binnen" vervolgde Mathilde blozend: "en terwijl die ruwe man zich
vrijpostig naast mij nederzette, zich beroemende, dat hij meer
dan duizend varkens in het jaar slachtte en ik dus niet weinig
tevreden zou zijn indien hij mij tot vrouw nam--vooral ook omdat
hij sedert de vijf maanden dat hij weduwnaar was, geen stuur in den
winkel kon houden,--keek vader mij doordringend aan en zei, toen
Hak ophield met spreken: "Thilde! ik begrijp dat het tijd voor je
wordt; je hebt den leeftijd, en bij mijnheer Hak zul je geen gebrek
lijden." "O!" hernam het meisje, nadat ze een oogenblik gezwegen en
Frans eenige verontwaardigde woorden ontboezemd had: "ik weet niet wat
er verder gesproken werd; mijn hart klopte mij zoo pijnlijk sterk,
en in mijne ooren suisde het zóó dat ik telkens meende te zullen
neervallen. Waarlijk, ik geloof dat ik het toen op mijne zenuwen heb
gekregen, want ik begon te huilen, en weet zelve niet wat er verder
met mij gebeurd is."
"Verder! verder?" riep Frans.
"Tot mijn bewustzijn teruggekomen," sprak Mathilde weder: "stond
vader naast mij, en verweet mij dat ik mij schandelijk en dwaas had
aangesteld; sprak weder van een verbintenis met den zestigjarigen
spekslager, en deed de aankondiging er bij, dat ik binnen eene maand
zou trouwen. Hak had hem verzekerd, dat de kleeren zijner overledene
vrouw, hoewel zij gezetter was dan ik, zeer wel door mij konden
gedragen worden, zoodat er voor mijn uitzet igeen cent uitgegeven en
geen steek behoefde gewerkt te worden."
Het zal zeker niemand verwonderen dat Frans het meisje steeds vaster
aan zich sloot, als zag hij den gevreesden spekslager reeds met
de eene hand in Mathildes blonde haren, en in de andere een akelig
slachtmes geklemd.
Ja, vaster klemde Frans zijn lieve Thilde aan 't hart, en in weerwil
der treurige zaak, waarmede het meisje hem bekend maakte, was zijn
gemoed toch oneindig minder bezwaard dan toen hij straks met zijne
moeder alleen was.
Hoe kon het anders: Mathilde had hem lief! Zijn hart klopte naast
het hare, haar hand rustte in de zijne. Uit haren mond vernam hij,
dat zelfs de hardvochtige vader, al wilde hij geen ongelijk erkennen,
overtuigd van zijne onschuld was, en hem alzoo te eeniger tijd wel
recht zou laten weervaren.
De engel der liefde doet lijden vergeten, en schenkt moed om een
donkere toekomst tegen te gaan.
De engel der liefde stond naast den goeden jongen, in de gedaante
van zijn Mathilde, en met vuur riep hij, terwijl hij de beminde in
haar blauwe oogen zag:
"Geen nood Thilde! geen nood! De goede God, die u in dezen stond,
ten aanschouwe mijner lieve moeder, aan mijn hart legt, zal ons
niet verlaten."
Bedaarder dan zij tot hiertoe gesproken had, vervolgde nu Mathilde, en
verhaalde, hoe een vreeselijke onrust zich van haar meester gemaakt,
en gedurig op een middel had doen peinzen om het akelige lot, dat
haar te wachten stond, te ontgaan. Des avonds, tusschen licht en
donker, was steeds de akelige spekslager zich in het winkelkamertje
aan hare zijde komen neerzetten, en ofschoon hij gewoonlijk weinig
meer dan twee malen--bij 't komen en gaan--een: "Goeden avond Juffrouw
Thilde!" tot haar gezegd had, en slechts gekomen scheen om met vader
over hammen en spek en pooten en ooren te spreken, zoo was haar dat
schemeruurtje toch méér dan verschrikkelijk geweest, want, van 't
begin tot het einde was haar hand in die van den spekslager besloten
gebleven.... de groote hand, die zoo vet en akelig was, bah! terwijl
de hare--als één met de zijne--genoodzaakt werd tot alle gesticulaties
mee te werken, zelfs tot die waarmee hij de kunstgreep aanschouwelijk
maakte, waardoor een varken den laatsten adem moest uitblazen.
"Ware Hak mij niet reeds om zijn persoon afschuwelijk geweest," sprak
het meisje: "alleen de herhaling van zijn machtige geschenken zou het
mij gemaakt hebben; want, geen morgen ging er voorbij of ik hoorde
vader in den winkel: "Compliment, en vriendelijk bedankt," zeggen,
waarop ik onmiddellijk in last kreeg het vette geschenk voor den
middag gereed te maken.... en, Frans! je kunt begrijpen hoe _ik_--aan
schrale kosten gewend--te moede was, wanneer mijn vader mij krachtig
beval om er van te eten opdat ik er smaak in zou hebben wanneer ik
met Hak in den echt vereenigd zou zijn.
"Morgen," hervatte Thilde, nadat ze van een lichte rilling bekomen was:
"morgen zal inderdaad, zoo God het niet verhoedt, een huwelijk tusschen
dien man en mij worden aangeteekend. Was mijn onrust gedurende al
die dagen groot, gisteren gevoelde ik waarlijk mijzelve niet meer. Ik
heb vader gebeden en gesmeekt om toch mijn hart niet te dwingen, maar
niets kon baten, en 't was zelfs op een toon zóó zacht en vriendelijk,
dat ik om de ongewoonte er van, waarlijk geroerd werd, dat vader mij
vermaande in stilte zijn wil te volgen. Hij verzekerde mij verder dat
Hak de beste man van de wereld, en in geenen deele onbemiddeld was; dat
zoo'n huwelijk eervol mocht genoemd worden en menig jonge dochter er
met jaloerschheid van spreken zou. Ach! niets kon mij troosten, ik heb
alles gedaan wat ik kon om moed te scheppen, omdat vader zoo gaarne zou
zien dat ik blijmoedig zijn wil deed; maar neen, niets mocht baten, en
toen ik begon te zingen om te beproeven of dat helpen zou, ziet, toen
sprongen mij dadelijk de tranen in de oogen, en huilde ik zóó hard, dat
ik er zelve bang van werd. Ja, Frans! zie je, ik dacht den geheelen
tijd aan jou en wilde telkens naar je toe gaan; ieder oogenblik
dacht ik de deur uit te vliegen om me aan jou toe te vertrouwen,
doch telkens aarzelde ik weder, want vader zat steeds op zijn gewone
plaats voor het winkelraampje. Zóó kwam de avond. Gode zij dank! Hak
kwam niet. Wij spraken weinig, maar toch deed ik mijn best om een
vriendelijk gelaat te toonen. Om halfelf wenschte ik vader een goeden
nacht. Op mijn kamertje gekomen hoorde ik hoe hij als naar gewoonte,
de reeds gesloten voordeur grendelde.... hoe hij in het geheele huis
de ronde deed en de deur zijner kamer achter zich sloot. Ik luisterde,
en hoorde verder een geklank alsof er geld werd geteld, maar eindelijk
kwam alles tot rust. Wel een uur bleef ik luisteren, telkens mijn plan
willende volvoeren, en dan weder vol vreeze van ontdekt en verhinderd
te zullen worden. Het minste geluid trof mijne ooren. In 't einde kon
een telkens wederkeerend gebrom.... niets anders dan het geronk van
vader zijn. Hij sliep dus. Ha! een rijtuig rolde door de steeg; dat
oogenblik nam ik te baat om de deur mijner kamer te openen, en van het
leven daarbuiten verder partij trekkende, spoedde ik mij de trappen af,
en bevond mij juist in den winkel, toen het geluid van het rijtuig in
de naburige straat verdween. De sleutel der winkeldeur, die op zijn
gewone plaats bezijden het leitje hing, had ik spoedig in handen,
doch vreezende dat het leven, 't welk het ontsluiten en ontgrendelen
noodzakelijk moest veroorzaken, vader zou wekken, wachtte ik opnieuw
tot het geraas van een rijtuig het gerucht 't welk ik moest maken, zou
overtreffen. O Frans! je kunt je niet voorstellen hoe lang mij iedere
seconde duurde; iedere minuut was mij meer dan een uur, en het uur
dat ik daar wachtende doorbracht is een uur geweest, wel honderdmaal
zoolang als eenig uur, dat ik tot heden beleefde. In 't einde.... daar
rommelde het weder over de straatsteenen; fluks.... den sleutel in het
slot.... omgedraaid! den grendel ter zijde geschoven.... de bovenknip
losgetrokken, en juist, juist was het rijtuig onze deur voorbij, toen
ik met een gejaagden sprong buiten den winkel stond en van buiten de
deur in het slot draaide."
Frans zag zijn beminde aan alsof hij een Kenau Hasselaer in
haar bewonderde; en toen zij ten slotte nog had verhaald, hoe zij
bevende den weg naar de D....steeg had ingeslagen, en eindelijk op de
H....gracht gekomen, door een persoon, die nog een ander aan den arm
had, was aangevat, maar door een krachtigen ruk, aan die vermetele hand
was ontsprongen; hoe zij in allerijl zich voortspoedende, evenwel de
schreden van den persoon die haar aangreep, achter zich vernemende,
zonder den naasten weg te kiezen, straat _uit_ straat _in_ had
voortgerend, totdat zij hier eindelijk, den Hemel zij dank! behouden
was aangekomen.... toen sloeg ook Frans den anderen arm om haar heen,
en.... zoende haar.... ja, hij zoende haar op het heldere voorhoofd,
en noemde haar voor de eerste maal zijn.... "Lieve Thilde!"
"Ja Frans! ik wist wel dat ik hier raad en steun zou vinden," sprak
het meisje weder: "Mijn eenige hoop was op jou en je goede moeder
gevestigd. Hier zul je mij schuil houden.... nietwaar....? hier...." en
terwijl de lieve blonde nog verder sprak, en Frans opgetogen:
"ja wel" zeide, en: "wel zeker, ik zal wel zorgen," staarde moeder
Geertje bedenkelijk in het vlammende oliepitje, werkte de brandende
katoen wat terug in het koperen buisje--want die vlam behoefde zoo
groot niet te zijn,--en eindelijk, toen Frans juist verzekerde dat,
zoolang als _hij_ er nog was, de lieve Thilde niets te vreezen had,
en _hij_ wel zorgen zou dat zij geen gebrek kreeg--de arme jongen,
die geen cent kon verdienen, wat maakte de liefde hem sterk!--toen
zuchtte de moeder, en zei op vriendelijken maar toch ernstigen toon:
"Neen kinderen, dat kan en dat mag zoo niet wezen. Dat ik niets vuriger
dan je geluk begeer, mijn jongen, dat weet de goede God; en dat ik
medelijden met jou heb, lief meisje, dat wil ik je gaarne toonen; maar
mijn toestemming aan een even dwaze als wederrechtelijke daad geven,
en het kind van een vreemde in mijne kamer te verbergen.... Frans je
begrijpt wel, dat is mij niet geoorloofd. Wat zou het einde van zulk
een handeling zijn? Zelfs al ware het niet in strijd met onzen plicht,
en al verbood de wet der kieschheid Mathildes inwoning in deze kamer
niet; hoe _dwaas_ ware het, haar bij ons te willen verbergen! Hoe
spoedig zou meester Schorel toch de waarheid vermoeden en zijne dochter
als een rechtmatig eigendom naar zijn woning doen brengen, tot schade
voor haar, en voor jou, en voor mij!... Neen, neen," vervolgde Geertje,
daar Frans haar de zaak nog aannemelijk wilde voorstellen, terwijl
Mathilda, op de gedachte aan een wederkeeren in het pas verlaten huis,
en aan hetgeen er morgen gebeuren moest, de tranen niet kon weerhouden:
"neen, ik zal met Gods hulp alles beproeven wat strekken kan om je
beider geluk te bevorderen. Indien baas Schorel voor zich zelven van je
onschuld overtuigd is, dan zal hij aan de smeekingen eener moeder wel
gehoor geven en je--zoo niet bij zich terugnemen, dan toch een goede
getuigenis van bekwaamheid en trouwe diensten schenken. Wanneer zijn
hart niet harder dan steen is, zoo zal mijn mond hem ook tot andere
gedachten betreffende het huwelijk brengen, waaraan jij, lief kind,
en met recht een afkeer hebt. Gelooft mij kinderen!" besloot de goede
vrouw: "wat in mijn vermogen is zal ik voor je geluk beproeven, maar
denkt als verstandigen, en antwoordt mij of het recht en verstandig
zou wezen indien ik aan je verlangen gehoor gaf?"
Frans zweeg, en Mathilde zweeg ook; maar terwijl er in den blik, dien
de knaap op zijn moeder wierp iets, wij zouden zeggen vertrouwends,
lag opgesloten, een vertrouwen op de moederlijke welsprekendheid,
en de hulp van Hem zonder wiens wijzen wil geen muschje op de
aarde valt, werd er op het gelaat van het anders zoo lieve en brave
meisje, die echter nooit door een teedere moeder was onderwezen,
en slechts--met eerbied gezegd--een kerk- en catechisatie-God leerde
kennen, een uitdrukking van pijnlijke teleurstelling zichtbaar, van
teleurstelling en van misnoegen tevens, en de woorden: "Maar wat,
maar wat dan...!?" hokten haar in de keel.
Nogmaals bracht vrouw Geertje aan Schorels dochter het onbetamelijke
van haar verlangen onder het oog, en wist eindelijk het meisje
dermate van de waarheid harer bewering te overtuigen, dat Thilde,
ofschoon een tranenvloed haar het spreken belette, er al snikkende
in toestemde, om naar de vaderlijke woning terug te keeren, even stil
als zij ontvluchtte weder binnen te gaan, en zich te bed te begeven,
na vooraf den goeden God te hebben gesmeekt om het ongeluk, dat haar
boven het hoofd hing, genadig af te wenden; terwijl vrouw Geertje
nogmaals beloofde dat zij doen zou wat haar mogelijk was om, zoo God
wilde, het middel te zijn, waardoor Thilde van een verschrikkelijk
dwangjuk zou bevrijd worden.
En werkelijk verliet Mathilde, hoewel met een beangst gemoed, eenige
minuten later, vrouw Geertjes kamer, en daar de moeder het niet had
willen toestaan dat Frans zijn beminde alleen naar de G....steeg zou
vergezellen, en Frans op zijne beurt niet mocht toelaten dat _moeder_
alleen medeging, zoo traden--ruim twee uren na middernacht--vrouw
Willems en haar zoon mede naar buiten, en vervolgde ons drietal,
met verschillende gewaarwordingen, den weg die hen naar de G....steeg
voerde.
't Was voor een nacht in de eerste helft van November bijzonder
koud. De vorst was gelaarsd en gespoord binnengekomen, en waar zij
over de vochtige stoepen en straatsteenen--want den geheelen dag
had het sterk gemist--henentoog, daar had zij het bewijs van haar
vochthardende kracht achtergelaten.
Vlug als zij was, had Mathilde, toen zij den gejaagden loop naar vrouw
Geertjes kamer vervolgde, door angst en hoop gedreven, niet bemerkt dat
de straten op de meeste plaatsen zoo bijzonder glad waren, en evenmin
vermoedde zij toen, dat de wintervorst hare ontsnapping uit de handen
van hem, die haar met bedwelmde zinnen had nagezet, bewerken mocht.
In waarheid, de sterke heldin der korte dagen en lange nachten, zoo
dikwerf als een ijzegrim voorgesteld, en als een monster uitgekreten,
had zich voor Mathilde een bereidwillige helpster betoond. Bewogen
met het arme kind, dat daar zoo laat en alleen haar "te huis" zocht,
had zij haren onbeschaamden vervolger met krachtige handen, onder zijn
beide schoenzolen te gelijk aangegrepen en achteruit gerukt.... zoodat
het geheele lichaam voorover op de steenen was neergesmakt. Of de
vochthardende vorst ook hardvochtig genoeg was om te lachen, toen
de gevallene met een akeligen doch gesmoorden kreet bleef liggen,
weten wij niet; maar heeft zij gelachen, dan zeker alleen uit groote
blijdschap, dat de blonde ontkwam; want, de vorst der lange nachten
is toch ook een trouw en gehoorzaam onderdaan van dien grooten en
eenigen Vorst, die ernst wil van den vazal, dien Hij de tuchtroe in
handen geeft.
Zooals Mathilde met weinige woorden verhaald had, was zij, vluchtende
voor den bedoelden persoon, van den kortsten weg afgeweken, zoodat
zij _nu_, met Geertje en Frans den naasten weg volgende, niet de
straat doorging waarin de vervolger nederviel.
Lag hij er nog de ongelukkige? Hadden andere nachtwandelaars of
ratelwachts hem binnen een woning gedragen? Mathilde weet het niet,
want zij had niet vermoed dat een val haar van zijn vervolging
bevrijdde; en nu vervuld met zich zelve, denkt zij evenmin aan hém,
als aan dien tweeden persoon, die bij de ontmoeting op de H....gracht
aan zijn arm met wankelende schreden voortging.
Ook wij hebben geen lust om den gevallene voor 't oogenblik op
te zoeken, maar blijven--terwijl we ons drietal reeds uit het oog
verloren--op den hoek der H....gracht een oogenblik staan, dewijl
het ons voorkwam als hoorden wij een zacht maar pijnlijk gekreun in
de richting daar.... van dat vierkante huisje, waarbij die geketende
kruiwagens liggen.
't Is een naar geluid dat kreunen, waar ge 't ook hoort, maar vooral
wanneer dat geluid, in het nachtelijk uur, op de verlaten straat uw
ooren treft, en ge een oogenblik toeft eer ge nader treedt.
Van de overzijde komen menschen de sluisbrug op. De koude doet hen,
zooveel de gladheid zulks toelaat, den tred verhaasten. Ja, wij
bedriegen ons niet, zij zijn het, die we straks uit het oog verloren;
doch 't zijn er twee, terwijl wij er drie in de duisternis zagen
verdwijnen. De gas-lantaarn, die ze juist voorbijgaan, beneemt ons
allen twijfel; maar al hadden wij door die lichtstralen vrouw Geertje
niet aan haar vaalrooden omslagdoek, en haar zoon aan zijn bruine jas
herkend; de woorden: "Wél een vreemde nacht, moeder! mocht er voor de
lieve Thilde en ook voor mij iets goeds uit voortkomen!" die woorden
zouden ons terstond zekerheid hebben gegeven; terwijl het antwoord:
"Frans! de mensch wikt, maar God beschikt, en in die beschikking moet
de mensch met tevredenheid berusten!" ons toch de weduwe van Peter
Willems zou hebben geteekend, braaf en Godvreezend, zooals we haar
reeds van den aanvang af leerden kennen.
Zie, 't is alsof Geertje en Frans regelrecht op de plaats toetreden,
waar het gekreun nu sterker wordt.
Een kreet ontsnapt aan den mond der vrouw, en de knaap aan hare
zijde roept met een stem, die mede de hevigste ontsteltenis verraadt:
"Moeder! moeder! daar ligt een mensch!"
't Schijnt eerst alsof moeder en zoon, verrast en ontsteld, eensklaps
van de zijde afwijkende, waar die klaagtoon rees, tegenover den
ongelukkige willen voorbijgaan; doch weder klinkt de stem der vrouw:
"Neen Frans! dat mogen wij niet.--Laat ons zien, misschien kunnen
wij helpen!" En nadat wij ons tweetal op de donkere plek zagen
toetreden, vernemen wij eenige onverstaanbare woorden, terwijl
het gekreun nog sterker en heviger klinkt, en hooren vervolgens
duidelijk den uitroep: "Moeder! moeder! ik bedrieg mij niet.... hij
is het!" en daarop de woorden: "Mijn God! mijn God! zou het mogelijk
zijn!" en hooren wij eindelijk, nadat het gesprek op die duistere
plaats nog eenigen tijd is vervolgd, een geschuifel; een nog
akeliger kreunen, en op een heeschen en afgebroken toon de woorden:
"Weg! weg! Het.... is.... genoeg.... laat mij sterven!" en zien
eindelijk vrouw Geertje met haar zoon langzaam op den hoek van het
huisje verdwijnen, terwijl zij tusschen zich in, half sleepend, half
dragend, een derden persoon met zich voeren, die maar somwijlen de
slappe beenen beweegt, alsof hij moeite doet om door eigene krachten
voort te gaan.
Wel was het een vreemde nacht! In plaats van na gestadigen en zelfs
laten arbeid, een verkwikkenden slaap te genieten, zat vrouw Geertje,
toen de flauwe morgenschemering door de reet van haar vensterluik
boorde, nog voor haar bedstee, de oogen onafgewend op den jongeling
gevestigd aan wien zij haar leger afstond.
Benauwde uren had zij met hem doorgebracht. Nu eens stil kermend
nederliggende, en dan weder woest en akelig overeind springende,
terwijl hij in koortsig ijlen de vreemdste, somwijlen de grofst
onkiesche en terstond daarna de verteederendste woorden sprak, lag
hij thans dof en roerloos, de ongelukkige jongeling.... de jongeling,
groote God! dien zij als kind met haren boezem de rozen op de, ook toen
zoo bleeke wangen getooverd had; de jongeling, dien zij als kind lief
had alsof het haar eigen zoon.... alsof het haar Frans geweest ware,
van wien ze met bittere weemoedstranen gescheiden was om hem niet meer
te zien dan zóó.... zóó ellendig! zóó ontzenuwd! en ze bad weder,
de goede vrouw, hetgeen ze dien nacht reeds zoo vaak had gebeden:
"Ontferm U zijner, o Heer! want ach! wat hij deed, hij wist het niet."
Reeds een paar uren geleden had vrouw Geertje haren Frans bewogen om
een weinig te rusten; zij, ze kon er wel tegen: ouderen van dagen
hadden den slaap niet zoo noodig.--Die goede moeder! Eindelijk,
het olievlammetje uitdoovende, stond ze op; opende het vensterluik,
en beschouwde toen nogmaals die nederliggende zoogbroeders: den armen
Frans en den rijken Willem.... Neen, Hemel! neen! den armen Willem en
den rijken Frans! Verachting en onverdiende schande bij menschen; geen
werk, wellicht eerlang geen brood; geen voorspoed hier op aarde, wat
was het, wat was dat alles met de bewustheid der blijvende liefde Gods,
in tegenstelling met het wandelen in de zinbedwelmende genietingen
des levens, welks einde rampzaligheid is.
Rijke Frans! Arme Willem! Arm....! maar zie, het morgenlicht dat
liefelijk gloort, spreekt tot de ziel der vrouw, die eenmaal den vader
beloofde voor zijn kind te zullen waken; dat licht dringt haar in
't gemoed, en 't is alsof het fluistert: "De eeuwige liefde heeft
geen lust in den dood des zondaars, maar daarin dat hij zich bekeere
en leve!"
Leve! Ja, leve! Eeuwig leve! En de zoogmoeder gevoelde zich eensklaps
sterk tot de heerlijke roeping om, met het reiner en verhevener voedsel
dat thans haren boezem doorstroomde, de rozen eens hoogeren levens,
de lachjes des vredes en der blijde hope op zijn ontvleesde kaken in
't aanzijn te roepen.
"Spare God hem daartoe het leven!"
Wij zijn óók menschen, en daarom zullen wij den steeds ijverigen
geneesheer niet hard vallen, die, als hij na een drukken praktijkdag
ten tweeden male des nachts uit een diepen slaap wordt opgewekt,
nu om een lijder in de D....steeg te komen bezoeken, na de woorden:
"Ik kom terstond," zich nog voor vijf minuutjes in de dekens wikkelt,
en--inslaapt om niet voor den morgen te ontwaken.
Wij veroordeelen hem niet, al hadden wij ook om den ongelukkigen
Willem en de wachtende Geertje, gewenscht dat hij eerder verschenen
ware, maar wij zijn verheugd dat hij toch eindelijk verschijnt om
der meelijdende vrouw te verzekeren, dat de jongeling, hoewel in een
ontzettend verzwakten toestand verkeerende, zich volstrekt in geen
oogenblikkelijk levensgevaar bevindt.
De brieventasch, welke Geertje, toen zij den jongeling van zijn
bovenkleederen ontdeed, als in de hand was gevallen, en zonder inzage
door haar werd ter zijde gelegd, stelde zij den arts in handen; terwijl
zij hem daarna een kort doch zakelijk verhaal van het gebeurde deed,
en hem deelgenoot van de betrekking maakte waarin zij tot den lijder
gestaan had, met de verklaring besluitende: dat ze met 's Heeren hulp
de gelofte, aan den vroeg gestorven vader gedaan, nog te vervullen
hoopte om, wat ook aardsche machten zouden dreigen of tegenwerken,
een ziel te redden van den eeuwigen dood, al mocht dan de kunst het
veege lichaam niet voor het aardsche leven kunnen bewaren.
Het adres van een zich in de portefeuille bevindenden brief stelde
den geneesheer in staat vrouw Geertje te onderrichten waar Willem Van
Male zijn kamers had; en, hulpvaardig als hij was, verklaarde hij
voor een gemakkelijk sleepkoetsje te zullen zorgen, ten einde den
zwakken jongeling naar zijn kwartier te kunnen overbrengen, waarna
hij nog met Geertje overlegde hoe de arme lijder, die wellicht een
langdurige en nauwlettende verzorging zou behoeven, het geschikst
kon verpleegd worden.
Ter nauwernood echter had Geertje--die, in weerwil van haar moedig
besluit, toch met vreeze aan den man dacht, wiens hemeltergende voogdij
haar zoogkind in den droevigsten toestand gebracht had--diens naam
genoemd, of de geneesheer bedacht zich en, den naam Van Meerle een
paar malen herhalende, vraagde hij: "Luitenant van de cavalerie....?"
Op het antwoord der vrouw, dat hij althans in dienst was toen,
na Van Males dood, de voogdijschap over den jongen Willem door hem
aanvaard werd, verhaalde de geneesheer verder hoe het juist bij hém
geweest was, dat hij dien zelfden nacht werd geroepen, terwijl hij
er bijvoegde, dat het hem zeer verwonderen zou indien de luitenant,
die, bij zijn mede-officieren slechts weinig gezien moest wezen, de
activiteits-uniform langer zou dragen, dewijl een ernstige beenbreuk
vrij zeker een amputatie zou ten gevolge hebben.
Neen, vrouw Geertje verheugde zich nimmer in het lijden des
naasten. Zij juichte niet om het leed 't welk den ruwen man, die
het arme zoogkind ten verderve geweest was, trof, maar toch plooide
een dankbare trek haar goedig gelaat, toen zij de woorden van den
dokter vernam.
De weinige dagen, die er verliepen sedert wij Willem Van Male op
zijn kamer aantroffen, hadden hem onder de vreeselijke leiding van
zijn vroolijken voogd--die steeds beweerde te weten wat een jong
mensch toekwam: dat men de jeugd moest genieten, dewijl dat blijde
tijdperk zoo kort was, en hij een druiloor werd, die in zijn schoonste
levensdagen niet zag wat er in de wereld te koop is--die dagen,
zij hadden zijn laatste levenskrachten ten eenenmale vernield.
Naarmate de verslapping, de verdooving en ook de lusteloosheid der
laatste weken al meer en meer de overhand namen, waren de prikkels van
't genot ook scherper geworden, totdat de arme knaap, in den nacht
toen hij met Joost Van Meerle huiswaarts keerde, door dezen verlaten,
geen kracht meer had bezeten om alleen zijn weg te vervolgen.
Hoe lang hij daar in de koude op de kille steenen lag, valt gemakkelijk
te berekenen, indien wij het tijdsverloop nagaan waarin Mathilde,
sedert hare vlucht voor den vervolger, het onderhoud in de kamer
van Geertje had, en de laatste, na Mathilde tot aan Schorels woning
te hebben vergezeld, eerst op haren terugweg den jongeling daar zoo
ellendig liggende vond.
Noch de zoogmoeder, noch haar zoon, waren door Van Male herkend
geworden, en den ganschen nacht, dien Geertje wakende aan de bedstede
had doorgebracht, gaf hij geen teeken van bewustzijn.
Omstreeks negen uren in den morgen werd de bewoner der sierlijke kamers
in de K....straat, nog steeds in den verschrikkelijksten toestand,
op zijn fraaie legerstede neergelegd, en de dokter die, zooals hij
bij zijn eerste bezoek beloofde, op dat tijdstip er mede verscheen,
verklaarde met den luitenant niet over den toestand van zijn pupil te
hebben gesproken, daar Van Meerle in een hevige koorts lag, terwijl
hij ook als chirurg den luitenant niet weder dacht te bezoeken,
aangezien een militaire geneesheer hem vervangen had.
Naar zijne meening werd de zaak der verzorging een liefdewerk 't
welk aan niemand beter dan aan de vrouw kon worden toevertrouwd,
die in den lijder zulk een groot belang stelde.
Met den eigenaar van Willems kamer was alles weldra geschikt; bij
noodzakelijke afwezigheid der weduwe zou hij of zijne vrouw mede een
wakend oog houden, terwijl Frans--die toch niets te doen had--mede
tot de verpleging behulpzaam kon wezen. En Geertje verlangde geen
belooning; zij wilde trachten tóch haar gewone werk te verrichten. De
verdiensten in 't logement, ja.... die moest ze missen; maar wat
maakte het uit, indien ze daarvoor in ruil met haar jongen slechts
een matig stuk brood kreeg.
Willem lag te bed.... akelig!
Frans zat er bij om de gegeven bevelen van den geneesheer getrouw
te volbrengen, en Geertje sloeg den vaal rooden doek weder om, want
ze had door al het gebeurde haar belofte niet vergeten, om voor de
belangen der beangste Mathilde en den belasterden zoon alles te doen
wat haar zou mogelijk zijn.
De lezer zal het waarschijnlijk hebben opgemerkt dat Schorels dochter,
van het wreede lot, dat haar bedreigde, tot Geertje en Frans sprekende,
tevens de bijzonderheid verhaalde--waaraan zij zelve echter weinig
beteekenis had gehecht--dat Hak, de echtgenoot waarmede vader Schorel
de jeugd zijner dochter bedreigde, dienzelfden avond--den avond vóór
de aanteekening--zich niet als naar gewoonte in het winkelkamertje
aan hare zijde was komen nederzetten.
Zijzelve had bij die niet-verschijning weinig meer gedacht dan dat
de spekslager.... gelukkig _niet_ verschenen was; en Schorel, die
beweerd had zeer weinig van de verlovings-formaliteiten te kennen,
had het er vast voor gehouden, dat het in den regel 't gebruik was,
elkander den laatsten avond vóór het bruidschap niet te ontmoeten.
Trouwens daar was eene andere oorzaak. De spekslager Hak was ongesteld
geworden; hij had zoo'n hoofdpijn gekregen; zoo'n pijn door al de
leden; de koorts... misschien wel de tering; dit boodschapte de
spekslagersjongen, reeds vóór acht uren aan den komenijman--terwijl
Thilde, vermoeid van een bijna slapeloos doorgebrachten nacht, nog te
bed lag--tevens het vriendelijk verzoek van den baas er bijvoegende,
om de mand te mogen hebben, waarin hij gisteren die varkensrib bezorgd
had,--Schorel begreep er niets van--zonder dat de jongen een nieuw
presentje van den baas meebracht, zonder dat hij de "compelementen"
van den baas maakte, en zonder dat de baas als naar gewoonte liet
vragen: "En compelement, hoe of mijnheer Schorel en de jongejuffrouw
het maakten?"
"De koorts!.. de tering?" Ware Frans nog in den winkel geweest--sedert
diens vertrek had Schorel nog niet kunnen "reseleveeren om een
loonknecht" te nemen, en een "maatje was zoo slecht te vertrouwen"--of
ware Thilde maar present geweest, dan zou Schorel terstond naar de
slagerij zijn gesneld om den dierbaren aanstaanden schoonzoon te
bezoeken en moed in 't lijf te spreken. Hoe erg het ook wezen mocht,
veertien dagen zou hij 't in elk geval nog wel kroppen.... dan
weduwe, dát was tot daar en toe; hoe lang was hij-zelf niet
weduwnaar geweest! Doch nu moest vader Schorel wachten totdat, na een
onophoudelijk gebeuk op Thildes kamerdeur, met de woorden: "Kom je
nog niet! er is een nare boodschap gekomen," het meisje eindelijk met
rood gekreten oogen verscheen, en Schorel, zonder dat te bespeuren,
ter deure uit snelde om zoo haastig als zijn oude beenen hem dienen
wilden, de slagerij van Hak te bereiken.
Vreemd... ja, zeer vreemd staarde de hijgende komenij-man voor zich
uit, terwijl hij op den drempel der slagerij staan bleef, toen hij
den dikken Hak, met de rozen op de bolle wangen, het blanke mes
tusschen de ribben van een zijner slachtoffers zag drijven. Het was
alsof de grond hem onder de voeten wegzonk, toen hij den beminden,
aanstaanden en zoo teringachtigen schoonzoon, geheel vervuld met de
kunstsnijdingen welke hij verrichtte, zonder zijn komst te bemerken,
een vroolijk: "Jan toerelesoer" hoorde aanheffen, en--den blik ter
zijde wendende, den slagersjongen ontwaarde, die een knip-oogje met
den knecht wisselde, en daarop in een schaterend gelach losbarstte.
"Maar hoe!... Maar wat!... Maar Hak! Je bent!" stotterde Schorel:
"Ik kan toch niet denken dat..."
"Wat... blief..?" riep de spekslager, en zich verrast omwendende en
zijn bezoeker herkennende, zette hij een gezicht nog vreemdsoortiger
van uitdrukking dan dat 't welk hem zoodanig verraste; terwijl
de knecht, ten bewijze dat hij niets hoorde en niets begreep, het
aangeheven lied van zijn meester vervolgde en doorzong: "Ma belle! ma
belle," en zijn liefelijk gezang met het hakmes accompagneerde.
Jan de knecht was niets nieuwsgierig, en Frits de jongen evenmin,
maar beiden hadden toevallig iets op den achtergrond te verrichten,
toen een luidruchtig gesprek, dat tusschen den baas en meester Schorel
in de achterkamer gevoerd werd, hun in de ooren klonk. Alles konden
zij niet verstaan, want de baas die de teringachtige koorts had,
sprak somwijlen zeer zacht, maar zij verstonden toch duidelijk,
hoe Hak zeide:
"Denk jij dat ik een vrouw met een leege hand zou nemen?" Waarop het
antwoord van Schorel klonk:
"Maar je wist immers dat ik geen geld, volstrekt geen geld heb." En
weder des spekslagers uitval:
"Zou ik gek genoeg zijn om die kleeren en alles wat het mijne is,
aan een schepsel te geven dat geen duit mee ten huwelijk bracht?" En
Schorels bescheid:
"Maar 't was immers.... om in den winkel.... een hulp.... een
toezicht...." totdat eindelijk de woorden dermate kruisten en als
dooréén vlogen, dat Haks bedienden, die trouwens genoeg vernamen,
verder vruchteloos hun gehoor scherpten, en eindelijk terwijl ze een
luider "Jan toerelesoer" aanhieven, meester Schorel op zijn magere
beenen den winkel zagen uitstappen, met een paar oogen flikkerende
als dolken.
Hij keerde huiswaarts, de teleurgestelde komenij-man, de
onvoorzichtigheid verwenschende, die hem, wie weet hoe dikwijls
reeds, had doen vertellen dat zijn dochter met Hak den slager ging
trouwen zonder dat zij een duit behoefde ten huwelijk te brengen;
zich de onnoozelheid verwijtende, die hem in Hak niets anders dan een
trouwlustige had doen zien, terwijl alles in orde zou zijn gebleven
indien hij meer "dipplematisch" zijn mond had gehouden, en eerst na
de trouw zijn onvermogen had aan 't licht gebracht.
't Kookte den komenij-man van binnen. De teleurstelling was bitter
en groot, en 't was met een ontzettend: "Wat wou je? hé...?" dat hij
bij 't binnentreden van zijn winkel, vrouw Geertje begroette, die,
juist aangekomen, met de beminde van haren Frans sprak, met Thilde,
die niet vermoedde dat het nu reeds beslist was dat het heden _niet_
de eerste bruidsdag zou zijn.
Vrouw Geertje, die evenmin de waarheid bevroedde, was in den aanvang
door de barsche vraag wel eenigermate uit het veld geslagen, doch, op
zulk een onthaal niet geheel onvoorbereid, verzocht zij in de zachtst
mogelijke bewoordingen, om meester Schorel, al was 't maar een paar
minuten alleen te mogen spreken, in 't belang van haar jongen, en in
't belang van hem-zelven.... hem-zelven, want Geertje begreep toch
niet ten onrechte dat het wezenlijk geluk van een kind den vader ter
harte moet gaan.
De uitval van Mathildes vader was weinig in harmonie met den zachten
toon daareven door vrouw Willems aangeslagen. 't Was, volgens
zijn bitse verklaring, wel een gunstig gekozen tijdstip om over een
ondankbaren dief te komen spreken! Ei, over zijn eigen belangen....? Nu
dat ze dan maar spoedig voor den dag moest komen, daar hij het hoofd
vol had met het beramen der middelen waardoor hij dien nietswaardigen
Hak zijn beleediging en zijn eervergeten gedrag omtrent Mathilde zou
betaald zetten; den huichelaar, die vast beloofde Thilde te zullen
huwen en nu schandelijk zijn woord gebroken had.
't Valt gemakkelijk te beseffen hoezeer vrouw Geertje, maar vooral ook
het angstig vreezende meisje, verrast stond over het zoo even gehoorde.
Terwijl de eerste zich niet had durven vleien om voor het bedreigde
kind iets méér dan voorloopig uitstel te zullen bewerken, en de tweede,
zelfs aan den goeden uitslag van die bemoeiing had gewanhoopt, zoo
moest de overwinning--op welke wijze dan ook behaald--haar beiden wel
ten zeerste verbazen en verblijden; maar zij gevoelden tevens dat
het den overwonnene tot den hevigsten toorn zou voeren, indien zij
hare vreugde openbaar maakten; en, terwijl vrouw Geertje, met den
blik op Thilde gevestigd, slechts een "Beter ten halve gekeerd dan
ten heele gedwaald!" liet hooren, viel Schorel, na de woorden zijner
dochter: "Ach! vader, ik dacht wel dat Hak de rechte niet was!" met
een woordenvloed in, waarbij hij der weduwvrouw de--voor Mathilde zoo
streelende verzekering gaf, dat het een kruis was kinderen te hebben,
en bepaaldelijk dochters; dat ze tot niets nut waren, en dat men ze
voor anderen groot bracht, terwijl die anderen dan nog wel meenden dat
de grootbrenger van zijn armoede, alsof er geen opkomen aan was, een
deel zou medegeven!--onder welk verslag de weduwvrouw had opgemerkt
dat meester Schorel drie malen Gods zegen en vijf malen de straffe
der verdoemenis over zijn grijze kruin had afgesmeekt!
Met recht begreep vrouw Geertje dat het noodeloos woord- en
tijdverspillen zou wezen, om den zoozeer ontstemden man nogmaals
over de belangen van haar jongen te spreken; wellicht zou zij later,
in kalmer oogenblikken, met meer voordeel die zaak kunnen bepleiten;
en na Thilde hartelijk de hand te hebben gedrukt, welke handdruk
met een bijzonder vuur werd beantwoord, groette vrouw Willems den
komenij-man vriendelijk, maar vertrok zonder een antwoord op hare
vraag: of zij later nog eens terug mocht komen om over Frans--hij
wist wel--te spreken?
Ongeveer twee dagen nadat Willem Van Male in zijn ellendigen toestand
door vrouw Geertje en haar zoon werd gevonden, kwam hij tegen den
avond voor de eerste maal tot eenig bewustzijn.
Het hoofd naar de zijde wendende waar de gordijnen waren geopend,
beschouwde hij met strakken doch doffen blik langdurig de vreemde
vrouw, die naast zijn ledikant was gezeten en die, verdiept in haar
arbeid, het niet bemerkte dat de lijder haar gadesloeg.
Werkelijk ontstelde Geertje toen de stilte die er in het vertrek
heerschte--want Frans deed een boodschap--eensklaps werd afgebroken,
en zij de krachtelooze stem uit het ledikant vernam, met de vraag:
"Wie ben je?"
In den aanvang wist Geertje niet wát te antwoorden.
Zij had den lijder reeds zoo dikwerf, maar ijlende, op een geheel
anderen toon hooren spreken, en ook natuurlijk tot hém gesproken,
hem nu eens tot rust vermanende, terwijl zij dan weder, hoewel te
vergeefs getracht had zich aan hem bekend te maken. Niet zonder
eenige verwarring uitte zij dus de wedervraag: of mijnheer waarlijk
wakker was?
"Maar wie ben je toch, en waarom zit je hier?" klonk het weder dof:
"Ik ken je niet."
"Ach! God zij gedankt!" sprak Geertje, terwijl zij haar werk liet
varen en met de beide handen de vermagerde hand van den lijder vatte,
waarmee hij bij de laatste vragen met een machtelooze beweging gepoogd
had de gordijnen wat meer open te schuiven. "God zij dank! hij is
dan weer bij kennis. Ach, Wimpje.... mijnheer Willem....! Neen, u
kent mij zeker niet meer? Neen! nietwaar? Of zou Geertje nog niet te
veel verouderd zijn? Och! u waart nog maar even tien jaren toen zij
van u heenging. Och Wimpje! zie eens, zie eens, kent u mij nog....?"
"Maar zeg dan wie je bent!" sprak de doffe stem weder, en 't scheen
wel of dat telkens vragen hem vermoeide of verveelde.
"Geertje!--Geertje Willems!" klonk nu haastig het antwoord der vrouw:
"Och! dat ik u zoo naar en zoo zwak moest wedervinden! Maar tóch dank
ik God dat ik u nog levend terugvond! En zoudt u waarlijk iets beter
zijn?" liet zij er spoedig op volgen, terwijl het op haar gelaat te
lezen stond hoezeer haar een "ja" zou verblijden.
"Ik ken je niet! Neen. En beter ben ik ook niet.... hoewel ik niet
ziek ben," klonk het doffe antwoord van den ongelukkigen jongeling,
en, ofschoon hij niet beproefde de hand, die vrouw Geertje nog in de
hare hield, terug te trekken, wendde hij toch het hoofd af en sloot
de oogen.
't Was een bittere teleurstelling voor Geertje dat ze die woorden moest
hooren uit den mond van hem, voor wien haar gevoelig hart zoo warm en
zoo teeder klopte. Neen, ze vermocht geen woord uit te brengen, maar
met een gelaat waarop de smart die ze ondervond zoo duidelijk was te
lezen, bleef ze op den armen Willem nederzien, en drukte nog steeds
zijn hand, als hoopte zij dat die taal beter zou verstaan worden.
Zie, daar wendde hij opnieuw het hoofd naar de zij waar Geertje
stond, en terwijl de matte oogen zich nogmaals op haar vestigden,
sprak hij langzaam:
"Maar ben je dan de vrouw waarvan ik gedurig droomde,--ook in dezen
nacht die zoolang heeft geduurd? Ben jij het met wie ik nog onlangs
heb geworsteld, zóó sterk.... hé?" en de jongeling rilde: "dat ik
niet ontkomen zou zijn, indien niet hij....!" Maar eensklaps rukte
Van Male de hand welke Geertje nog vasthield, los, en recht voor zich
uit wijzende, terwijl zijn blik zich mede in de aangewezen richting
vestigde, vervolgde hij dof maar gejaagd:
"Hij die daar staat!--Weg, weg!--Hij was het,--ja, hij--die
mij losrukte en meenam naar het huis waar ik kokende olie
moest drinken.--Nog brandt het hier binnen--gloeiende kokende
olie.--Pijn! pijn!--Waar een kleine slang, zoo fraai van vorm en
kleuren, en zoo hel van oogen, mij aanstaarde.--O! weg, weg!" gilde
hij sterker, en wierp, terwijl Geertje het angstzweet uitbrak, met de
beide handen de dekens ten deele van zich af: "Weg! help! zij steekt
mij in 't hart.--Pijn! pijn!--"
Zóó akelig had vrouw Geertje hem nog niet gezien. Die arme jongen!
"Wees voorzichtig!--Voorzichtig! Hij staat dáár!--met die zwarte
knevels en dat hooge voorhoofd.--Weet je wat achter dat hooge voorhoofd
zit?--ik zag het straks!--Zie, hij lacht! hij lacht!--help! help!!"
Machteloos en buiten kennis zonk de ongelukkige, die zich bij de
laatste woorden overeind had gericht, in zijne kussens terug, en
roerloos bleef hij totdat de dokter verscheen, die door de ontstelde
vrouw in allerijl was ontboden.
Wij zouden te veel van het geduld vergen, indien wij een breedvoerig
verslag gaven van 't geen er verder gedurende eenige dagen in het
rijk gestoffeerde vertrek der ellende voorviel. Genoeg zij 't te
melden dat er geen belangrijke verandering in die dagen plaats greep,
en hoewel Van Male niet weder in zulke hevige uitvallen verviel,
bleek het toch, zoo vaak men hem bij kennis waande, dat de vrees
voor een verstandsverbijstering nog niet als ijdel kon beschouwd
worden. Telkens was hij op het punt om Geertje of den speelmakker
zijner kinderjaren te herkennen, maar telkens ook werd dit gewenschte
uitzicht weder verijdeld.
Eindelijk echter viel der trouwe zoogmoeder het geluk dier vurig
gewenschte herkenning ten deel. Met een blos der innigste verrukking
hoorde zij op zekeren morgen uit den mond des jongelings, dien zij
sluimerende dacht, de verblijdende woorden:
"Ja, ik weet het wel, dat je de goede moeder Geertje bent."
Van dat oogenblik af week de vrees van den dokter, en werd Willem Van
Male, ofschoon ellendig en zwak, weer van de ketenen verlost die zijn
rede hielden gekluisterd. 't Is nu, in den _Voltaire_ gezeten, met
het hoofd aan vrouw Geertjes boezem geleund, dat wij hem wedervinden.
"En zou dat mogelijk zijn Geertje?" vraagt de zwakke, terwijl hij de
oogen tot de vrouw opheft, die vertroostende woorden tot hem sprak.
"Mogelijk, Willem?" antwoordt de zoogmoeder: "Het is een vaste en
zekere waarheid! Je hebt immers gehoord wat er geschreven staat,
namelijk dat hij die gedoopt is en gelooft, de zaligheid zal beërven."
Willem zwijgt een poos, maar eindelijk slaakt hij een zucht, en zegt:
"Maar Geertje, ik heb niet geloofd.... zelfs heb ik maar zelden aan
God gedacht. Alleen deed ik zulks wanneer ik mij de woorden herinnerde,
die mij bij 't afscheid op "_Land-heil_" uit uw mond naklonken: "Wees
braaf! God, die u altijd ziet, heeft de brave kinderen lief!" Die
woorden zijn altijd in mijn geheugen gebleven. Onwillekeurig
kwamen ze mij, soms in de luidruchtigste gezelschappen of te
midden der bedwelmendste genietingen, voor den geest; maar, hoewel
ze mij deden ontroeren, vooral toen ik pas begon de wereldsche,
mij vreemde genoegens te kennen, dat denkbeeld zelf leerde ik hoe
langer zoo meer verdragen; _ik_ was toch geen kind meer, _ik_ was man
geworden! _hij_--_hij_ zeide het mij meermalen. O Geertje, zeg, ben
ik niet vreeselijk ellendig? Zou dat woord, straks door u gesproken,
ook _mij_ kunnen redden? Gelooven! alléén gelooven?--Neen, neen,
't is onmogelijk, je hebt ook andere woorden gelezen Geertje! "Daar
zal zijn weening en knersing der tanden." Geertje! och! houd mij wat
vaster--ik word weer zoo vreeselijk koud; ik beef zoo--Geertje! neen,
het is onmogelijk!"
Maar neen! het was niet onmogelijk. De trouwe zoogmoeder zou er
voor waken.
Aandoenlijk was het, de goede vrouw daar met den ongelukkigen Willem
te hooren spreken, en hoe zij, bij al wat te vergeefs werd aangewend
om de krachten van het lichaam te herstellen, de vonken van 't leven
des geestes in hem aanvuurde, zoodat hij na verloop van weinige dagen,
een blij ontwaken aan gene zijde van het graf voor mogelijk hield. Ja,
al gevoelde hij ook dat er in een der vele woningen waar hij den blik
zou opheffen, de smart over het hier bedreven kwaad hem de vreugd
zou verbitteren, hij vertrouwde toch op de genadige ontferming des
Scheppers, op de liefde van Hem, die--volgens de meening der goede
eenvoudige vrouw--met _vele_, maar ook met _weinige_ slagen zal slaan.
Nu, Gode zij dank! al waren zijn leden ook slap en zijn vermagerde
handen koud, hij rilde niet meer, maar voelde zich sterk met zijn
hoop op een betere wereld. Hij vreesde den man niet meer die,
zooals Claudius zegt: "er zelfs vriendelijk zal uitzien indien men
hem lang aankijkt." Neen, hij sidderde op zijn aanblik maar zelden,
en toch--toch stond vriend Hein steeds vóór hem. Lag de arme jongen
in zijn ledikant, dan trad de sikkelvoerder uit de gordijnplooien te
voorschijn, en trok de kakebeenen tot een lach, een vriendelijken
lach, alsof hij zeggen wilde: "'t Gaat goed mijn jongen! niet als
een vijand maar als een vriend zal ik u de hand reiken." Zat hij voor
het bed in den gemakkelijken leunstoel, dan stond de ontvleesde man
als naar gewoonte bezijden de prachtig gevulde _étagère_ en lachte
alweder, maar immer vriendelijk, en 't was alsof hij fluisterde:
"Ik wacht slechts totdat ge uw reisgoed bijeen hebt."
Ja, Willem zag hem zonder vrees; maar toch werd hij droevig, wanneer
hij hem langdurig beschouwd had en, vermoeid zijne oogen sluitende, in
de duisternis die hem omgaf toch alweder het beeld van den levensmaaier
ontwaarde, en aan diens zijde een fraaien blonden knaap, een knaap--met
de rozen op de lachende wangen, een ruiker van de schoonste bloemen op
de borst, en in zijn hand een krachtig wapen, waarmede hij een aantal
zwarte wezens, die aan zijn voeten kropen, dreigde te vernietigen. Ja,
de lach van dien knaap bedroefde hem meer dan de lach der ontvleesde
kaken; een wijle toch was het hem als herkende hij in dien knaap zijn
eigen wezen; als werd hij één met hem; als stond hij in zijne plaats;
als--maar plotseling weder ontwakende lag hij als vroeger machteloos
neder, en zag hoe hij meer naar hém geleek, die naast de _étagère_
stond, en dan--dan blonken er een paar tranen in de oogen, die maar
kort meer het zonlicht zouden opvangen. Zóóals die knaap was, had
hij _moeten_ zijn, en nu--o God!--en nog zoo jong!
Was het vreemd dat de jonge Van Male, zelfs nadat hij uit de
geestverdooving ontwaakte, niet van _hem_ sprak, noch _hem_ wenschte
weder te zien, aan wiens hand hij "zijn jeugd" had genoten? Was het
vreemd dat, zoodra het beeld van Joost Van Meerle zich aan zijn geest
vertoonde, er zich een nog pijnlijker trek dan gewoonlijk over zijn
gelaat verspreidde?
Vreemd? Evenmin als het vreemd is dat de wandelaar, die in
het vriendelijke morgenlicht zijn weg vervolgt, den nacht niet
terugwenscht, die hem belette de gevaarlijke punten op zijn pad
te ontwijken.
Vreemd? Niet vreemder dan dat een donkere schaduw het aardrijk grauwt
wanneer een zwarte wolk den zonneglans verduistert.
Willem vraagde niet naar den voogd, en verscheidene weken verliepen
er eer Joost Van Meerle,--wiens toestand, vooral na de amputatie
van zijn rechterbeen, niet zonder zorg te wekken geweest was,--een
briefje van den volgenden inhoud aan zijn pupil deed toekomen:
"_Willem!_
't Is nu ruim acht weken geleden dat ik op dien verwenschten avond
mijn poot brak. Verscheidene malen heb ik mijn oppasser naar je
toe gezonden, om te hooren wat je toch scheelde, maar telkens zond
je lamme huisploert de boodschap terug: dat mijnheer erg zwak was,
en dat de pil had verboden iemand bij je toe te laten.
Dat ik beroerd ben behoef ik je niet te zeggen: 'en houten poot om
zoo'n ellendige meid! Ik kan dol worden als ik in mijn spion tuur
en de flauwste kerels vrij en vlug over straat zie loopen. Je moet
wel heel beroerd zijn Willem! anders zou je mij niet zoo alleen
laten liggen, want nog altijd bromt de Chir.-Maj., dat ik rust moet
houden. Wanneer je nu maar eenigszins kunt, smijt dan de medicijnflesch
weg, en kom mij bezoeken. Geloof maar dat ik er vrij wat erger aan
toe ben dan jij het wezen zult. Je bent een goeje kerel maar te
hyp van natuur. Als je van avond komt, dan zul je een heerlijk glas
punch hebben; Schudhiel komt ook--een prettige kerel, die me heel wat
opvroolijkt.--Hij beloofde keurige platen te zullen meebrengen, die hij
te Parijs heeft opgedaan; ik geloof vijf _cahiers_, onder den titel:
"_Délices_," in 't _genre_ van Alexander V. H., maar zonder doodkisten
en flauwe zedepreken er bij; _enfin, nous verrons!_ Laat je door
geen doktergelamenteer terughouden. 't Weer is wel wat guur, maar,
zoo 't een kou is die je vatte, moet je aan 't spreekwoord denken:
"breng de kou waar j'm haalde." _Enfin_, ik ben er lam aan toe, en had
al eerder geschreven, zoo ik niet onbeweeglijk stil had moeten liggen,
en nú nog schrijf ik in een liggende houding.--V........ ongelukkig,
vind je niet! _Soit_! 'en been is maar 'en been. Als je soms later
eens uit wilt, dan zal Schudhiel je man zijn.
_Bonjour_ Willem!--geef antwoord aan brenger dezes.
_t. à. t._ J. Van Meerle."
Juist op het oogenblik dat Willems dokter de trap wilde opgaan, om zijn
patiënt te bezoeken, hoorde hij de stem van Van Meerles oppasser achter
zich, die aan de dienstmeid den brief overhandigde, met de woorden:
"Van den luitenant Van Meerrle, voor mijnheerrr boven.--Bescheid as
je blieft."
De dokter keerde terug, en verzekerde den knecht dat de lijder te
zwak was om brieven, van wie zij ook kwamen, te lezen, terwijl hij
er bijvoegde: volgaarne den luitenant, zoo hij zulks verkoos, van
den toestand zijns pupils te komen verslag doen, dewijl het dezen
mede onmogelijk was om een letter bescheid te geven.
"Zeerrr wél!" klonk het antwoord, en de oppasser maakte rechts-om-keer.
Wat er in de ziel van den luitenant omging toen de brave arts--die,
bij al hetgeen voor oogen was, toch den helschen toeleg van den
voogd niet vermoedde--hem den zeer bedenkelijken toestand van den
jongen patiënt had meegedeeld...? wij laten de beantwoording dier
vraag aan den denkenden lezer over, maar verklaren toch, dat wij met
den geneesheer, op het verbleekte gelaat van den luitenant een trek
ontwaarden alsof--alsof een zegevierende lach met geweld door hem
onderdrukt werd, en verzekeren tevens, dat hij van dat oogenblik af
aan, met belangstelling (?) twee malen daags door zijn oppasser naar
den welstand van zijn jongen vriend deed "informeeren."
En Geertje hield bij haar zoogkind de wacht.
Met trouwe en moederlijke bezorgdheid voorkwam zij zijn geringste
wenschen, en sprak--wanneer zij zulks voor zijn welzijn niet nadeelig
oordeelde--niet zelden over zijn hoogere belangen. Over het verledene
repte zij geen woord; over het verledene in zooverre het aan zijn
zondige leefwijze kon herinneren; maar wel sprak Geertje haar
voedsterzoon over dat _ver_ verleden, toen hij als kind vroolijk
en blij het leven te gemoet huppelde; en o, het was hem zoo goed
die tijden te herdenken, en in den geest nogmaals die onschuldige
kinderjaren te doorleven. Ja, ook somwijlen moest zij verhalen van
't geen haar zelve weervoer sedert zij naar hare geboorteplaats uit
de haar zoo dierbaar geworden omgeving vertrokken was; en wanneer
Frans,--die op Willems uitdrukkelijk verlangen, tegen een ruime
belooning de boodschappen deed--zich mede in het vertrek bevond,
dan verlangde Willem niet zelden dat de zoogbroeder zich aan zijn
zijde zou nederzetten. En wanneer hij dan somtijds zijn hand vatte,
dan zag hij hem met zijn doffe oogen zoolang en zóó veelbeteekenend
aan, dat Frans er verlegen van werd en een kleur kreeg, totdat
de lijder eindelijk het hoofd afwendde en dan gewoonlijk zuchtte:
"Een moeder! Een goede moeder! God nam de mijne, maar Frans, de uwe
heeft Hij mij wedergegeven!" O! en wanneer er dan een dankbare lach om
Willems lippen speelde, en Frans ook opgewekt en met een blij gelaat
zijn moeder toeknikte, dan juichte Geertje in stilte: "God, ik dank
U!" want dan zag zij weer een lach van overeenstemming op die beide
aangezichten, de lach der broeders van denzelfden--van _haren_ boezem.
Slechts weinig sprak Willem, doch gaarne luisterde hij naar Geertje,
en, wekte het zijn belangstelling háár levensloop te vernemen, evenzeer
was hij verlangend naar hetgeen er sedert hun afscheid van _Landheil_,
met Frans gebeurde. Hij was er verlangend naar, en toch had hij tot
nu toe dat verlangen niet bekend gemaakt.
Omdat hij doorgaans dof en uiterst zwak was, dacht Geertje dat Willem
niet op het denkbeeld kwam er naar te vragen; doch, vermoedelijk zijn
wij der waarheid meer nabij, zoo we ons den ongelukkige aarzelende
voorstellen om weder van een ontmoeting te gewagen, die hem de wreede
rol van verloochenaar deed spelen. Intusschen--zoo ons vermoeden
gegrond is--dan behaalde Willems belangstelling de zegepraal over
zijn verschoonbaar aarzelen, en na vergiffenis voor het leed te hebben
gevraagd, 't welk hij Frans bij de eerste ontmoeting in de G....steeg
moest veroorzaakt hebben, vernam hij, met de eenvoudige en weinig
belangrijks bevattende geschiedenis van den jongen, ook de pijnlijke
reden waarom hij verstooten was, en thans door allen gewantrouwd werd,
alsmede hoe zijn hoop werd vernietigd om eenmaal aan Mathildes zijde
gelukkig te worden.
Dankbare vreugde straalde er uit de blikken van Frans en zijne moeder,
toen de zwakke stem van Willem de waarheid betreffende het muntbiljet
aan 't licht bracht. Goddank! _hij_ was het dan waarlijk! De valsche
beschuldiger kon gelogenstraft worden, indien God den lijder, zooals
hij zelf smeekte, daartoe de krachten nog sparen wilde.
't Was Zondagmorgen. Willem lag te bed. Frans was beneden om goedwillig
een kleinen dienst aan den eigenaar der woning te bewijzen, en Geertje
trad met een bord, waarop een paar beschuiten lagen, naar het ledikant.
"'t Is Zondag, nietwaar moeder Geertje?" vroeg Willem toen hij haar
ontwaarde.
"Ja, Willem, 't is Zondag," antwoordde de vrouw.
"En je zult zeker met Frans naar de kerk gaan?"
"Neen, dat kan niet. Frans zal gaan, maar ik blijf te huis; je kunt
me noodig hebben."
"Ga gerust Geertje," hernam de knaap: "ik heb je heusch niet
noodig. Waarlijk, gaat beiden. 't Is immers goed naar de kerk te gaan?"
"Ja, mijn goede Willem," hernam Geertje: "doch wij kunnen van déze
kamer óók de kerk maken, indien ik je een gebed, een kapittel uit
den Bijbel, en een der mooiste gezangen voorlees."
"Lieve Geertje! hoor eens...."
"Welnu Willem...?"
"Je doet me graag genoegen, nietwaar?"
"Willem! je twijfelt toch niet?"
"Neen Geertje; maar zie je, dan moest je dezen morgen met Frans naar
de kerk gaan. Dan kun je me vertellen wat de dominee preekte. Wat _jij_
mocht vergeten, zal Frans wel onthouden, en wat hém ontging zal jou in
't geheugen zijn gebleven. Zeg, zul je 't doen?"
"Maar Willem, waarom toch?"
"Om mij genoegen te doen, wie weet hoe kort je 't nog maar doen kunt!"
Vrouw Geertje wischte een traan weg, en zei: dat het toch beter was
te blijven, want dat juffrouw beneden óók ging, en slechts mijnheer
en de meid te huis bleven.--Willem gaf evenwel nogmaals zóó dringend
zijn verlangen te kennen, dat zij eindelijk beloofde aan het verzoek
te zullen voldoen. Werkelijk stapte zij dan ook een half uur later,
na de kamer in orde te hebben gebracht, met een hartelijken groet ter
deure uit, terwijl zij beneden nog aan de meid verzocht om van tijd
tot tijd eens te luisteren of mijnheer boven ook soms iets noodig had.
Willem lag nog rustig te bed toen hij de voordeur achter vrouw Geertje
en haar zoon hoorde toedoen.
Zie, daar heft hij langzaam het hoofd omhoog; klemt zijn schier
doorzichtige vingeren om den beddekwast; schuift met de grootste
inspanning de beenen vooruit over de zijplank van het ledikant,
en glijdt eindelijk, terwijl hij nu de gordijnen tot steunsel vat,
langzaam langs die zijplank tot voor het bed neder. Blijkbaar heeft
hem deze verrichting ten zeerste vermoeid, want hij blijft op het
vloerkleed liggen, roerloos; Hemel! alsof--doch neen, zie, daar opent
hij weder de oogen, en zijn hand grijpt den poot van den nabijstaanden
voltaire. Een poging om zich op te richten is vruchteloos.--Nog eene,
tevergeefs. Wat zucht hij treurig! Zie een laatste, een geweldige
krachtsinspanning.--Ha! zij is hem gelukt.--Nóg een pijnlijk pogen,
nóg een krampachtig vastklemmen, en, ja--amechtig zit hij in den
grooten leunstoel. Weder duurt het ettelijke minuten eer Van Male
blijken geeft dat het leven nog in hem is; maar eindelijk, zie, alles
aanvattende wat in staat is weerstand te bieden, schuift hij zich met
den voltaire, waaronder kleine raderen zijn--vooruit, na alvorens een
deken tot deksel van het ledikant te hebben getrokken. Zie, tot bij
de secretaire in gindschen hoek rolt hij zich langzaam voort;--een
verborgen zijlade trekt hij open, en neemt er den ring uit die zijne
sleutels verbindt.--De secretaire wordt geopend, en--'t is met een gil
van ontzetting dat Willem in den leuningstoel terugzinkt, want--in het
kleine spiegelglas binnen dat meubel, heeft hij het beeld weergezien
van hem, die zich zoo dikwijls aan zijn geest vertoonde,--het beeld
van den beenigen sikkelvoerder, maar nu volmaakt gelijkende op hem--den
arme zelven.
De naburige torenklok slaat tien. Reeds meer dan een half uur is er
van den tijd verstreken, dien Willem den zijne rekent. Zie, weder
heft hij zich op; schuift den stoel ter zijde, zoodat hij schuins
voor den lessenaar zit; neemt vervolgens een blad papier uit een lade,
en doopt de pen, welke hij ter hand nam, in den bijna verdroogden inkt.
't Is ook lang geleden dat hij voor de laatste maal schreef. Aan
wie....? Hij rilt; misschien bij de gedachte aan de laaggezonkene,
die de laatste letters van hem ontving. De pen beeft hem in de hand,
maar toch hij schrijft--doch slechts een luttel tal woorden.
Het blad wordt tot een brief gevouwen en met een ouwel verzegeld. Nu
schrijft hij een kort adres, en--ruim een kwartier later ligt Willem
als straks op zijn legerstede, doch weet zelf niet hoe het hem gelukte
haar in dien ellendigen toestand weder te bereiken.
Halfelf bromt de torenklok. Met een zenuwachtigen schok grijpt Van
Male de tafelschel, die vrouw Geertje op het nachttafeltje bezijden
het bed plaatste, en schelt krachtig, één--twee--drie malen.
't Duurt niet lang of de dienstmeid steekt haar hoofd binnen de kamer,
en vraagt met een onthutst gelaat: of mijnheer iets noodig heeft?
"Jane, dit briefje moet terstond bezorgd worden," zegt de jonkman
met zwakke stem.
De meid treedt binnen, en met zekeren schroom nader komende, neemt zij
het briefje, belooft het _terstond_ te zullen bezorgen én verzekert
dat ze zeer goed weet waar het wezen moet; dicht in de buurt, circa
tien deuren ver, op het groote bovenhuis.
Mogen er onder de jonge vrouwelijke dienstboden maar weinigen
zijn die zedig, trouw en eerlijk kunnen genoemd worden;--hoewel de
beide laatste hoedanigheden schier in alle getuigschriften vermeld
staan,--zeer zeker behoort het tot de groote zeldzaamheden een
dienstmeid te bezitten, die--vlug boodschappen doet; doch, eere
wie eere toekomt; Jane was niet alleen zedig, trouw en eerlijk,
maar ook de laatstgenoemde onschatbare deugd betrachtte zij steeds
met nauwgezetheid, en 't scheen den wachtenden lijder--wachten valt
altijd lang--slechts een verloop van weinige minuten te zijn geweest,
waarin het meisje den haar opgedragen last volbracht, zoodat hij
haar goedkeurend en vriendelijk toeknikte toen zij de boodschap gaf:
dat mijnheer oogenblikkelijk verschijnen zou.
't Was een lang heer die werkelijk na verloop van eenige minuten de
trap opklom en aan Van Males kamerdeur tikte.
"Binnen!" klonk het zacht. De heer trad de kamer in, en na eenige
voor ons onverstaanbare woorden van den lijder, waarvan het laatste
"sluiten," kan geweest zijn, wordt de kamerdeur van binnen in het
slot gedraaid, en hooren wij--niets.
Kort slechts had het onderhoud geduurd toen de lange heer weer de
kamer en straks de woning verliet.
Elf slaat het buiten, en de huisschel roept de dienstmeid naar voren,
die daarop nogmaals den langen heer--'t moet zeker een vriend of
een schuldeischer van den lijder zijn--met nog twee andere vrienden
of schuldeischers--binnen laat, welke nu achtereenvolgend de trap
beklimmen, en na een: tikken, en "Binnen!" te zamen Willems kamer
intreden, terwijl de deur opnieuw terstond in het slot wordt gedraaid.
Tien minuten later verlaat het driemanschap--wij meenen met
tevreden aangezichten--de woning, en Willem ligt akelig roerloos
in het ledikant, en heeft een ontzettende gelijkenis met den man,
die weder in de plooien der bedgordijnen staat, en nu eene groote
schrede voorwaarts doet.
Halftwaalf had de torenklok geslagen toen Geertje, uit de kerk
terugkomende, de ziekenkamer weder binnentrad.
Frans bekwam van zijn moeder verlof om den vroeger door Willem
geuiten wensch aan baas Schorel te gaan bekendmaken, dat deze tegen den
avond--daar het toch Zondag was--eens bij hem zou komen, ten einde--hij
moest niets méér zeggen--een belangrijk nieuws te vernemen. Alleen
het denkbeeld, de woning weder te zullen betreden, waarbinnen
de dierbare Thilde zich bevond, had Frans reeds 't bloed naar 't
voorhoofd gedreven, en hoe hij er dus uitzag toen hij werkelijk den
hem zoogoed bekenden winkel binnentrad, zal geen vermelding behoeven.
Intusschen laten wij Frans--die aan zijne moeder beloofde spoedig te
zullen wederkeeren, dewijl hij haar bij 't verhalen van de preek moest
behulpzaam zijn--zijn bezoek in de G....steeg afleggen, en vinden
vrouw Geertje in de grootste onrust bij Willems legerstede terug,
met ongeduld op de komst van den dokter wachtende, om wien zij bij
haar tehuiskomst terstond gezonden had.
"Och Willem, Willem! waarom heb ik je verlaten!" riep de goede vrouw
telkens, terwijl zij alles beproefde om haar zoogkind tot bewustzijn
terug te roepen, en daarin al spoedig werd bijgestaan door de eigenaars
van het huis, die op haar geroep met Jane waren toegesneld.
't Was de geneesheer eindelijk, die, na den patiënt nauwkeurig te
hebben onderzocht, de hulpvaardige lieden verzocht in stilte te
vertrekken, en der bezorgde vrouw Geertje verzekerde dat Van Male
slechts in een flauwte lag, zoodat men voor 't oogenblik niets te
vreezen had.
Voor 't oogenblik, neen, want inderdaad ontwaakte Willem tegen den
middag uit die lange, zeer lange bezwijming.
Hemel, wat is die blik droevig en mat! Diep schokt hij de vrouw die
haar kind--ja, háár kind was hij weder--geen oogenblik uit het oog
had verloren.
"Willem! zie je mij niet meer?" spreekt zij zacht.
Er verloopen eenige seconden eer de jongeling een "Ja," doet hooren.
Weder ligt hij roerloos; opnieuw heeft een flauwte hem vermeesterd,
en het daglicht heeft reeds uitgeschenen eer de zoogmoeder hem in de
oogen ziet, in de oogen, die haar treffend de oogen van haar echtvriend
herinneren, toen zij die sloot nadat hij gestorven was.
"Willem! zeg, wil je iets? Kan Geertje iets voor je doen? Zie, ik sta
hier bij je.... Je ziet me immers wel? En hier is Frans.--Willem! Ben
je koud dat je zoo huivert?" Zoo spreekt en vraagt de bewogen vrouw;
maar ze wendt daarna het hoofd, want ze wil niet dat hare tranen hem
zullen bedroeven. En Frans, hij wordt ook zoo heel akelig; hij kan
het niet goed aanzien, en fluistert: "Moeder zal ik naar den dokter
gaan?" En Geertje knikt; en Frans verwijdert zich snel om weder den
arts te halen.--Ach! alsof een geneesheer den mensch in 't leven
behouden kon!
"Geertje!" steunt eensklaps de jongeling, die zóó nabij de poorte
van het eeuwige Godshuis staat: "Gelooven--is--het--niet...?"
"Ja, gelooven Willem! O! vast gelooven Willem!" zegt vrouw Geertje
haastig, en brengt haar oor nader bij den spreker, vreezende dat één
klank haar ontsnappen zal.
"Geertje! dank!--Frans! dank!" klinkt het weder, en ofschoon Frans
er niet is, zoo spreekt Geertje niet, want ze heeft moeite een luid
snikken te weerhouden, maar ze vat de hand, die zich op het dekkleed
roert, drukt die, voor haar zelve en voor haar zoon, en hoort een
nog flauwer: "Bidden!--Vader!--vergeef--gelijk--wij,"--en terwijl de
linkerhand een wending naar de andere zijde van het bed maakt, klinkt
het nogmaals: "Dank!" waarna de laatste levenskracht wordt aangewend
om der vrouw een papier toe te reiken dat zij werktuiglijk aanneemt.
En toen--toen deed de rammelende man, die zoolang in de plooien der
gordijnen stond, nog een schrede voorwaarts, drukte de hand zachtjes
op de borst van zijn vriend, en de laatste ademtocht vlood "naar
het Huis des Eeuwigen Vaders, naar het eeuwige Huis waarin _vele_
woningen zijn."
De taak, die de zoogmoeder op zich nam, was volbracht. Willem, de goede
maar verwaarloosde jongen was gestorven.--De dokter verklaarde dat de
kunst was te kort geschoten.--Geertje schreide bitter. Frans staarde
strak op het lijk van den zoogbroeder. De heer des huizes kwam boven,
ook zijne vrouw, benevens Jane die den boezelaar voor de oogen had,
en de oppasser van den luitenant Van Meerle bracht zijn meester
de tijding:
"Complement en dat de jonge heer overleden is?"
"Kerel! wat zeg je?" riep Van Meerle, toen zijn dienaar de boodschap
had overgebracht: "Is de jongeheer Van Male werkelijk dood?"
"Om u te dienen luitenant!"
"Dienen, dienen!" herhaalde Van Meerle in gedachten, terwijl er op
zijn gelaat een vreemdsoortige uitdrukking te lezen stond.
"Dat is te zeggen," antwoordde de oppasser eenigszins onthutst: "dat
ik den luitenant condoleer. Nog iets van uwe orders...?" liet hij
er op volgen, en bracht te gelijk de voorste vingers der rechterhand
aan den slaap van zijn hoofd.
"Ben je nog niet te weten gekomen Albert, wie mijn neef verzorgde?"
"Eene vrouw, om u te dienen luitenant!"
"Dienen! Maar welke vrouw, voor den d.....? Hoe heet zij?"
"A ja, ik informeerrrde," klonk het antwoord, terwijl de spreker
een gezicht zette alsof hij den naam uit het vloerkleed wilde halen:
"Een vóórnaam, luitenant! een vóórnaam, weet u, met _sen_ er achter. A
juist, Janssen! om u te dienen."
"Alleen?"
"Dat is te zeggen, ik geloof ja luitenant! behalve een meid van den
boekverkooper, 'en preutsch ding, om u te dienen!"
"Zwijg! Over een halfuur terug, geen minuut later."
"Nog iets van uwe orderrrs?"
"Vertrek! Neen, wacht.... Geef die cassette. Zóó, hier!--"Nadat de
oppasser eindelijk vertrokken is, verspreidt er zich een helsche lach
over Van Meerles gelaat, en ijlings zet hij zich aan 't schrijven.
Het halve uur ternauwernood verloopen zijnde, keert de oppasser terug,
en krijgt in last om den brief voor Gelderland terstond te bezorgen,
en de andere commissies--de advertentie voor 't "Handelsblad," en de
vigilante bij den sleeper vooral niet te vergeten.
Nog dien zelfden avond kwam Joost Van Meerle, ondanks het streng
verbod van zijn medicus en de pijn, die hij door de ongewone beweging
te verduren had, in persoon naar het sterfhuis, om--een oog in 't
zeil te houden, en er te blijven totdat zijn vader zou zijn gekomen
of procuratie zou hebben overgemaakt.
Bij de droefheid, welke Geertje vervulde, was het alsof een adder
haar in den boezem stak, toen in het late avonduur, de deur van het
doodsvertrek werd geopend, en een man--in wien zij terstond haar
beleediger van nu tien jaar geleden, Willems verderfelijken voogd Van
Meerle herkende--op den arm van een soldaat geleund, binnenstrompelde.
De lezer zal het ons zeker ten goede houden, dat wij hem in dit
stille doodsvertrek niet de woorden van den man doen hooren, die
de helaas onstrafbare moordenaar van het hem toevertrouwde kind
was geworden. Neen, wij laten Joost Van Meerle niet spreken in de
tegenwoordigheid van Willems stoffelijk overschot. Gij zijt gelukkig,
koud lijk! dat ge uw voormaligen opvoeder evenmin zult hooren. Maar,
arme Geertje! goede, brave, trouwe, godvruchtige Geertje! met ú
gevoelen wij het diepste medelijden, daar u alras de bitterste en
beleedigendste woorden zullen worden toegevoegd.
En, zij bleef bedaard; zij sprak van een dierbaren en heiligen plicht
dien zij vervulde. God was zij dankbaar, die haar zóó geleid had,
dat zij het woord, eenmaal aan een vader gegeven, had kunnen gestand
doen. Neen waarlijk, zij beoogde geen winst. Waarlijk, geen stuiver
had zij begeerd of genoten boven het loon, 't welk haar in staat
stelde om de noodigste behoeften en de huur van haar eigen kamertje
te betalen.--Inderdaad, alles was hier gebleven zooals zij het op
die kamers gevonden had.
Maar dat papier....? dát papier--'t welk immers werktuiglijk
door haar in den zak gestoken, nu uit hare kleeding te voorschijn
kwam....? Zij weet niet--het is--zij ziet.... Hemel! kan zij haar
oogen gelooven!? Die woorden: "Eenige en algeheele erfgename...." Zij
herhaalt ze luide;--het duizelt haar; en--zij hoort het gebrul
dat de kamer vervult: zij staat roerloos; verneemt woorden en
vervloekingen, die haar 't hart doen krimpen; en terwijl zij op een
kalmen en waardigen toon zegt: "Zie dan hoe snood en boosaardig mijn
opzet was," scheurt ze het blad in verscbeidene stukken, juist op het
oogenblik dat Joost Van Meerle, die, zijn eigen ellendigen toestand
geheel vergetende, uit zijn zetel was opgesprongen, met een pijnlijken
kreet op den grond en voor hare voeten nedervalt.
Brave Geertje! gij hebt liefgehad; wat gij gemeend hebt dat verloren
was, hebt gij behouden; aan uw arm verdoold zoogkind hebt gij den
vrede op het sterfbed en de hoop op een betere toekomst geschonken;
toen ge u reeds op aarde een schitterend loon zaagt bereid, toen
hebt ge geweigerd, en, weinig ervaren in die zaken, hebt ge het
bewijs dier belooning vernietigd, omdat gij uw loon in den hemel
bewaard wist.--Maar toch, trouwe zoogmoeder! het laatste werk van
uw Willem was een wél doordacht werk, ofschoon het hem nader tot
zijn einde voerde. Geertje! wettig zijt gij Van Males erfgename;
want het wettige testament berust in handen van den langen notaris.
En ja--wat ook verdonkerd of verbrast werd: Van Males nalatenschap,
uit de handen zijner bloedverwanten gered, mocht, althans voor haar,
de arme, een schitterende erfenis genoemd worden. De Wet stelde die
in hare handen, en de wet der Natuur--de liefde voor haren Frans--deed
Geertje eindelijk besluiten die dankbaar te aanvaarden. 't Smartte haar
niet dat ze geen enkel bewijs van dank ontving voor de aanzienlijke
som, welke zij aan de Van Meerles afstond,--neen, maar biddende
beval zij Gode den armen zondaar aan, die door zijn laatsten val
nog ellendiger werd, en--met pensioen, een gebrekkig lichaam moest
omdragen.
En Schorel. Op dien Zondagmorgen had hij met bitse woorden den goeden
Frans de deur gewezen; maar, zeven of acht Zondagen later, zat hij met
een bijzonder vriendelijk gelaat in een net huisje op de P....gracht,
't welk door de weduwe Willems bewoond werd; en hij verklaarde, dat
Frans steeds een beste jongen geweest was, en dat een mensch zich
in drift wel vergissen kan; en dat vrouw Geertje goed had gedaan,
voor haar zoon die kruidenierszaak in de W....straat te koopen;
en, dat hij blijde was, dat Thilde niet de vrouw van een ouden en
vrekkigen spekslager geworden was, maar, het vrouwtje van den goeden
braven Frans zou wezen.
Dankbaar sloot Frans zijn Thilde aan 't hart; dankbaar legde hij in 't
Godshuis zijn hand in de hare; dankbaar voerde hij haar naar _zijne_
woning, en dankbaar legde hij, twee jaren later, het kind van Thilde
en hem, grootmoeder Geertje op den schoot, en--het dierbare kleinkind
beschouwende, kwamen de beide gezichtjes van Willem en Frans,--toen
ze nog even klein en rond waren--vrouw Geertje voor den geest, en
zij zag ze weder in haar verbeelding lachen.... lachen--zooals zij
vurig bad, dat ze lachen zouden indien zij elkander in reiner oorden
eenmaal mochten wederzien.