zóóveel zou hebben noodig

gehad om heden in de war te geraken.

Door mama Gliekke en mevrouw Meijer ondersteund verlaat de jarige

weldra het vertrek. Van Bavik maakt eenigermate ontsteld zijne

excuses tot den gastheer, dat hij misschien een pijnlijke snaar heeft

aangeroerd, dat misschien lieve betrekkingen vroeger dit land verlieten

of wel.......... Maar de gastheer verzekert, dat het niets dan een

gevolg van de warmte is, en schudt den zanger met verrukking de hand,

en betuigt, dat hij _in stad_--alweer de groote koopstad--nooit zóó

iets gehoord heeft, en dat nog wel in 't _Hollandsch!_

Dominee zelfs, die anders ronduit moet verklaren dat hij weinig met

die kunstmatige zangerij opheeft,--zeker dewijl het kerkgezang zoo

weinig kunstmatig is--steekt den burgemeester met een: "Ik dank u,

ik dank u," zijn hand toe. De heeren Meijer, vader en zoon, zien met

zekeren eerbied naar den jongen burgervader, die zóó'n stem heeft,

en houden evenmin hunne handen terug.

Handen geven is dorpsgebruik, vooral na nutslezingen, dáár evenwel

zonder onderscheid of men heeft geluisterd en voldaan is, of wel

heeft gegeeuwd en 't vervelend vond.

De beide jonge dames die in 't vertrek bleven, zeiden.... niets, omdat

ze niet recht wisten of zulks wel paste, en ook, omdat ze nieuwsgierig

waren te weten wat Suze zoo opeens aan 't huilen had gebracht. Wat den

candidaat-notaris betreft, hij keek verbazend wonderlijk naar de deur

door welke Suze het salon verliet, maar bleef op zijn stoel zitten,

en draaide, nadat hij opnieuw een glas bisschop geledigd had, zoo

raar met de oogen, maar toch...... hij _bleef_ op zijn stoel zitten.

De heeren aan den haard spreken intusschen nog over verschillende

onderwerpen voort, zonder dat Gliekke zijn huisvriend mist, die steeds

op zijn stoel zit. Na verloop van een half uur komen de twee oude

dames met eene verontschuldiging der jarige terug, die, volstrekt

weer binnen wilde komen doch door _haar_ geraden werd liever rustig

boven te blijven, aangezien het binnen warm en zij nogal zenuwachtig

was. Een kwartier later, staat Frederik in de gang met een geopende

hand, en verlaten acht personen de woning, waarvan de achterste nog

al moeite met de stoeptreden heeft.

"De heer Flitz schijnt alleen de achterhoede te willen uitmaken,"

zegt Van Bavik. "Neem niet kwalijk,.... dames! dominee! Ik zal

eens zien.... Dank voor uw aangenaam gezelschap.... Tot weerzien,

wel thuis."

Eenige stemmen: "Bonsoir burgemeester," en nog eenige zachtere stemmen

alleen: "Burgemeester!"

De drie heeren, ieder met een dame aan den arm, stappen door, en

Van Bavik treedt terug, en tuurt in de duisternis naar den persoon,

die zoo'n werk met de stoeptreden had.

Ruim tien weken zijn er sedert den dag verloopen waarop het jaarfeest

van Suze Gliekke gevierd werd, en tien weken ook sedert Van Bavik

den heer, die beter op zijn stoel zat dan dat hij ter been was,

aanbood om hem naar huis te vergezellen. Ofschoon dit aanbod met

weinig kiesche en niet zeer vleiende woorden gedurig was afgeslagen,

was het niettemin gaandeweg zoo noodig geworden, dat Flitz aan dat

geleide zijn behouden tehuiskomst heeft te danken gehad.

Veel is er in dien tijd veranderd. Ontegenzeggelijk veel. In stede

van naakte takken alleen, draagt eik en beuk en al wat boom mag

genoemd worden, thans een frisch en jeugdig groen, waarop de oogen,

die nog schemeren van zooveel sneeuwtooneeltjes, met wellust blijven

rusten. Wat is er sedert de koude Februari-maand, die er plezier

in had om de ijsbloemen zoo vast tegen de vensterruiten te drukken

en ontelbare leiboomen zoowel op _Vredelust_ als overal den dood

te berokkenen, wat is er sedert dien tijd een leven in de groote

brouwerij gekomen. De vogels vooral, schijnen uitgelaten. Ze beginnen

reeds wanneer een ander ternauwernood de eerste helft der nachtrust

genoten heeft. Wat spektakel op het dak, wat lawaai in de linde voor

het raam; wat een getjilp en gefluit! Luister! 't is zoo onaardig niet,

ja zelfs wel lief, en ze schijnen machtig veel pret te hebben. Aardig

volkje! Wat zijt ge vroolijk. Wat roept gij helder: "Ten bedde uit

luiaard! Zie naar buiten, de zon gaat ook voor ú op. Kom! zoo ge

althans niet komen zult om wreedaardig ons echtheil te verwoesten en

onze kindertjes te rooven!"

Wat zijn er velen helaas, die dat roepen wel aardig vinden, en er

een poosje naar luisteren, doch daarna zich nog eventjes omdraaien,

om eerst voor goed wakker te blijven, wanneer die knaapjes daar buiten

al moede van 't roepen zijn.

Veel, zeer veel is er in de natuur veranderd; de weiden, die zoo

droevig dor lagen, zijn met een donker groen bekleed, waarin het

rundvee dartelt; het landvolk kniest niet langer bij den poveren haard;

het spit en zaait en egt; ja, er is veel veranderd, er kwam bepaald

leven in de groote brouwerij.

Leven! En toch niet _alle_ veranderingen die er _in_ en _om_

B.... hebben plaats gegrepen, getuigen dat er leven voor doodsslaap

kwam. Wij zullen u een woning binnenvoeren waarin de Mei niet

lacht--omdat er de luiken gesloten zijn, omdat de doodsslaap er het

aardsche leven verving.

Hier die trap op; rechts in die kamer moet gij wezen.... Zie,

daar staat een mooie stevige eikenhouten kist met acht blank

geschuurde handvatsels er aan. Er is veel zorg aan die kist

besteed. Waarom....? Omdat de wormen niet meenen zullen dat er een

arbeider of een van de diaconie in te slapen ligt; of wel, omdat die

slapende een dagje langer onder de zoden zal liggen eer er niets meer

dan wat beenderen van hem te vinden zullen zijn.

'En mooie kist! Gelukkig dat _wij_ 't bemerken, anders zouden de

nijvere mannen, die er hun nachtrust aan wijdden, weinig voldoening

van hun arbeid hebben. Geen woord van tevredenheid werd hun

betuigd. Mevrouw heeft dadelijk den zakdoek voor de oogen gedrukt

toen ze die kist er staan zag, en de meiden zijn angstig naar de

keuken gevlucht toen ze haar de woning zagen binnendragen. 'En mooie

kist! Wilt ge nog naderbij komen om haar beter te beschouwen en zien

_wie_ het is die er in ligt?--'t Is het stof van den man, die weleer

aan menig sterfhuis verscheen om de goederen, welke een gestorvene

maar luttel tijds in leen hield, weder tegen contante betaling aan

de levenden te gunnen; de man die heel wat testamenten maakte, en

weinige weken geleden, toen hij een belangrijk stuk onderteekende,

weinig vermoedde dat die naam J. V. Saffelen voor 't laatst door hem

geschreven werd.

't Was een belangrijke gebeurtenis, een gewichtige verandering in

B....--De notaris Van Saffelen had, terwijl alles een nieuw leven

bekwam, zijn leven met den dood verruild.--Ja....? Arme Van Saffelen,

dan hebben wij diep medelijden met u en uw treurende weduwe; maar

neen, we hopen en wij vertrouwen dat gij reeds in een nieuwe lente

zijt overgebracht; dat ook _gij_ leeft, leeft in een reinere, een

betere wereld waar geen scheiden meer wezen zal.

De weduwe had veel beklag, en ondervond veel deelneming; en Flitz,

die zijn gansche notarieele vorming--al was die vorming dan ook

eenigermate aan zijn figuur gelijk--aan den kundigen en geduldigen

notaris was verschuldigd; Flitz die inderdaad in Van Saffelens ziekte

zich met kracht had aangegrepen, opdat de werkzaamheden haren loop

zouden hebben, en ook trouw in 't waken geweest was, hij had zijne

tranen niet kunnen bedwingen toen zijn leermeester en vriend, zooals

dominee zeide: "het tijdelijke met het eeuwige had verwisseld," en,

zooals _hij_ zeide: "nooit geen aktes meer passeeren, en nooit aan

de overzij van den lessenaar meer zitten zou."

Flitz! waarlijk ge hebt toch geen kwaad hart, al sist er een leelijk

slangetje in uwe borst. Waarlijk, wij billijken het oordeel der

bedroefde notaris-weduwe, die u een engel van goedheid noemt. Ten

haren opzichte ja. Maar een engel, neen Flitz daar ontbreekt veel aan,

en, vooral dat slangetje hindert vreeselijk, dat leelijke, dat foei

zwarte slangetje!

In die verloopene weken was er in B. nóg meer veranderd,--voor 't

algemeen van minder belang, voor den belangstellenden lezer niet

onbelangrijk.

Nog geen veertien dagen na het door ons bijgewoonde feest op

_Vredelust_ vertrok de familie naar de Nederlandsche hoofdstad, om

daar--voor de eerste maal sedert haar komst in B....--eenigen tijd

bij zwager Vos te gaan logeeren. Over 't algemeen wist men niet,

waaraan deze plotselinge, ofschoon tijdelijke plaatsverandering moest

worden toegeschreven, aangezien de heer Gliekke altijd verzekerde,

wanneer hij ter wille zijner dames eens naar de naburige stad

W. was geweest,--blijde te zijn de vrije buitenlucht weder in te

ademen. Eenigen meenden dat het ter wille van mevrouw was, die kort

na Suzes jaardag was gevallen, zich den arm ernstig bezeerde, en

de hulp van Tuil den plattelandsheelmeester, tot diens overgroote

ergernis, niet had ingeroepen. Anderen vermoedden dat er iemand van

de familie moest gestorven zijn, en de heer Gliekke naar Holland

trok om de erfenis te gaan halen, en velen hadden aan Flitz gevraagd,

wat de oorzaak van een vertrek mocht wezen, waardoor slager, bakker,

kruidenier en zooveel anderen, groot nadeel leden.

"Omdat ze er _gek_ zijn!" was Barends onvriendelijk en weinig

zachtmoedig antwoord geweest; "omdat ze met geen dorpelingen meer

tevreden zijn; omdat.... omdat die nieuwe snoes, die burgemeester,

zoo'n kwajongen, ze den kop op hol brengt!"

Arme Flitz! Toen hij een dag na het feest zijn gewone digestievisite

kwam maken, en hoewel het zijn "eetdag" niet was, stellig op het

gewone ombertje en een familiare boterham had gerekend, was mevrouw

noch Suze komen opdagen. De heer Gliekke had hem, ja, vriendelijk,

maar toch in geenen deele zóó "sjoviaal" als gewoonlijk ontvangen, en

hem ronduit gezegd, dat hij nog een paar brieven te beantwoorden had.

Arme Flitz! Hij was er den volgenden Zondag--zijn "eetdag,"

heengestapt, om zich van 't werken en 't ziekeverzorgen eens te

verpoozen; en toen, ja, 't was alles wel als vanouds geweest, maar

mevrouw had zoo'n pijn aan den arm, en Suze had met ditjes en datjes

af en aan gedraafd, en was zoo ijselijk onnatuurlijk geweest, alsof ze

alles vergeten had wat hij in de gang tot haar sprak. Mijnheer Gliekke,

die ook al zoo raar heen en weer had gegluurd, was eindelijk, ná 't

partijtje, heel droogjes tot de bekendmaking van het plan gekomen,

om _Vredelust_ voor een poos te verlaten, waarbij hij vrij duidelijk

had te kennen gegeven, dat ze elkaar dezen avond maar vaarwel moesten

zeggen, want, Flitz zou zeker wel begrijpen dat de dames en ook hij,

nog een boel te redderen en te bezorgen hadden--vooral daar het zoo

treurig met mama's arm was,--terwijl Flitz het evenzeer natuurlijk zou

vinden, dat Gliekke niet meer bij hem kon komen. Misschien zag hij hem

nog wel bij den notaris. Van Saffelen scheen ernstig ziek te zijn,

en zou 't zeker niet aardig vinden, indien Gliekke het dorp verliet

zonder naar hem om te zien.

Arme Flitz! Suze had bijna den geheelen tijd "zonder lach of praat"

met een afgewend hoofd gezeten, en had, met een paar vuile bordjes--'t

geen ze anders nooit deed--de kamer verlaten, juist toen hij, om

"op te stappen" naar zijn handschoenen zocht. Arme Flitz! hij had

gewacht..... vijf..... tien..... vijftien..... twintig minuten, maar

Suus was niet teruggekomen; en papa Gliekke had nog al vriendelijk

gezegd, dat Flitz zich niet geneeren moest indien hij naar huis

wilde.--Suze....? Ja, Suze was naar de keuken; misschien naar boven;

hij wilde haar wel roepen.... maar anders, Flitz kon er op aan, hij zou

zijne dochter de groeten wel overbrengen. Arme Flitz! het meisje, dat,

toen ze een kind was, zoo dikwijls op zijn knie had gezeten, waar hij

zoo familiaar mee geweest was, en die hij nu zoo vreeselijk liefhad,

hij moest haar verlaten, zonder haar zelfs een hand ten afscheid te

kunnen geven. Hij moest _Vredelust_ verlaten, _Vredelust_ waar hij

"doen en laten," de intieme, de onontbeerlijke huisvriend geweest

was. O! van _Vredelust_ te moeten vertrekken, verstooten, miskend en

verschopt, en dat ter wille van een "ellendigen windbuil!"

Arme Flitz! welk eene verandering voor u!

Wat de ware oorzaak dier verandering der Gliekkes ten opzichte van

den huisvriend was, kon misschien na het vertrek der familie alleen de

persoon ophelderen, voor wien Barend Flitz zulke uitgelezene woorden

veil had.

Ook hij maakte kort na het diner zijn visite aan de gulle familie. 't

Was vóór den middag. Mevrouw was zeer vriendelijk, maar juffrouw Suze

nog al stil geweest, en bij 't afscheid zeide mijnheer, dat het zulk

flink weer om te loopen was, en dat, zoo Van Bavik lust gevoelde, hij

dan 't genoegen zou hebben de plaats eens met hem door te gaan, hij kon

dan later mee naar 't dorp wandelen om Van Saffelen een afscheidsbezoek

te brengen en meteen te zien of die vriend wat beter was.

De heeren wandelden de plaats door, die, volgens de verzekering

van den eigenaar, er des zomers geheel anders uitzag--alsof

de jonge burgervader in 't onzekere verkeerde of de boomen en

heesters te B. c. a. des zomers in 't blad kwamen of niet! Lieve

veranderingen.... _dit_ hier en _dat_ daar; veranderingen voor den

_niet_ eigenaar van minder belang, te meer daar hij onmogelijk

precies kon begrijpen, hoe die paden en slooten eertijds door

_Vredelust_ slingerden.--Och, 't was niet voor _hem_, niet voor _zijn_

genoegen, neen, hij had eene dochter; Van Bavik was er ten volle van

overtuigd--dat meisje, zijn eenig kind, och! hij wenschte zoozeer dat

_Vredelust_ haar dierbaar zou blijven, wanneer _zij_--de ouders--er

eenmaal niet meer zouden wezen. Dat hij 't zoo lief deed veranderen en

al die fijne boomen plantte, 't was niet voor _hem_, maar alles voor

Suze. "Och!" had de heer Gliekke vervolgd: "kinderen gaan je zoo na aan

't hart; ja Van Bavik, ik hoop dat je 't óók eenmaal zult ondervinden,

en daarom valt het een vader verschrikkelijk hard indien hij.... maar

och, ik kan je alles niet zeggen."

Van Bavik zweeg; wat kon _hij zeggen_!?

"In vertrouwen," hernam de vader--want juist wanneer niet _alles_

gezegd kan worden, wordt er gewoonlijk _niets_ verzwegen,--"er is

iets dat me hindert, fameus hindert: 'k heb je voor eenige dagen, je

weet wel, bij den haard, entre-nous van Flitz gesproken.... nietwaar?"

"A juist," antwoordde Van Bavik.

"Men weet tot wien men spreekt," hernam Gliekke: "Ik zou het niet

graag aan de klok hangen, voel je? Welnu, tegen alle verwachting

in heeft hij de dwaasheid gehad aan Suze--het kind--van liefde te

spreken. Dien avond.... begrijp eens!--'t Kwam spoedig aan 't licht;

je weet wel, die zenuwachtigheid toen je gezongen hadt? Mama vertelde

mij 's anderen daags waar de schoen had gekneld. 't Kind zelf was

er erg van geschrikt; en nog begrijp ik niet hoe _hij_, die _zoo_

wel mijne zienswijze kent, het in't hoofd heeft gekregen, om zóó

misbruik van mijn vertrouwen te maken. Had ik dát kunnen voorzien,

je begrijpt Van Bavik...." en even stond de spreker stil, en zag zijn

aandachtigen hoorder veelbeteekenend aan.

"Wel zeker,--natuurlijk!" zei Van Bavik mede stilstaande, en mede

opnieuw voortgaande, toen Gliekke verder ging.

"Er zijn papieren die men vertrouwt, zie je," vervolgde Gliekke:

"Ik had voorzichtiger kunnen zijn, maar, wie kan 't helpen dat de

fondsen naar beneden gaan. Enfin, zóó en op dien voet kan er niets

van komen. Eenmaal "fiat", de ijver om een beroep te verkrijgen zou

weldra verflauwen, dewijl die ijver zelfs nu niet groot is. 't Werd

vrijen jaar _uit_ jaar _in_, totdat het vrijen ons oudjes nog 't meest

ging vervelen; dan trouwen in 's hemels naam, en, geld _hier_ en geld

_daar_! De man zou blijven wat hij is, en zeker een last voor zijn

vrouw en een treurig voorbeeld van werkeloosheid voor zijne kinderen

worden! Zie je Van Bavik," en Gliekke stond weder stil maar liep

ook kort daarna weder door: "zie je, ik heb er het meisje een hartig

woord van gezegd, en hoewel ik Flitz,--omdat hij in onbezonnenheid

tegen mijn, hem welbekende begrippen handelde--niet voor 't hoofd wil

stooten, begrijp je.... zoo moet nu voorloopig dat hek wat verhangen

worden, en,--maar heel onder ons,--'t is daarom dat we een week of

wat van huis gaan."

Van Bavik had gehoord en gevoeld, en was tot aan de notariswoning

meegewandeld; en Flitz die in 't kantoor stond, had over 't horretje

heen gezien, dat de heer van _Vredelust_ den jongen burgemeester

"ijselijk hartelijk" de hand schudde, en duidelijk verstaan dat hij

hem "bespottelijk amiekaal" vaarwel zei, en hem, toen de schel reeds

was overgegaan, nog nariep: "Mocht je soms in dien tijd te Amsterdam

komen, we logeeren Heerengracht Nº. 260."

Nog eens: arme Flitz! welk een verandering! Arme Flitz, _toen_ vooral,

want voor de eerste maal van zijn leven bromde hij een verwensching

tusschen de tanden, een nare verwensching waar nog een leelijke vloek

op volgde.

't Was overdag, wanneer hij na veel geschrijf de pen nederlegde,

't was des nachts, wanneer hij aan 't ziekbed, volgens mevrouw Van

Saffelen, een engel was, dat Flitz aan de schrikkelijke verandering

dacht, die ten zijnen opzichte had plaats gegrepen; aan de koelheid

van haar die hij zoo wezenlijk liefhad, en aan den man, die hem

gewis door lage "intrieges," den burgemeesters-post ontfutselde; door

"mooie praatjes," "gekkelijke manieren" en een "gemaakt zingen" den

ondergang van zijn geluk bewerkte; die Suze op een laaghartige wijze

aan hem ontroofde; die zich door "nare streken," in zijne plaats had

weten te dringen, en hem schandelijk de vriendschap en achting der

Gliekkes ontstal........ "zoo'n lage hond!"

Jaloezie! uw troetelkind is Laster.

't Was waarheid dat de jonge burgervader een paar malen in de week des

avonds naar de naburige stad W. ging en des anderen daags buitengewoon

vroegtijdig terugkeerde; 't was waarheid dat Flitz hem een paar malen

het dorp zag binnenkomen, juist toen hij 's morgens de kantoorluiken

openwierp.

Was het waarheid ook dat hij er dan zoo "dof en af" had uitgezien,

en zoo "onzeker en waggelend" geloopen had?

't Was waarheid dat de candidaat-notaris op zekeren morgen voor zaken

den burgemeester moest spreken, en van juffrouw Kamp ten bescheid

kreeg dat burgemeester nog niet bij de hand was; 't was waarheid dat

hij _te elf uren_, nog niet was opgestaan.

Was 't waarheid ook dat Van Bavik een luiaard moest genoemd worden,

die _nooit_ was te spreken....? of, bleef hij op dien dag, zoolang te

bed dewijl een woedende hoofdpijn hem voor 't werk ongeschikt maakte?

't Was waarheid dat Flitz, toen hij op zekeren avond alleen in de

gelagkamer van 't _Geldersche Wapen_ op den logementhouder wachtte, ten

einde hem een rijtuig naar stad te bestellen waarmee een geneesheer,

bij Van Saffelen in consult, zou gehaald worden--dat hij toen in de

aangrenzende kamer, door Van Bavik bewoond, eene vrouw luidkeels

hoorde snikken; 't was waarheid, dat hij zijn gehoor scherpende,

haar duidelijk hoorde zeggen: "En het arme kind dan mijnheer, moet

_ik_ er alleen voor zorgen? Ach God, wat moet ik beginnen!? Heb toch

medelijden; de bloed! _ik_ heb er geen voedsel voor, en alles is zoo

bitter duur." En, dat hij verder luisterende, eenige onverstaanbare

doch blijkbaar vermanende klanken van den bewoner dier kamer had

opgevangen, 't geen met geldgeklank was besloten. Waarheid was het

dat Flitz, kort daarna, een knappe doch armoedig gekleede jonge vrouw

de gang uit zag treden, die het kind dat ze droeg zorgvuldig met haar

voorschoot bedekte.

Was het óók waarheid dat Van Bavik een "gemeen sjusjet" was, die

meisjes in 't ongeluk stortte en zijn goeden naam door een luttel

stuk geld zocht te bewaren? Of wel, betreurde de jonge burgervader

de noodzakelijkheid eener wet, die den verleider voor elke vervolging

vrijwaart, en de zwakke verleide alleen de gevolgen van een onbedachten

stap doet dragen?

Groote verandering in tien weken! De knappe, aardige, geestige,

fatsoenlijke burgemeester, die nog kort geleden met zooveel

vreugdebetoon werd ingehaald, en aanvankelijk de vrij algemeene achting

en welwillendheid genoot, hij vond de leden van den raad tegenwoordig

zoo stijf en kortaf; kreeg ook al eenige malen bij sommigen belet,

en begreep in 't geheel niet, waaraan die groote verandering moest

worden toegeschreven; hij begreep het niet, al bespeurde hij duidelijk

dat Barend Flitz hem alles behalve genegen was.

En nu, de notaris Van Saffelen was gestorven, en de aangifte bij den

eersten _wethouder_ geschied, want burgemeester was voor eenige dagen

naar Holland vertrokken.--Naar Holland! Flitz was vuurrood geworden

toen hij het hoorde.--Naar Holland!--Heerengracht Nº. 260!--Suze!--Zou

Suze _waarachtig_ alles vergeten hebben!?

"Naar Holland, naar Holland!" die woorden werden door Barend Flitz

ontelbare malen op één dag herhaald, en zelfs toen hij met den

langen zwarten mantel om, en den hoed met het lange lamfer er aan,

de kist volgde waarin zijn leermeester en vriend naar het kerkhof werd

gedragen, toen meende de persoon die naast hem ging, dat mijnheer Flitz

niet wel bij zijn zinnen was, want, duidelijk verstond hij, dat het:

"naar Holland, Heerengracht Nº. 260," ging.

De trouwe diensten waarmede Flitz den notaris in zijn laatste

levensdagen was ter zijde geweest, hadden Van Saffelen dermate

ten gunste van zijn kweekeling gestemd, dat hij, in weerwil van de

geringschatting zijner notariëele bekwaamheden, gedurig den wensch

uitte, dat Flitz, zoo _hij_ niet van het ziekbed mocht verrijzen,

hem als notaris te B. zou opvolgen. Inderdaad Van Saffelen had met

een schijnbare kalmte, zijn vriend den weg, welken hij moest inslaan,

gewezen, ten einde--misschien! in zijn plaats de benoeming te erlangen.

Dat de zwakke notaris, na het geven dier inlichtingen, opnieuw in een

hevige koorts verviel, zal _hem_ niet verwonderen wien 't leven nog

niet tot last is, en zoo gaarne ten nutte der zijnen nog jaren lang

werkzaam zou blijven. Dat Flitz sedert dien stond in een soort van

sollicitatiekoorts leefde, zal evenmin _hem_ verwonderen, die verstaan

heeft wat _hij_ in zijn schild voerde, en niemand zal het bevreemden,

dat Flitz reeds den dag na de begrafenis de reis naar de Provinciale

hoofdstad ondernam, om te bewerken dat _zijn_ naam op de voordracht

werd geplaatst, en dat hij vervolgens naar Holland trok, naar de

residentie, om den Minister van Justitie voor zijn persoon te winnen.

Flitz trok naar Holland. Over Amsterdam naar 's Gravenhage; van 's

Gravenhage naar va en moe op _Wolkensteijn_; en van _Wolkensteijn_

reisde hij weder naar Amsterdam, en liep op zekeren morgen de

Heerengracht langs, van het IJ tot den Amstel, heen en terug,

zoekende.... zoekende naar Nº. 260.

Maar vruchteloos was het zoeken geweest, want, Flitz had niet begrepen

dat de huizen aan de overzij van 't water, ook tot de Heerengracht

behoorden. Het "satansche" Nº. had hij niet gevonden, en de kastelein

van 't logement waar hij zijn intrek nam, wist ook niet te zeggen bij

wien de heer Gliekke uit B. c. a. op de Heerengracht logeerde, evenmin

als de kruier, de schoenpoetser, de kantoorklerk, de dominee--'t

was een aanspreker geweest--de loterijjood en een meisje met een

mandje onder 't voorschoot, die hij allen op straat onderzoekend had

aangesproken, hem 't vraagstuk hadden opgelost.

Barend Flitz kwam in B. terug, maar zijn onrust was nog grooter dan

vóór zijn vertrek, want, Van Bavik zat nog in Holland--misschien

wel--neen _zeker_: Heerengracht Nº. 260! En, op zekeren avond doopte

Barend met driftige hand de pen in den inkt, en schreef den volgenden

brief:

"_Dierbare Mejuffrouw Suze!_

Ik heb in een zeer nare spanning verkeerd sedert ik de laatste maal

op _Vredelust_ was, en vooral sedert je met papa en mama naar Holland

bent vertrokken. Ik weet op mijn woord van eer niet wat ik er van

denken moet, maar, des te beter weet ik, dat die persoon Van Bavik

een gemeen sjusjet is daar niemand van weten wil. Dierbare Suus,

ik heb je zoo lief, en waarom je zoo veranderd ben, begrijp ik in

't geheel niet, net zoo min als van je ouwelui. Als het alleen van

dat Sirenengezang komt, dan moet ik je nadrukkelijk zeggen, daar

niet langer naar te luisteren om reden boven gezegd. Je bent veel

te lief en te goed om ongelukkig te worden. O! Suus! ik hou toch zoo

idiolaat van je, en alles zou zich wel schikken, als de zaken loopen

zoo als onderget. hoopt. Je weet, de notaris Van Saffelen dood is; het

spijt mij ijselijk, maar nu het eenmaal zoo is, nu doet het mij toch

pleizier dat hij mij den weg wees om in zijne plaats te komen. Toen,

met het burgemeesterschap, had ik aan den Koning geschreven met

verzoek om geheimhouding; maar, dáár moet je niet gaan Suus. Eerst

naar den Procureur-Generaal en dan naar den Minister in Den Haag;

allebei heel vriendelijke menschen die zeiden, aan mij te zullen

denken. O lieve Suus, als jij maar van me houdt, en niet als vroeger

een gemeen sjusjet met den post gaat strijken dan is _alles niets_.

Onderget. in Amsterdam zijnde, heeft overal op de Heerengracht als

een gek naar Nº. 260 gezocht om je te vinden; en nu besluit ik deze

hopende hij te recht zal komen. Zeg maar niet dat ik je schreef,

en nog eens, luister maar niet naar een ander die te onfatsoenlijk

is om het in een brief als deze neder te stellen.

Kan het zijn, zend mij dan een woordje van liefde tot bescheid; denk

ik je al zoo lang gekend heb. Hoop met mij, ik den notarispost zal

krijgen; het protekol is in handen van den notaris uit E. die met

Van Bavik op en neer gaat, dat maakt mij soms zoo benauwd.

Nogmaals gegroet Dierbare Suus, ik heb waarachtig alles voor je over,

en geloof mij,

Dierbare Mejuffrouw Suze! UWelEd. Dienstw. Dien. en

Minnaar. B. Flitz. Kat. Not.

Betuwsche novellen, en Een reisgezelschap · 第 32 / 43 题