Gijs hoopte dit ook en--keek op 't harlozie.
"As je--me--moar--niet--vergêt," hikte Mijntje.
"Neen verechtig niet," betuigde Gijs.
"D'r zin d'r doar zoo veul," zei Mijntje, waarschijnlijk met het oog
op hare sekse.
"Joa," knikte Gijs toestemmend; en nogmaals op 't horloge ziende:
"'k Mot vort! G'en oavend soam.--Nou, Mijn, houd oe kerstand."
Schuw keek de minnende jongeling in 't rond, en wilde reeds vertrekken,
toen zijn uitverkorene opstond, naar hem toekwam, heel dicht--en--de
aanwezigen hoorden een tamelijk hard, sjilpend, sissend of smakkend
geluid, zoo bijna als waarop de lieve muschjes ons soms vergasten,
waarna hij besloot: "Nou Mijn atjuus, overmergen zin we d'r weer!"
't Horloge was weer in 't vest, en de eigenaar op weg, noar 's voaders
huus woar ie bek-af oankwiem.
Meeuwsen, met de vrouw, de meiden en de knechts, zaten al aan de
wrungel met brood en koffie toen Gijs binnentrad.
Na den maaltijd was er nog al 't een en ander te bepraten.
Kees, een der knechts, zou um vier uur met 't kerreke kloar zin,
um den boer en zien zeun noar 't stoarsion op de Vêluw te voaren.
Moeder Grietje pakte pruttelende den boerenreiszak met 't zilveren
slot, en Gerrits laatste woorden waren voor dat hij insliep: "Neen,
dat wi'k d'r ook is van hebben; 'k zie _overal_ gewêst--in Oarem,
in Nimwêgen, in Zutfen, _overal_! moar in Amsterdam--neen! dat spul
wi'k ook is zien."
Wat er 's nachts gedreumd wier!?--We weten het niet.
Den volgenden morgen, reeds om vier uren, zaten Gerrit Meeuwsen en
zien zeun op 't kerreke, woarmee Kees de knecht ze noar 't stoarsion
op de Vêluw zou voaren. 't Goeng alles opperbest, en alschoon Meeuwsen
erst wel wat stroef keek, umdat 't toch roar was zoo van 't vee en van
't wief af te goan;--toen 't zunneke opdook toen stak ie zien piepke
op en keek weer frisscher,
Toen Gijs zien voader 't piepke zag opstêken en dampen, toen stak
ie óók zien piepke op, en--dampte. Wóar de rook bleef dat begreep ie
niet recht.
Straks zonder ongelukken aan de overzij der rivier, en nog later
aan het kleine spoorwegstation op den hoogen berg gekomen, was 't
Meeuwsen weer roar, en had ie wel weerum willen keeren.... Moar,
allo! kerrazie! En bij 't afstappen gaf ie 't peerd heel monter
'en klap op de bil, en Kees 'en hand ten afscheid.
En Gijs....? Gijs dee krek as voader, en 'en oogenblikske loater
stapte Gerrit met Gijs--die den zak droeg--'t stoarsion binnen.
"G'en merrege," klonk het duo van vader en zoon.
"Goeje morrege, vrindjes," was het bescheid van den stationsklerk,
die aan een tafel zat te cijferen.
Meeuwsen trok de wanten uit, haalde het dubbelgekaste uurwerk uit
den zak en zei:
"Zou 't zoo um de tied zin dat de spoorweg kommen mot?"
"Da' wee'k niet," antwoordde Gijs, die meende dat voader 't hum vroeg.
De klerk, 'en vriendelijk mensch, begreep dat de vraag tot hem gericht
was en zei:
"Ha vrindje, je wilt zeggen de _spoortrein_; ja! dat zal zoo omme
de tijd heenloopen. Weet je, nog een dertien, veertien, vijftien
minuutjes. Waor gaat de reis heen?"
"Noar Amsterdam," antwoordde Meeuwsen.
"Amsterdam derde klasse?" vraagde de klerk.
"Darde klas, wat zou dat?" zei Gerrit.
"Drie klassen, vrindje," hernam de klerk: "Eerste, tweede en derde;
de eerste is het duurst, de tweede middelmatig en de derde het
goedkoopst."
"Dan za'k van de darde niet gediend wêzen, en van de tweede ook niet,"
hernam Gerrit, "'k zit bie ons ien de kark ook in de erste bank,
want ik zie zooveul as karkmeister."
"In de eerste klasse!?" zei de klerk verwonderd." Maar..... weet
je...."
"Dat kan mien niet schêlen! Ik wil 't er nou van hebben, heur ie!"
"Nou 't is mij wel," zei de klerk, en hij stond op, ging naar 't hok
der kaartjes, stempelde er twee en beurde het geld van den rijken boer.
"De spoor, Heere!" riep nu eensklaps de klerk, die met de vijftien
minuutjes wat ruim gerekend had.
Gerrit en Gijs--de laatste met den reiszak--stormden, door den klerk
gevolgd, naar buiten. De trein, die naderde, scheen den reizigers
hoe langer zoo grooter te worden, en, toen hij hen genaderd was,
deden vader en zoon onwillekeurig een schrede achterwaarts.
Gerrit en Gijs wisten niet recht wat er met hen voorviel; maar
toen zij hun bezinning herkregen--want de wind sneed hun scherp in
't aangezicht--zagen zij zich in een wagen geplaatst, die den wind
aan alle kanten den vrijen doortocht liet, en waarin behalve zij,
slechts twee passagiers gezeten waren.
"Slechte woar veur 't geld," bromde Gerrit.
"Nou, kom dan hier zitten." riep één der medereizigers, die aan de
overzijde der boeren achteruitreed: "Hier zit uwe op de eerste bank
achteruit."
Gerrit zag zijn zoon aan, en beiden strompelden door den schokkenden
wagen naar de andere zij, en namen die eerste plaatsen in bezit.
"Da' schêlt 'en boel!" zei Gijs, wiens huid naar 't vel eener geplukte
kip geleek.
"Da' duut 't!" zei Meeuwsen: "Neen ien die darde klas doar is 't urn
te krepieren."
Na eenige minuten sporens verscheen er een conducteur;--vanwaar,
begreep Gerrit noch Gijs--en vroeg aan de boeren:
"Heeren waarheen?"
"Nou, _Heeren_," zei Gerrit, "dat kan wel minder."
"Boeren dan," hernam de conducteur, "waarheen?"
Meeuwsen vond de mins onwellêvend, en zei:
"Ik en mien zeun noar Amsterdam."
"Kaartjes zien," hernam de conducteur.
Meeuwsen begon te zuuken, te zuuken.... "'k Het ze toch zoo best
geburgen," zei hij, alle zakken doorzoekende.
"Nou laat maar zitten," hernam de conducteur,--de man was erg koud
en verlangde weer naar 't warme hoekje in den dichten wagen: "Als je
ze straks maar toonen kunt."
"Best!" zei Gerrit, die den man nou nog al vrindelik vond.
De conducteur verdween weer op dezelfde geheimzinnige wijze, en
Gerrit bedacht zich eensklaps: dat ie de koartjes.... ien de tweede
harloziekast geburgen had.
Bij ieder station, waar de locomotief haar fluitend signaal liet
hooren, ontstelde Gijs, die dacht dat er een kind of 'en ander levend
dier (!) overrêje was; maar spoedig gerust gesteld, kwam hij almee
tot het besluit dat 't lang zoo gauw niet goeng as meister gezeid had,
went: dat ie ook kloar alles zien kon.
Eindelijk dan had men het laatste tusschenstation achter den rug,
de conducteur verscheen weder; verzocht om de kaartjes, en Gerrit,
die ze zorgvuldig in zijn hand, door de want bedekt, had bewaard,
gaf ze aan hem die ze opeischte.
"Eerste klasse!" zei de conducteur; "Wel man, dan heb je 't best
gehad."
"Hê?" zei Meeuwsen, die de mins niet begreep.
"Stom volk!" bromde de conducteur, zacht genoeg dat de Meeuwsens
't niet konden hooren, en hij vertrok met een luid: "Amsterdam Heeren!"
De trein hield nu voor goed stil. Alles stapte af, en 't was een
rumoer, dat Gerrit en zien zeun d'r niks van begrepen en verbiesterd
rondkeken.
Menschen, wagens, vigilantes, omnibussen, koetsiers met gevelde
zweepen, die riepen: "Hier Mijnheer, Hotel dit, Hotel dat!" alles
woelde en krioelde dooreen; en onze reizigers herkregen eerst hunne
bezinning, toen ze, als haringen in een omnibus gepakt, knie aan knie,
tegenover elkander zaten te--droomen--althans dat meenden zij.
"Mijnheer naar....?" vroeg de omnibus-conducteur [25] in een groene
jas met _zwart_ zilver afgezet, aan den persoon, die 't dichtst bij
't portier was gezeten:
"Den Dam," was 't antwoord.
"Botermarkt," zei een ander.
"Rokin No. 11," klonk het hier: "De Munt," weder daar.
"Mijnheer....?" zei de nieuwsgierige man, Gijs aansprekende.
"Ik?" zei Gijs, vreemd opziende: "noar de karmis; is 't niet voader?"
Al de passagiers lachten, behalve drie of vier, die op de beurs
moesten zijn.
"Ziede gek jong," grinnikte Gerrit: "Neen kammeroad," vervolgde hij
tot den conducteur: "Noar 'en lozement."
"Welk Hotel?" was de vraag: "Eerste, tweede, derde, vierde, vijfde
klasse; Rondeel, Doelen, Munt, of mot je in de Nes....?"
Of Gerrit aan die derde dacht, waar hij eerst met Gijs had gezeten, in
tegenstelling met die eerste klasse zijner verbeelding, waar hij later
een plaats heeft gehad; zeker is het dat hij huiverde op 't denkbeeld
van die vijfde klasse, en 't antwoord was dan ook terstond gereed:
"Erste klas man, erste klas!"
De met menschen gevulde pijpenlade kwam in beweging, en onze boeren,
die meister wel is van de _radbroakmassinie_ hadden heuren sprêken,
meinden: dat zoo'n _eumnius 'en radbroakmassinie_ op roajen was.
"Vieux Doelen!" riep de livreiknecht van den ondernemer der omnibussen,
tegen den nevenman van 't portier glimlachend knipoogende.
De kast hield stil; en Gerrit en Gijs werden gewenkt om uit te stappen.
Hoe ze door al die knieën heenraakten was haast onbegrijpelijk en
tweemaal kwamen de hakken der vetleeren leerzen van Gijs in aanraking
met omleerde eksteroogen 't welk den eigenaars een: "Ho! lompert!" en:
"Stommen ezel!" ontlokte.
"Hoeveul is 't?" vroeg Gerrit.
De conducteur keek eerst rond, en zei toen zacht: "Ieder maar tien
stuivertjes mijnheer, omdat Uwees 't is."
Meeuwsen betaalde een gulden; en op de vraag: "Of er nog geen
kleinigheidje voor hem kon overschieten?" beantwoordde de goede boer
die vraag met den schelm een kwartje in de hand te stoppen, die in
't vuistje lachende wegreed.
Gerrit en Gijs, met den zak op den rug, beschouwden lang het mooie
huis met de vergulde letters, en waagden het eindelijk de stoep op
te stappen, maar, tot binnentreden kwam het niet.
"Wat mot je?" was de beleefde vraag van een mooien jongeheer, die
met een hagelwit vest en een mooi zwart buisje aan, uit de breede
gang op de boeren toetrad.
"_Lozies_," antwoordde Gerrit.
"Jij?" zei de jongeheer, die van naderbij bekeken ouder scheen dan
't buisje had doen vermoeden.
"Ikke en mien zeun Gijs," hernam Gerrit.
"Jij?" herhaalde de jonge heer.
"Is dat dan zoo onbegriepelik?" sprak Gerrit weder: "Is 't hier dan
geen _lozement_? Kan 't of kan 't niet?"
De jongeheer liep weg; sprak met een anderen jongeheer, dia hem in
de gang tegenkwam; spoedig kwamen er nog twee andere jongeheeren
bij, één met een servet over den arm; ze begonnen met hun vieren te
lachen, totdat Gerrit dat gegoechel begos te vervêlen, en hij, op de
jongeheeren toetredende, vrij heftig zei: "Nou, hoe zal 't? Zal't of
zal't niet?"
De jonge heeren bleven goechelen, maar eensklaps stoven ze uit-een,
want een deftig heer trad de vestibule in, en vernam op de vraag:
"Wat is hier te doen?" van Gerrit: Dat ie kort en goed _lozies_ wou
hebben; dat ie niet wist wat of de jonkers mosten; dat ie met zien
zeun kwam karmis houwen; dat ie niet van meines was om deur die jonkers
_verdingsierd_ te worden, en dat ie nog éns vroeg of 't kos of niet.
De deftige heer monsterde Gerrit en Gijs, welke laatste nog steeds
met den zak voor de deur was blijven staan; maar het open gelaat,
en misschien het _wohlgenährte_ lichaam van den boer beschouwende,
kwam hij toch tot het resultaat dat het wel goede klanten konden
zijn. Even legde hij den wijsvinger tegen den neus, en riep toen een
der jongeheeren toe: "Nº. 71 en 72, Karel--_allons!_"
Karel kwam.--Gerrit wenkte Gijs binnen te komen.--Gijs kwam.
"Neem de bagage van mijnheer," zei de chef van 't Hotel tot Karel,
op den reiszak wijzende, die Gijs over den schouder hing.
"Och, neen, dank oe," zei Gijs, toen de jongeheer Karel hem wilde
ontlasten.--Karel echter liet niet af,--de chef was er bij, en hoewel
Gijs beweerde: dat 't veuls te vrindelik was, pakte Karel den zak en
wipte als een springend konijn, de breede trappen op.
"Volg maar heeren," zei de Hotelhouder: o de _garçon_ zal u den
weg wijzen."
Gerrit, die zich in vredesnaam den titel van _heer_ maar liet
welgevallen, volgde den wippenden _garçon_ en Gijs volgde zien voader.
"Woar geet dat heer?" riep de dikke boer, dien 't trappenklimmen een
ongewone zaak was.
"Naar No. 71 en 72," riep de garçon.
"Joa, al was 't honderd of duuzend!" zei Gerrit, diep ademhalende:
"da's mien geliek: moar denk ie da'k noar den toren mot?"
"Wij zijn er dadelijk," hernam Karel steeds voortwippende.
"Veuruut dan moar!" zei Gerrit, moed vattende, en 't ging weer trap op,
trap op, zonder einde." Zin we d'r dan nog niet?" zuchtte Meeuwsen,
toen Gijs de 45ste trap had geteld en men op een portaal was gekomen.
"Rechts-om!" riep Karel, en wipte alweer hooger.
"Neen, nou geef ik er den weerlich af!" riep Gerrit, zich aan de
leuning vastklemmende: "Doar zou 'en mins gek van worden; 'k goai
nie wiejer." [26]
"Nog een paar," overreedde Karel.
In 't einde--Gijs had 63 geteld--bereikte men dan hijgende en zwoegende
de bedoelde Nos. 71 en 72.
"_Ici_," zei Karel, beide deuren schier gelijktijdig openwerpende.
"_Iesie_ of geen _iesie_," bromde de boer: "ik zeg dan moar, dat
't veur geen fasuunlik mins te doen is."
"Dit is uwe kamer," hernam Karel, op No. 72 wijzende, daar Gijs zijn
vader in 71 wilde volgen.
"Ikke?" merkte Gijs aan.
"_S'il vous plait_," zei de garçon; en den reiszak in No. 71 werpende,
verliet hij de kamer; plaatste zich op den overloop tusschen de beide
vertrekken in, en beurtelings vader en zoon aanziende, vroeg hij rad:
"Nog iets van uwe orders? Zullen de heeren ook aan de _table-d'hôte_
dineeren, om half vijf?"
Gijs begreep er geen stom woord van; en Gerrit ook het fijne, van
de zaak niet vattende, zei kortaf: "Neen!" doodsbenauwd dat ie dan
misschien nog hooger zou motte klimmen.
Karel had genoeg van 't hooge gezelschap, vroeg of zeide niets
meer, wierp de beide deuren dicht, gleed langs de leuning der trap
naar beneden en liet vader en zoon, ieder op eene kamer aan hunne
gedachten over.
De goed gemeubileerde vertrekjes waren slechts door een houten beschot
van elkander gescheiden, maar de ramen der beide kamers gaven hetzelfde
verrukkelijke uitzicht, te weten: op een rood pannendak, waaruit zich
een lange zwarte schoorsteen verhief.
Gijs keek rond als een kat in een vreemd pakhuis, en vond Amsterdam
toch zoo heel mooi niet.
"Jong! woar zit ie?" riep Gerrit. "Wat zuwwe nou doen? Kom toch
is hier!"
"Mag dat, voader!!!!!?" schreeuwde Gijs, zóó hard, dat ze 't op straat
best hooren konden.
"Zeker!" riep Gerrit.
Gijs liep op de teenen naar de deur, en sprong, alsof de dood hem op
de hielen zat, van No. 72 in No. 71.
"Zie jong," zei Gerrit, toen Gijs behouden binnen was; "doar zitten
we nou, en 'k het 'en honger da'k schêl zie."
"Ik ook," betuigde Gijs.
"Dan mo'j moar is roepen," hernam de vader, "dan kuwwe wat
kommendieren."
Gijs pruttelde wel iets van: "Zoo vremd," en: "as voader 't moar dee,"
doch als een gehoorzame zoon liep hij naar de trap, en riep--haast
op de wijze als waarmee hij de kalveren t'huus, bij den bak riep:
"Huup! huup! huup!"
Er kwam niemand.--Eindelijk ging er een deur open, en een oud heer
trad er uit en Gijs voorbij.
"Och!" zei Gijs, zijn schroomvalligheid door den honger en 's vaders
bevel afleggende, "zou j'is zoo goed willen zin, um wat êten veur
ons te bestellen?"
"Trek aan de schel ezel!" was het lief bescheid.
De ezel droop af, en na eenig zoeken zag vader Meeuwsen in No. 71 een
koord hangen, waaraan hij trok, en--'t klingelde! Een minuut later
stond Karel weder voor hen.
"Ge most ons is wat êten brengen," zei de boer, die nu begreep dat
die jongeheer tevens knecht was.
"Een _déjeuner à la fourchette_?" vroeg Karel.
"Die dinger ken ik niet," antwoordde Gerrit. "_Desernees_ en
_vorzettes_ he'k nooit gegêten. Schaft moar wat junske, dawwe wat in
't lief kriegen."
Floep! was de deur weer dicht, en vijf minuten later stond er op
No. 71 'en vremdigheid, woar Gerrit en Gijs geen begrip van hadden;
echter ze begonnen te pruuven en te smekken, en hoewel ze de dinger
hoast niet deur de kêl kosten kriegen,--zoo zuut en roar was de boel
deur mekoar geflanst,--ze kregen 't lief toch vol.
"'k Het 'r genog van," zei Gerrit eindelijk.
"Ik ook," verzekerde Gijs, en ze stonden op om--noar de karmis te goan.
Wij zullen niet breedvoerig verhalen hoe Gerrit en Gijs de trappen
weer af klommen, 't Hotel uitstapten en zeiden dat ze 's oavends
weeruum kwiemen; hoe ze door bedelaars, schoenpoetsers en loterij-joden
werden bestormd, die de goedhartige boer schier allen tevreden stelde;
hoe ze van den eenen hoek der stad naar den anderen werden gewezen
om de kramen te bereiken, en, toen ze daar eindelijk aankwamen,
er net kroamen vonden as bij heur op 't darp, hoewel er veul meer
en ook mooiere woaren. We zullen niet verhalen, hoeveel Gerrit voor
den monsterkoek betaalde, dien hij veur zien Griet wou meebrengen,
en waar met suukere letters:--Voor Uwé kermis--op geschreven stond;
hoe Gijs werd bedrogen, met 'en kupke en schuttelje, dat ie veur
Mijntje mee wou nemen; hoe zij verder moppen, amandelen en wat al niet
meer kochten, tot dat de zakken stijf uitstonden en de kermisgasten
haast onder hun last bezweken; wij gaan dit alles vluchtig voorbij,
en vinden hen 's avonds, vader en zoon, op de Botermarkt in een gewoel
en gejoel voor de spellen weder.
"Jong!--jong!--jong!" dat waren de uitroepen, die vader en zoon
Meeuwsen, als om strijd, deden hooren, toen de komieke Pias van
Krassée naar het nokje van de tent klom, en daar allergeestigst! een
kleermaker ging nabootsen. "Jong!--jong!--jong! he'k nou....!" waren
de uitvallen, toen Blanus met zijn troep Russische, Italiaansche,
Spaansche en Turksche paardenhelden en heldinnen naar buiten kwam,
en drievierde buiten vertoonde van 't geen er binnen gebeuren zou.
"Luuster! luuster!" riep Gijs, terwijl hij tevens schier omver werd
gestooten door een troepje voorbijdringende kermisgasten. "Luuster!"
En Gerrit luusterde.
"Nooit ergens of nievers gezien!" riep een schorre mannenstem, met
een stokje naar de Blanussen wijzende. "Deuze heer is de sterkste
rijer die je ooit zult gevonde hebbe." Gijs keek zijn oogen uit.--"Hij
heef de eer gehad om voor de keizer der Russe te _mannevreere_. Deuze
jongejufvrouw, is ook nooit of nimmer overtroffe, en dut jongetje,--op
zij schobbejak!--dut jongetje, twee jaren oud, doet toere en maneuvers
daar en mens verstomp van zei staan. Kom maar binne, Meheere en Dames;
d'r is al 'en gedisteleerd gezelschap binne. De prijze der plaatse
zijn: eerste rang 50 cente, tweede rang 25 cente en dan zijn 'r ook
nog goeje zit-plaatse voor één dubbeltje of 10 cente. Naar binne! naar
binne! Allô! allô! allô! de muziek geeft de laatste waarschouwing en
we gaan oogenblikkelijk beginne."
Snijdend en oorverdoovend viel nu het vóór de tent geplaatste orkest
in, en Gerrit riep: "Dát mowwe zien!"
"Plaas voor de Heere!" schreeuwde de man met het stokje; en de
Meeuwsens, vader en zoon, betraden het geheimzinnige en schitterende
voorportaal van 't Cirque Olympique van den Heer Blanus.
"'k Wil dan alêvel 't spul ook is zien," zei Gerrit tot een juffrouw,
die achter een vierkant gaatje zat, woar Gijs niet van begreep hoe
ze d'r deur was gekommen.
"Welche rang?" vroeg de juffrouw.
"Wa's ook weer 't beste?" vraagde Gerrit.
"Wel die erste ies de hoogste," antwoordde de juffrouw.
"Dan za'k 'r niet van gediend wêzen," hervatte Gerrit, "denk ie da'k
't trappen klimmen nog niet zat bin?"
"Trapfen kliemen?" zei de mamsel; "dat hoeft niegt, 't is laag pij
den groend."
In 't eind betaalde Gerrit twee gulden, bekwam twee kaartjes, en wilde
ze maar volstrekt niet afgeven toen hij er naar gevraagd werd.--Ze
zullen mien niet kriegen veur dat 't spul uut is, zoo dacht hij.
Een man met vreeselijke snorren, die de kaartjes had gevraagd,
beduidde onzen boer dat zulks behoorde.
"Nou, der dan!" zei Gerrit, en weldra zaten ze op de eerste bank,
eerste rang, vader en zoon, in afwachting van de dingen die nu
gebeuren zouden.
't Duurde nog wel een half uur, eer het _gedisteleerd_ gezelschap
voldoende was, om het de vreemde kunsten te vertoonen. Nog wel
driemaal was de troep rijders en rijderessen, die in 't kleine cirque
vertoefde, naar buiten getrokken om de ambitie der kermishouders op
te wekken.--Eindelijk begon het spul.--Gerrit en Gijs zaten stom.
Een bruine knol, kortstaart,--voormalig volbloed--galoppeerde met
stijve pooten, op de maat der muziek, 't cirque rond. Een man stond
er boven op. Hij sprong en danste: as 'en gek, dacht Gerrit. Maar
spoedig knepen onze boeren de oogen dicht, want telkens als de bonk
hen voorbij kwam, kregen ze 'en karvracht zand of zoagmêl in de oogen,
dat ze hoast niet zien kosten.--Nu kwam er 'en witte knol met 'en
stempel op de bil, die aweer net zoo goeng drêjen. 'En Juffer sprong
er op, die erst goeng zitten. Toen begost ze ook al te springen en
te dansen en te drêjen; maar Gijs was zoo beduusd, dat ie d'r hoast
niet noar kieken durst, went--ze had geen ens kousen oan de been'
en ze _schrenierde_ zich moar niks.
"Ik wol dat 't uut was," fluisterde Gerrit, die de oogen vol had.
"Ikke ook," zuchtte Gijs.
"Meseu Blanus!" riep een man, die met een lange zweep in 't midden van
't cirque had loopen klappen.
Meseu Blanus verscheen.
Zie, doar hadden de boeren nou nog schik af; hie was krek as 'en boer
gewammist en gebokst; doar begost ie nou ook alweer te riejen en te
drêjen, en de boeren wreven zich, zooveul ze kosten, 't zoagmêl uut
de oogen.--Zie, doar smeet ie 't wammis en de boks uut, en, doar
stond ie nou krek als skaldoat.
De man met de zweip gaf den heer Blanus 'en geweer, en nou begost ie
te eksersieren, krek as 't heurde.
"Hie loaid 'm," fluisterde Gijs angstig.
"Kwoasie," zei Gerrit.
"Neen moar," hernam Gijs doodsbenauwd, "hie mikt op mien, voader!" En
pas was het woord er uit--of ie gaf 'en schrauw!!! went hie meinde
dat den Blanus hum wou doodschieten.
"Stil toch jong!" zei de vader, "'t Is niks;" maar, toen Gerrit nu
zag dat den Blanus 't geweer en 't sdaldoatenpak uutsmeet, en in zien
bloote lief, met 'en vlag en 'en trompet veur den mond [27] bleef
vorthoksen, toen schoot ook hum 't gemoed over de zêjeloosheid vol;
en Gijs bij den arm pakkende, riep hij luid: "Da's te arg, da's te
arg! kom jong!--vort--vort!"
Toen onze kermisgasten buiten de tent, en weer in 't gejoel waren,
zei Gerrit: dat ie d'r zat en genog van had; en Gijs zei: dat 't
smêrig was.
"Wat nou?" vroeg Gerrit besluiteloos.
"Hosse! hosse! hosse!" klonk het eensklaps uit wel vijftig monden
van mannen en vrouwen, die dolzinnig hand in hand voortholden.
"Hosse! hosse! hosse!" klonk het zonder ophouden, en Gijs, die niet
wist woar de weind [28] heer kwam, zag zich eensklaps, met zien voader,
in den levenden kring gesloten, die wild om hen heentierde.
"Hosse! hosse! hosse!" klonk het steeds, en _nolens volens_, zagen
zich de beide boeren in de handenketen geschakeld, die hen meesleurde.
"Dat verdrêj 'k!" riep Gerrit, en zijn Betuwsche klavieren
loswringende, smeet hij zijn nevenlui van zich af, die achteruitvlogen,
zich echter spoedig herstelden, en met Gijs voorthosten.
"Loat de jong los; loat 'm los zeg ik oe!" schreeuwde Gerrit die den
gillenden zoon zag voorttrekken.
In weinige oogenblikken had hij Gijs bereikt, en zich nogmaals van
zijn Betuwsche kracht bedienende, rukte hij den jong uit de schakel,
en zich beschermend voor den duizelenden zoon plaatsende, riep hij
bevende van woede: "Kom nou moar uut a'j durft!"
Maar de hossenden schenen geen lust te gevoelen om met die gespierde
vuisten kennis te maken, want: "Hosse, hosse, hosse!" klonk het,
en de wilde troep trok verder.
"Honde en ape, Heere!" riep een man, Gijs een gedrukt briefje in
de hand stoppende: "Levendige gedresseerde honde en ape. Kom binne;
25 cente maar. Binne, binne, daar is noch plaas!"
"'t Zin hier allemoal honde en oapen!" bromde Gerrit, terwijl hij
Gijs met zich voorttrok.
"'t Geheim van Parijs," riep een ander persoon: "Wat nieuws, hier
mot je zijn!"
"'k Wil d'r niks van heuren," zei Gerrit alweer: "Kom jong."
"Hier, Meheere, de sphiegchel des gheheims, waar het meissie haren
minnaar en de jonkman zijn meissie zien kan, voor een duppeltje
maar! Groote Amerikaanse sphiegchel des gheheims!"
"Loat me met vrêje!" zei Gerrit,--en Gijs, die zien Mijntje toch wel is
efkes had willen zien,--werd door den ontstemden vader voortgetrokken.
Hoe ze er verzeild kwamen wisten de boeren niet, maar vreemd keken
ze op, toen ze zich in 't midden van twee riejen huuzen bevonden,
die allemoal blonken en schitterden, en waarveur dikke en dunne
vrouwen zoaten en stonden te bakken en te sissen dat 't zoo'n oard had.
"Vrij kamertje Heere?" zei een juffrouw, met een golden muts op
't heufd, tot Gijs, terwijl ze hem bij den arm trok.
"Kom!" zei Gijs, zich losrukkende.
"Lekkere wafeltjies?" hernam de juffrouw met de muts, niet ontmoedigd,
terwijl ze zich in den weg der boeren plaatste.
"Hier! poffertjies, versch uit de pan!" riep een dikke dame, zich
van Gerrit meester makende.
De dames, die de boeren zagen wankelen, verdubbelden hare
welsprekendheid, en weldra stapten Gerrit en Gijs, rechts de wafelkraam
binnen.
Onze vrienden hadden sinds de _desernees en vorzettes_ niets
genuttigd,--de moppen en amandelen uitgezonderd--en beiden waren
zeer hongerig.
"Dan moar gauw wat!" zei Gerrit, het vrije roefje instappende, waar
reeds drie slungels met hunne dames gezeten waren: "Gauw wat, heur ie!"
Twaalf wafeltjies en twee glaassies pons hé?" zei de mooie juffrouw
en zonder antwoord af te wachten verdween ze.
Wat 'en gezicht Gijs zette, toen het bord met de wafels en de punch
op tafel stond, en de mooie juffer noast 'm kwam zitten, en 'm onder
de gladde kin streek--is haast niet te zeggen.
"Nou wat wou ie?" vatte Gerrit het woord voor Gijs op: "Denk ie dawwe
die dinger niet allinnig op kunnen?"
"Wees maar zoo boos niet," zei de juffer.
"Boos of niet boos," hernam Gerrit, die nooit zoo slecht was
gemutst geweest als op die Amsterdamsche kermis: "Wat wil ie met dat
kinstrieken dan, hê? 'k Hol niet van die _horlepieperie_. Mien zeun
het zien Mijn. Goa weg, of ik goai."
Toen de juffer zag dat 't gemeend was, stond ze op, lachte, en
ging heen.
De slungels met hunne meiden begonnen ook te grinneken, maar toen
Gerrit ze eens met zijn Betuwsche oogen aanzag--keken ze sikkeneurig
veur zich.
Alêvel, Gijs vond dat die woafels lekker woaren. Gerrit oordeelde dat
't ook al slempsloarie was: zuut, moar geen stand in 't lief. _Mik_
was 'en heeleboel béter; moar, hie had honger, en at.
Toen 't op betoalen kwam, kneep ie de oogen dicht, en zei z'n
krachtigste vloek: "Za'k verzinke!"--Brommend verliet hij de
kraam. Gijs volgde met glimmenden mond, en zei: "Voader 'k heb sloap."
Door welke straten en stegen zij hebben gedwaald, langs welke grachten
zij hebben geloopen, en hoeveel menschen zij naar 't _lozement_ van
de erste klas hebben gevraagd, dat niemand hun wist aan te wijzen,
hoeveel brooddronkenheid en andere dronkenschap zij hebben gezien,
en wat al zedeloosheid die stad van de erste klas hun onwillekeurig
te aanschouwen gaf,--van dat alles vernamen wij niets, alleen maar
weten wij, dat Gerrit, 'en rêkel 'en fleer um de kop gaf, umdat ie
'en onneuzel dernje dat allinnig noar huus goeng, temtierde; en, dat
ze dan eindelijk en ten langen letste oan 'en man met 'en grooten
roatel hadden gevroagd: of _hie_ dan niet wist woar dat _lozement_
van de erste klas was woar ze van mergen woaren gewêst? Hoe die man
"neen" had gezeid, en den noam van dat _lozement_ had gevroagd;
en dat Gijs toen had gemeind, dat 't Verdoel of zoo wat was; en
hoe de man hen toen twee straten verder een Hotel had aangewezen,
dat voader en zoon hadden aangegaapt, en daarna hadden uitgeroepen:
"Dat is 't, dat is 't!"
Het vlugge springkonijn, de jongeheer Karel, was al spoedig weder
present. In een oogenblik had hij een blakerkaars aangestoken; wipte
de trappen op, en verzocht de doodmoede boeren--die dat straatsteenen
loopen niet gewend waren--hem _s'il vous plait_ te volgen.
Gerrit en Gijs volgden--ja!--en ze kwamen b-o-v-e-n--ja! moar 't was
krek of d'r wel duuzend hoamers in die been' oan 't kloppen woaren.
"Verkiezen de heeren nog te _soupeeren_?" vraagde Karel, die op de
beide Nos. twee bougies had aangestoken.
"Nou soep eten!" zei Gerrit: "loop! 'k heb den buuk pas vol woafels."
"Laarzen buiten zetten; hoe laat wekken?" hernam Karel.
"'k Goai mergen met de vroegste spoor weg," antwoordde Gerrit.
"Dus een vigilante?" zei Karel weer.
"Loop noar den.... houtmiet!" riep Gerrit: "met al ou vremd gesnor."
"Goeden nacht Heeren," zei Karel. De deuren gingen dicht, en de
heeren--zaten alleen.
Nu begon er een discours tusschen de beide boeren, zoo grommend,
echt boersch, en tevens zoo zacht, alsof ze vreesden moeder de vrouw
te zullen wakker maken; en eenige minuten later vertrok Gijs, met
'en nije blauwe pluummuts, na een: "G'en nacht voader," naar No. 72.
Gerrit had op No. 71 die waskeersen moar uutgebloazen: "da's moar
baldoajigheid," had hij gezegd; en Gijs, op No. 72 gekomen, volgde
's vaders voorbeeld.
Spoedig nu waren de kermisgasten bij 't schijnsel der maan
ontkleed. Gijs zette de pluimmuts op en stapte in 't zachte bed.--Wa'n
ding was dat! zoo wêk as pap! Noe! 't zou misschien nog wel gevleid
hebben, moar,--zoo allinnig, in zoo'n hoog huus; en voader op 'en
andere koamer!
Gijs lei te luusteren.--Ieder oogenblik heurde ie wat..... dan
loopen.... dan stommelen, en.... sprêken ook. Eindelijk wier 't hum te
benauwd, en overeind gaande zitten, keek hij angstig naar de deur. Hie
meinde duudelik dat...... ie wat heurde..... bij de deur. ... 't
Was.... of..... ie..... de kruk..... al zag..... umdrêjen. 't Gezicht
wier al benauwder en benauwder.--'t Zweit brak 'm oan alle kanten
de lêjen uut; moar hie zag 't toch..... duudelik; en--toen de deur
nu werkelijk geopend werd, gaf ie 'en schrauw.....moar, kwiem _l
a n g z o a m e r hand_ weer bij oajem, went hie zag:..... dat
'et voader was.
"Op dat ding kan 'k 't niet rooijen," zei Gerrit bij 't binnentreden,
en met het _ding_ zijn bed bedoelende, dat den boer veel te zacht was:
"Neen Gijs, 'k kom hier nog liever op de planken liggen."
"Da duu 'k ook," zei Gijs; en van het bed stappende, goeng ie noast
zien voader op den vloer liggen, ieder met 'en pijekker ineen gerold
onder 't heufd.
Goeden nacht; droomt genoeglijk!
Of dat droomen wel genoeglijk was, betwijfelen wij, want het was een
rarekiek van erste klasses en rangen; van bloote been' en woafelen;
van geweren en peerden; van _eumniussen_ en torenklimmen, daar geen
eind aan kwam; maar, zeker is het, dat de Meeuwsens, vader en zoon,
bij 't ontwaken net keken of ze betooverd waren, en lang moesten
bezinnen eer ze wisten, woar of ze toch ievers in de wereld zoaten.
En--hoe kwamen de kermisgasten thuis? Gerrit bij zien Griet en Gijs
bij zien Mijn?
Best. Naar 't lichaam slecht, maar _best_ naar de ziel. Ware het met
alle kermisgasten zoo!
De rekening, die Karel den boer vóór zijn vertrek overhandigde,
was voor hem onleesbaar; ook voor Gijs. Misschien was er niemand
dan de chef van 't Hotel en de eerste _garçon_ of _Oberkellner_
in staat die te ontcijferen; alleen was de somma goed leesbaar:
Zegge f16,80--nauwkeurig berekend. Gerrit dacht--maar zei niets,
en--betaalde, hoorde vreemd op dat ie nog 'en fooi most geven, maar
gaf die, en--verliet met de erste eumnius de Verdoel, en met de erste
spoorweg de stad van Amsterdam.
"Dat he'k gehad," zei Gerrit, toen ie goed en wel weer bij zien
Griet in de keuken zat: "Da's éns, moar nie weer; 'k het alles van
die erste klas gehad!"
En 't was waarheid, want in de terugreis was hij in de diligence van
den trein terechtgekomen, maar had zich daar nog veul ongemakkelijker
bevonden dan in de gewaande van de heenreis: "Neen," riep hij luid:
"da's éns, moar 't letst! Al dat erste is 'en slobberige, noare boel,
woar 'en fasuunlik mins af iest."
En Gijs--Gijs was zoo blied, as 'en vuile ien de weerd dat ie weer
thuus was; en, toen ie van de juffer met de bloote been' en de juffer
met de golden muts oan Mijn vertelde, toen kreeg ze 'en kleur as
vuur, en zei: dat 't 'en schand was; moar 't kupke en schuttelje, die
boven alle verwachting heel woare overgekommen, vond ze arg mooi. En,
toen Gerrit op 'en goejen oavend volk bij zich op de slacht had, en
d'r ook al van den monsterkoek was gepruufd, en bij die occoasie zien
weervoaren vertelde, toen zei zwoager Kresel: dat 't ien de hugt niet
te veinden was; en baas Janssen: dat 't met de zêjen achteruutgoeng; en
de oude Teunisboer besloot: "Wat duu'j ook met de klompen op 't ies!"