aan de overzijde van de Adriatische zee te brengen, toen een Spanjaard,
Carpena genaamd, die de schuilplaats der vluchtelingen ontdekt had, uit
persoonlijke wraakzucht de arme ellendigen bij de politie van Rovigno
aangaf. Andermaal poogden zij te ontsnappen; maar Stephanus Bathory
viel in handen der agenten. Wat Mathias Sandorf betreft, hij werd tot
aan den zeeoever vervolgd en viel onder een kogelregen. De Adriatische
zee heeft zijn lijk niet weergegeven.
„Twee dagen later werden Stephanus Bathory en Ladislas Zathmar in de
citadel van Pisino doodgeschoten. De visscher Andreas Ferrato werd, ter
zake van huisvesting aan de vluchtelingen verleend te hebben, tot
levenslange galeistraf veroordeeld en naar het bagno van Stein
gezonden.”
Mevrouw Bathory zat daar met diepgebogen hoofd. Zij had het verhaal van
den dokter met een beklemd hart, maar zonder hem een enkele maal in de
rede te vallen, aangehoord.
„Hadt gij die bijzonderheden vernomen, mevrouw?” vroeg hij.
„Ja, mijnheer, door de dagbladen, zooals gij ze waarschijnlijk ook
vernomen hebt.”
„Ja, mevrouw, door de dagbladen,” antwoordde de dokter, „maar wat de
dagbladen niet konden mededeelen, daar de instructie dier zaak in het
grootste geheim geschiedde, heb ik, dank zij de babbelzucht van een
gevangenbewaarder van de citadel, vernomen en dat zal ik u mededeelen.”
„Spreek, mijnheer,” zei mevrouw Bathory.
„Dat graaf Sandorf en Bathory ontdekt en gevat werden in de woning van
den visscher Ferrato, werd veroorzaakt door het verraad van den
Spanjaard Carpena. Maar dat zij drie weken te voren te Triëst in de
woning van graaf Zathmar gevat werden, was het werk van verraders, die
hen aan de agenten der Oostenrijksche politie verklikt hadden.”
„Verraders!” mompelde mevrouw Bathory.
„Ja, mevrouw, en het bewijs van het verraad bleek uit de debatten van
het proces. Eerst hadden die snoodaards een briefje in geheimschrift,
aan den hals eener postduif gebonden, ontdekt, dat aan graaf Sandorf
gezonden was en waarvan zij een afschrift namen. Een andere maal
slaagden zij er in, in het huis van graaf Zathmar zelve een afdruk van
den rooster te verkrijgen, die diende om dat geheimschrift te
ontraadselen. Daarna, toen zij kennis van den inhoud van het briefje
genomen hadden, hebben zij het geheim aan den gouverneur van Triëst
bekend gemaakt. Ongetwijfeld zou een gedeelte der verbeurdverklaarde
goederen van graaf Sandorf dienen om hun verraad te beloonen.”
„En kent men die ellendelingen?” vroeg mevrouw Bathory, wier stem van
aandoening beefde.
„Neen, mevrouw,” antwoordde de dokter; „maar wellicht kenden hen de
drie veroordeelden, en zouden zij hunne namen bekend gemaakt hebben,
wanneer zij hun gezin voor de laatste maal alvorens te sterven hadden
kunnen weerzien.”
Inderdaad, noch mevrouw Bathory, die toen met haren zoon afwezig was,
noch Borik, die in de gevangenis van Triëst opgesloten zat, hadden de
veroordeelden in hunne laatste oogenblikken kunnen bijstaan.
„Zal men nooit de namen van die ellendelingen te weten komen?” vroeg
mevrouw Bathory.
„Mevrouw,” antwoordde dokter Antekirrt, „de verraders eindigen steeds
met zichzelven te verraden! Ziehier wat ik ten slotte nog bij dat
verhaal te voegen heb: Gij bleeft als weduwe met een kindje van acht
jaren nagenoeg zonder middelen achter. Borik, de bediende van graaf
Zathmar, wilde u na den dood van zijn meester niet verlaten; maar hij
was arm en bezat niets anders dan zijne toewijding.
„Toen, mevrouw, hebt gij Triëst verlaten, om deze nederige woning te
Ragusa te betrekken. Gij hebt handenarbeid verricht om zoowel in de
behoeften van het materieele als van het zieleleven te voorzien. Gij
verlangdet toch dat uw zoon het pad der wetenschap, dat zoo roemrijk
door zijn vader betreden was, zoude volgen. Maar, welken strijd hebt
gij daarbij te voeren gehad! Welke ellende moest daarbij moedig het
hoofd geboden worden! O, ik buig met eerbied het hoofd voor de
edelaardige vrouw, die zooveel geestkracht getoond heeft, voor de
moeder, door wiens zorgen haar zoon een man geworden is!”
Terwijl de dokter die woorden sprak, was hij van zijn stoel opgestaan
en werd zijne ontroering, in weerwil van zijne gewone koelheid,
duidelijk merkbaar.
Mevrouw Bathory antwoordde niet. Zij wachtte in het onzekere of de
dokter zijn verhaal geëindigd had of het zou voortzetten. Het kon toch
zijn, dat hij feiten, die hem persoonlijk betroffen, wilde mededeelen
en dat dit de beweegreden was, waarom hij een onderhoud verlangd had.
„Intusschen, mevrouw,” hernam de dokter, die hare gedachten raadde,
„hebben de menschelijke krachten hare grenzen, en, hoewel ziek en
uitgeput door zooveel beproevingen, zoudt gij bij uwe taak bezweken
zijn, wanneer een onbekende, neen, een vriend van professor Bathory, u
niet ter hulp gesneld ware. Nimmer zou ik u daarover gesproken hebben,
wanneer uw oude dienaar mij uwen wensch niet had geopenbaard om mij te
willen ontmoeten.”
„Inderdaad, mijnheer,” antwoordde mevrouw Bathory, „ben ik dan dokter
Antekirrt niet veel dank schuldig?”
„Waarom, mevrouw? Omdat dokter Antekirrt vijf of zes jaren geleden, bij
de herinnering aan de vriendschap, die hem aan graaf Sandorf en aan
zijne beide makkers verbond, en, om u bij uwe taak behulpzaam te zijn,
u eene som van honderd duizend gulden heeft doen toekomen? Gevoelde hij
zich niet zeer gelukkig, dat geld ter uwer beschikking te kunnen
stellen?
„Neen, mevrouw, ik ben het integendeel, die u dank schuldig ben, omdat
gij dat geld wel hebt willen aannemen, omdat gij mij veroorloofd hebt
de weduwe en den zoon van Stephanus Bathory ter hulp te komen.”
De weduwe had het hoofd gebogen en antwoordde:
„Hoe het ook zij, mijnheer, ik voelde behoefte om u mijne dankbaarheid
te betuigen. Dat was de eerste beweegreden van dat bezoek, hetwelk ik u
brengen wilde. Maar er was eene tweede....”
„En die is, mevrouw?”
„Ik wilde.... u die som teruggeven....”
„Hoe mevrouw?” zei de dokter, „gij hebt die som niet willen aannemen?”
„Mijnheer, ik meende het recht niet te hebben over die som te
beschikken. Ik kende dokter Antekirrt niet. Ik had nimmer zijn naam
hooren noemen. Die som kon een soort aalmoes zijn, komende van hen, die
mijn man bestreden hadden en wier erbarmen mij hatelijk toescheen! Ik
heb die som dus niet gebezigd, zelfs voor het doel niet, waarvoor
dokter Antekirrt haar bestemd had.”
„Dus.... dat geld....?”
„Is onaangeroerd.”
„En uw zoon?”
„Zal aan niemand anders verplichting hebben dan aan zichzelven....”
„En aan zijne moeder!” vulde de dokter aan, die door zooveel grootheid
van ziel, door zooveel karakter, zooveel geestkracht niet anders dan
tot bewondering gestemd kon worden en dan ook vol eerbied voor de
waardige vrouw stond.
Ook mevrouw Bathory was opgestaan en op een kistje toegetreden, dat
gesloten was. Zij nam er een bundel bankbiljetten uit, die zij den
dokter overreikte.
„Mijnheer,” zeide zij, „neem dat geld terug, want het behoort u, en
ontvang den dank eener moeder, die verplichting aan u heeft, alsof zij
er gebruik van gemaakt had, om haar zoon op te voeden!”
„Dat geld behoort mij niet meer toe, mevrouw!” antwoordde dokter
Antekirrt, terwijl hij de bankbiljetten met een gebaar afwees.
„Ik herhaal, dat het mij nimmer had moeten toebehooren!”
„Maar als Piet Bathory het zou willen gebruiken....”
„Mijn zoon zal eindigen met de betrekking te vinden, die hij waardig
zal zijn. Ik zal dan op hem kunnen rekenen, zooals hij op mij heeft
kunnen vertrouwen!”
„Hij zal niet weigeren, hetgeen een vriend van zijn vader aandringt dat
hij zal aannemen!
„Jawel, hij zal weigeren!”
„Laat mij dan ten minste beproeven, mevrouw....”
„Ik bid u die proef niet te nemen, heer dokter,” antwoordde mevrouw
Bathory, „mijn zoon weet zelfs niet dat ik dat geld ontvangen heb, en
ik verlang, dat hij daaromtrent steeds onkundig blijve!”
„Het zij zoo, mevrouw!.... Ik begrijp de gevoelens, die u zoo doen
handelen, daar ik slechts een onbekende voor u was en ben!.... Ja, ik
begrijp en bewonder ze!.... Maar ik herhaal het, als dat geld uw
eigendom niet is, dan is het het mijne ook niet!”
Dokter Antekirrt was op het punt om heen te gaan. De weigering van
mevrouw Bathory kon hem niet kwetsen. Hare kieschheid wekte slechts een
gevoel van diepen eerbied bij hem op. Hij groette de weduwe en wilde
heengaan, toen eene laatste vraag hem weerhield.
„Mijnheer,” zei mevrouw Bathory, „gij hebt gesproken over onwaardige
handelingen, die den dood van Ladislas Zathmar, van Stephanus Bathory
en van den graaf Sandorf veroorzaakt hebben?”
„Ik heb verhaald, wat er gebeurd is, mevrouw.”
„Maar kent niemand die onmenschen?”
„Ja, mevrouw!”
„Wie dan?”
„God!”
Na dat woord boog dokter Antekirrt voor den laatsten keer voor de
weduwe en verliet hare woning.
Mevrouw Bathory bleef in gedachten verzonken. Zij voelde zich door eene
geheime sympathie, waarvan zij zich geen rekenschap wist te geven tot
dien geheimzinnigen persoon, die zoo ingewijd was in de meest verborgen
gebeurtenissen van haar leven, aangetrokken. Zou zij hem ooit
terugzien? En wanneer hij met de Savarena te Ragusa aangekomen was
alleen met het doel om haar dat bezoek te brengen, zou hij dan niet
zeewaarts gaan om niet meer terug te keeren?
Den volgenden morgen deelden de dagbladen mede, dat een onbekende eene
gift van honderd duizend gulden aan de gasthuizen van de stad vermaakt
had.
Dat was de gift van dokter Antekirrt. Maar was het ook niet de aalmoes
der weduwe, die zij zoowel voor haar als voor haren zoon van de hand
gewezen had?
EINDE VAN DOKTER ANTEKIRRT.
INHOUD.
EENE VERIJDELDE SAMENZWERING.
BLADZ.
I. De reisduif 1
II. Graaf Mathias Sandorf 22
III. Het bankiershuis Toronthal 36
IV. Het geheimschrift 55
V. Voor, gedurende en na de terechtzitting 73
VI. De vestingtoren van Pisino 91
VII. De bergstroom van Foïba 104
VIII. De hut van den visscher Ferrato 127
IX. Laatste pogingen in een laatsten strijd 148
DOKTER ANTEKIRRT.
I. Pescadospunt en Kaap Matifou 159
II. Het te water laten van de Trabucolo 171
III. Dokter Antekirrt 187
IV. De weduwe van Stephanus Bathory 204