Terwijl hij die laatste woorden sprak, was dokter Antekirrt zeer

ernstig geworden. Pescadospunt, die hem gadesloeg, had als een

voorgevoel, dat die man in vroegere dagen veel geleden had en dat zij

de oorzaak daarvan wel eens zouden vernemen.

„Heer dokter,” zei hij toen, „van heden af behooren wij u met ziel en

lichaam toe.”

„En van heden af,” antwoordde de dokter, „kunt gij u in uwe hutten

inrichten. Waarschijnlijk zal ik eenige dagen te Gravosa en te Ragusa

blijven; maar het zal goed zijn, dat gij de gewoonte aanneemt om aan

boord van de Savarena te leven.”

„Tot het oogenblik, dat gij ons in uw vaderland zult gevoerd hebben!”

liet Pescadospunt volgen.

„Ik heb geen vaderland,” antwoordde de dokter, „of beter, ik heb, als

gij wilt, een vaderland van eigen maaksel, dat ook het uwe zal worden!”

„Kom, Kaap Matifou,” riep Pescadospunt uit. „Kom laten wij ons

handelshuis gaan liquideeren. Wees gerust, wij zijn niemand iets

schuldig en zullen niet failliet gaan!”

Daarop daalden de twee vrienden, na afscheid van dokter Antekirrt

genomen te hebben, in de sloep af, die hen wachtte en waarmede zij naar

de kade van Gravosa teruggevoerd werden.

Daar hadden zij in nog geen twee volle uren, hunnen inventaris

opgemaakt en hunne kermistent, hunne geschilderde kunststukken, hunne

groote en kleine trom, die hunne geheele bezitting daarstelden, aan een

confrater overgedaan. Dat duurde niet lang en leverde ook geene

moeilijkheid op. Ook zouden hunne zakken niet overmatig bezwaard worden

door de weinige guldens, die zij daarin opbergden.

Toch stond Pescadospunt er op om zijn kunstenmakerspak en zijne

pistoncornet, en Kaap Matifou zijne schuiftrompet en zijn

worstelaarspak te bewaren. Zij zouden anders te veel verdriet gehad

hebben, door het scheiden van die werktuigen en die vodden, die hen aan

zoovele uren van succes en zegepraal herinnerden. Die kleedingstukken

werden op den bodem van eene kist geborgen, welke hun ameublement,

hunne garderobe en geheel hun materieel bevatte.

Tegen een uur in den namiddag waren Pescadospunt en Kaap Matifou aan

boord van de Savarena terug.

Een groote hut in het vooronder werd ter hunner beschikking gesteld.

Het was eene gemakkelijke en ruime hut die van alles voorzien was, „ook

om te kunnen schrijven,” zei de snaak.

De bemanning ontving de nieuwe kameraden, wien zij te danken hadden,

aan een groot ongeluk ontsnapt te zijn, recht hartelijk.

Reeds bij hunne aankomst konden Pescadospunt en Kaap Matifou proeven,

dat de kombuisproducten aan boord hen de keukens der Provençaalsche

kermistenten niet zouden doen betreuren.

„Zie je, Kaap Matifou,” zei en herhaalde Pescadospunt, terwijl hij een

glas heerlijken Asti-wijn slurpte, „zie je, met goed gedrag komt men

tot alles! Maar, dat moet er zijn!”

Kaap Matifou, wiens mond toen met een flink stuk ham gevuld was, dat

met twee gebakken eieren in de onpeilbare diepte van zijne maagholte

verdween, antwoordde slechts met een hoofdknik.

„Welke ontvangst wel te maken zou zijn, wanneer het publiek je kon zien

eten, Kaap Matifou!”

IV.

DE WEDUWE VAN STEPHANUS BATHORY.

De tijding der aankomst van dokter Antekirrt had zich spoedig, niet

alleen te Ragusa, maar ook in de geheele Dalmatische provincie

verbreid. De dagbladen wierpen zich als het ware op die prooi, die hen

eene serie van pikante berichten in het vooruitzicht stelde, en

begonnen met de aankomst van de goelet in de haven van Gravosa aan te

kondigen. De eigenaar van de Savarena kon dus niet ontsnappen aan het

eerbetoon, maar ook niet aan de bezwaren, aan dergelijke beroemdheid

onvermijdelijk verbonden. Zijne persoonlijkheid lag als het ware op

ieders lippen. De legende maakte zich van hem meester. Men wist niet

wie hij was, vanwaar hij kwam en waarheen hij ging. Dat kon slechts de

publieke nieuwsgierigheid te meer prikkelen. En, natuurlijk, wanneer

men niets weet, dan is het veld der onderstellingen des te

uitgebreider, de verbeelding benuttigt dat en dan.... dan schijnt het

een wedren te zijn voor allen, die het best ingelicht meenen te zijn.

De reporters, bij hun streven om hunne lezers ter wille te zijn, waren

met spoed naar Gravosa getrokken. Sommigen hunner begaven zich zelfs

aan boord van de goelet. Zij kregen evenwel den persoon, die in de

openbare meening zooveel opgang maakte, niet te zien. De bevelen

daaromtrent waren stellig. De dokter ontving niemand. De antwoorden,

die kapitein Narsos aan de bezoekers gaf, waren dan ook onveranderlijk

dezelfde:

„Maar, vanwaar komt die dokter?”

„Vanwaar het hem gelieft.”

„En waarheen gaat hij?”

„Waarheen hem dat aanstaat.”

„Maar, wie is hij?”

„Dat weet niemand en hij wellicht nog minder dan zij, die het vragen.”

Hoe nu in Godsnaam een reporterartikel met dergelijke gegevens te

schrijven?

Het gevolg daarvan was, dat de verbeelding vrij spel had en zich dan

ook geen banden liet aanleggen om in volle fantasie op te gaan. Van

dokter Antekirrt maakte men alles wat men maar verlangde. Hij was alles

geweest wat die kroniekschrijvers maar geliefden te verzinnen. Voor den

eenen was hij een zeeschuimers-hoofdman. Voor den anderen was hij de

koning van een uitgestrekt Afrikaansch rijk, die incognito reisde met

het doel om te leeren. Verder beweerde men, dat het een staatkundige

banneling was; elders weer dat het een vorst was, die door eene

omwenteling uit zijne staten verjaagd werd en nu als wijsgeerig toerist

de wereld rondreisde. Men ziet, er was volledige keus. Wat den titel

van dokter betrof, waarmede hij zich tooide, daaromtrent waren de

meeningen van hen, die den titel voor echt aannamen, ook verdeeld.

Volgens de meening van sommigen was hij een groot geneeskundige, die

bewonderenswaardige genezingen in de meest wanhopige gevallen verricht

had; en volgens die van anderen was hij de koning der kwakzalvers, die

in moeilijkheid geraken zou, wanneer men zijn diploma opvorderde.

Maar in ieder geval, de geneeskundigen van Gravosa en van Ragusa konden

geene vervolging tegen hem doen instellen wegens onwettige uitoefening

van de geneeskunde. Dokter Antekirrt hield zich bescheiden buiten schot

en was niet te spreken, wanneer men hem als geneesheer wilde

raadplegen.

Daarenboven, de eigenaar van de Savarena nam zijn intrek niet aan den

wal. Hij stapte zelfs niet in een der hôtels van de stad af.

Ternauwernood begaf hij zich gedurende de twee dagen, welke hij te

Gravosa doorbracht, tot dicht bij Ragusa. Hij bepaalde zijne uitstappen

tot eenige wandelingen in den omtrek, waarbij hij twee of drie malen

Pescadospunt meenam, wiens aangeboren schranderheid hij waardeerde.

Maar ging hijzelf niet naar Ragusa, dan ging Pescadospunt toch eens

voor hem er heen. De brave jongen, wien een opdracht van vertrouwen

gedaan was—wie weet, wellicht eene inlichting in te

winnen!—beantwoordde de vragen, die hem bij zijn terugkeer gedaan

werden, als volgt:

„Dus die woont in de Stradonalaan?”

„Ja, heer dokter. Dat wil zeggen in de fraaiste straat der stad. Hij

bewoont een hôtel, niet ver van de plaats, waar men de reizigers het

paleis van den ouden doge aanwijst. Het is een prachtig hôtel met een

talrijk bediendenpersoneel, met rijtuigen enz. In één woord: hij volgt

de levenswijze van een millionnair!”

„En de andere?”

„De andere of liever de anderen?” antwoordde Pescadospunt. „Die bewonen

hetzelfde stadskwartier, maar hunne woning is moeilijk te vinden in een

van die klimmende, smalle en slingerende stegen—ware ladders—die meer

bescheiden woningen bevatten.”

„En hunne woning?”

„Hunne woning is nederig, klein, droefgeestig van uiterlijk aan de

buitenzijde, hoewel ik mij verbeeld dat zij binnenshuis netjes gehouden

moet zijn, heer dokter. Men gevoelt, dat zij bewoond is door arme maar

hooghartige lieden.”

„Die dame?....”

„Ik heb haar niet gezien. Men zeide, dat zij bijna nimmer de

Marinella-straat verliet.”

„En haar zoon?....”

„Dien heb ik gezien, heer dokter, op het oogenblik dat hij bij zijne

moeder binnentrad.”

„Hoe zag hij er uit?....”

„Hij scheen afgetrokken, onrustig zelfs. Men zou zeggen, dat die

jeugdige man reeds veel geleden heeft!.... Dat kenmerkt zich trouwens

genoegzaam!”

„Maar, ook gij Pescadospunt, hebt geleden, en dat kenmerkt zich niet.”

„Lichamelijk lijden is geen zedelijk lijden, heer dokter! Daarom kon ik

het verhelen en er zelfs om lachen.”

Zooals men ziet, sprak dokter Antekirrt reeds gemeenzaam met

Pescadospunt. Met Kaap Matifou ging dat nog niet; want inderdaad, die

Hercules was van te indrukwekkend uiterlijk, om zich zoo gauw eenige

gemeenzaamheid te mogen veroorloven.

Toen de dokter die vragen gedaan en die antwoorden bekomen had, staakte

hij zijne wandelingen in de omstreken van Gravosa. Hij scheen iemand te

verwachten, wiens ontmoeting hij door zijn gaan naar Ragusa niet had

willen uitlokken, daar de tijding van de aankomst der Savarena

genoegzaam bekend moest zijn. Hij bleef dus aan boord en hetgeen hij

verwachtte, gebeurde.

Den 29en Mei gaf de dokter, na de kade van Gravosa met het gewapend oog

geruimen tijd gadegeslagen te hebben, tegen elf uren in den voormiddag

bevel om de sloepen klaar te maken; toen steeg hij er in en liet zich

naar den havendam overbrengen, waar een man stond, die hem scheen te

bespieden.

„Dat is hij,” mompelde de dokter binnensmonds.... „Hij is het wel

degelijk!.... Ik herken hem, al is hij nog zoo veranderd.”

Die man was een grijsaard, door den ouderdom gebogen, hoewel hij

slechts zeventig jaren telde. Zijne witte haren dekten spaarzaam het

hoofd, dat ter aarde gebogen was. Zijn gelaat was ernstig, droefgeestig

en ternauwernood verlevendigd door een matten blik, die dikwijls door

tranen geheel verduisterd moet geweest zijn. Hij stond onbewegelijk op

de kade en verloor de sloep niet uit het oog, van het oogenblik dat van

boord was afgestoken.

De dokter wilde den schijn niet geven dien grijsaard te bespeuren, nog

minder hem te herkennen. Hij deed dus, alsof hij zijne tegenwoordigheid

niet ontwaardde. Maar nauwelijks had hij eenige passen op den havendam

afgelegd, toen de grijsaard op hem toetrad, nederig zijn hoed afnam en

vroeg:

„Zijt gij dokter Antekirrt?”

„Ja, die ben ik,” antwoordde de dokter, die dien man aankeek, wiens

oogleden zelfs niet trilden, toen hij den blik op hem wierp. Daarna

vervolgde hij:

„Wie zijt gij vriend, en wat wilt gij van mij?”

„Ik heet Borik en ik ben in dienst van mevrouw Bathory. Ik kom u uit

haar naam eene samenkomst verzoeken....”

„Mevrouw Bathory?” herhaalde de dokter vragend. „Is dat de weduwe van

dien Hongaar, die zijne vaderlandsliefde met zijn leven betaalde?”

„Dezelfde,” antwoordde de grijsaard. „En hoewel gij haar nimmer zaagt,

is het toch onmogelijk, dat gij haar niet kent, juist omdat gij dokter

Antekirrt zijt.”

Deze hoorde den ouden dienaar, wiens oogen steeds neergeslagen bleven,

aandachtig aan. Hij vroeg zich af of onder deze woorden niet eene

nevengedachte verscholen was. Daarop hernam hij:

„Wat kan mevrouw Bathory van mij willen?”

„Om redenen, die gij wel begrijpen zult, wenschte zij een onderhoud met

u, heer dokter.”

„Ik zal haar een bezoek brengen.”

„Zij wenschte liever bij u aan boord te komen.”

„Waarom?”

„Het is noodzakelijk, dat haar onderhoud met u geheim blijft.”

„Geheim?.... Voor wien?”

„Voor haren zoon! Mijnheer Piet mag niet weten, dat mevrouw Bathory u

bezocht heeft.”

Dit antwoord scheen den dokter te verrassen; hij liet er evenwel niets

van aan Borik blijken.

„Ik geef de voorkeur aan een bezoek ten huize van mevrouw Bathory,”

hernam hij. „Zou dat niet kunnen geschieden bij afwezigheid van haren

zoon?”

„Dat kan, heer dokter, wanneer gij morgen wilt komen. Piet Bathory moet

heden avond naar Zara afreizen en zal niet binnen vier en twintig uur

terug zijn.”

„Wat voert Piet Bathory uit?”

„Hij is tot ingenieur gepromoveerd; maar tot heden heeft hij nog geene

plaatsing kunnen vinden. O, het leven is zoo moeitevol voor hem en voor

zijne moeder!”

„Moeitevol!....” viel dokter Antekirrt in. „Bezit mevrouw Bathory dan

geen middelen?”....

Hij hield op. De grijsaard had het hoofd gebogen, terwijl zijn borst

bewoog onder de snikken, die hij niet kon bedwingen.

„Heer dokter,” zei hij eindelijk, „ik kan en mag u niets meer zeggen.

In het onderhoud, dat mevrouw Bathory van u verzoekt, zal zij u alles

mededeelen, wat gij recht hebt te weten.”

De dokter moest wel meester over zijn gemoed zijn, om zijne aandoening

te kunnen bedwingen.

„Waar woont mevrouw Bathory?” vroeg hij.

„Te Ragusa, in het Stradona-kwartier, op nummer 17 van de

Marinella-straat.”

„Zal ik mevrouw Bathory morgen in den namiddag tusschen een en twee uur

kunnen ontmoeten?”

„Voorzeker, heer dokter, en ik zal het zijn, die u zal aandienen.”

„Zeg dan aan mevrouw Bathory, dat zij op mijne nauwgezetheid kan

rekenen.”

„Ik dank u in haren naam.”

En na eenige aarzeling:

„Gij zoudt kunnen meenen, dat het een dienst betreft, die mevrouw u

vragen wil....”

„En wanneer dat zoo was?” vroeg de dokter levendig.

„Toch is het niet zoo,” antwoordde Borik.

En na nederig gebogen te hebben, ging hij den weg op, die van Gravosa

naar Ragusa voert.

Klaarblijkelijk hadden de laatste woorden van den ouden dienaar dokter

Antekirrt eenigermate verwonderd. Hij bleef onbeweeglijk op de kade

staan en tuurde Borik na. Toen hij aan boord teruggekomen was, schonk

hij aan Pescadospunt en aan Kaap Matifou verlof om aan den wal te gaan.

Daarna sloot hij zich in zijne kamer op. Hij wilde er de laatste uren

van dien dag geheel alleen doorbrengen.

Pescadospunt en Kaap Matifou maakten zich dus als echte renteniers, die

zij ook waren, dat verlof ten nutte. Zij veroorloofden zich zelfs het

genoegen, op het kermisterrein eenige kramen binnen te treden. Wanneer

wij beweren zouden, dat de lenige clown geen aanvechtingen gevoelde om

den een of anderen onhandigen kunstenmaker terecht te zetten; dat de

machtige voorvechter de zucht niet voelde opkomen om aan die

athleetworstelingen deel te nemen, dan zouden wij der waarheid te kort

doen. Maar beiden herinnerden zich ter rechter tijd, dat zij de eer

hadden tot de bemanning van de Savarena te behooren. Zij vergaten hun

rol van toeschouwers niet en waren niet karig met hunne toejuichingen,

wanneer die verdiend waren.

Den volgenden ochtend liet de dokter zich even vóór het middaguur aan

wal zetten. Na zijne sloep naar boord teruggezonden te hebben, ging hij

den weg op, die het verbindingsmiddel daarstelt tusschen de haven van

Gravosa en de stad Ragusa. Dat is eene fraaie laan, die kornisvormig

aangelegd, met twee rijen villa’s omzoomd en over eene lengte van twee

kilometers heerlijk beschaduwd was.

Die laan was nog niet levendig, zooals zij het weinige uren later zou

zijn, door het heen en weer rijden der equipages, door de menigte

wandelaars, zoowel te paard als te voet.

De dokter volgde, terwijl hij aan die samenkomst met mevrouw Bathory

dacht, eene nevenlaan en was weldra bij Borgo Pillo, een soort steenen

uitwas, die zich buiten de drievoudige omwalling der versterkingen van

Ragusa uitstrekt. De poort was open en verleende dwars door dien

drievoudigen band toegang tot het binnenste der stad.

De Stradona is eene prachtige flink bestrate hartader der stad, die

zich van Borgo Pillo af tot de voorstad Plocca uitstrekt en de geheele

stad doorsnijdt. Zij ontwikkelt zich aan den voet van een heuvel, die

met een geheel gevaarte van huizen, amphitheatersgewijze gebouwd,

overdekt is. Aan het einde verheft zich het paleis der oude doges, een

fraai monument uit de XVde eeuw, met eene ruime binnenplaats, met een

portiek in renaissance-stijl, met boogvensters, welker slanke zuiltjes

aan het beste tijdperk herinneren van Toskaansche bouwkunst.

De dokter behoefde niet tot bij dat paleis voort te gaan. De

Marinella-straat, die Borik hem daags te voren opgegeven had, komt

zoowat op de helft van de Stradonalaan uit. Hij vertraagde evenwel zijn

gang een weinig op het oogenblik, dat hij een vluchtigen blik op eene

groote woning wierp, die in graniet opgetrokken was en welker rijke

voorgevel met de daaraan rechthoekig aansluitende bijgebouwen zich

statig verhief. De poort van de binnenplaats stond open en liet een

uiterst fraai eigen rijtuig ontwaren met een paar prachtige paarden

bespannen. De koetsier zat deftig op den bok en de lakkei wachtte voor

het perron, dat door eene bevallige veranda overkapt was.

Juist in dit oogenblik steeg een man in dat rijtuig. De paarden vlogen

de plaats over en de poort door, waarna de deuren dichtsloegen.

Die persoon was dezelfde, die drie dagen te voren dokter Antekirrt op

de kade van Gravosa aangesproken had. Het was de vroegere bankier Silas

Toronthal.

De dokter, eene ontmoeting wenschende te vermijden, was ijlings

achteruitgetreden en schreed eerst voort, toen het vlugge rijtuig bij

het uiteinde der Stradonalaan uit het oog verdwenen was.

„Beiden in dezelfde stad!” mompelde hij. „O, dat is zuiver het toeval!

Daaraan heb ik geen part of deel.”

De stegen, ter linkerzijde op de Stradonalaan uitkomende, die hij door

te gaan had, waren smal, stil en slecht bestraat.

Dat de lezer zich een breeden stroom verbeelde, die aan eenen kant

slechts bergstroomen als schatplichtige rivieren zou hebben. Om een

weinig lucht te kunnen bemachtigen, kruipen de huizen als het ware

rakelings de eene op de anderen. Zij kijken inderdaad elkaar in de

oogen, als men zoo mag spreken van de vensters en tochtgaten, die in

hunne voorgevels aangebracht zijn. Zij stijgen zoo op den nok van een

der twee heuvelen, welker toppen door de forten van Mincetto en San

Lorenzo bekroond zijn. Onmogelijk zou er een rijtuig kunnen doorkomen.

Al ontbreekt, behalve bij gelegenheid van zware regens, de bergstroom,

zoo moet zoo’n steeg toch een ravijn genoemd worden, en alle die

hellingen en al die terrassen heeft men moeten stutten met keerdammen

en bokken, en moet men door middel van trappen bestijgen. Een scherp

contrast bestaat tusschen die minder dan bescheiden woningen en de

prachtige huizen en paleizen op de Stradonalaan.

De dokter bereikte den ingang van de Marinella-steeg en begon de

oneindige trap, die tot straat dient, te bestijgen. Zoo moest hij meer

dan zestig treden opklimmen, alvorens nummer 17 te kunnen bereiken.

Daar werd dadelijk eene deur geopend. De oude Borik wachtte den dokter.

Hij geleidde hem naar binnen zonder een woord te spreken en bracht hem

in een vertrek, dat uiterst zindelijk maar armoedig gemeubeld was.

De dokter nam plaats. Niets kon de meening doen ontstaan, dat hij

eenige aandoening in dat huis ondervond—zelfs niet toen mevrouw Bathory

binnentrad en tot hem zeide:

„Heer dokter Antekirrt.”

„Die ben ik, mevrouw,” antwoordde de dokter, terwijl hij opstond.

„Ik had u de moeite willen sparen,” hernam mevrouw Bathory, „om zoover

te komen en zoo hoog te stijgen!”

„Ik stond er op om u een bezoek te brengen, mevrouw; en ik bid u mij

als geheel ter uwer beschikking te beschouwen.”

„Mijnheer,” antwoordde mevrouw Bathory, „gisteren eerst vernam ik uwe

aankomst te Gravosa en ik heb dadelijk Borik gezonden, ten einde u tot

een onderhoud uit te noodigen.”

„Mevrouw, ik stel mij ter uwer beschikking.”

„Ik zal heengaan,” zei de grijsaard.

„Neen, Borik, blijf!” antwoordde mevrouw Bathory. „Gij zijt de eenige

vriend der familie. Gij weet alles, wat ik dokter Antekirrt te zeggen

heb.”

Mevrouw Bathory ging zitten, de dokter nam vlak voor haar plaats,

terwijl Borik bij het venster staan bleef.

De weduwe van professor Stephanus Bathory was toen zestig jaren oud.

Maar richtte zich ook al hare gestalte, in weerwil van den last der

jaren, recht op, zoo verraadde toch haar sneeuwwit hoofd, haar met

rimpels gegroeid gelaat genoegzaam den strijd, dien zij tegen het

verdriet en tegen de ellende gevoerd had. Maar men gevoelde het, zij

was nog even geestkrachtvol als vroeger. O, in haar school nog immer de

moedige levensgezellin, de innige vertrouwelinge van dien man, die

alles opgeofferd had aan hetgeen hij zijnen plicht meende te zijn; in

haar school nog immer zijn medeplichtige, toen hij tot de samenzwering

met Mathias Sandorf en Ladislas Zathmar toetrad.

„Mijnheer,” zeide zij met eene stem, waarvan zij de aandoening te

vergeefs zou hebben pogen te bemantelen, „daar gij dokter Antekirrt

zijt, ben ik u veel verplicht, en ben ik u het verhaal verschuldigd van

hetgeen vijftien jaren geleden te Triëst voorgevallen is....”

„Mevrouw, juist omdat ik dokter Antekirrt ben, verzoek ik u, om u en

mij een verhaal te besparen, dat voor u te treurig moet zijn! Dat

verhaal ken ik en ik voeg er bij—juist alweer omdat ik dokter Antekirrt

ben—dat ik uw geheel bestaan ken sedert dien onvergeetbaren datum van

den 30en Juni 1867.”

„Mag ik u dan vragen, mijnheer,” hernam mevrouw Bathory, „aan welke

motieven gij de belangstelling ontleent, die gij in mijn levensloop

gesteld hebt?”

„Die belangstelling, mevrouw, is die, welke ieder gevoelig en

rechtschapen mensch verschuldigd is aan de weduwe van den

vaderlandslievenden Magyaar, die niet geaarzeld heeft alles voor de

onafhankelijkheid van zijn vaderland ten offer te brengen!”

„Hebt gij professor Stephanus Bathory gekend?” vroeg de weduwe met

ietwat bevende stem.

„Ja, mevrouw, ik heb hem gekend en ik vereer allen welke dien naam

dragen!”

„Behoort gij ook tot dat vaderland, waarvoor hij zijn bloed gestort

heeft?”

„Ik, ik heb geen vaderland, mevrouw!”

„Maar wie zijt gij dan?”

„Een overledene, die nog geen graf heeft kunnen vinden!” antwoordde

dokter Antekirrt koel.

Mevrouw Bathory en Borik ijsden bij dat zoo onverwachte antwoord; maar

de dokter haastte zich te vervolgen:

„Evenwel, mevrouw, dat verhaal, hetwelk ik u verzocht niet uit te

spreken, moet ik leveren, want al weet gij ook sommige bijzonderheden,

zoo zijn er toch anderen, die u onbekend zijn, en die onkunde mag niet

langer blijven bestaan.”

„Ik luister, mijnheer,” antwoordde mevrouw Bathory.

„Mevrouw,” hernam de dokter, „het is nu vijftien jaren geleden, dat

drie edele harten, zich aan het hoofd stelden van eene samenzwering,

die tot doel had aan Hongarije zijne onafhankelijkheid weer te geven.

Dat waren graaf Mathias Sandorf, professor Stephanus Bathory en graaf

Ladislas Zathmar, drie vrienden, die sedert lang dezelfde hoop

koesterden, drie verschillende wezens met slechts één hart.

„Den 8en Juni 1867, daags vóórdat het sein zou gegeven worden voor den

opstand, die zich over geheel Hongarije en tot in Transsylvanië zou

uitstrekken, werd het huis van graaf Zathmar te Triëst, waarin de

hoofden der samenzwering vergaderd waren, door de Oostenrijksche

politie overvallen. Graaf Sandorf werd met zijne beide makkers gevat en

dienzelfden nacht nog in den vestingtoren van Pisino gekerkerd. Weinige

weken later waren zij ter dood veroordeeld.

„Een jeugdig boekhouder, Sarcany genaamd, die terzelfder tijd in het

huis van graaf Zathmar gevangen genomen werd, maar geheel vreemd aan de

samenzwering was, werd weldra buiten alle vervolging en na de

beëindiging der zaak, op vrije voeten gesteld.

„Daags vóórdat het vonnis zou voltrokken worden, poogden de gevangenen,

die in dezelfde cel opgesloten waren, te ontsnappen. Graaf Sandorf en

Stephanus Bathory slaagden er in, langs de staven van een

bliksemafleider uit den vestingtoren van Pisino te ontvluchten en

vielen in den Foïba-bergstroom, op hetzelfde oogenblik dat Ladislas

Zathmar, door den gevangenbewaarder gegrepen, in de onmogelijkheid

gesteld werd om zijne makkers te volgen.

„Hoewel er weinig kansen bestonden, dat de vluchtelingen aan den dood

ontsnappen zouden, daar een onderaardsche stroom hen medesleepte, te

midden van eene landstreek, die hen geheel onbekend was, zoo slaagden

zij er toch in, den oever van het kanaal van Léma en daarna de stad

Rovigno te bereiken, waar zij eene toevlucht vonden in het huis van den

visscher Andreas Ferrato.

Mathias Sandorf [1] · 第 16 / 17 段