worstelstrijd, die toch zeer eervol voor de beide tegenstanders zou
geweest zijn, te onderwerpen. Pescadospunt ging toen tot de
aankondiging over, dat bij gebrek aan liefhebbers de strijd toch zou
plaats hebben, maar nu tusschen Kaap Matifou en hem. Ja, waarlijk! De
behendigheid zou zich meten met de kracht!
„Treedt binnen, heeren. Treedt dan toch binnen! Volgt elkaar maar!”
riep de arme Pescadospunt met eene kracht, alsof hij zijne longen
verscheuren wilde. „Gij zult hier zien, wat gij nog nimmer gezien hebt!
Een gevecht van Pescadospunt met Kaap Matifou! Een strijd tusschen de
twee Provençaalsche tweelingen!.... Ja.... tweelingen!.... natuurlijk
niet even oud.... ook niet uit dezelfde moeder geboren.... Maar wij
zijn tweelingen!.... Kijk maar, hoe wij elkander gelijken!.... Wij zijn
even dik!.... Ik vooral!”
Een jongmensch was voor de tent blijven stilstaan en hoorde alle die
oudbakken aardigheden met den grootsten ernst aan.
Die jongeling was hoogstens twee en twintig jaren oud en had eene
gestalte, die weinig meer dan eene middelmatige was. Zijne fraaie
gelaatstrekken schenen vermoeid door den arbeid, zijn geheel uiterlijk
ademde ernst en duidde op eene nadenkende geaardheid. Het kon wel zijn,
dat die man veel ondervinding in de lijdensschool had opgedaan. Zijne
groote zwarte oogen, zijn baard, dien hij vol maar kort afgeknipt
droeg, zijn mond, die de plooi van een glimlach niet had, maar die
fijntjes onder een nog fijner geteekenden knevel uitkwam. Dat alles
duidde op eene Hongaarsche afkomst, op eene afkomst, waarin het
Magyaarsche bloed voortheerschte. Hij was zeer eenvoudig gekleed in een
modern kostuum, zonder evenwel den schijn op zich te laden een modegek
te wezen. Zijn uiterlijk liet geen twijfel over: in dien jongeling was
de man reeds aanwezig!
Hij luisterde, zooals reeds gezegd is, naar de nuttelooze geestigheden
van Pescadospunt. Hij zag niet zonder weemoed zijne bewegingen op die
verhevenheid. Hij had zelf veel geleden en ongetwijfeld was hij niet
ongevoelig voor het lijden van anderen.
„Het zijn twee Franschen!” mompelde hij. „Arme drommels! Zij beuren
heden niets.”
Toen kwam de gedachte bij hem op om geheel alleen een publiek
toeschouwers daar te stellen, alleen een betalend publiek te willen
zijn. Dat zou niets anders dan eene aalmoes, maar toch eene bedekte,
eene verborgen aalmoes zijn; en het was zeer waarschijnlijk dat die van
pas zou komen. Hij trad dus op de deur toe, dat wil zeggen op de
opening der tent, die door het ophouden van een hoek van het zeildoek
gevormd werd.
„Treed binnen, mijnheer! Treed binnen! Men begint dadelijk!”
„Maar.... ik ben alleen....” merkte het jongmensch met de meest
mogelijke welwillendheid in zijne stem op.
„Mijnheer!” antwoordde Pescadospunt met koddige fierheid op, „ware
kunstenaars letten meer op de qualiteit dan op de quantiteit der
toeschouwers!”
„Gij zult mij middelerwijl veroorloven?” zei de jongeling, terwijl hij
zijne beurs uithaalde.
Hij nam twee gulden daar uit, die hij in den tinnen schotel neerlei,
die in een hoek der verhevenheid stond.
„Een edel hart!” mompelde Pescadospunt.
En zich tot zijn makker wendende:
„Kom, vooruit, Kaap Matifou! Vooruit! Wij zullen hem voor zijn geld
bedienen!”
Maar ziet, juist op het oogenblik van binnen te zullen treden,
ontwaarde de eenige bezoeker van de Fransche en Provençaalsche tent een
jong meisje, dat in gezelschap van haren vader een kwartier vroeger was
blijven stilstaan voor de groep guzlas-zangers. Die jongeling en dat
jeugdige meisje waren, zonder dat zij het wisten, door een en dezelfde
gedachte bewogen om een liefdewerk te volvoeren. De eene had eene
aalmoes gewijd aan die straatzangers, de andere aan deze acrobaten.
Maar ongetwijfeld was deze ontmoeting den jongman niet voldoende; want
hij vergat, zoodra hij het lieve kind bespeurde, zijne rol van
toeschouwer, alsook den prijs, dien hij betaald had, en stoof den kant
uit, waar de liefelijke verschijning zich in de menigte verloor.
„Hé, mijnheer!.... mijnheer!....” riep Pescadospunt. „En uw geld
dan?.... Wat drommel, dat hebben wij niet verdiend!.... Maar waar is
hij?.... Verdwenen!.... Hé, mijnheer!....”
Maar hij poogde te vergeefs „zijn publiek”, dat weggeloopen was, te
ontwaren. Daar nu bekeek hij Kaap Matifou, die niet minder
verbouwereerd was dan hij, en met open mond stond te kijken.
„Juist op het oogenblik, dat wij zouden beginnen,” zei eindelijk de
reus. „Waarachtig, wij hebben geen geluk.”
„Laten wij toch maar beginnen,” zei Pescadospunt, terwijl hij het
trapje afklom, dat naar de verhevenheid voerde.
Zoo zouden zij, door slechts voor de ledige banken—die er trouwens ook
niet waren—te spelen, ten minste het ontvangen geld verdienen.
Maar in dat oogenblik ontstond een hevig rumoer op de kaden der haven.
De menigte scheen eene beslist aangeduide beweging te volgen, die haar
naar den kant van de zee voerde, en de woorden, die door honderd, door
duizend monden herhaald werden, weerklonken:
„De Trabucolo!.... de Trabucolo!”
Het oogenblik was inderdaad gekomen, dat het kleine vaartuig te water
zou gelaten worden. Dat schouwspel is altijd aantrekkelijk en steeds
van dien aard om de publieke nieuwsgierigheid op te wekken. Het plein
en de kaden, waarop de menigte zich een oogenblik te voren verdrong,
waren weldra verlaten en alles stroomde naar de scheepstimmerwerf, waar
de handeling zou plaats hebben.
Pescadospunt en Kaap Matifou begrepen dat er ten minste in het eerste
halfuur niet meer op publiek te rekenen viel. Zij waren daarenboven
uiterst begeerig om den eenigen toeschouwer die op het punt was geweest
om hunne tent binnen te treden, terug te vinden. Zij verlieten hun hok
dan ook, zonder het te sluiten,—waarom ook te sluiten, er was niets weg
te nemen?—en gingen naar den kant van de werf.
Die scheepstimmerwerf was aan het uiteinde van eene landspits buiten de
havenkom van Gravosa, op een hellend terrein gelegen, dat door de
branding als met eene zilveren franje van verblindend wit schuim
omgeven werd.
Pescadospunt en Kaap Matifou baanden zich een weg met hunne ellebogen
en slaagden er in een plaatsje in de eerste rijen der toeschouwers te
veroveren. Zoo had zich nimmer, zelfs bij benefietvoorstellingen de
menigte voor hunne tent verdrongen! Ja, de kunst ontaardde! zoo
verklaarden zij.
De Trabucolo was reeds van de zijstelten bevrijd, die hare flanken
steunden, en was gereed om de helling af te loopen. Het anker hing ter
gewenschter plaats; het zou voldoende zijn om het te laten vallen,
wanneer de romp te water zoude zijn, ten einde de vaart te temperen,
die het scheepje te ver in het havenkanaal zou kunnen voeren. Hoewel de
Trabucolo slechts een vijftig tonnen meette, was het toch een zoo
aanzienlijk gevaarte, dat alle mogelijke voorzorgsmaatregelen moesten
genomen worden. Twee werklieden der helling stonden op het dek van het
achterschip bij den stok, waaraan de Dalmatische vlag woei, terwijl
twee anderen op het voorschip klaar bij het anker stonden.
Het was achteruit, zooals gewoonlijk bij dergelijke operatiën
geschiedde, dat de Trabucolo te water zoude glijden. Haar kiel rustte
op de met zeep besmeerde helling en werd nog slechts tegengehouden door
het sluitstuk. Het was voldoende dat dit weggenomen werd, om de
afglijding te doen plaats hebben; daarna zou de snelheid door de in
beweging gebrachte massa aangroeien en het kleine vaartuig zou van zelf
naar zijn natuurlijk element toeijlen.
Reeds waren een half dozijn timmerlieden, met ijzeren knodsen gewapend,
bezig met het inslaan van wiggen, die onder de kiel van het voorschip
aangebracht werden, om het een weinig op te tillen om zoo nog meer
helling te verkrijgen, ten einde het afglijden naar de zee te
vergemakkelijken.
Een ieder volgde dien arbeid, te midden eener algemeene en diepe
stilte, met de levendigste belangstelling.
Juist in dat oogenblik verscheen bij de ombuiging van de landspits, die
in het zuiden de havengang van Gravosa dekte, een pleizierjacht. Het
was een goelet, die ongeveer drie honderd vijftig tonnen inhoud kon
meten. Dat vaartuig poogde, door te laveeren, den kant, waarop de
scheepstimmerwerf lag, te boven te komen, om zoo den haveningang open
te krijgen. Daar de bries uit het noordwesten woei, liep het jacht
scherp bij den wind, bakboord overhellende, en stuurde zoodanig, dat
het slechts af te houden had, om op de gewilde ankerplaats te komen.
Binnen tien minuten zou dat vaartuig in de onmiddellijke nabijheid
gekomen zijn. Het werd al grooter en grooter voor het oog, alsof men
het door een verrekijker bekeek, waarvan de buis door eene langzame
maar gestadige beweging uitgeschoven werd.
Nu moest de goelet, om de haven binnen te kunnen loopen, voorbij de
scheepshelling stevenen, alwaar het te water laten van de Trabucolo
voorbereid werd. Zoodra zij dan ook geseind werd, werd het raadzaam
geacht, om ieder ongeval te voorkomen, de handeling uit te stellen. Men
zou haar voortzetten, wanneer het vaartuig voorbij gestevend zoude
zijn. Eene aanvaring tusschen die beide vaartuigen, waarvan het een
dwars voor het andere, dat met alle snelheid vooruitschoof, gekomen zou
zijn, zou voorzeker noodlottig voor het jacht moeten uitvallen.
De werklieden hielden dus op met tegen de wiggen te slaan, en de man,
die bij het sluitstuk stond, kreeg bevel om nog te wachten. Dat was dus
een uitstel van slechts weinige minuten.
De goelet naderde intusschen snel. Men kon reeds met het bloote oog de
voorbereidselen van het ten anker gaan waarnemen. De beide kluivers
werden ingenomen en men had den schoot van het grootzeil opgegeid,
terwijl het fokkezeil weggenomen werd. Maar de snelheid, waarmede het
vaartuig voortdreef, was nog vrij groot.
Ieders blik was op dat bevallig scheepje gevestigd, waarvan de nog
bijstaande zeilen door de schuine stralen der zon als verguld werden.
De matrozen verrichtten hun werk aan boord in hun Levantijnsch pak, met
de roode muts op het hoofd; terwijl de kapitein op het achterschip bij
den man aan het roer stond, en vandaar kalm en waardig zijne bevelen
gaf.
Weldra bevond zich het jacht, waaraan niet meer plaats overbleef dan
noodig was om den slag te maken, die het tot voorbij de landspits,
welke de haven dekte, moest brengen, dwars van de sleephelling.
Plotseling weerklonk een schrikkelijke kreet. De Trabucolo was in
beweging geraakt. Door de een of andere oorzaak was het sluitstuk uit
zijne sponning gesprongen en bewoog het schip zich juist op het
oogenblik, dat het jacht zijne stuurboordzijde aanbood.
De botsing tusschen de beide vaartuigen scheen dus onvermijdelijk. Tijd
en middelen, om haar te beletten, ontbraken. Er viel niets te doen. Op
het geschreeuw van de toeschouwers antwoordde een kreet van schrik,
door de bemanning van de goelet geslaakt.
De kapitein, die zijne koelbloedigheid niet verloor, deed het roer te
boord leggen, maar het was onmogelijk dat het vaartuig vlug genoeg zou
kunnen wenden of voorbijschieten, om den schok te vermijden.
Want inderdaad, de Trabucolo gleed van de helling. Een witte rook, door
de sterke wrijving veroorzaakt, werd bij den voorsteven waargenomen,
terwijl de achtersteven reeds in het water der baai dook.
Plotseling sprong een man vooruit. Hij greep een eind touw, dat aan het
voorschip afhing. Maar te vergeefs poogde hij het vaartuig te
weerhouden door zich, op gevaar af van meegesleept te worden, tegen den
grond te stutten.
Er stond een ijzeren kanonstuk, dat als meerpaal gebruikt werd, in den
grond geplant. In een oogwenk is het om dat kanon geslagen en viert
langzaam af, terwijl de man het touw weerhoudt op gevaar van gegrepen
en verpletterd te worden. Hij spande alle krachten in; de spieren
zijner armen en beenen zwollen als koorden op. Hij weerstond den
aandrang met bovenmenschelijke kracht. Dit duurde tien seconden.
Maar toen brak, toen knapte de tros. Maar die tien seconden waren
voldoende. De Trabucolo had de wateren der baai bereikt, dook onder,
maar richtte zich weer op met eene beweging alsof zij stampte. Zij
snelde naar den ingang der haven en stoof rakelings—op geen voet
afstand—den achterspiegel der goelet voorbij, stevende voort totdat het
anker in den grond viel, deed haren ketting strak loopen en stuitte zoo
de vaart.
De goelet was gered!
Die man, wien niemand, door gebrek aan tijd—zoo bliksemsnel en
onverwacht was alles in zijn werk gegaan—te hulp had kunnen komen, was
de heldhaftige Kaap Matifou.
„Mooi!.... zeer mooi zoo!” riep Pescadospunt uit, terwijl hij op den
reus toetrad.
Deze nam hem op, niet om met hem toeren te verrichten, maar om hem te
omhelzen, zooals hij dat slechts doen kon, namelijk tot stikkens toe.
Toen barstten van alle kanten toejuichingen en handgeklap los. De
geheele menigte verdrong zich om dien Hercules, die niet minder
bescheiden was dan de befaamde uitvoerder van de twaalf kunststukken
uit de fabelleer en niets omtrent die geestdrift van het publiek
begreep.
Vijf minuten later was de goelet op hare ankerplaats te midden van de
havenkom aangekomen. Daarna zette een sierlijke sloep, door zes
roeiriemen bewogen, den eigenaar van dat jacht op de kade aan wal.
Dat was een man van hooge gestalte, ongeveer vijftig jaren oud, met
schier witte haren en grijzenden baard, welke laatste op Oostersche
wijze geknipt was en gedragen werd. Groote zwarte vragende oogen, die
eene bewegelijke ziel aanduidden, verlevendigden zijn gelaat, dat wel
ietwat door de zon gebruind was, maar regelmatige en schoone trekken
vertoonde. Wat vooral dadelijk trof, dat was dat adellijk uiterlijk,
hetwelk zelfs van grootheid getuigde, die zijn geheele persoon
uitstraalde. Zijne scheepskleeding, een donkerblauwe pantalon, een
pijjakker van dezelfde kleur maar met blinkende knoopen versierd, een
zwarte ceintuurband, die hem het middel onder den pijjakker omsloot,
zijn lichte hoed van bruin linnen vervaardigd, dat alles stond hem goed
en liet een krachtig lichaam uitkomen, dat, uitmuntend gevormd, nog
niet door den ouderdom aangetast was.
Zoodra die persoon, waarin men voelde dat een geestkrachtvolle en
machtige geest huisde, voet aan wal gezet had, stapte hij op de beide
acrobaten toe, die nog steeds door de menigte omringd en toegejuicht
werden.
Men drong op zijde om voor hem plaats te maken.
Toen hij nabij Kaap Matifou gekomen was, was zijn eerste gebaar niet om
zijne beurs te voorschijn te halen en daaruit eene rijke aalmoes te
nemen! Neen! hij reikte den reus de hand en sprak tot hem in het
Italiaansch:
„Heb dank, vriend, voor hetgeen gij zooeven gedaan hebt!”
Kaap Matifou was waarachtig geheel onthutst over zooveel eer voor zulk
eene geringe daad.
„Ja!.... het was mooi!.... het was prachtig, Kaap Matifou,” vulde
Pescadospunt met de helder klinkende stembuiging van zijn Provençaalsch
dialect aan.
„Zijt gijlieden Franschen?” vroeg de vreemdeling.
„Zoo Fransch mogelijk!” antwoordde Pescadospunt niet zonder trots.
„Franschen uit het zuiden van Frankrijk!”
De vreemdeling bekeek hen met waarachtige ingenomenheid, die met eenige
aandoening vermengd was. Hunne ellende was te klaarblijkelijk om zich
te kunnen vergissen. Hij zag daar wel degelijk twee arme kunstenaars
voor zich staan, waarvan een hem met groot gevaar van zijn leven, een
belangrijken dienst bewezen had, want eene botsing tusschen de
Trabucolo en de goelet, zou rampvol geweest zijn en vele slachtoffers
gemaakt hebben.
„Komt mij aan boord opzoeken,” zei hij hen.
„Wanneer het u schikt, Prins!” antwoordde Pescadospunt, terwijl de
beminnelijkste glimlach, dien hij te voorschijn tooveren kon, zijne
lippen krulde.
„Morgen ochtend, zoo vroeg mogelijk.”
„Zoo vroeg mogelijk! Wij zullen er zijn!” antwoordde Pescadospunt,
terwijl Kaap Matifou zijn kolossaal hoofd slechts op en neer bewoog ten
teeken dat ook hij instemde.
Intusschen bleef de menigte den held van dit avontuur steeds omringen.
Zij zou hem ongetwijfeld in triomf rondgedragen hebben, waren de meest
vastberadenen en de stevigsten niet afgeschrikt geweest door zijn
gewicht. Maar Pescadospunt, die steeds bij de pinken was, meende dat
het juiste oogenblik gekomen was, om de gunstige stemming van zoo’n
publiek te benuttigen. Zoodra dan ook de vreemdeling, na hun nogmaals
de hand toegestoken en met een vriendelijk gebaar toegewuifd te hebben,
naar de kade gestapt was, riep hij met zijne guitige en aantrekkelijke
stem:
„De worsteling, heeren! De worsteling tusschen Kaap Matifou en
Pescadospunt. Treedt binnen, heeren, treedt binnen!... Men betaalt
slechts bij het heengaan of bij het binnenkomen, naar ieders
verkiezing!”
Dien dag was de tent veel te klein! Men moest menschen afwijzen! Men
moest die hun geld teruggeven!
Wat den vreemdeling betrof, nauwelijks had deze eenige schreden in de
richting van de kade gedaan, toen hij zich plotseling voor het jonge
meisje en haren vader bevond, die dat geheele tooneel bijgewoond
hadden.
De jongeman, die hen op eenigen afstand gevolgd was en wiens groet door
den vader slechts uit de hoogte beantwoord was, hield zich op een
zekeren afstand. De vreemdeling had gelegenheid dat op te merken.
Toen deze zich in de tegenwoordigheid van dien man bevond, ondervond
hij een gevoel, waarvan hij de uiting ter nauwernood kon bedwingen. Het
was een gevoel van afkeer voor dien persoon, hetwelk hem beheerschte,
en onwillekeurig schitterde een dreigende bliksemstraal in zijn oog.
Die man, de vader van het jonge meisje, naderde hem en zeide zeer
beleefd:
„Gij zijt, dank zij den moed van dien acrobaat, aan een groot gevaar
ontkomen, mijnheer!”
„Inderdaad, mijnheer!” antwoordde de vreemdeling, wiens stem, willens
of onwillens, eene onbedwingbare ontroering te kennen gaf.
En zich tot den vader wendende, vroeg hij:
„Met wien heb ik de eer te spreken, mijnheer?”
„Ik ben Silas Toronthal van Ragusa,” antwoordde de gewezen bankier van
Triëst. „Mag ik op mijne beurt weten, wie de eigenaar is van dat fraaie
pleiziervaartuig?”
„Ik ben dokter Antekirrt,” antwoordde de vreemdeling.
Beiden wisselden een groet en gingen in verschillende richtingen huns
weegs, terwijl het gejuich en het handgeklap in de tent der Fransche
acrobaten bleef aanhouden.
Dien avond at Kaap Matifou niet alleen naar volle genoegen, dat wil
zeggen dat hij voor vier personen verslond, maar er bleef ook nog een
portie over. En die was voldoende voor het avondmaal van zijnen braven
kleinen makker, voor Pescadospunt.
III.
DOKTER ANTEKIRRT.
Er zijn menschen, die de Faam wel de handen vol te doen geven. Toch is
zij eene ware orchest-vrouw met honderd monden, die den gewilden naam
door haar trompetten aan de vier hoeken der aarde verkondigen.
Een zoodanige was dokter Antekirrt, die zoo even in de haven van
Gravosa aangekomen was. Er was omtrent hem in dat legendarische
Oosterland een zeker geheimzinnig verhaal ontstaan. In Azië, van de
Dardanellen af tot aan het Suezkanaal; in Afrika van Suez af tot aan de
uiterste grenzen van Tunis; in de Roode zee, langs de geheele Arabische
kuststrook, werd zijn naam genoemd en herhaald als die van een
buitengewoon man, zeer ervaren in de natuurkundige wetenschappen, als
van een soort alweter, een „taleb”, die in de uiterste geheimen van al
het geschapene gedrongen was. In den bijbelschen tijd, of beter in den
tijd van de Tale Canaäns, zou hij Epiphanes geheeten hebben. In de
omstreken van den Euphrates zou men hem voor een afstammeling van de
oude Perzische wijzen gehouden hebben.
Welke overdrijving heerschte er bij die beroemdheid? Al de
overdrijving, die van een Perzischen wijze een toovenaar wil maken; al
de overdrijving, die een geleerd man tot een bovenmenschelijk wezen wil
verheffen. Ja, de waarheid is, dat dokter Antekirrt slechts een mensch,
niets anders dan een mensch was, die wel is waar, gezonde en degelijke
geestvermogens en een helder doorzicht bezat, die zeer oordeelkundig en
met een bewonderenswaardig scherpen blik begaafd was, maar die ook door
de omstandigheden buitengewoon voortgeholpen was. Zoo was het hem in
een der binnenprovinciën van Klein-Azië gelukt de geheele bevolking
tegen een schrikkelijke ziekte, die voor zeer besmettelijk gehouden
werd en waarvoor hij het geneesmiddel gevonden had, te beveiligen.
Vandaar zijne onvergelijkelijke beroemdheid.
Wat er vooral toe bijdroeg om hem die beroemdheid te verleenen, was het
ondoordringbare geheimzinnige, waarin zijn persoon gehuld was. Vanwaar
kwam hij? Dat wist niemand. Wat wist men omtrent zijn verleden? Niets.
Waar en onder welke omstandigheden had hij geleefd? Niemand kon daar
antwoord op geven. Men bevestigde slechts, dat die dokter Antekirrt om
zoo te zeggen aangebeden was door de bevolkingen van Klein-Azië en van
Oost-Afrika, dat hij doorging voor een knappen geneesheer, wiens
buitengewone genezingen indruk hadden gemaakt tot bij de beroemdste
wetenschappelijke vereenigingen van Europa; dat hij zijne zorgen zoowel
aan de armste lieden als aan de rijken en machtigen der aarde wijdde.
Men had hem evenwel nimmer in de landstreken van het Westen gezien en
zelfs was men sedert eenige jaren geheel en al onbekend met de plaats
van zijn verblijf. Vandaar de neiging om hem van den een of anderen
geheimzinnigen „avatar” te doen afstammen, om hem als het product van
den een of anderen Hindoeschen god te beschouwen, om er een
bovenaardsch wezen van te maken, die door bovennatuurlijke middelen kon
genezen.
Maar al had dokter Antekirrt zijne kunst nog niet in de voornaamste
staten van Europa uitgeoefend, zoo was zijn roem hem daar toch
vooruitgesneld. Hoewel hij te Ragusa slechts als gewoon reiziger
aangekomen was, als vermogende toerist, die met zijn jacht rondreisde
om de voornaamste plaatsen, aan de Middellandsche zee gelegen, te
bezoeken, zoo had zich zijn naam toch dadelijk door de stad verbreid.
In afwachting dan ook, dat men den dokter, zelf zou kunnen aanschouwen,
had de goelet middelerwijl veel bekijks. Het gevaar, dat door den moed
van Kaap Matifou afgewend was, zou trouwens voldoende geweest zijn om
de algemeene aandacht op te wekken.
Inderdaad, dat jacht zou zelfs den meest rijken, den meest
prachtlievenden gentleman van de zeilvereenigingen van Amerika, van
Engeland en Frankrijk eer aangedaan hebben! Zijne beide masten stonden
rechtop en dicht bij het midden van het vaartuig geplaatst, hetgeen
veroorloofde eene groote ontwikkeling aan het grootzeil en aan het
fokkezeil te geven. De lengte van zijn boegspriet, die twee kleine
kluivers voerde, de afmeting der vierkante zeilen, die aan den
fokkemast aangeslagen waren, de hoogte der stengen en de geheele
inrichting van het want moesten hem eene bewonderenswaardige snelheid
bij iedere weersgesteldheid verleenen. Die goelet meette drie honderd
vijftig tonnen. Zij was lang en rank, had eene gunstige ronding en
verhief zich bevallig boven de waterlijn. Zij had diepgang genoeg om
rustig op het watervlak te liggen. Het was wat men noemde een
zeewaardig vaartuig, dat nauwkeurig naar den wil van den stuurman
luisterde, en tot vier streken scherp bij den wind kon zeilen. Hetzij
de goelet met volle zeilen, hetzij zij in den wind opliep, zij was
niets verlegen, om, wanneer er een hevige bries woei, hare dertien en
een halve mijl in de wacht af te leggen.
De Boadice, de Gaëtana, of de Mordon, die beroemde Engelsche
pleiziervaartuigen, zouden het onderwerpelijke jacht niet de loef
afgestoken hebben bij eene internationale match.
Wat de uiterlijke en innerlijke fraaiheid van het jacht betrof, de
meest-eischende sportsman zou niets beter hebben kunnen uitdenken. Zijn
hagelwit dek was van Canadeesche pijnboomenbalkjes zonder kwasten
vervaardigd; het innerlijke van het vaartuig was met ware
schrijnwerkersvaardigheid afgewerkt. De kappen, de trappen en de
paneelen waren van djattihout en met gepolijst koperen banden versierd,
die als goud blonken; het beeldhouwwerk van het stuurrad was keurig,
terwijl de blokken van mahoniehout scherp afstaken bij de masten,
welker onderdeel in wit geverfde omhulsels geborgen was, en bij het
touwwerk van het want, dat van gegalvaniseerd ijzerdraad vervaardigd
was, en bij de helderwitte sloepen, die rank en bevallig in de davids
hingen. Dat alles deed een ontwikkelden smaak en eene volmaakte
sierlijkheid uitkomen.