EENE ZOOGMOEDER

Het is stil in het vertrek waar wij onzen lezer binnenvoeren.

Stil! zeer stil!

Alleen het eentonig getik der fraaie pendule die, in het midden van

twee bronzen engeltjes, op den schoorsteenmantel prijkt, breekt die

stilte af, of, doet haar des te sterker uitkomen.

Een zwaarlijvige vrouw met een goedig gelaat, zit op den achtergrond

in diep gepeins..... Zóó diep, dat ze er geheel in verloren is. Naast

haar staat een voorwerp dat aan "'t begin" doet denken, een meubel,

dat met een kleed werd omhangen, waarvan de kleur die der hope is;

een meubel, 't welk op de koontjes der verloofde maagd niet zelden

een blosje te voorschijn roept en den jongen man het hart met hoop

voor de toekomst vervult; een meubel, dat voor de eerste maal in

zoo'n stille rustige kamer geplaatst, doet lachen en roemen, en voor

de.... maal [34] daarbinnen gebracht--er zijn uitzonderingen--doet

voorhoofdrimpelen en grommen.

Bij die zwaarlijvige vrouw staat een meubel, waaraan men van buiten

heel wat geweld pleegt; dat meestal ontzettend gesleurd en ijselijk

getrapt wordt om het inwendige tot rust te brengen; een meubel, 't welk

die zwaarlijvige gaarne, al ware het ook voor de twintigste maal, weder

gevuld ziet; gevuld, omdat die vulling in een ongewoon nauw verband

staat met de gevuldheid van haar tamelijk grooten knipbuidel; terwijl

het ten laatste gevoeglijk de tweelingzuster der braadkindermachine

mag genoemd worden, die men in de wandeling: een vuurmand noemt.

Ja, wij bevinden ons binnen een kraamkamer, die met de grootste zorg

werd ingericht.

Sla den blik in 't ronde; hoe fraai, hoe gemakkelijk is er alles.

De zwaarlijvige zelve ligt in een prachtigen _Voltaire_! Zie, hoe

alles wat zich binnen dat vertrek bevindt een eigenaardig--wij zouden

haast zeggen: een kraamkamerachtig karakter heeft, tot zelfs het

porseleinen transparantplaatje, dat het licht der vlammende waspit

moet temperen: Zij geeft het beeld van een biddend kindje, en lees

wat daaronder staat:

Lieber Gott! mach mich doch fromm,

Dass ich in den Himmel komm.

Stil! de kleine slaapt, de teedere jongen die den eersten levenskreet

liet hooren, toen de wijzers van het uurwerk de laatste maal nagenoeg

in dezelfde richting stonden als ze nu staan. Hij rust.... ja, degelijk

rust hij na de gevaarlijke kunstbewerkingen, die de zwaarlijvige hem

deed ondergaan; hij rust, en gelukkig! want hoe jong hij ook zij,

reeds moest hij ondervinden dat er in 't leven veel droevigs is.

Daar zijn luiers, spelden, vuurmanden. Zij knellen,prikken, branden?

Stil! ook de dikke slaapt, en ze droomt dat ze een vorstentelg bakert;

en droomende glimlacht ze, en, droomende scheukt ze de schouderbladen.

Stil! daar links staat het groote ledikant. Ook zij, die den eersten

levenskreet van haar lieveling vernam--zij slaapt.

Wilt ge die zware gordijn ter zijde schuiven om de gelukkige slapende

te beschouwen; wenscht ge haar schoon, maar bleek gelaat te zien,

waarop de glimlach van innigen dank staat te lezen....?

Wilt ge....? Doch neen, laat af! Hoor.... daar klinkt een voetstap op

het portaal. De deur wordt geopend; de jonge vader treedt het vertrek

binnen. Wat ziet hij bleek! Hoe dof staan zijn oogen! Hij nadert

het wiegje van zijn eerstgeborene; het kleed wordt opengeslagen;

het wichtje slaapt, en toch--toch vat hij het in zijn armen; hij

kust het, en kust het weder. Een pijnlijk kreetje ontsnapt den mond

van den kleine--liefde geeft dikwerf pijn.--Eensklaps sluit hij het

kind aan zijne borst; werpt een dekkleed over het teedere schepsel,

en--snelt met zijn schat ter deure uit.

Waarheen?

Ziet gij de deur aan gene zijde van het portaal? Hij gaat die kamer

binnen; ook dáár staat een ledikant; maar, de gordijnen zijn geheel

ter zijde geschoven.

Wat is dat? Wie ligt daar?

Slaapt de gelukkige moeder niet in de kamer waar wij het eerst

binnentraden; achter die gordijnen, met den glimlach van dank op het

schoone gelaat?

Leeft zij niet nabij het leven van haar leven, 't welk zij verder

met het hare zal voeden? Trok zij zich om zwakheid terug, wijl de

kinderkreten haar 't zwakke hoofd vermoeien?

Ligt ze dáár de jonge moeder, en slaapt ze?

Ja--ja, ze slaapt. Maar zie _hoe_ de echtvriend met den zoon. met

zijn Willem in de armen, haar nadert. Hij vreest niet haar slaap te

zullen storen; hoor, hij jammert luide: "O God! O God!"

Zie, hij steekt het kind der slapende toe, en drukt de kinderlippen

tegen de wang der moeder. Ach, zóó had hij den kleine wel graag

aan haar vollen boezem gedrukt; maar ook het jongske voelt dat het

"zijn hemel" niet is waartegen de vader hem legt; een kreet ontsnapt

er aan zijne lipjes. Zij ligt er zoo stijf, zij ligt er zoo koud

die schoone en jeugdige moeder; en hij, de verlaten echtgenoot,

hij brengt het kind, waarvan ze met wellust spraken, waarvan ze in

't vooruitzicht zooveel weelde hadden, naar 't wiegje terug om straks

tot de gestorvene weder te keeren, want, helaas, achter die zware

gordijnen in het _kraamvertrek_, dáár slaapt de zalige moeder niet.

Houdt ge niet van die tafereeltjes, waar zoo van akeligheden en dood

in voorkomt; houdt ge niet van die kraamkamers waar de eerste vedel

in 't orkest van huwelijksheil ontbreekt? Kunt ge een traan niet

weerhouden omdat gij óók wel eens zulk een kamer hebt betreden, waarin

't geween den vreugdekreet te ras verstommen deed? Houdt ge niet van

die kraamvertrekken waarin zich alles bevindt wat daar gewenscht kan

worden, behalve zij, die 't kindje liefhad vóórdat ze 't zag, en voor

't pandje waakte eer ze 't aan den boezem kon drukken....? Misschien,

omdat ge óók een zuster of vriendin hebt liefgehad, die leven voor

leven ruilde; wier graf ge nog somwijlen bezoekt met het kind dat

háár nooit kende? Man en vader! leest ge er niet gaarne van, omdat

de herinnering aan dien donkeren levensdag u 't harte opnieuw met

weemoed vervult? O! wanneer een goede geest uw leven dooraâmt en

willig in 't lijden berusten doet, dan, ja, dán treedt ge toch nog

wel gaarne met ons een kleinere woning binnen, waar de hangklok--aan

beide kanten met een fraaie pauweveer versierd--aan den wand tikt. Gij

volgt ons gaarne, en ziet er--de teenen wieg, waarin de bonte prop met

het vuurroode kopje ligt, terwijl de man bij den zeer hoogen steenen

vuurmand gezeten--die van boven met spek en ham gevuld is--de roode

en witte luiers keert, nu eens den jongen, den "lekkeren apekop,"

met een "Goddank!" beschouwende, terwijl hij dan weder den appel,

die in den heeten gloed pruttelt, wendt, om er moeder de vrouw,

als ze wakker wordt, eens even van te laten proeven.

Zie, daar komt beweging in de teenen wieg; twee ronde knuistjes

werken naar boven; de man bespeurt het: plaatst terstond den voet op

de wiegetree, en doet al zijn best om den kleine in slaap te houden,

want: "Geertje is nog slap, en rust is haar noodig."

Maar neen, de prop met het roode kopje leeft, en wil leven. Hoor,

't gekraai klinkt door het kleine vertrek. Zie, ook in de bedstede

dáár in dien hoek, roert zich de slapende. "Heija! heisa! suja, suja,

deine!" zingt Peter zacht, terwijl hij de slaapplaats van 't jongske

zoo snel mogelijk doet heen en weder gaan. 't Baat niet; 't gekraai

wordt schreeuwen. Geertje blikt naar de wieg; roept haar echtvriend

toe: "Kom, Peter, geef 't ventje maar hier!" en Peter zegt: "Nou,

mopske! er uut maar!" en 't levende rolletje tilt hij omhoog; drukt het

roode hoofdje tegen zijn gebruinde wang; legt het daarna in den arm der

moeder, en terwijl Peter zich zijdelings op den bedsteerand nederzet,

mokkelt Geertje haar krijtend jongske en--als Peter op Geertje en

Franske nederziet, en later naar de bedstee-zoldering blikt met een

innig "Goddank!" dan pruttelt en sist de appel sterker; dan tikt de

hangklok als altijd, en, klokt het tevens in de bedstee. 't Jongske

klokt aan de moederborst, Peter wrijft zich de handen. 't Is leven

in dat kraamvertrek; alles geluk en leven!

Weinige dagen nadat wij de beide kraamvertrekken bezochten, trad de

jonge moeder, Geertje Willems, haar woning uit.

't Was buiten warm, en bovendien had Geertje zich zoo toegestopt

dat ze met gerustheid de wandeling kon maken waartoe ze werd

uitgenoodigd. Al verzelde Peter haar niet, omdat zijn bezigheden

hem op het veld riepen, toch was Geertje niet alleen, want, ze droeg

den kleinen springer op haar arm, 't kind waarvan zij, _zij-zelve_,

en voor de eerste maal--moeder was.

Moeder Geertje had er weinig voldoening van dat ze reeds den

zevenden dag na de groote gebeurtenis, met haar zoontje op den arm

door 't dorp liep, want zij ontmoette er niet één bekende, en de

molenaar, die haar even buiten het dorp voorbijreed, riep simpel:

"Dag vrouw Willems!"--Heere m'n tijd! alsof er niets bijzonders

gebeurd ware! alsof hij niet eens wist dat ze een jongen had, en hij

't lieve kind, dat ze onder den doek droeg, voor een roggebrood hield!

Intusschen vervolgde Geertje haar weg, en hield eindelijk voor het

geopende hek van een buitenplaats stil, op welks posten "_Land-heil_"

te lezen stond.

--Hier is 't, dacht Geertje, en het hek binnentredende liep ze op de

huisdeur toe, en schelde.

Na verscheidene minuten te hebben gewacht, werd de deur eindelijk

geopend door een knecht, die vrouw Geertje vraagde, wat zij verlangde,

er bijvoegende: "'k Dacht dat je de ezelin waart, en daarom heb je

wat langer gestaan."

"De dokter heeft mij gezonden," antwoordde Geertje: "Ik heet vrouw

Willems, en zou den jongenheer.... u weet wel."

"Ha! zoo!" zei de knecht, terwijl hij met zijn linkeroog knipte:

"dan sloeg ik den bal toch zoo geheel niet mis. Wil je maar binnen

komen? Zóó, 'k zal 't aan de baker en mijnheer zeggen."

Hij zal het aan de baker en aan mijnheer zeggen!

't Zal dus hier de woning zijn....

Ja wel, 't is hier de woning, waarin God een kind gaf, doch waaruit

Hij de moeder tot zich nam.

Zie buiten voor de huisdeur zult gij nog de sporen van verscheidene

rijtuigen ontdekken, die weinige dagen geleden om het gazon reden. 't

Is moeielijk te onderscheiden, maar toch, één dier sporen liet het

groote zwarte rijtuig na, dat uit de naburige stad reeds vroegtijdig

naar het dorp werd gezonden; het vreemde rijtuig, dat veel bekijks

had, en waarvan de voerman--volgens de verklaring van eenige

boerenjongens--er uit had gezien alsof hij de duivel in eigen persoon

was; het zwarte rijtuig, dat een gade had weggevoerd uit de armen

van een haar aanbiddenden echtgenoot: weg van het teedere pandje,

dat ze aan de zorg van andere vrouwen moest achterlaten; weg van de

plaats waar ze een kortstondig "_land-heil_" smaakte, om reeds in

jeugdigen leeftijd, een oord van hooger en eeuwig heil binnen te gaan.

En weinige oogenblikken nadat Geertje den drempel der rijke woning

betrad, bevond zij zich reeds binnen de kraamkamer. De zwaarlijvige

vrouw knikte haar vriendelijk toe en gaf haar een stoel. Een heer

die zeer bleek zag, zeide: "Dag, vrouwtje!" en keek toen plotseling

naar een anderen kant; waarna de baker fluisterde, dat vrouw Willems

't zeker wel gehoord zou hebben....?

--Ja wel.

--En of ze dan genegen nou zijn om....?

--Ja wel.

--En of ze dan haar eigen jongske pap zou voeren? want dat ze zeker

voor twee niet genoeg....

Maar, neen, lieve Hemel, neen! Franske om een ander te kort te doen,

dat kon in 't geheel niet. Met Gods hulp zou ze beiden het noodige

verschaffen. Met Gods hulp! eerstens omdat ze medelijden met het

moederlooze kind had, en tweedens omdat de tijden slecht, ja, bitter

slecht waren.

En de baker nam toen den kleinen Willem uit de ijzeren wieg; en

Geertje sloeg den doek op waaronder haar jongske lag.

Wat zag dat jongeheertje flauw en bleek en min!

Wat zag Franske vol en rood en stevig!

En moeder Geertje kon een traan niet weerhouden toen ze dien schralen

stakker zag; den stakker die geen moeder had en gebrek lee. Zij gaf

haar goffert aan de dikke vrouw; nam het andere wicht, dat pijnlijk

kreet, in haar armen; maakte eenige haken van haar bonten jak los,

en--toen het kort daarop in de rijke kraamkamer klokte zooals Peter

het in de bedstede gehoord had, toen stond de bleeke heer met den blik

strak op zijn zoontje gevestigd, voor de vrouw, die in de rechten

eener onvergetelijke gade was getreden. En, een nare kreet klonk

er door het vertrek: die aanblik was te smartelijk voor den verlaten

echtvriend; hij snelde ter deure uit; maar toch, zijn zoontje klokte en

klokte voort; en toen het kind ten laatste verkwikt de oogjes sloot,

toen was het alsof er een dankbaar lachje om zijn lipjes speelde;

immers _hij_ wist het niet dat de boezem waaraan hij was ingeslapen,

niet de boezem _zijner_ moeder was.

Weder nam de zwaarlijvige den kleinen Willem; en weder nam Geertje haar

Franske; ook hém gaf ze te genieten, en vóór ze heenging drukte zij

het mondje van haar dikke mopske op de lipjes van het schrale heertje,

en 't was toen alsof die slapende kinderen beiden lachten.... lachten

als broeders van denzelfden boezem.

Gods zegen ontbrak aan moeder Geertje niet; en ofschoon ze haar

Helper dankte, toch was ze trotsch, dat ze haar eigen kind tegelijk

met den jongenheer van "_Land-heil_," een heel eind over 't jaar

had heengebracht.

Neen, zij was niet ijdel de eenvoudige vrouw, maar toch, ze kon het

zich niet ontveinzen dat ze wel iets voornaams gevoelde, toen ze,

na verloop van een paar jaren die beide kinderen "alsof zij van

éénen tuk" waren, door het gras zag rollen, of in 't zand spartelen,

terwijl haar Franske 't jongeheertje maar glad weg "Wimpje" noemde. Zij

had er toch voldoening van, dat het zoontje van den rijken heer haar

altijd zoo vroolijk te gemoet huppelde wanneer ze 't hek binnenkwam,

en zich blijde toonde, blijder nog dan wanneer hij aan de hand van

den steeds diep bedroefden vader voortliep. Ze had er voldoening van,

al gevoelde zij ook het diepste medelijden--medelijden met den rijken,

maar tevens zoo armen eigenaar van "_Land-heil_."

Zij noemde den rijken man _arm_, omdat hij de vrouw miste, die hij

zoo innig had lief gehad; zij noemde hem arm, niet vermoedende dat,

nauw vier jaren na den zaligen trouwdag, ook zij arm zou wezen:

arm! nog armer dan de vader van haar voedsterzoon; want--Geertje zou

weduwe worden; den man dien zij als haar leven beminde, haar steun

en kostwinner zou ze verliezen.

Schrikkelijk lot dat haar te wachten stond! En toch, 't gebeurde zoo.

Ja, de arme vrouw weende bittere tranen, toen zij het stoffelijk

overschot van haar braven Peter naar den stillen Godsakker had

vergezeld en tot het bewustzijn kwam, dat zij nu alleen stond,

alleen! om te zorgen voor zich zelve en voor haar lieven knaap.

Zie, daar bedekt ook zij met de beide handen het aangezicht, en

jammert: "O God! o God!" en ze stoot den kleinen jongen van zich af,

die onschuldig vraagt: "Of vader haast weerkomt?" Doch nu.... 't

geween van den ontstelden knaap wekt haar; het kind dat ze van zich

afstiet, trekt ze weder tot zich; neemt het in haar armen, sust en

streelt het, en terwijl ze ten laatste den blik door het venster naar

den hemel slaat, voelt zij zich gesterkt door den geest van Hem, dien

ze daareven zoo klagend aanriep; en roept ze: "Franske! Franske! God

zal ons niet verlaten! Je vader, mijn jongen, zei nog kort vóór zijn

heengaan: God is een helper van weduwen en weezen."

Niet tevergeefs had zij op den bijstand des Eeuwigen gerekend, want de

man die het behoud van zijn kind, naast God, aan haar moest danken,

hij nam de arme vrouw met liefde in zijne woning op en gaf aan hare

zorg zijn jongen over, die jubelde dat Geertje-vrouw altijd bij hem

zou blijven, dat Franske niet weder zou heengaan: Franske niet wien

hij zoo gaarne rolde, zoo gaarne huisjes bouwde en steentjes zocht

of bloempjes plukte.

Lezer! de jaren uwer kindsheid zijn voorbijgegaan. Die jaren, zij

staan u doffer of levendiger voor den geest naarmate uw geheugen

zwakker of sterker is. Maar 't zij dan in minder of meerdere mate,

toch herinnert gij u levendig enkele voorvallen of oogenblikken,

als lichtpunten in een nevelachtig verleden.

Gij stondt aan den schoot uwer moeder, die er zoo lief en zoo goedig

uitzag. Gij bevondt u in een onmetelijk en onbegrijpelijk groot

gebouw, naast diezelfde moeder gezeten, of wel naast eene, die men

uw kindermeid noemde, en hoordet ontelbare menschen luide zingen,

terwijl een man, in een groot hokje geplaatst, zonder ophouden en

zeer langdurig sprak; men gaf u pepermuntjes en gij vreesdet _altijd_

daar te zullen blijven. Gij hebt geloopen met een grooten appel in den

zak, lang, zeer lang, en hebt er telkens met uw nageltjes een keepje

uitgeplukt; eenigen tijd later hebt ge... iets pijnlijks gevoeld

en--bitter gehuild; de appel lag, als van de pokken geschonden,

verre van u op eene tafel, en--uw oogen deden zeer toen gij er naar

zaagt. Gij waart... doch neen, gij herinnert u reeds méér dan wij

bij u in 't geheugen zouden kunnen terugroepen, en terwijl ge in

gedachten het kleine litteeken beziet dat ge nog aan uw hand hebt--op

dien _middag_ met dat _pennemes_!--denkt ge, waar zijn ze toch die

dagen der jonkheid...? Hoe schromelijk is alles veranderd! En _ik_,

ben _ik_ nog dezelfde gebleven?

"Waar zijn ze toch die dagen? Wat is alles veranderd!"

Die woorden werden ook geuit door een persoon, die wel is waar de twee

kruisjes nauwelijks achter den rug had, doch niettemin met recht zoo

spreken kon.

En hij, die de gezegde woorden binnensmonds sprak, stond achter de

toonbank eener kleine komenij-winkel in de groote hoofdstad, en blikte

langs stijfsel- en kandij- en blauwselflesschen--waartusschen kleine

broodjes en hompen kaas, benevens zwavelstokken en stukken pruimtabak

op planken voor het venster lagen--in een schuine richting naar boven,

en zag, tusschen twee hooge schoorsteenen van huizen aan de overzijde

henen, juist zóóveel van Gods lieven hemel, dat een pond vieren kaarsen

daartusschen gehangen, het schoon geheel en al zou benomen hebben.

Ja, Lezer, ofschoon gij u-zelven gaarne hoort toevoegen, dat gij

er oneindig veel beter--en zelfs jonger--uitziet dan voor zóóveel

jaren! toch verwondert gij u telkens, indien ge A. of B. zoo véél

verouderd terugziet, en den persoon, die alles veranderd vindt,

zult ook gij niet herkennen, want, Franske Willems hebt ge maar een

paar malen gezien, en wel toen 't een onnoozel ventje was. Frans

Willems stond daar, en de blauwe hemelstreep herinnerde hem aan de

heerlijke dagen der kindsheid, toen hij dat blauw altijd hoog boven

en rondom zich zag; toen hij vrij door de boschjes van "_Land-heil_"

dartelde, de geuren van rozen en anjers of boekweitvelden inademde,

terwijl hij nu--en dat reeds sedert meer dan tien jaren--door het

kleine winkeltje kon dartelen, langs zeep en olievaatjes huppelen,

en stokvisch benevens kaarsvet-geuren mocht inademen.

Hij stond daar, en een paar tranen welden hem op in de oogen, toen

hij aan de schoone beelden dacht die hem uit de jonkheid voor den

geest kwamen.

Ja, veel herinnerde zich Frans uit die snel en reeds lang vervlogen

dagen; en, van alles wat hij zich te binnen kon brengen, stonden

de eigenaar van "_Land-heil_" en diens lieve zoon, zijn zoogbroeder

Willem, hem het duidelijkst voor den geest. De bleeke heer, die altijd

zoo vriendelijk en gul was, en hem op zekeren dag een fraai hobbelpaard

schonk, juist als Wimpje er een gekregen had; een hobbelpaard,

waarmee hij op de kinderkamer, bij slecht weder, naast zijn vriend,

de heele wereld rondreisde tot aan de Oost toe, terwijl moeder kousen

maasde. De bleeke heer, die meestal tranen in de oogen had wanneer

hij Wimpje aanzag, en dien hij eindelijk had zien liggen, nog veel

bleeker dan gewoonlijk, heel netjes op een bed; maar zonder iemand

te antwoorden, zelfs moeder Geertje niet, die schrikkelijk gehuild

had; en ook Wimpje niet, die "Papa! Papa!" had geroepen, en daarna

eveneens had gehuild, totdat hij--Frans--omdat ze allemaal huilden,

eindelijk ook erg verdrietig was geworden.

Behalve dat, herinnerde zich Frans: hoe een heer met een mooie jas

aan,--waaraan veel goud zat, en dien hij vroeger reeds eenige malen

bewonderde--ook bij het bed waarop de bleeke heer lag, had gestaan;

hoe de mooie heer zich aan het haar had getrokken, dat hem onder den

neus groeide, en, in plaats van óók te huilen, den mond had opgetrokken

alsof hij lachte.

Ook herinnerde hij zich--nog levendiger dan het gemelde--hoe, weinige

dagen later, de gouden heer zeer leelijke gezichten had getrokken,

en van donder en bliksem had gesproken, hoewel er toch volstrekt

geen onweer geweest was; hoe moeder Geertje daarop heel aangedaan was

geworden, en--ja, die woorden vergat hij niet--had uitgeroepen: "God

weet het, dat ik den goeden Heer Van Male eenmaal plechtig beloofde

steeds voor zijn kind te zullen zorgen, terwijl hij mij gewis een

bestaan zou hebben verzekerd, zoo niet de dood hem verrast had!" waarop

de gouden heer, ijselijk boos: "Dat dondert niet!" had geantwoord.

En, waarlijk, het had ook niet gedonderd; maar wel had het

karretje schrikkelijk over de keien gerommeld, waarmede Franske,

weder een paar dagen later, met moeder het hek van "_Land-heil_"

was uitgereden,--nadat _hij_ en moeder en ook het kleine Wimpje,

elkander dikwijls hadden gekust, en zij met hun drieën ook weder

hadden gehuild, misschien nog erger dan toen mijnheer Van Male zoo

schrikkelijk bleek te bed lag.

Hemel! hoe geheel anders was alles sinds dien rit met dat karretje

geworden! De lezer zag reeds waar Frans belandde, en 't heette nog

om Godswil dat de oude Schorel--de komenijman--den jongen in zijn

huisje ontving. Geertjes oude moeder, die, ofschoon zelve behoeftig,

geen oogenblik had geaarzeld om haar ongelukkige dochter op te nemen,

verzekerde evenwel dat Schorel, dien zij van jaren herwaarts kende,

zijn menschlievendheid nimmer zoover zou hebben uitgestrekt, indien

hij niet had berekend dat het liefdewerk hem ten slotte voordeel

zou aanbrengen.

Had Schorel immer wél gerekend, dan deed hij zulks toen hij de winsten

naging, die drie boterhammetjes en een bord middageten per dag,

hem zouden opleveren.

Zoo'n jongen, goed gedresseerd, wat zou hij niet binnen korten

tijd een voordeel aanbrengen en gemak bezorgen! De knecht die toch,

behalve den kost, een gulden in de week verdiende, zou weldra kunnen

gemist worden, terwijl zoo'n kind, 't welk men aan zich verplichtte,

bovendien beter te vertrouwen was.

Nauwelijks was Frans veertien jaren oud, toen hij reeds de rechterhand

van zijn baas mocht genoemd worden. 't Kwam er weinig op aan dat

de jongen erg uit zijn kracht groeide: beuren en slepen moest hij,

ruim zoo veel als Kees de knecht zulks vroeger gedaan had.

Op het oogenblik dat wij Frans wedervonden, was de affaire reeds

voor het grootste deel aan zijne zorg toevertrouwd. Schorel stond

zijn zeventigste jaar in te treden, en werd met iedere zon, die boven

zijn komenij ronddraaide, niet alleen gemakkelijker voor zich zelven,

maar ook lastiger voor anderen, inzonderheid voor den knaap, die

"alles, letterlijk alles aan hem verplicht was."

Niet tevreden dat hij den jongen in den winkel drilde en bedilde,

zoodat Frans somwijlen op één morgen de mosterdpotjes, of de bossen

stokvisch driemaal een andere plaats moest geven, en gedurig scherpe

verwijtingen moest aanhooren over de roekeloosheid waarmee hij

doorslag gaf, stond Frans ook aan de bespiedende blikken van zijn

weldoener bloot, wanneer deze in het kamertje naast den winkel zat

en gestadig door het kleine raampje gluurde, niet zelden met zijn

kneukels tegen het glas tikkende om den jongen tot zich te roepen,

dien hij dan weder met een bevel van nullerwaarde terugzond.

Maar, al had Frans een slaafsch en moeielijk leven; al had hij voor al

zijn werken geen ander loon dan kost en huisvesting, benevens nu en dan

eenige oude kleedingstukken van den grommenden en tevens wantrouwenden

weldoener; al had hij reeds sinds eenige jaren elders gemakkelijk

iets kunnen verdienen om zijn arme moeder--nadat grootmoeder vóór

ruim tien maanden gestorven was--in haar behoeften te hulp te komen,

hij getroostte zich alles, en durfde Schorel, althans tot nu toe, om

geen geldelijke belooning aanspreken. Ten eerste: omdat deze hem zoo

herhaalde en ontelbare malen aan zijn groote verplichtingen herinnerde,

en ten andere dewijl Frans bij de weigering om het gevraagde, een

storm voorzag, die hem uit de woning zou verjagen, waarin er zich

nog eene bevond.... eene.... die.... die.... nooit grommig zag, maar

altijd vriendelijk; eene, die nooit drilde of bedilde, maar steeds

met liefderijke zachtheid onaangenaamheden zocht te voorkomen of uit

den weg te ruimen; eene die niet één trek van den komenijman in haar

gelaat had, ofschoon ze toch zijn eigen kind was; eene, die oogen

had, blauwer dan blauwsel; die blanker was dan de blankste stijfsel;

zoeter dan suiker; zachter dan zeep; wier gemoed reiner was dan eenig

lijnwaad met die extra puike zeep gewasschen, en op wier voorhoofd

een gloed van helderheid lag, een helderheid waardoor het koperen

vijfons werd verduisterd, zelfs, wanneer het juist van onder den

poetslap te voorschijn kwam.

Mathilde.... in de wandeling Thilde, bij heldere lucht Thilletje,

en bij zonsverduistering Thilda, was Schorels eenige spruit uit een

huwelijk, waar hij, volgens zijn eigen verklaring, op vijftigjarigen

leeftijd bij abuis was ingeloopen.

Er zijn oogenblikken waarin de verstandigste mensch als een dwaas

handelt, en, in eigen oogen had Schorel méér dan dwaas gehandeld toen

hij, om een luttel kapitaaltje te verkrijgen, eene vrouw nam, die den

interest van dat kapitaaltje gedurende een driejarig verblijf als

huisvrouw in zijne woning, met het kind dat zij ter wereld bracht

en 't welk hij nu reeds achttien jaar voor zijne rekening had,

"ruimschoots had opgegeten of zoek gemaakt."

Was het dan om "de verplichting" in de eerste plaats, toch was de

tweede oorzaak waarom Frans duldde en bleef, niet de geringste;

want, behalve zijn moeder, die hij maar zelden kon bezoeken, was

datzelfde meisje, het eenige wezen dat hij liefhad, in die groote

stad... Lief...? Ja, dát was immers liefhebben, wanneer men 't hart

voelde kloppen zoodra men aan haar dacht; een kleur kreeg wanneer

men zich met haar geheel alleen in de kamer bevond; zoo raar werd

wanneer een ander heel vriendelijk tegen haar was, en toch wel had

willen sterven als zij maar gelukkig werd...?

Ja, Frans had Mathilde lief, en de kleine blonde voelde óók wel

eens 't hartje kloppen, en wist óók wel wat kleuren was, en--Maar

Hemel! vader Schorel zat daar,--en wat keek hij weer grommig, en--wat

gluurde hij door 't winkelraampje naar den bediende zonder loon. Zie,

daar stond hij eensklaps op; tikte vervaarlijk hard op het glas, en

liep toen zoo gezwind mogelijk den winkel binnen... Hé! wat zou er

gebeurd zijn..? Frans had daareven nog in den winkel gestaan, vóór

het raam, en nu... neen, hij was er niet meer. Vader Schorel stond

op de stoep, en zag rechts en links de steeg door, nu eens zijn bril

dicht voor de grauwe oogen drukkende, dan weder er onder doorziende;

maar half woedend trad hij weinige oogenblikken later in het vertrekje

terug, bevende van kwaadheid, uitroepende: "Waar de ondankbare ezel

nu gebleven is mag de Hemel weten! Is dát op mijn winkel passen;

is dat voor mijn belangen waken!? 't Is een ondankbare schelm; dat

is ie!" En weer ging hij naar den winkel, en weer ging hij kijken

op de stoep, doch er was juist veel volk en veel gerij in de steeg,

en ook--de oogen van baas Schorel waren de oogen van vroeger niet meer.

Frans, dien wij met zijne herinneringen voor het venster lieten, mocht

nog eenigen tijd zoo in de blauwe luchtstreep hebben getuurd, toen een

buitengewone drukte vóór de winkeldeur zijne opmerkzaamheid had gewekt.

't Waren twee rijtuigen die elkander in de nauwe steeg voorbij moesten,

terwijl een aschkar benevens een kruiwagen met oudroest, den geregelden

doortocht belemmerden.

Frans zag, hoe de Israëliet met den kruiwagen een vervaarlijk gezicht

tegen den vigilante-man trok, en al zijn krachten inspande om het

nederig voertuig met het rad op een stoep te beuren, en hoorde,

hoe de aschman op den anderen voerman schold, hem de "stommeteit"

verwijtende waarmede hij in zoo'n nauw sloppie maar toereed, zonder

te bedenken dat 'r noodwendig geharmel zou komen.

Zooals gewoonlijk bij zulke voertuig-verstoppingen, kozen

de voetgangers, die liefst in geen aanraking met vigilante of

kar-raderen kwamen, hier een keldertrap en dáár een stoep, tot de

paarden- en wagenknoop zou zijn losgewerkt: en zie, juist had Frans

een meelijdenden blik op den armen Israëliet geslagen, die riep dat het

"altijd phik op de nhasie was!" toen hij een achterhoofd te zien kreeg,

waarop een hoed stond, en langzamerhand drie kwart van een neus, daarna

een magere bleeke wang, totdat hij eindelijk een gelaat en profiel

voor zich had: dat hem.... herinnerde.... maar neen.... en toch.... ja,

toch....--'t Gezicht van Frans kreeg een andere uitdrukking; de oogen

werden kleiner; langs de neusvleugels vertoonden zich ronde lijnen,

de mondhoeken werkten naar boven, en juist op het oogenblik dat hij:

"Ja, ja, hij is het!" riep, reed de eene vigilante ongehinderd rechts,

en de andere links; smeet de aschman een paar huizen verder den

vuilnisbak in zijn wagen; raapte de Israëliet een paar verroeste

voetangels benevens een dito ketting van de straat op, om straks

grommende zijn spijkers mede uit het straatvuil te redden, en--wipte

de persoon dien Frans aan zijn profiel meende herkend te hebben,

het winkelstoepje weder af, om insgelijks zijn weg te vervolgen.

Geen vijf seconden later weerkaatste de aschkar een geroep van:

"Hei! hei!" 't welk langs het achterhoofd met den hoed in des eigenaars

ooren klonk en hem onwillekeurig deed stilstaan.

"Hei! hei!" riep Frans nogmaals en, toen hij den omzienden persoon nu

vlak in het aangezicht zag, toen werden de oogen nog veel kleiner,

en de lijnen naast de neusvleugels nog veel ronder, en werkten de

mondhoeken nog sterker naar boven, en stotterde hij: "Zou het waarheid

zijn.... zou ik mij niet bedriegen, dat jij.... dat u.... mijnheer

Wimpje bent?"

De vermoedelijke mijnheer Wimpje, beschouwde den zenuwachtig lachenden

vrager alsof hij een krankzinnige voor zich had en een paar schreden

achteruitgaande, sprak hij, terwijl er op zijn gelaat bijna iets

angstigs te lezen was: "Mensch! wie ben je.... Ik ken je niet."

"Ken je mij niet.... Kent u Frans dan niet meer?" zei de zoon van

Geertje: "Och! ik heb zoo duizenden malen gewenscht dat ik u eens

mocht weerzien. Och Mijnheer Wimpje! ik beef van blijdschap."

"Maar de d..... mag mij halen als ik weet wie je bent," hernam de

bleeke jonkman, terwijl hij ter zijde ging om den ratel van den

aschman te ontwijken.

"Frans! wel! wie anders dan Frans!" riep de opgetogen komenij-bediende:

"Neen, ik bedrieg mij niet, u bent wel dezelfde, die evenals moeder en

ik huilde toen wij, nu reeds méér dan tien jaren geleden, van elkander

moesten scheiden; dezelfde met wien ik lezen en schrijven en rekenen

leerde.... ja ik zie het aan dat litteeken dáárboven aan 't voorhoofd,

dat u mijnheer Wimpje bent dien ik uit de vuil-linnenkist verloste,

toen--och! u weet wel--het deksel was dichtgeslagen en niemand het

wist, en je bijna zoudt gestikt zijn."

"Hé! ben jij dan misschien, dat jongetje....?"

"Ja wel, ja juist. Och, lieve hemel! weet u het nu?" riep de verrukte

Frans weder: "mijne moeder heeft u te gelijk met mij gezoogd; ja,

nog altijd spreekt zij van u; en ik...."

"Hola vrindje! bedaar wat!" zeide de bleeke jonkman, die het

schrikkelijk _commun_ vond om, ten aanhoore van eenige voorbijgangers,

aan zulk een min fatsoenlijke zoogerij herinnerd te worden, en tevens

de beweging van den jongen met het glimmende winkelschortje bespeurde,

gereed om hem de hand te drukken: "Hola! daar zijn zooveel jaren over

heengegaan en, je ziet wel dat ik je 's gelijke niet ben."

Geheel anders dan voor weinige oogenblikken stond het gelaat van den

armen zoogbroeder; 't was alsof hem de tranen in de oogen kwamen;

althans, zijn helderbruine kijkers zagen er uit als de dagen vóór

Kerstmis; en de reeds uitgestrekte hand schielijk terugtrekkende,

stamelde hij verslagen: "Och vergeef mij!.... maar zie.... ik was

zoo verheugd; ik had zoo ontèlbare malen aan u gedacht, en telkens

wanneer ik moeder bezocht, met haar van u gesproken.... en waar u toch

gebleven zoudt zijn, want op de drie brieven die ze naar _Land-heil_

zond, kwam in 't geheel geen antwoord. Och! Wimp.... Mijnheer

W.... neem mij niet kwalijk, maar ik was zoo verblijd, zoo

verrast.... zoo.... zoo...." doch inderdaad drong nu het weemoedig

nat de oogleden uit, en de bleeke jonkman, die zijn positie lastig

vond--te meer daar eenige straatjongens met de handen op den rug het

drama stonden aan te gapen,--maar toch iets voelde trillen van binnen,

vraagde haastig:

"Ben je arm, vrindje?"

"Neen.... God zij dank!.... neen!" antwoordde Frans. "Ik heb mijn

brood; en.... moeder.... Ja, God zal moeder ook wel helpen als ze

maar gezond blijft."

Een wagen met ijzeren staven, die juist voorbijreed, maakte het den

straatjongens onmogelijk om verder te hooren wat Frans zeide, evenmin

als zij konden verstaan wat de bleeke jonkman sprak toen hij Frans

iets toereikte; maar, wel zag er één, dat Frans gek genoeg was om nu op

zijne beurt de hand thuis te houden, totdat een rommelende boerenwagen

hen allen uiteenjoeg, en zij--bij het weder verzamelen--slechts één

van de twee personen meer zagen; hem, die zich Frans noemde--die

rondkeek, even vreemd als de jongens, om te ontdekken waar de ander

gebleven was, en die eindelijk, telkens omziende en weer omziende,

naar den winkel terugkeerde, om er, vol als hij reeds was, door zijn

weldoener overvol gemaakt te worden.

Inderdaad was de jongen nauwelijks de winkeldeur binnen, of hij voelde

een uiterst verplichtenden draai om zijn hoofd, terwijl een aantal

woordjes van een negatief-vleiende beteekenis hem in de ooren klonken.

"Moet je weer, zooals altijd en eeuwig, je plicht en je verplichting

vergeten.... zeg....?"

"Vergeef mij baas Schorel, ik was...."

"Een luiaard, een onverschillige, dát was je, ja! en dat ben je nog! Is

dat de dank voor al mijn goedheid? Heb ik je niet honderd duizend en

nog eens honderd duizend malen gezegd, dat de affaire een kind is, een

heel klein kind, waarop gepast moet worden; gepast, zonder 't zelfs

het duizendste gedeelte eener seconde uit het oog te verliezen? En

dan, de steeg inloopen, nietwaar....? en de Hemel weet wát de deur

uitdragen....? We kennen die loopjes; en dan nog scheeve en fijne

gezichten zetten! Zeg....! is dat dankbaarheid....? Zeg....? Neen

dat's verregaande, _verregaande_ en vermetele ondank! Ik zal...."

"Maar hoor dan meester!.... ik zag ook.... ik wilde...."

"Wat! wat! je moet niet zien, niets dan 't geen je te doen hebt;

en _willen_, niets dan 't geen _ik wil_, hoor je?"

Dat laatste "hoor je," waarmede Schorel naar zijn winkelkamertje

terugging, was dermate krachtig, dat Frans het niet waagde een woord

meer te antwoorden; hij zette zich achter de toonbank; ging onsjes

tabak afwegen--van 't soort dat _verschrikkelijk_ moet ruiken als

't bevallen zal--en, al stond Frans met den rug naar zijn meester

gekeerd, hij voelde diens blikken als langs hem heenglijden, zoodat

hij door een geheimzinnige kracht zijn vingers bewoog, en telkens van

een afgewogen onsje tabak, dat op de schaal lag, een greepje terugnam

en in de ronde doos wierp.

Frans zuchtte in den winkel. Meester Schorel gluurde door zijn raampje,

en vraagde alras: "Zee je wat Thilda?" waarop de gevraagde: "Neen

vader!" antwoordde, en ze had ook niets gezegd, maar halfluid gedacht:

"Arme Frans!"

't Was in den avond van den vierden dag na het laatst verhaalde, dat

eene vrouw, armoedig, doch rein gekleed, Schorels winkel binnentrad.

Frans was om een boodschap gezonden, en de komenijman, die dus zelf

de wacht moest houden, kwam voor.

"Ha! zoo! ben jij het vrouw Willems! moet je weer 't een en ander?"

"Och, neen," was het antwoord van Willems zoogmoeder, die wij na

zooveel jaren heel wat veranderd, dat is: verouderd, vermagerd en

verbleekt wederzien: "Ik moet mijn Frans, mijn jongen, noodzakelijk

spreken. Ik ben er puur van geschrikt, dat ben ik, ik wist niet wat

het was, en waar 't van daan komt, weet ik nog niet. 't Is van belang!"

"Waar 't vandaan komt....! Van belang....?" zeide Schorel, en achter

zijn brilleglazen blonken een paar dingen als gewasschen krenten.

"Ja waarlijk baas Schorel," hernam de weduwvrouw: "reeds had ik het

waschgoed uiteengezocht, toen ik, zonder erg, nogmaals het boezeroentje

opnam, en u kunt begrijpen, ik stond te kijken alsof ik droomde. Zou

Frans.... zou de goede jongen, zoo dacht ik, mij willen verrassen,

of 't hebben vergeten? Och, maar in elk geval heeft hij het aan uwe

goedheid te danken, baas Schorel! Ei, neem toch niet kwalijk dat ik

wel eens van loon heb gesproken; maar ziet u, ik wist ook niet... en

ja.... de verdiensten zijn zoo gering, en zoo ik niet vier dagen

's weeks vast werk in 't logement had, dan zou het er bitter en

bitter uitzien."

"Maar wat? maar wat toch?!" riep Schorel ongeduldig: "Ik begrijp er

geen woord van."

"Wel, zie dan, zie dan!" sprak vrouw Geertje, en haalde uit haar

zak een papiertje te voorschijn, waarop prentjes staan, waartegen de

meeste menschen, vooral de arme menschen, lachen, o zoo vriendelijk

lachen wanneer zij ze onder de oogen krijgen.

Maar Schorel, neen, hij lachte niet; hij trok een gezicht alsof hem

een duiveltje bij de keel had. Op gevaar van scheuren af, greep hij

het papiertje; trok het der ontstelde vrouw uit de hand, en riep na

eenige oogenblikken van pijnlijke stilte:

"Daar heb je de adder; daar heb je het galgenaas! En dat is jou jongen,

hé! dat is nu die engel van trouw en van deugd, hé....! Vervloekt mag

ik wezen," piepte hij akelig: "vervloekt, zoo dat monster 't mij niet

heeft ontstolen. Hier hier!" en met een zenuwachtig grijnzend gelach

hield de man het muntbiljet van tien gulden omhoog, alsof hij vreesde

dat 't hem weer ontnomen zou worden; liep er het winkelkamertje

mede in, en, nadat er slotgedraai was vernomen, keerde hij weder,

en stotterde, schier berstende van woede:

"Geen uur zal ie langer in mijn huis blijven.... geen minuut.... geen

seconde....!"

Juist op dat oogenblik werd de deur geopend, en kwam Frans schier

bezwijkende onder den last van een vaatje, 't welk hij droeg, den

winkel binnen.

Wij zullen u niet in al zijn kleuren het tooneel schilderen, dat thans

in den winkel ging plaats grijpen! Ge zoudt zeker geen behagen vinden

in 't aanschouwen van een grijsaard die, op een bloot vermoeden alleen,

tot duivelswoede vervoerd werd. Ge zoudt partij willen trekken voor den

armen knaap die, rein van diefstal, geen oogenblik kan vinden om zich

te verontschuldigen, terwijl hij zelf verbaasd is over hetgeen zijn

moeder in een, van hem ter reiniging ontvangen kleedingstuk vond? Ge

zoudt medelijden hebben met eene moeder die jammert, omdat ze niet

_kan_ maar _moet_ gelooven dat het eenig pand harer liefde, het kind

dat ze het goede steeds voor oogen hield, een dief, een onwaardige

is! Afgrijzen zoudt ge gevoelen voor den grijsaard, die zijn eenig kind

een stoot toebrengt, omdat zij den jongen vóórspreekt die niet schuldig

kan zijn, dewijl hij braaf en trouw is, en dien _zij_ lief heeft.

Nog dien zelfden avond volgde Frans zijne moeder, en ze gingen naar

het kleine kamertje, 't welk door de laatste bewoond werd, en ze

konden volstrekt niet spreken, want ach! ze waren zoo bitter bedroefd.

Wat Frans, tot bedaren gekomen, in den aanvang ook giste, de waarheid

vermoedde hij niet; en de moeder allengs meer tot de overtuiging

komende dat haar lieve jongen onschuldig was, toonde hem het

boezeroentje:

"Zie! zóó!" had ze het opgenomen. "Zie zoo!" had ze zonder erg, dat

achterzakje omgekeerd. "Zie je" heeft ze vervolgd: "toen vielen er

twee vertinde spijkertjes uit.... kijk, 'k heb ze nóg in dat kommetje

liggen; maar ook--och, ik had er eerst geen erg in--fladderde het

noodlottige briefje naar beneden, en of ik ook dacht dat 't beter

geweest ware indien je 't in specie had gezonden, omdat het zus of

zoo er in was gebleven en misschien met wasschen verloren gegaan,

ik was toch boven de huizen van blijdschap, en nu...."

Maar Frans legde zijn hoofd in de beide handen, en dacht aan

vergissing; aan vergissing bij 't beuren; of, dat hij gewisseld had;

of, dat het toevallig.... maar neen, dat kon niet; of dat mijnheer

Wimpje--wiens ontmoeting hij aan zijne moeder mededeelde--misschien in

de verwarring.... maar neen, die was veel te onvriendelijk en op een

afstand geweest; of dat Mathilde.... zij.... ja--_zij_ moest het hem

voor een tegemoetkoming daarin hebben gestopt, omdat _zij_ het naar

vond dat hij voor al zijn werken geen stuiver op zak kreeg; maar toch,

van waar kreeg zij 't zelve....? Eén gulden, 't was mogelijk! maar

_tien_! Of zou zij ook....? Maar, neen, neen! oneerlijk! dat kon

niet; de lieve Thilde! neen!--Wat dan....? Frans wist het niet,

en bleef met zijn hoofd in de hand daar zitten, en wist evenmin wat

hij nu moest aanvangen. En moeder wist het ook niet, te meer daar de

nijdige Schorel verklaard had, te zullen waken dat Frans--die schelm

en ondankbare,--niet elders den dief meer zou spelen.

En waarlijk, Frans geloofde dat die oude en zoo wantrouwende man

een geheimen invloed uitoefende, die alle pogingen, welke hij in

het werk stelde om elders een dienst te bekomen--zoo mogelijk een

loondienst--telkens verijdelde. Inderdaad echter lag de oorzaak,

waarom men den knaap overal terugzond, in hemzelven. Waarom? Niet

omdat Frans een ongunstig voorkomen had nog minder omdat hij zijn

woord niet kon doen. Neen, omdat Frans zoo'n last van _kleuren_ had.

"Zoo! wou jij 'en dienst, vrindschap! En ben je bekwaam voor de zaak?"

"Ik vertrouw, mijnheer! dat ik wel voldoen zal."

"Nog al vlug om de klanten te helpen? Vlug in 't rekenen, nooit

vergissen met geld weergeven?"

"Dat schikt genoeg mijnheer."

"Zoo en dat tegen Mei, hé?"

"Liefst Februari mijnheer! maar Mei, als 't niet anders wezen kan"

"En waar heb je 't laatst gediend?"

"Bij meester Schorel mijnheer!"

"Schorel....?"

"Om u te dienen; in de G....steeg. Och mijnheer! die had mij als kind

opgenomen, en ik ben er al gebleven; ook uit dankbaarheid voor kost

en inwoning, weet u."

"Zoo! En waarom ben je daar weggegaan?"

_Een vreeselijke kleur_! en de woorden:

"Ja, ziet u.... meester dacht.... weet u.... dat ik tien gulden... maar

God weet dat ik onschuldig ben."

_Een bedenkelijk gezicht_!

"Ei! zoo! Ja, zie je... ik zal er eens over denken; maar ik geloof

niet dat mijn bediende vertrekken zal, weet je, ik heb eigenlijk geen

directe behoefte.... We zullen zien...."

"Mag ik dan over een paar dagen eens terugkomen?"

"Ja weet je, dat hoeft niet, dan zal ik 't je wel doen weten. Je

woont....?"

"In de D...steeg, Nº. 90."

De deur wordt geopend; een aanwijzende blik om te vertrekken.

"Zooals gezegd is."

"Zal u dan alsjeblief om me denken....?"

"Zooals gezegd is." En de deur valt achter den jongen dicht.... en,

nooit zal hij in dien winkel achter de geldlade staan.

Dat ongelukkig kleuren! wij beklagen hem of haar die er zoo

schrikkelijk veel last van heeft, en bidden ieder: "Veroordeel toch

niet om het kleuren!"

Voor eenige oogenblikken verlaten wij den armen ongelukkigen jongen, om

zijn zoogbroeder Willem Van Male weder te vinden, die in de vroolijke

K...straat sedert eenige weken een paar sierlijke kamers bewoont.

In een fraaien en gemakkelijken _Voltaire_ ligt Willem, en in zijn

hand houdt hij een van die puikproducten der Fransche letterkunde,

een roman van den _grooten_ Paul de Kock!

Hij houdt het boek in zijn handen, maar toch op dit oogenblik leest

hij niet. Hij is ingeslapen; ingeslapen, terwijl de pendule het tweede

uur na den middag doet klinken, en het elfde uur na middernacht den

jongeling nog op zijn legerstede in de armen van den slaap vond.

Hij moet wel zeer vermoeid zijn. Inderdaad, mocht de bleekheid van

den zoogbroeder, den voormaligen speelmakker van Frans, reeds onze

opmerkzaamheid bij de ontmoeting in de G... steeg wekken, nu hij daar

slapende in zijn _Voltaire_ ligt, en zijn gelaat tegen de, met rood

trijp bekleede leuning uitkomt, nu treft ons die doodelijke bleekheid

nog sterker, en merken wij nog meer de magerheid zijner gelaatstrekken

op. Ja, hij moet wel verschrikkelijk vermoeid zijn en afgemat want

zooals hij daar ligt, bleek, mager, met den geopenden mond, is het

waarlijk een gezicht om van te griezelen, en, lezer, gij herinnert u

levendig dien broeder, dien neef of vriend, toen gij hem die laatste

maal zaagt.... gij weet wel, in die kamer waar 't zoo somber was.

En toch, de jongeling slaapt niet zooals een der laatstgenoemden; neen,

zijn geest woont nog in hem, maar ook die geest heeft veel geleden,

ook die heeft vermoeienissen doorgestaan, en is door nijdige prikkels

als afgemarteld. Willem Van Male slaapt. Hij slaapt, het kind door een

paar minnende ouders van God gebeden; het kind dat zijn schat verloor

toen hij zich-zelf niet bewust was: een engel, een wakende moeder;

hij slaapt, de ongelukkige zoon van een vader, die geen kracht bezat

om het leed hem opgelegd, met kalmte te dragen; die wel het kind dat

hij minde, vóór 't scheiden aan de hoede van haar had aanbevolen,

die hij als een trouwe en waardige plaatsvervangster--ofschoon ook

gering naar de wereld--had leeren hoogachten, doch geen voorzorgen

nam om de rechten te doen handhaven, welke hij aan haar tot het

welzijn van _zijn_ kind geschonken had; hij slaapt, de jongeling

die het slachtoffer van hebzucht en zonde moest worden; die, door

God met gaven des geestes bedeeld en met een hart vatbaar vooral wat

edel en goed was begiftigd, gedood moest worden; gedood naar de ziel,

om een lichaam te kunnen vernietigen, welks bestaan een nietswaardigen

bloedverwant om 't bezit van des jongelings geld, een doorn in het oog,

een hinderpaal tegen eigen zondige grootheid was.

Een moord is iets akeligs; een moord in koelen bloede gepleegd, wie

beeft er niet van? Maar een zedelijke moord, die tevens het lichaam

naar den grafkuil voert, een zedelijke moord in koelen bloede, een

moord van dagen en maanden en jaren, wie ijst niet op het denkbeeld

er van; en och! of het getal dier zedelijke moordenaars gering ware,

al steken ze niet allen in een blinkend gewaad van een toegevenden,

vroolijken, maar inderdaad geldzuchtigen voogd!

En wie, wie is hij, die moordenaar?

't Is Joost Van Meerle, de mooie heer met den gouden rok, die bij

Van Males bed stond, en een gezicht zette alsof hij lachte toen deze,

ruim tien jaar geleden, gestorven was. Joost Van Meerle, de zoon van

Adolf Van Meerle, wiens overleden tante een dochter van Willems moeder

was. Joost Van Meerle, die met zijn vader, na Van Males afsterven,

de eenige bloedverwanten--de eenige erfgenamen--van den wees waren,

Joost, die tot voogd werd benoemd terwijl zijn vader de toeziende

voogdijschap zou waarnemen.

Of de oude Van Meerle inderdaad kennis heeft gedragen van de wijze,

waarop zijn zoon zich van de heilige hem opgelegde taak kweet....? Wij

durven zulks niet met _ja_ onderschrijven. Gewis hij ware verplicht

geweest nauwlettend toe te zien; maar.... wij kunnen niet gelooven

dat hij, de grijsaard, zoo eerbiedwaardig van gelaat, een heler der

boosheid zal geweest zijn, en vertrouwen liever dat de oude Van Meerle,

die als gepensionneerd majoor, zijn laatste levensdagen in een stil

Geldersch dorp doorbracht, de geaardheid van zijn eenigen zoon niet

zal verdacht hebben, en een treurig _laissez-faire_ van zijne zijde,

alzoo de moordende voogdijschap van zijn zoon zal hebben bevorderd.

Gij weet het, lezer, wát de zoon beoogde en wáárop hij loerde? Hij,

eerste luitenant zonder vermogen. Willem zijn pupil, en,--erfgenaam

van de, inderdaad niet onaanzienlijke, nalatenschap zijner ouders!

Joost Van Meerle was het geweest die Geertje Willems, in weerwil van

haar dringende beden, haar plechtige verklaringen en waarachtige

rechten, als een gewone dienstbode had weggezonden, om--den armen

wees een liefderijke verpleegster, een wakenden engel te ontrooven,

en, zich zelven van een lastig paar oogen te ontslaan.

_Land-heil_ en al de verdere roerende en onroerende goederen waren

spoedig verkocht geworden, en Willem, die weldra door al het vreemde,

dat hij te zien kreeg, de genoegens en vrienden der eerste jeugd

vergat, volgde zijn neef en voogd naar diens garnizoen, en ontving

er een opvoeding.... zoo pleizierig en vrij, dat wie ook ten nadeele

van neef Joost hadde gesproken, _hij_ steeds als kampvechter voor

hem zou zijn opgetreden.

"Vrijheid! blijheid!" deze zoetklinkende woordjes legden in het

kinderhart een treurig fondament voor degelijkheid en gepasten

ernst! Toch moest er geleerd en--de wereld geblinddoekt worden. Ja,

Willem ging ter schole en kreeg zelfs huislessen; doch, wie

kinderen naar school zendt met de bovengestelde leuze, hij heeft

een achterdeurtje opengezet, waardoor het ontsnappen niet moeielijk

valt. Alles gaat trapsgewijze; en ook de vorming en opleiding van

den jeugdigen neef ging trapsgewijze; maar ach! ze waren zoo heel

ver vanéén die treden--zoodat de opklimming met een gestadig vallen

gepaard ging.

Zoudt ge 't gaarne beschreven zien, hoe de lagen werden gelegd om

den zedelijken moord, bedekt, en toch zéker te plegen? hoe schier

iedere garnizoens-verwisseling van den luitenant, welke Willem--tot

zijn gevolg behoorende--medemaakte, ook een nieuw genot aanbracht,

dat hem al meer ten verderve voerde? Wilt ge hem zien op nog

jeugdigen leeftijd aan de hand der dronkenschap, aan de hand der

verleiding? Neen! gij begeert ze niet in haar naaktheid te zien die

wanden, waarbinnen de steeds glimlachende voogd, louter om de grap,

zijn offer ter slachtbank sleept;--gij wilt het niet, en hebt deernis

met den zoogbroeder van Frans, die, ofschoon door hoogmoed beneveld

en door zijn levenswijze schier vernietigd, toch getoond had hoe zijn

van nature gevoelig hart nog niet geheel in hem verstompt werd. Hij

toch was het geweest die den armen Frans, ofschoon ongaarne verder met

hem in aanraking komende, niet zonder een kleinigheid van zich liet

gaan, en de wagen-confusie in de G.... steeg had te baat genomen om

den armen jongen het muntbiljet in zijn boezeroen-zakje te stoppen,

terwijl hij zich daarna fluks _langs_ een rug, en _bezijden_ den

rommelenden boerenwagen, uit de voeten had gemaakt.

Ja, gij hebt medelijden met den armen knaap, die daar zoo akelig in

zijn _Voltaire_ ligt! Gij hebt medelijden met hem, die, omringd en in

't bezit van alles wat aardsch genot kan aanbrengen, veel armer dan

Frans, zijn arme zoogbroeder is; veel ellendiger dan de ellendigste

bedelaar, die niet zonder God gedankt en Gode zijn geest te hebben

aanbevolen, zich des avonds op zijn hard leger te slapen legt.

De minuutwijzer der fraaie pendule had weder een cirkel beschreven,

toen Willem nog even akelig daar zat, en de kamerdeur werd geopend.

't Was Joost Van Meerle, die binnentrad. Zijn voorkomen, wel verre van

een onaangenamen indruk te maken, had iets flinks, we zouden haast

zeggen: iets edels. Een hoog en helder voorhoofd, zwart krullend

haar, een paar levendige bruine oogen, een fijn besneden neus,

benevens een kleinen mond, die in de gitzwarte knevels en baard als

verscholen lag, vormden een inderdaad niet onbehaaglijk geheel. 't

Is een ontegenzeglijke waarheid, dat er in de zes verschillende

garnizoensplaatsen, waar de luitenant Van Meerle woonde, nog menig

maagdenhartje zuchtte, omdat Van Meerle het geheel beheerschte.

Ach! waarom zijn niet alle booswichten leelijk! en waarom de zwarte,

die roetzwarte harten, niet even zichtbaar als een zwarte krulkop....?

"Wél geslapen, mijn jongen?" roept de luitenant bij het

binnentreden.... doch zie, daar valt zijn slapende pupil hem in

't oog; eenige oogenblikken beschouwt hij hem aandachtig, en 't is

alsof diezelfde lach van vroeger hem weer om den knevel speelt.

"Wat d...." spreekt hij eindelijk (de lezer zal ons voorzeker

dankbaar zijn, indien wij telkens die wederkeerende woorden van

_kracht_(?) achterwege laten) "slaap je nu weer? Mij dunkt,

van vieren tot tienen of elven heb je een heelen deun kunnen

maken. Hei! heila! Willem! is dat luieren; weet je niet dat Napoleon

nooit meer dan zes uren sliep?"

De jonge Van Male ontwaakt. Verbaasd ziet hij op; zijn oogen staan dof,

en ofschoon zijn gelaat er thans niet zoo akelig uitziet als daareven,

toch zijn de oogkassen geteekend, en werken de jukbeenderen naar voren,

en is de gelaatskleur nog even doodelijk wit.

"Ha! neef! bent ú daar!" zegt Van Male, en na vreeselijk te hebben

gegeeuwd, herneemt hij: "Ik weet niet hoe ik zoo loom kom; 't werd

eergisteravond nog later dan gisteren; en toch was ik gisteren op

den dag niet half zoo moe."

"'t Vervelende weer!" roept de voogd: "Zoo'n mistige kou maakt altijd

landziekig.--Zeg, heb je nog van die gele....? Wel, vent! dat frischt

zoo op.--'En fijn avondje gister....!?"

Van Male werpt turf en hout op den haard; gaat naar een buffetkastje,

krijgt het bedoelde citroenbitter met twee glaasjes, schenkt in, en

zich daarna met den voogd bij het vuur zettende zegt hij, in antwoord

op de laatste vraag:

"Dat zou ik meenen; 't was er heerlijk!"

"'k Behoef niet te vragen of de hoofdstad aan neefje bevalt," lacht de

vroolijke voogd: "je treft het vrindje, dat neef hier bekend is.--Wat

zijn je plannen?"

Bah! wij toeven niet langer; wij laten hun plannen vormen, of wel,

wij laten den voogd het zijden net aan den jongen toonen, waarin hij

hem zacht maar zeker denkt te vangen; wij gaan,--en treden eenige

dagen later, het kamertje van Geertje Willems in de D....steeg binnen.

't Is laat, zeer laat; de torenklok heeft reeds lang geleden 't gebrom

doen hooren alsof zij viermalen riep: "Ga--naar--bed!" maar vrouw

Willems heeft nog niet kunnen besluiten om het groote karpet ter zijde

te leggen, 't welk zij moet oplappen voor het logement--waar ze als

werkster driemalen in de week een dag mag helpen--en Frans, die zich,

na zooveel mislukte kruideniersreizen, mede als loopbediende door zijn

moeder den logementhouder liet aanbevelen, maar door de openhartige

mededeeling van het gebeurde bij Schorel, alweder was teleurgesteld,

hij zat nu--omdat het lampje maar spaarzaam brandde--zeer nabij zijn

moeder, en las haar voor uit het Woord des levens.

Eindelijk zweeg Frans, en de moeder bleef ook zwijgen; en het kacheltje

zweeg ook, omdat er geen vonk meer in was, en Frans staarde strak op

het werk zijner moeder, en--zuchtte.

"Kom Frans, eet die snee brood toch op!" zei Geertje eindelijk:

"heb je dan alweer geen honger?"

"Neen moeder, waarlijk, ik heb geen honger," antwoordde de zoon.

"Maar ben je dan ziek mijn jongen?" hernam de werkende vrouw, even

opziende: "Den heelen dag niets dan wat schrale aardappels!.... je

waart anders zoo hongerig wanneer je Zondags eens thuis kwaamt, en

nu sinds den tijd dat je hier bent.... Kom, 'k zou nu die snee maar

eens nemen."

"Neen stellig, ik dank u!" antwoordde Frans, en of het door 't

staren op moeders stopwerk kwam, of door iets anders.... althans,

't werd vochtig in zijne oogen.

"Kom, Frans! wees zoo mal niet!" sprak moeder Geertje weder,

die nogmaals had opgezien, en aan dat vochtige een andere oorzaak

toeschreef: "ik heb immers ook gegeten en al is er voor morgen niet,

je hebt daar straks gelezen: "Aanmerkt de raven, dat zij niet zaaien

noch maaien; welke geen spijskamer noch schuur hebben, en God voedt ze

nochtans: hoeveel gaat gij de vogelen te boven?" Toe Frans, eet maar,

en blijf met mij vertrouwen; vertrouwen met de biddende gedachte,

die mij ook in vroegere jaren kracht schonk: "God is een helper van

weduwen en weezen."

"Maar lieve moeder, hoe kan ik.... hoe mag ik...." klonk nu de

stem van Frans, aan wier bijzondere trilling vrouw Geertje wel kon

bespeuren hoe overvol zijn gemoed was: "Ben ik u niet tot last; is

dat brood niet het brood dat u zuur hebt verdiend? En ik, word _ik_

niet geschuwd en veracht, omdat.... neen, hoewel ik _niet_ schuldig

ben....? Moeder! wat bracht _ik_ u aan? Al meer dan veertien dagen

spaart u 't weinige dat je hebt uit je eigen mond. Moeder! lieve

moeder! dat kan, dat wil ik niet dulden. Bedelen.... neen...! maar

toch, zóó kan het niet blijven. Zeg, moeder.....! wat dunkt

u.....? dienst nemen..... zeg..... of anders...." en de blik van den

armen jongen verkreeg meer helderheid: "of anders.... zooals vader

eertijds deed, werken! werken op het land bij de boeren! naar het

dorp terugkeeren waaraan zooveel heerlijke, maar ook zulke droeve

herinneringen verbonden zijn? Moeder! wat dunkt u! Misschien woont de

zoon van uw weldoener er nog, die _mij_ wel ontweek, doch, zoo hij u

wederzag, wellicht medelijden zou hebben, omdat gij hem zelf gezoogd

hebt. Daarheen gaan, moeder! U met mij; en deze stad verlaten, waar

alles duur is; waar u wel werk hebt, doch waar _ik_ zou moeten bedelen;

waar niets is, niets....!" doch eensklaps hield Frans op met spreken,

en staarde in het flauw brandende lichtje, en wierp het hoofd in de

beide handen terwijl een tranenstroom langs zijne kaken vloeide.

't Kostte der goede moeder heel wat inspanning om haar Frans tot

bedaren te brengen; want ach! zij wist niet dat er wel iets in die

groote stad was, hetwelk den knaap als met krachtige banden binnen

hare muren terughield; zij wist niet dat het kind van den man, die

haar jongen in 't ongeluk bracht, hem dierbaar, zoo onuitsprekelijk

dierbaar was.

Moeder Geertje had haar arbeid gestaakt; ze was diep bewogen; niet

zoozeer om het weinige dat haar deel was, dan wel om de droevige

uitbarsting van haar goeden en miskenden jongen. Met verstand die

pijnlijke gemoedsstemming willende verzachten, sprak ze nog altijd

opbeurende woorden in den geest van haar Meester, "die de armen naar

de wereld lief heeft, mits zij rijk zijn in Hem."

Inderdaad herkreeg Frans aldra zijn kalmte, en--ja, ofschoon hij die

plannen haar zelve had voorgelegd, het deed hem zoo goed, uit haar

mond te hooren dat _zij_ 't beter oordeelde om samen te blijven waar

ze waren; ja, hij had haar wel om den hals willen vallen, toen ze met

moederlijke bezorgdheid--och, ze had ook maar één kind!--van de gevaren

sprak, die hem in den dienst zouden omringen, terwijl ze dan wreed van

hem zou gescheiden zijn.... zij, die er op de wereld maar één meer

had dien ze liefde toedroeg: "Eén!" en bij dát woord zuchtte moeder

Geertje, en vervolgde iets zachter dan ze tot hiertoe gesproken had:

"Ach! Frans! als ik aan hém denk, aan het lieve kind dat ik tien

jaren lang bijna als een tweelingbroeder van jou, mijn jongen, heb

lief gehad; dat ik troetelde en koesterde, haast zonder te bedenken

dat een ander hem het leven schonk; aan hém, voor wien ik den vader

bij eede beloofde te zullen waken en zorgen, maar die mij als met

geweld van 't hart is gescheurd, misschien omdat ik hem lief had en

bidden leerde; ja, dan voel ik bij de smart, niet om het gemis van

wereldsche goederen, maar bij de smart, dat ik gedwongen werd een

heilige gelofte te breken, dat ik ook hém nog lief heb dien ik, als jou

met mijn leven voedde. Zie, in weerwil dat nimmer van _Land-heil_ eenig

antwoord tot mij kwam, had ik het kleine Wimpje lief, want het arme

schaap kon toch niet helpen wat zijne verzorgers deden; en nog! zelfs

na de ontmoeting die jij met hem hadt, gevoel ik dat ik gelukkig in

zijn nabijheid zou wezen, maar--tot hém gaan en mij nogmaals aan de

verregaande ruwheid en onzinnige woede van dien luitenant Van Meerle

blootstellen, neen Frans! dat kan, dat wil ik niet. Wie weet ook of

_Land-heil_ nog wel door mijn zoogkind bewoond wordt; licht trok hij

naar elders; en zoo _hij_ er niet is voor wien ik slechts bidden kan,

wat zouden wij dan in het dorpje beginnen? Hier, in de stad mijner

geboorte, had ik tot heden nog brood; maar dáár....! Op het land

werken, zie, ik zou het niet meer kunnen, en _jij_ zoudt er evenmin

geschikt toe zijn. Och, wie zou zich het lot der arme aantrekken,

zoo zij niet meer werken kon, de arme weduw van Peter Willems, die

al twintig jaren vergeten op het kerkhof ligt...."

Toen de moeder, die zonder het zelve te weten zoo geheel in den geest

van haar kind had gesproken, hem zwijgend aanzag, terwijl er in den

blik, waarmee zij hem beschouwde, een aantal vragen waren opgesloten,

stond Frans van zijne zitplaats op: naderde de dierbare vrouw, sloeg

den arm vertrouwelijk om haren hals en fluisterde, na eenig aarzelen,

een lange, een zoete, en toch zoo pijnlijke bekentenis, die der

goede moeder ten slotte verbaasd: "Mathilde Schorel....! Frans! is

het mogelijk!" deed uitroepen.

"Ja! moeder! ja!" hernam de jongen: "och! ik heb het u steeds

verzwegen, omdat ik geen moed had de geheimen van mijn hart in

woorden te brengen; maar nu, nu moet je het weten; ja, omdat ik

ter wille van haar, ter wille der lieve Thilde, ook vurig wensch

in deze plaats te blijven. Och, en zij," vervolgde Frans, terwijl

een blos zijne kaken verfde: "ook _zij_ zal het zoo vurig wenschen;

want, al zeiden wij elkander nooit wat er in ons binnenste omging,

in hare oogen heb ik toch vaak gelezen dat ze mij lief had zooals

ik haar liefde toedraag. Moeder! _nú_ moest je het weten, om u mijn

vermoeden te kunnen openbaren, dat misschien zij.... dat geld....! Wat

dunkt u.... zou het mogelijk zijn....?"

Vrouw Geertje had het gehoord, en ze laakte het niet dat Frans

nog een andere nevens haar lief had; alleen die liefde wekte

haar bekommering. Frans--die geen cent bezat, en zelfs geen werk

kon bekomen, beminde de dochter van den ouden Schorel! En--nadat

de moeder eenige oogenblikken stilzwijgend had vóór zich gezien,

bracht zij zich de laatste vragen van Frans te binnen, en antwoordde,

niet te weten wat zij denken moest, maar vast te gelooven, dat Thilde,

zoo zij hem werkelijk lief had, en hem het muntbiljet had toegestopt,

dat zij dan ook zeker, na die treurige uitkomst, de waarheid aan

't licht zou brengen.

De juiste aanmerking der moeder bracht Frans weder aan 't twijfelen;

eerst over 't geld, of Thilde wel inderdaad de geefster zou geweest

zijn, en later toen hij toch niets anders voor waarheid kon houden,

terwijl het beeld van den stuurschen zoogbroeder geheel en al

door dat der bevallige Thilde werd verdrongen, toen twijfelde hij

aan--hetgeen hij in hare oogen zoo vaak had gelezen--aan Thildes

liefde; want, moeder had gelijk; zoo zij hem waarlijk liefhad, zou

zij de waarheid aan 't licht brengen; en, meer dan veertien dagen

waren voorbijgegaan,--en Thilde had volstrekt niets aan 't licht

gebracht.--Frans bleef strak voor zich uit staren, en at de snee

brood niet die moeder voor hem had neergezet.

Zoo goed mogelijk had moeder Geertje in een hoek van 't kamertje

een slaapplaats voor haar jongen in orde gebracht, en daar de olie

in haar lampje niet noodeloos verbranden mocht, pakte zij Frans

bij de hand, drukte een zoen op zijn voorhoofd, en na de woorden:

"Kom mijn jongen, we moeten gaan slapen, met een nieuwen dag zal God

weer licht en ook raad verschaffen," blies zij het olievlammetje uit,

en sloeg juist de handen aan haar kleeding om zich, op 't gevoel af,

er van te ontdoen, toen zij vreeselijk ontstelde, en met een bevende

stem haar jongen toefluisterde:

"Frans! Frans! hoor je niet, daar wordt op de deur geklopt...?"

Zooals Frans, geheel in zich zelven gekeerd, daar nog stond, was het

geluid dat de moeder deed ontstellen, ternauwernood door hem opgemerkt.

"Geklopt....!" riep hij, mede verrast, doch nauwelijks had hij. gezegd:

"Stel u gerust, moeder, de wind zal hier of daar een luik hebben

dichtgeworpen," of nogmaals en duidelijker klonk nu het geklop op de

deur en tevens een zachte stem die het "Doe open!" deed hooren.

"Hemel! wat zou het zijn?" sprak moeder Geertje zacht, terwijl zij

steeds angstig: "Mij dunkt Frans, 't is alsof hij die buiten staat

zijn stem verdraaide. Hoor, daar heb je het weer.... een verfijnde

mansstem. Frans, wij zullen ons stilhouden. Hemel! zoo laat in

den nacht!"

Ofschoon onze vriend niet in den vollen zin des woords een held mocht

heeten, zóó kleinmoedig was hij toch niet dat hij zou geaarzeld hebben

om achter een welgegrendelde deur te vragen, _wie_ het was die buiten

stond en waarom hij verlangde te worden binnengelaten.

't Was na eenig vruchteloos wachten--vermoedelijk dewijl zijne

vragen niet waren verstaan--dat eindelijk nogmaals doch sterker, het

deurgebons werd herhaald, en de verfijnde mansstem ook luider klonk

met de woorden: "Vrouw Willems! Frans! ik ben het! Doe toch open!"

Niemand zag Frans, want in de kamer was het donker, maar toch, toch

kreeg hij een kleur, een kleur zoo verschrikkelijk rood dat de tranen

er hem van in de oogen sprongen.

"Moeder! moeder!" riep hij eindelijk luide: "heb je 't

verstaan....? moeder! zij is het, Thilde...!" en harder riep hij,

met den mond vlak voor de deurreet: "Thilde! ben jij het...? ben jij

het waarlijk die klopt?" En toen een: "Ja, Frans," duidelijk werd

vernomen, toen beefde moeder Geertje niet meer, maar beefde Frans,

en beefde zoo, dat hij haast den grendel niet kon verschuiven, en

zoo, dat hij het slot haast niet kon omdraaien, en zoo, dat, toen

moeder met een lucifer haar lampje weder had aangestoken, en door

de nu geopende deur, te gelijk met den kouden luchtstroom, Schorels

dochter naar binnen kwam, hij van beverigheid niet wist wat hij deed,

en 't geen hij nooit gedaan had, nu onderstond, en de beminde van

zijn hart in de bevende armen sloot.

Mathilde,--die zich geenszins aan de omhelzing van Frans onttrok

en daardoor stilzwijgende beleed dat hare oogen nimmer onwaarheid

hadden gesproken,--was in de eerste oogenblikken niet in staat om op

de vragen van vrouw Willems te antwoorden; die vragen, zij drukten de

grootste verwondering uit over de late verschijning van het meisje,

dewijl het eerste uur na middernacht reeds lang verloopen was.

Neen, Mathilde kon in den aanvang niet spreken, overspannen door al

wat zij in die dagen, sedert Frans de woning van haren vader verliet,

moest verkroppen, door 't beramen en ten uitvoer leggen van het plan

om deze nachtwandeling te ondernemen, en door den angst, dien zij

gedurende dien loop had doorgestaan.

't Was noodig dat vrouw Willems met een kommetje water de ontstemde

zenuwen van haar bezoekster een weinig tot bedaren bracht, want in

weerwil dat het meisje haar nu en dan een kort bescheid op hare vragen

gaf, die antwoorden klonken dermate verward, dat de goede vrouw er

geen greintje wijzer door werd.

In 't einde na eenigszins hare kalmte te hebben terugbekomen,

nog altijd door Frans omvat, die zonder te spreken, wel nimmer een

sterkere liefdesverklaring dan hij nu deed, had kunnen ontboezemen;

nog altijd tegenover de verwonderde vrouw, die haar oogen niet gelooven

kon dat ze Thilde Schorel in den arm van _haar_ jongen, in _dit_ uur,

binnen _haar_ kamertje zag, begon het meisje geregeld te verhalen,

terwijl ze moeder en zoon al met de eerste woorden uit den waan hielp,

dat _zij_ 't zou geweest zijn die Frans het muntbiljet had toegestopt.

Met een stem, die genoeg verried hoezeer zij den knaap beminde

die haar tengere leest omvatte, gewaagde zij van de pijnlijke

gewaarwording telkens door haar ondervonden, wanneer naar vader, aan

de winkelklanten van de schandelijke ontrouw had gesproken, waarmede

Frans zijne _weldaden_ had beloond, terwijl zij overtuigd was dat een

misverstand, een vergissing, den goeden jongen in een verdacht licht

moest geplaatst hebben; hoe zij telkens met verwijtingen was overladen

wanneer zij vader had aangeraden om kas en boeken te raadplegen,

die wellicht zouden aantoonen dat Frans onschuldig was;--hoe eenige

dagen later, haar vader werkelijk had zitten tellen en rekenen, en,

toen hij gedaan had, en alles met een kalm gelaat had weggeborgen,

op hare vraag: "Vader! is Frans onschuldig?" had geantwoord: "Waar

zou hij 't anders vandaan hebben?" een antwoord, 't welk haar,--die

den vader maar al te wel kende--zoogoed als een volledige vrijspraak

in de ooren had geklonken.

Niet zonder eenige aarzeling verhaalde Mathilde verder, hoe haar

verzoek om den miskenden eerlijken Frans weer in genade aan te nemen,

den vader in den hevigsten toorn had doen ontsteken, terwijl hij haar

dreigend had afgevraagd: wat haar zoo groot belang in dien ondankbare

deed stellen, niet hopende dat _iets anders_ haar zoo meelijdend

maakte, en hij haar eindelijk kort maar zakelijk geboden had, om,

"nooit of nimmer weder den naam van die adder te noemen, waarvan hij

niets wilde zien en niet wilde hooren."

Betuwsche novellen, en Een reisgezelschap · 第 27 / 43 题