uiterlijke leeren kennen, daar het toch het drijvende verblijf was van
den geheimzinnigen persoon, die de held van het verhaal zal uitmaken.
Het was evenwel niet toegankelijk voor bezoekers. Maar de
romanschrijver is als het ware met een soort helderziendheid behebt,
die hem veroorlooft zelfs datgene te beschrijven, wat hij nooit gezien
heeft.
In het innerlijke van die goelet dong de weelde met de gemakzucht om
den voorrang. De vertrekken en de hutten, de salons, de eetzaal, die
allen waren kostbaar en zeer fraai geschilderd. De kleeden, de
draperiën, in een woord alles wat tot het ameublement behoorde, was
uiterst kunstvaardig tot die pleizierscheepvaart aangewend. De
welbegrepen inrichting werd niet alleen in de vertrekken van den
kapitein en der scheepsofficieren aangetroffen, maar ook in de
bergplaats van het komaliewant, waarin het zilverwerk en het
porceleinen tafelgoed tegen het slingeren en stampen van het vaartuig
beveiligd lagen; ook in de keuken of kombuis, waarin eene Hollandsche
reinheid heerschte, en in het vooruit, waar de hangmatten der bemanning
ruimte genoeg hadden om ongehinderd heen en weer te wiegelen. De
bemanning telde een twintigtal matrozen, die het bevallige kostuum van
de Maltheser zeelieden droegen, korte broek met zeelaarzen, gestreept
hemd, bruine gordel, roode muts en blauwe pijjakker, waarop de
beginletters van den naam van de goelet en van haar eigenaar in het wit
gekarteld waren.
Maar tot welke haven behoorde dat jacht? Waar was de monsterrol
afgeteekend? In welke plaats van de Middellandsche zee werden de
winterkwartieren betrokken? Tot welke nationaliteit behoorde dat
vaartuig ten slotte? Men wist daaromtrent evenmin iets als omtrent de
nationaliteit van den dokter. Een groene vlag met rood kruis in den
bovenhoek wapperde aan de gaffel. Men zou die vlag te vergeefs gezocht
hebben onder de zoo talrijke vlaggen, die langs de zeeën van den
geheelen aardbol zwerven.
In ieder geval, vóórdat dokter Antekirrt voet aan wal gezet had, waren
de scheepspapieren aan den havenmeester overhandigd en door dezen
ongetwijfeld in orde bevonden, daar de reiziger verlof gekregen had om,
nadat de geneeskundige zeedienst zijn bezoek aan boord gebracht had,
vrijelijk naar den wal te gaan.
Wat den naam van de goelet betrof, die prijkte in gulden letters op een
schild aan den spiegel aangebracht. Die naam, die niets omtrent de
haven van herkomst meldde, was Savarena.
Dat was het bewonderenswaardige pleiziervaartuig, dat men thans in de
haven van Gravosa bewonderen kon. Pescadospunt en Kaap Matifou, die den
volgenden morgen door dokter Antekirrt aan boord ontvangen zouden
worden, bekeken het met de meeste nieuwsgierigheid, maar zelfs met meer
ontroering dan de overige zeelieden van de havenplaats. In hunne
hoedanigheid van inboorlingen van de Provence, waren zij uiterst
gevoelig voor alles wat zeeaangelegenheden betrof. Pescadospunt vooral,
die als kenner dat wonder van scheepsbouwkunst betrachtte, was verrukt.
De beide vrienden brachten den geheelen avond na hunne voorstelling
daarmede door.
„Ah,” zei Kaap Matifou.
„Ho!” antwoordde Pescadospunt.
„Hè! Wat zeg je er van, Pescadospunt?”
„Ik zeg er niets van, Kaap Matifou!”
„Maar je denkt er het jouwe van, niet waar?”
En dat gesprek, hetwelk meer op bewondering uitdrukkende
tusschenwerpsels in den mond van die twee armoedige acrobaten geleek,
had grooter beduidenis dan menige lange redevoering.
Alle de manoeuvres, die het ten anker gaan opvolgen, waren aan boord
van de Savarena geëindigd: de zeilen waren geborgen en op de ra’s
bevestigd, het tuig en touwwerk was op zijne plaats en met zorg strak
gezet, de zonnetent was over het achterdek uitgestrekt enz. De goelet
was in een hoek van de havenkom ten anker gebracht, hetgeen aanduidde,
dat zij er op rekende het verblijf van eenigen duur te doen zijn.
Overigens vergenoegde dokter Antekirrt zich met het maken van eene
eenvoudige wandeling in den omtrek van Gravosa. Terwijl Silas Toronthal
met zijne dochter in hun rijtuig, dat hen op de kade gewacht had, naar
Ragusa terugkeerde, en terwijl de jonkman, waarvan hierboven sprake
was, door de groote laan derwaarts wandelde, bezocht de dokter de
haven. Dat is een der besten van de kust en op dat tijdstip bevond zich
daarin een vrij groot aantal vaartuigen van verschillende
nationaliteiten.
Na de stad verlaten te hebben, volgde hij de oevers van de baai van
Ombla Fiumera, die een bocht vormt van twaalf mijlen uitgestrektheid,
tot aan de monding van de kleine Ombla rivier, die diep genoeg is om
vaartuigen zelfs van grooten diepgang te veroorlooven haar op te varen
tot bij den voet van het Vlastizagebergte. Hij kwam tegen negen uren op
den havendam terug en woonde de aankomst van een groote pakketboot van
den Oostenrijkschen Lloyd bij, die van de Indische zee aankwam.
Eindelijk keerde hij naar boord terug, begaf zich naar zijn vertrek,
hetwelk door twee lampen verlicht was en bleef tot den volgenden
ochtend alleen.
Dat was zoo zijne gewoonte en de kapitein van de Savarena—een zeeman
van ongeveer veertig jaren oud, die Narsos heette—had order om den
dokter nimmer in die uren van eenzaamheid te storen.
Hier moet bij verteld worden, dat noch de officieren noch de bemanning
iets afwisten van het verleden van dien persoon. Toch waren zij hem met
ziel en lichaam toegewijd. Al gedoogde dokter Antekirrt geen enkele
inbreuk op den tucht aan boord, zoo was hij toch goed voor allen en
verleende zijne hulp en gaf zijn geld uit zonder tellen. Ieder matroos
trachtte dan ook in de rol van de Savarena opgenomen te worden. Nimmer
viel er eene berisping uit te deelen, nimmer eene bestraffing op te
leggen, nimmer eene verwijdering uit te voeren. Zij die deel uitmaakten
van de bemanning der goelet, vormden als het ware één gezin.
Nadat de dokter aan boord teruggekeerd was, werden alle beschikkingen
voor den nacht getroffen. De seinlichten werden voor en achter
ontstoken, de manschappen der wacht betrokken hunne posten en weldra
heerschte de diepste stilte.
Dokter Antekirrt had op een breeden divan plaats genomen, die in den
hoek van het vertrek aangebracht was. Op eene tafel waren eenige
dagbladen neergelegd, die zijn knecht te Gravosa was gaan koopen. De
dokter doorliep ze met een verstrooiden blik en las eerder de gemengde
berichten dan wel de hoofdartikelen. Vooral keek hij naar de aankomst
en het vertrek der vaartuigen, naar het vertrek van de notabiliteiten
der provincie tot het maken van een buitenlandsch reisje. Tegen elf uur
ging hij, zonder de hulp van zijn kamerknecht ingeroepen te hebben, te
bed; maar het duurde lang alvorens hij kon inslapen.
Indien iemand de gedachte had kunnen lezen, die hem het meest
vervolgde, zou hij wellicht verwonderd zijn geweest te ontwaren, dat
die de navolgende vraag inhield:
„Wie was die jonge man, die Silas Toronthal op de kade van Gravosa
groette?”
Den volgenden morgen kwam dokter Antekirrt tegen acht uren op het dek.
Het weder liet zich heerlijk aanzien. De zon verguldde reeds de bergen,
die den achtergrond van de baai vormden. Het nachtelijke duister
verdween van de haven, alsof het over het watervlak heengleed. De
Savarena bevond zich weldra in het volle licht.
Kapitein Narsos naderde den dokter, om zijne bevelen te vernemen, welke
deze laatste in korte woorden gaf, evenwel niet dan na hem eerst goeden
morgen gewenscht te hebben.
Een oogenblik later stak eene sloep, bemand met zes roeiers en een
bootsman, van boord af, en voer naar de kade, waar Pescadospunt en Kaap
Matifou, zooals overeengekomen was, zouden wachten.
Het was een groote dag, een gewichtig oogenblik in het zwervend bestaan
van die twee eerlijke kerels, die zoo ver van hun vaderland gelokt
waren en zich op eenige honderd mijlen van de Provence verwijderd
bevonden, die zij zoo zeer wenschten terug te zien!
Beiden stonden op de kade te wachten. Zij hadden hun
kunstenmakerskostuum uitgetrokken en waren nu in een armoedig en
versleten maar toch proper pak gestoken. Zij bekeken het jacht, terwijl
zij het evenals daags te voren bewonderden. Beiden bevonden zich in
eene aangename stemming. Niet alleen hadden Kaap Matifou en
Pescadospunt den vorigen dag heerlijk geavondmaald, maar zij hadden ook
dienzelfden ochtend ontbeten. Eene overdaad, eene ware dwaasheid, die
hare oorzaak vond in de omstandigheid, dat zij daags te voren eene
buitengewoon groote ontvangst gehad hadden. Denk eens: twee en veertig
gulden! Maar men moet niet gelooven, dat zij al dat geld verbrast
hadden! Neen, Pescadospunt was voorzichtig, geregeld van levenswijs en
zorgende voor den dag van morgen. Daardoor was hun bestaan voor
minstens tien dagen verzekerd.
„En dat zijn wij u verschuldigd, Kaap Matifou!”
„Oh, Pescadospunt!”
„Ja, aan u, groot man!”
„Welnu, ja.... aan mij.... als je dat pleizier kan doen!” antwoordde
Kaap Matifou.
In dat oogenblik landde de sloep bij de kade. Toen stond de bootsman op
en berichtte hen met de muts in de hand, dat hij zich ter beschikking
van „de heeren” stelde.
„Van de heeren!” riep Pescadospunt uit. „Van welke heeren?”
„Van uzelven,” antwoordde de bootsman. „Dokter Antekirrt wacht u bij
hem aan boord.”
„Mooi! Wij zijn reeds heeren!” zei Pescadospunt. „Je zult zien, dat we
nog graven en baronnen zullen worden!”
Kaap Matifou zette vreeselijk groote oogen en verkreukte in zijne
verlegenheid zijn hoed ergerlijk.
„Wanneer de heeren gelieven in te stappen!” zei de bootsman.
„Zeker, zeker, het gelieft ons!” zei Pescadospunt met een vriendelijk
gebaar.
Een oogenblik later zaten onze beide vrienden zoo gemakkelijk mogelijk
op het donkere tapijt met rood geboord, dat de bank der sloep bedekte,
terwijl de bootsman achter hen plaats nam.
Het behoeft, dunkt ons, niet vermeld te worden, dat het vaartuigje
onder het gewicht van den Hercules, die aan boord stapte, twee of drie
duimen onder hare waterlijn zonk. Men moest zelfs de hoeken van het
tapijt opnemen, opdat zij niet in het water sleurden.
Op een schellen fluitstoot van den bootsman, vielen zes riemen
tegelijkertijd te water en schoot de sloep vooruit in de richting van
de Savarena.
Het mag erkend worden, daar het de waarheid is, dat die twee arme
drommels zich eenigermate aangedaan, om niet te zeggen verlegen of
beschaamd gevoelden. Zoo veel eer voor kunstenmakers! Kaap Matifou
durfde zich niet bewegen. Pescadospunt kon, in weerwil van zijne
verlegenheid, een goedhartigen glimlach, die zijn fijn en schrander
gelaat verhelderde, niet verbergen.
De sloep schoot achter den spiegel om en legde bij de
stuurboordsvalreep aan. Dat was de eerezijde!
De beide vrienden stegen de bewegelijke trap, wiens krammen onder het
gewicht van Kaap Matifou doorbogen, omhoog en waren weldra op het dek
aangekomen. Daar werden zij dadelijk naar den dokter gebracht, die hen
op het achterschip wachtte.
Na een hartelijken groet waren er nog wel eenige plichtplegingen
noodig, alvorens Pescadospunt en Kaap Matifou besluiten konden te gaan
zitten. Maar eindelijk geschiedde dat toch.
De dokter keek hen een oogenblik aan zonder te spreken. Zijn koel maar
schoon gelaat maakte indruk op hen. Maar, en daarin kon men zich niet
vergissen, was er ook al geen glimlach op zijne lippen, die glimlach
zetelde toch in zijn hart.
„Vrienden,” zei hij, „gij hebt gisteren mij en mijne bemanning voor een
groot gevaar beveiligd. Ik heb u daarvoor nogmaals willen bedanken en
daarom heb ik u verzocht om aan boord te komen.”
„Heer dokter,” antwoordde Pescadospunt, die een weinig van zijne
vrijmoedigheid terugkreeg, „gij zijt zeer goed; maar het gebeurde is de
moeite niet waard. Mijn makker heeft niets anders gedaan dan ieder
ander in zijne plaats en met zijne kracht verricht zoude hebben. Niet
waar, Kaap Matifou?”
Deze knikte bevestigend, door zijn dik hoofd op en neer te bewegen.
„Dat moge zoo zijn,” antwoordde de dokter, „maar uw makker en niet
ieder ander heeft zijn leven gewaagd en ik ben hem daarvoor veel
verplicht!”
„O heer dokter,” antwoordde Pescadospunt, „gij zult mijn ouden Kaap
doen blozen en volbloedig als hij reeds is, is het nadeelig voor hem,
wanneer hem het bloed naar het hoofd stijgt....”
„Alles wel, vrienden,” hernam de dokter. „Ik zie dat gijlieden niet van
complimenten houdt. Ik zal dus ook niet verder aandringen. Maar, daar
iedere dienst beloond....”
„Heer dokter,” antwoordde Pescadospunt, „vergeef mij dat ik u in de
rede val. Maar, iedere goede daad draagt hare belooning in zichzelve,
ten minste zooals de zedeboeken leeren; en.... reeds zijn wij beloond!”
„Reeds! Hoe?” vroeg de dokter, die vreesde, dat iemand hem voor was.
„Zeker!” hernam Pescadospunt. „Na dit buitengewone bewijs van
spierkracht van mijn Hercules, heeft het publiek hem verder in andere
kunstvaardige oefeningen willen beoordeelen. In groote menigte is men
naar ons Provençaalsche worstelperk gedrongen. Kaap Matifou heeft een
half dozijn van de sterkste bergbewoners en van de stevigste
pakkendragers van Gravosa van de been gelicht en wij hebben eene
overgroote ontvangst gemaakt.”
„Overgroote?”
„Ja, zonder voorbeeld gedurende onze acrobatische omzwervingen!”
„En hoeveel hebt gij wel ontvangen?”
„Twee en veertig gulden!”
„Ah! Waarlijk!.... Maar ik wist niet”.... antwoordde dokter Antekirrt
met goedige stem. „Als ik geweten had, dat gij voorstellingen gaaft,
dan zou ik het mij niet alleen tot plicht gesteld hebben, maar het zou
mij ook een waar genoegen geweest zijn een daarvan bij te wonen. Gij
zult mij dus veroorloven mijne plaats te betalen....”
„Hedenavond, heer dokter, hedenavond,” antwoordde Pescadospunt,
„wanneer gij onze voorstelling met uwe tegenwoordigheid zult willen
vereeren.”
Kaap Matifou boog beleefd en deed daarbij zijne breede schouders
zwaaien, die, zooals Pescadospunt steeds luide verkondigde, nimmer den
grond aangeraakt hadden.
Dokter Antekirrt zag wel in, dat hij de beide acrobaten er niet toe zou
kunnen brengen om eene belooning, ten minste eene geldelijke, aan te
nemen. Hij besloot dus anders te werk te gaan. Daarenboven had hij
sedert den vorigen dag een vastgesteld plan met betrekking tot die twee
mannen in het hoofd. Inlichtingen, die hij den vorigen avond had doen
inwinnen, hadden tot uitslag gehad, dat de twee kunstenmakers eerlijke
menschen waren, die ten volle vertrouwen verdienden.
„Hoe heet gij?” vroeg hij.
„De eenige naam, dien ik ken, heer dokter, is Pescadospunt.”
„En gij?”
„Ik heet Matifou,” antwoordde de Hercules.
„Dat wil zeggen Kaap Matifou,” vulde Pescadospunt aan, niet weinig
hoogmoedig dien naam, die zoo beroemd in al de worstelperken van
Zuidelijk Frankrijk was, te kunnen noemen.
„Maar dat zijn bijnamen,”.... merkte de dokter op.
„Wij hebben geen anderen,” antwoordde Pescadospunt, „of, hebben wij er
ooit een gehad, dan hebben wij hem onderweg verloren, wat niet te
verwonderen is: onze zakken zijn slecht en versleten.”
„En.... uwe bloedverwanten?”
„Bloedverwanten, heer dokter?.... Onze middelen hebben ons nooit dat
weelde-artikel veroorloofd! Maar mochten wij ooit rijk worden, dan
zullen er wel gevonden worden, die erven willen.”
„Gij zijt Franschen? Van welk gedeelte van Frankrijk zijt gij
afkomstig?”
„Wij zijn Provençalen!” antwoordde Pescadospunt fier. „Dat wil zeggen,
dat wij tweemalen Franschen zijn!”
„Gij hebt een opgeruimd humeur, mijnheer Pescadospunt.”
„Het ambacht brengt dat mede. Stelt u voor, heer dokter, een paljas,
een roodstaart, een kermisgrappenmaker, die een droefgeestig humeur
had! Hij zou meer gebakken appelen in een uur om de ooren krijgen, dan
hij zijn geheele leven zou kunnen verorberen! Ja, ik ben opgeruimd,
vroolijk zelfs, zeer vroolijk, dat beken ik!”
„En Kaap Matifou?”
„O, die is meer ernstig, meer nadenkend, meer in zich zelf gekeerd!”
antwoordde Pescadospunt, terwijl hij zijn makker een hartelijken
vriendschappelijken klap op den schouder gaf, zooals een ander den hals
van een paard zou streelen. „Dat ’s ook het ambacht hetwelk dat
medebrengt. Wanneer men toeren maakt met gewichten van vijftig, dan
moet men zeer ernstig wezen. Wanneer men worstelt, dan doet men dat
niet alleen met de armen, maar ook en vooral met het hoofd! En Kaap
Matifou heeft steeds geworsteld.... zelfs tegen de ellende! En die
heeft hem nog niet van de been kunnen brengen!”
Dokter Antekirrt hoorde met belangstelling dat braaf klein wezen,
waarvoor het noodlot tot heden zoo hard was geweest, en dat toch niet
verbitterd was. Hij gevoelde dat in dat teedere omhulsel evenveel hart
als geest schuilde, en dacht er over na wat van hem had kunnen worden,
wanneer aan de materieele eischen van het leven niet dadelijk na zijn
geboorte was te kort geschoten.
„En waarheen trekt gij thans?”
„Waarheen? Recht voor ons uit! Op goed geluk af,” antwoordde
Pescadospunt. „Het toeval is niet altijd een slechte gids en over het
algemeen kent het den weg. Alleen, ik vrees dat wij ditmaal te ver van
ons land af gedwaald zijn! Maar.... alles wel beschouwd, is dat onze
schuld! Wij hadden het toeval moeten vragen waarheen het ons leiden
wilde.”
Dokter Antekirrt sloeg hen beiden gedurende een poos gade. Toen hernam
hij met aandrang:
„Wat zou ik voor ulieden kunnen doen?”
„Maar niets, heer dokter,” antwoordde Pescadospunt, „niets.... dat
verzeker ik u....”
„Koestert gij het verlangen niet om in uwe Provence weer te keeren?”
De oogen der beide acrobaten glinsterden tegelijkertijd.
„Ik zou er u kunnen brengen,” hernam de dokter.
„Dat, dat zou merkwaardig wezen!” zei Pescadospunt.
En zich tot zijn makker wendende:
„Kaap Matifou, zou je naar ginds willen terugkeeren?”
„Ja.... als ge meegaat, Pescadospunt.”
„Maar, wat zullen wij er uitvoeren? Waarvan zullen wij leven?”
Kaap Matifou krabde zich achter het oor. Dat deed hij bij ieder lastig
geval.
„Wij zullen.... wij zullen....” mompelde hij.
„Je weet er niets van.... en ik ook niet!.... Maar, het is ons
vaderland! Is het niet zonderling, heer dokter, dat arme drommels,
zooals wij zijn, een vaderland hebben; dat arme ellendigen, die geen
ouders hebben, ergens geboren zijn! Ziet, dat is voor mij steeds
onverklaarbaar geweest.”
„Zoudt gij beiden kunnen besluiten steeds bij mij te blijven?” vroeg
dokter Antekirrt.
Op dat onverwachte voorstel was Pescadospunt vlug opgesprongen, terwijl
de Hercules hem verbaasd aankeek, niet wetende of hij ook zou moeten
opstaan.
„Bij u blijven, heer dokter,” antwoordde Pescadospunt eindelijk. „Maar
waartoe zouden wij te gebruiken zijn? Kunststukken uitvoeren, toeren
van kracht en behendigheid.... dat alles is, wat wij in ons leven
gedaan hebben. En tenzij het was om u gedurende uwe zeetochten of in uw
land te verstrooien....”
„Luistert naar mij,” hernam dokter Antekirrt. „Ik heb moedige,
behendige en schrandere mannen noodig, mannen vol toewijding, die
genegen zijn het bereiken van mijne plannen te bevorderen. Er is niets,
wat u hier terughoudt, niets wat u daar ginder roept. Wilt gij tot die
mannen behooren?”
„Maar wanneer uwe plannen bereikt zijn?”.... vroeg Pescadospunt.
„Als het u bij mij bevalt, zult gij mij niet meer verlaten”, antwoordde
de dokter glimlachend, „dan kunt gij bij mij aan boord blijven. En
kijk, gij zult aan mijne bemanning les op het slappe koord kunnen
geven! En wanneer het u integendeel zou lijken naar uw vaderland weer
te keeren, dan zal ik er u brengen en zorgen dat u een zekere
gegoedheid voor uw geheele leven verzekerd is.”
„Oh! heer dokter!” riep Pescadospunt uit. „Maar het is toch uwe meening
niet, ons niets te laten uitvoeren. Tot niets goed te zijn, zou ons
niemendal lijken!”
„Ik beloof u arbeid, en van dusdanigen aard, dat hij u tevreden zal
stellen.”
„Waarlijk,” zei Pescadospunt, „dan is het aanbod zeer verleidelijk.”
„Hebt gij nog tegenwerpingen te maken?”.
„Nog eene enkele. Gij ziet ons beiden, Kaap Matifou en mij! Wij zijn
afkomstig van hetzelfde vaderland en wij zouden ongetwijfeld tot
dezelfde familie behooren, wanneer wij eene familie bezaten. Wij zijn
broeders volgens het hart! Kaap Matifou zou niet zonder Pescadospunt en
Pescadospunt niet zonder Kaap Matifou kunnen leven! Verbeeld u de
Siameesche tweelingen! Men heeft hen nimmer kunnen scheiden, niet waar,
omdat eene scheiding hun het leven zou gekost hebben. Welnu, wij zijn
als die Siameezen. Wij hebben elkander lief, heer dokter.”
Pescadospunt had, terwijl hij zoo sprak, de hand aan Kaap Matifou
toegestoken, die hem naar zich toetrok en hem aan zijne borst drukte,
zooals hij met een kind gedaan zou hebben.
„Vrienden,” zei dokter Antekirrt, „er is geen quaestie van ulieden te
scheiden en het zal steeds mijn wensch zijn, dat gij mij niet zult
verlaten!”
„Dan zou het kunnen gaan, heer dokter, als....”
„Als?”
„Als Kaap Matifou zijne toestemming geeft.”
„Zeg ja, Pescadospunt,” mompelde de Hercules, „dan hebt gij voor ons
beiden geantwoord!”
„Welnu,” zei de dokter, „dat is dan afgesproken en gij zult geen berouw
over uw besluit ondervinden. Bekommert u van heden af om niets meer!”
„O, heer dokter, pas op!” hernam Pescadospunt. „Gij verbindt u daar tot
meer dan gij wel denkt!”
„Hoezoo?”
„Ziet, wij zullen dure gasten zijn, vooral Kaap Matifou. Dat is een
groote eter en gij zoudt hem in uwen dienst zijne spierkracht niet
willen laten verliezen, al was dat nog zoo weinig maar.”
„Ik beoog integendeel, dat hij die krachten verdubbelen zal.”
„Dan zal hij u te gronde richten!”
„Men richt mij niet te grande, Pescadospunt.”
„Evenwel.... twee.... drie maaltijden per dag....”
„Vijf, zes, tien, als hij zulks verkiezen zal,” antwoordde dokter
Antekirrt glimlachend. „Er zal steeds open tafel voor hem zijn!”
„Hè, Kaap, wat zeg je er van?” riep Pescadospunt guitig uit. „Ge zult
dan steeds volop kunnen eten!”
„En gij ook, Pescadospunt!”
„O, ik! Een vogel!—Maar zou ik u mogen vragen, of wij ter zee zullen
varen?”
„Dikwijls, vriend. Ik zal thans aan de vier hoeken van de
Middellandsche zee te doen krijgen. Mijn praktijk zal zoo wat overal
langs de kusten bestaan. Ik hoop de geneeskunde te kunnen uitoefenen op
eene internationale wijze. Wanneer een zieke mij naar Tanger, of naar
de Balearische eilanden roept, wanneer ik mij te Suez of te Smyrna
bevind, zal ik hem dan niet moeten gaan bezoeken? Wat een geneesheer in
eene groote stad van het eene kwartier tot het andere uitvoert, zal ik
van de Straat van Gibraltar naar den Griekschen Archipel, van de
Adriatische zee naar de Leeuwengolf, van de Jonische zee naar de baai
van Gabés verrichten! Ik bezit nog andere vaartuigen, tien malen
vlugger dan die goelet en.... bij die tochten zult gijlieden mij
meestal vergezellen.”
„Dat lijkt ons, heer dokter,” antwoordde Pescadospunt, terwijl hij zich
in de handen wreef.
„Zijt gijlieden niet bang voor de zee?”
„Neen!” riep Pescadospunt uit. „Wij bang? Wij kinderen van de Provence!
Als straatjongens speelden en rolden wij in de sloepen op het strand!
Neen, wij zijn niet bang voor de zee, ook niet voor de zoogenaamde
zeeziekte! Door de gewoonte, die wij hebben, om met het hoofd omlaag en
de beenen omhoog te loopen, zijn wij tegen die ongesteldheid
gevrijwaard. Wanneer de heeren en dames, alvorens zich in te schepen,
slechts eenige maanden lang die lichaamsoefening betrachtten, dan
zouden zij nimmer noodig hebben hunnen neus gedurende den overtocht
boven hunne lampetkom te houden! Komt binnen, heeren en dames! Komt
binnen! Volgt slechts de menigte!”
Men ziet het, de goedhartige Pescadospunt verviel weer bij zijne
blijdschap in zijne gewone kwinkslagen, net alsof hij zich nog op de
verhevenheid zijner kermistent bevond.
„Goed zoo, Pescadospunt!” zei de dokter. „Wij zullen elkander
uitmuntend verstaan. Bovenal beveel ik u aan, niets van uwe
opgeruimdheid te verliezen. Lacht, mijn jongen, lacht en zingt, zooveel
ge verkiest. De toekomst zal wellicht genoeg droefgeestige
gebeurtenissen opleveren, om uwe vroolijkheid onderweg te doen
waardeeren.”