Beiden drongen door de menigte heen en gingen naar de andere kramen,

waar het niet minder luidruchtig toeging, terwijl de guzla-bespelers

zich in de nabij gelegen herbergen en kroegen verspreidden, om het

ontvangen geld in vocht voor de keel om te zetten. Zij gingen dan ook

niet zuinig om met de „slivo-vitza”, een soort zeer sterke brandewijn,

die door de distillatie van pruimen verkregen wordt en die in weerwil

van zijne alcoholische kracht, als stroop door die Bohemer kelen vloot.

Die kunstbeoefenaars in de open lucht, hetzij het zangers, hetzij het

koorddansers of grappenmakers waren, erlangden niet allen even

gelijkelijk de gunsten van het publiek. Onder de minstbegunstigden kon

men twee acrobaten ontwaren, die te vergeefs hunne kunsten op eene

verhevenheid van planken aan den man poogden te brengen. Zij hadden

evenwel geen toeschouwers.

Boven die verhevenheid prijkten afbeeldingen met schreeuwende kleuren

besmeerd en in vrij slechten staat verkeerende, waarop verscheurende

dieren, in waterverf gekleurd en bedeeld met de meest grillige

omtrekken, voorgesteld waren. Men zag daar leeuwen, jakhalzen, hyena’s,

tijgers, boa’s enz. enz., die te midden van een onwaarschijnlijk, ja

onmogelijk landschap sprongen of zich ontrolden.

Achter die verhevenheid stond eene kleine ronde tent, van oud zeildoek

vervaardigd, die met zooveel gaten doorboord was, dat de nieuwsgierigen

en onbescheidenen de verleiding niet konden weerstaan om er het oog bij

te brengen en er door te gluren, hetgeen nadeelig voor de ontvangst

moest zijn.

Vóór de verhevenheid stond een slecht bevestigde paal, waaraan eene

oude leelijke plank vastgespijkerd was, die als het ware de kinderjaren

van de uithangborden vertegenwoordigde en waarop deze vijf woorden grof

en lomp met houtskool geschreven waren:

PESCADOS EN MATIFOU.

Fransche acrobaten.

Uit een lichamelijk oogpunt beschouwd,—en ongetwijfeld ook uit een

zedelijk oogpunt,—verschilden die twee mannen zoo sterk van elkander

als dat twee menschelijke wezens doen kunnen. Alleen had hun

gemeenschappelijke oorsprong het kunnen bij elkander brengen om de

wereld rond te trekken en den strijd des levens te zamen te aanvaarden.

Beiden waren in de Provence geboren.

Hoe kwamen zij aan die zonderlinge namen, die waarschijnlijk daar ginds

in hun ver verwijderd geboorteland eenige vermaardheid hadden?

Hadden zij die ontleend aan die twee geographische punten, waartusschen

de baai van Algiers ingesneden is, namelijk tusschen kaap Matifou en

kaap Pescados? Ja, zeker, en die namen pasten hen inderdaad volkomen,

evenals die van Atlas aan een kermisreus of aan een straat-Hercules.

Kaap Matifou is een groote, stevige onwrikbare heuvel, die op het

noordwestelijke uiteinde van de uitgestrekte reede van Algiers

verrijst, alsof hij de ontketende elementen tartte en daardoor het

gezegde der dichters verdiend heeft:

„Zijn onvernietigbare massa heeft den tijd vermoeid.”

Zoodanig was de athleet Matifou, een Alcides, een Porthos, een

gelukkige mededinger van een Ompdrailles, van een Nikolaas Crestes en

van andere beroemde worstelaars, die tot sieraad strekten van de

zuidelijke worstelperken.

Die reus, zooals men hem noemde, en men moest hem gezien hebben om het

te gelooven, was meer dan zes voet hoog, had een omvangrijk hoofd en

daaraan geëvenredigde schouders, eene borstkas als een smids-blaasbalg,

beenen als boomstammen van twaalf jaren oud, armen als drijfstangen van

een stoomwerktuig, en handen als nijptangen. In dien man zag men de

menschelijke spierkracht in hare geheele heerlijkheid, en wanneer men

naar zijn ouderdom vernomen had,—dien hij, tusschen twee haakjes

gezegd, zelf niet wist,—dan zou men met verbazing gehoord hebben, dat

hij ternauwernood zijn twee en twintigste jaar ingetreden was.

Dat kolossale wezen was stomp van begrip, maar had daarentegen

ongetwijfeld een goed hart en een eenvoudig en zacht karakter. Hij

kende noch haat noch gramschap. Hij zou nimmer iemand kwaad doen. Hij

durfde ter nauwernood de hand te drukken, die hem gereikt werd, uit

vrees van ze in de zijne te vermorselen. In den grond van zijne natuur,

die zoo machtig was, bestond niets van den aard eens tijgers, waarvan

hij toch de kracht bezat.

Hij gehoorzaamde dan ook op een woord of een wenk van zijnen makker,

alsof een gril van den Schepper hem tot kolossalen zoon van dien

mageren sprinkhaan geschapen had.

Als tegenstelling lag aan het westelijk uiteinde van de Algerijnsche

baai, kaap Pescados, vlak tegenover kaap Matifou. Die landtong is smal,

uitgerafeld, en bestaat slechts uit eene dunne rotsbank, die zich ver

in zee uitstrekt. Vandaar de naam van Pescados, welke gegeven was aan

dien jongen van twintig jaren, die klein, mager en tenger was en niet

eens het vierde gedeelte in oude ponden woog, van hetgeen de andere

kilogrammen op de weegschaal haalde. Maar hij was lenig, uitermate vlug

in zijne bewegingen en had een schranderen geest en een onaantastbaar

gelijkmatig humeur, zoowel in voor- als tegenspoed. Hij was een

wijsgeer op zijn manier, daarbij vindingrijk en in de hoogste mate

practisch. Hij kon het best vergeleken worden bij een aap, zonder diens

boosaardigheid evenwel. Hij was door het toeval met onverbreekbare

banden aan zijn makker, aan dien goeden, grooten, vetten dikhuid

verbonden, dien hij door al de wisselvalligheden van een

straatkunstenaarsleven geleidde.

Beiden waren acrobaten van beroep en liepen de kermissen af.

Matifou, of beter Kaap Matifou,—zooals hij gewoonlijk genoemd

werd,—worstelde in de strijdperken, verrichtte allerhande daden van

krachtsbetoon, boog ijzeren staven op zijn elleboogsbeen, tilde met

stijf uitgestrekte armen de zwaarste personen van het gezelschap

toeschouwers op en maakte kunsttoeren met zijn jeugdigen makker, alsof

dat een eenvoudige biljardbal ware geweest.

Pescados of Pescados-punt,—zooals de andere in de wandeling genoemd

werd,—paradeerde, zong, speelde voor hansworst, vermaakte het publiek

als pailjas door zijne geestige gezegden. Nimmer bleef hij steken of

het antwoord schuldig en hij verbaasde de menigte door zijne

evenwichtstoeren, die hij uiterst behendig ten uitvoer bracht. Als hij

dat niet deed, dan lokte hij aller goedkeuring uit, door goochelstukjes

met kaarten, waarin hij inderdaad aan den meest behendigen

prestidigitateur een lesje had kunnen geven. Zoo nam hij zonder

aarzelen op zich, om het even welk spel het betrof,—hetzij een

berekenings- of een hazardspel—steeds te zullen winnen.

„Ik heb mijn „candidaats-examen” afgelegd!” zeide hij en herhaalde hij

gaarne.

Maar, waarom, zult ge mij zeggen,—in navolging van eene gemeenzame

uitdrukking van vriend Pescadospunt—waarom zagen die twee arme drommels

zich dien dag door de toeschouwers verlaten, terwijl deze zich rondom

andere tenten en kramen verdrongen? Waarom, zult ge me zeggen, dreigde

die geringe inkomst, die zij toch zoo noodig hadden, hen te ontvallen?

Dat was inderdaad onverklaarbaar.

De taal, welke zij bezigden, een mengelmoes van het Provençaalsche en

het Italiaansche dialect—was meer dan voldoende om zich door het

Dalmatisch publiek te doen verstaan en begrijpen. Sedert zij den

Provençaalschen geboortegrond verlaten hadden, waren zij, ouderloos als

zij waren, en hunne ouders zelfs nimmer gekend hebbende en als ware

producten eener spontane generatie, er in geslaagd rond te komen. Zij

zochten de jaarmarkten en de kermissen op, leefden eer armoedig dan

weelderig. Zij ontbeten niet iederen dag en hadden meestal slechts een

schraal stuk brood tot avondmaal. Dat was genoeg; want, beweerde en

herhaalde de opgeruimde Pescadospunt:

„Men moet nimmer het onmogelijke vergen!”

En toch, al vergde dien dag die goedige lummel het onmogelijke niet,

zoo poogde hij toch een paar dozijn toeschouwers, die voor zijn kraam

stonden te gapen, tot zich te lokken, in de hoop dat zij besluiten

zouden zijne ellendige tent te bezoeken. Maar noch zijne geestige

gezegden, die door zijn vreemden tongval al zeer koddig klonken, noch

zijne kwinkslagen, die een blijspel-schrijver beroemd en rijk gemaakt

zouden hebben, noch de potsierlijke gezichten, die hij trok en die een

heilige van steen of brons, in eene nis der domkerk staande, aan het

lachen zouden gebracht hebben, noch zijne ledematenbewegingen en

heupontwrichtingen, ware kunststukken van lenigheid; noch het grappige

spel zijner pruik, die van hondsgras vervaardigd was en welker

staarteinde op de roode stof van zijne buis bengelde, noch zijne

komieke uitvallen, die den beroemden Pulcinello van Rome overwaardig

zouden geweest zijn, konden het publiek bekoren.

En toch werd dat Slavonisch publiek door hem en zijn makker sedert

verscheidene maanden geëxploiteerd.

Na de Provence verlaten te hebben, waren de twee vrienden de landstreek

der Maritieme Alpen, het Milaansche, het Lombardijsche en daarna het

Venetiaansche grondgebied doorgetrokken, waarbij als het ware de een de

volmaking van den anderen was. Beiden waren beroemd: Kaap Matifou door

zijne kracht, Pescadospunt door zijne vlugheid. Hunne vermaardheid had

hun tot Triëst, in Illyrië gelegen, gelokt. Van Triëst waren zij door

Istrië langs de kust van Dalmatië naar Zara, naar Salona, naar Ragusa

afgezakt, terwijl zij meer profijt er in vonden om steeds voorwaarts te

schrijden dan om achterwaarts terug te keeren.

Achterwaarts waren zij genoten, ja versleten. Voor zich uit brachten

zij steeds een geheel nieuw programma voor het publiek, waaruit dan zoo

goed en zoo kwaad als het ging munt geslagen werd.

Thans helaas, zij zagen het maar al te goed in, dreigde de tocht, dien

zij maakten en die toch nimmer schitterend geweest was, zeer slecht te

worden. Die arme drommels koesterden dan ook maar één wensch, dien zij

waarachtig niet wisten hoe te verwezenlijken, namelijk om naar hun

vaderland terug te keeren, om de Provence weer te zien, en deden

daarbij de gelofte: zich nimmer meer zoo ver van den geboortegrond te

verwijderen. Maar zij voelden den kogel aan hun voet geklonken, den

kogel der armoede en der ellende, en met zoo’n kogel aan het been is

het afleggen van honderden uren gaans een lastig en moeilijk werk.

Evenwel, alvorens aan de toekomst te kunnen denken, moest aan het heden

gedacht worden, dat wil zeggen: aan het maal, dat zij hedenavond zouden

genieten. En wat daartoe in uitzicht zich vertoonde, was jammerlijk

schraal. Zij hadden geen kreutzer in kas, wanneer men aan den slip van

den zakdoek, waarin Pescadospunt gewoonlijk het gezamenlijke vermogen

der beide vennooten opborg, den weidschen naam van kas mag geven. Te

vergeefs bewoog hij zich en liep hij op zijne verhevenheid heen en

weder. Te vergeefs liet hij wanhopige uitroepingen en aanmoedigingen

door de lucht weerklinken. Te vergeefs stelde Kaap Matifou zijn

reuzenarmen ten toon, waarvan de aderen en spieren zich slingerden en

uitkwamen als de vertakkingen van eene klimopplant rondom een

knoestigen stam! Maar geen enkel toeschouwer liet iets bespeuren van

eenige neiging om die linnen tent binnen te treden.

„Drommels, zij zijn hard in den bek, die duivelsche Dalmatiërs,” zei

Pescadospunt.

„Als keisteenen zoo hard,” vulde Kaap Matifou aan.

„Waarlijk, ik geloof dat wij moeite zullen hebben om heden ons eerste

geld te verdienen! Zie je, Kaap Matifou, wij zullen moeten opbreken!”

„Om waar heen te gaan?”

„Je bent wel nieuwsgierig!” antwoordde Pescadospunt.

„Spreek maar op.”

„Welnu, wat zou je denken van een land, waar men verzekerd is om eens

per dag te kunnen eten?”

„Waar ligt dat land, Pescadospunt?”

„O ver, heel ver, zeer ver.... zelfs verder dan zeer ver, Kaap

Matifou!”

„Aan het uiteinde der aarde?”

„De aarde heeft geen uiteinde,” antwoordde Pescadospunt machtspreukig.

„Wanneer zij een uiteinde had, dan zou zij niet rond zijn; wanneer zij

niet rond was, dan zou zij niet kunnen draaien. Wanneer zij niet

draaide, zou zij onbewegelijk zijn, en wanneer zij zij onbewegelijk

was....”

„Welnu?”.... vroeg Kaap Matifou.

„Welnu.... dan zou ze op de zon vallen in minder tijd dan ik noodig heb

om een konijn weg te goochelen!”

„En dan?....”

„En dan zou gebeuren wat iederen onhandigen kunstenmaker overkomt,

wanneer twee zijner ballen zich in de lucht ontmoeten en klotsten!

Krak! Alles breekt, alles valt en het publiek fluit hem uit en vraagt

zijn geld terug. Hij geeft het terug, maar dan.... dan heeft hij dien

avond niets te eten!”

„Zoodat,” vroeg de reus, „wanneer de aarde op de zon viel, dan kregen

wij niet te eten?”

„Neen, voorwaar!”

Kaap Matifou verloor zich na dat antwoord in zeer wijdloopige

overpeinzingen. Hij zat in een hoek der verhevenheid, met zijne armen

gekruist over zijne borst, die met een vleeschkleurig geweven hemd

bedekt was. Hij bewoog het hoofd heen en weer als een porceleinen

Chineesch beeldje; hij zei niets meer, hij zag niets meer, hij hoorde

niets meer. Hij werd bestormd door de meest onmogelijke vermenging van

denkbeelden. Alles hoste en klotste in die groote hersenkas en daarbij

voelde hij in het binnenste van zijn wezen iets, alsof daar een afgrond

geboord werd. Toen scheen het hem toe, alsof hij hoog, heel hoog, zeer

hoog.... hooger dan zeer hoog steeg. Die uitdrukking, door Pescadospunt

gebezigd voor de verwijdering der voorwerpen, had hem getroffen. Maar

toen had hij een gevoel alsof men hem gedurende die stijging plotseling

losliet, waarbij hij viel.... viel in zijn eigen maag, dat wil zeggen

in de ledige ruimte.

Dat was eene ware nachtmerrie. Het rampzalige wezen sprong met

uitgestrekte armen en als verblind van zijn stoeltje op. Nog ééne

seconde, dan zou hij van boven zijn verhevenheid neergevallen zijn.

„Hé! Kaap Matifou, wat scheelt je toch?” riep Pescadospunt uit, terwijl

hij zijn makker bij de hand greep en er in slaagde, evenwel niet zonder

moeite, om hem achteruit te trekken.

„Wat? Mij?....” antwoordde de reus geheel beteuterd. „Wat mij

scheelt?....”

„Ja, u!”

„Mij scheelt....” zeide Kaap Matifou, terwijl hij zijn denkvermogen

bijeen raapte, een moeilijk werk, hoewel zijne denkbeelden niet zeer

talrijk waren. „Mij scheelt.... anders niets dan dat ik je spreken

moet, Pescadospunt!”

„Spreek dan, Kaap van mijn hart! en vrees niet dat ge beluisterd zoudt

kunnen worden; want het publiek is weg! Weg! Verstoven!”

De reus liet zich op zijn stoeltje neervallen en trok met zijn

machtigen arm, maar toch zacht, zeer zacht, alsof hij bang was hem te

breken, zijnen braven makker tot zich.

II.

HET TE WATER LATEN VAN DE TRABUCOLO.

„Dus het gaat niet?” begon Kaap Matifou.

„Wat gaat niet?”

„De zaken!”

„Zij konden beter gaan, dat valt niet te betwisten; maar zij konden ook

nog slechter gaan!”

„Pescadospunt?”

„Kaap Matifou!”

„Neem mij niet kwalijk, hetgeen ik je zeggen ga!”

„Ik zal het je integendeel wel kwalijk nemen, wanneer het dat verdienen

zal!”

„Welnu.... ge moest mij verlaten,” zei de reus.

„Wat bedoel je met dat: mij verlaten.... Je in den steek laten?” vroeg

Pescadospunt.

„Ja!”

„Ga voort, o Hercules mijner droomen! Ga voort. Waarachtig, je boezemt

me belang in.”

„Zie,” antwoordde de reus, „ik ben er zeker van, dat wanneer ge alleen

waart, ge er wel komen zoudt.... Ik hinder je, en zonder mij zou

je....”

„Zeg eens, Kaap Matifou,” antwoordde Pescadospunt ernstig. „Je bent

dik, niet waar?”

„Ja.”

„Welnu, hoe dik en hoe lang en hoe groot ge ook wezen moogt, begrijp ik

niet, dat je machtige omvang de domheid heeft kunnen bevatten, die je

daar uitgekraamd hebt.”

„Waarom dan toch, Pescadospunt?”

„Omdat die domheid nog dikker, nog grooter is dan jij bent, Kaap

Matifou! Ik zou je verlaten! Jij mijn schoothondje, mijn dierbaar lief

beestje! Maar zeg eens, als ik weg was, met wien zou je je toeren

uitvoeren?”

„Met wien?....”

„Wie zou er zijn, die den gevaarlijken sprong op je achterhoofd kon

uitvoeren?”

„Ja, maar....”

„Wie zou den toer met „de beenen uit elkander” tusschen je armen kunnen

volbrengen?”

„Drommels!....” antwoordde de reus, die door die dringende vragen in de

war raakte.

„Ja.... de beenen uit elkander.... voor een stormachtig opgewonden

publiek.... wanneer er bij toeval publiek aanwezig is!”

„Een publiek?” mompelde Kaap Matifou.

„Dus,” hernam Pescadospunt, „houd je mond en laten wij slechts daaraan

denken, dat wij zooveel geld verdienen moeten om heden avond te kunnen

eten!”

„Ik heb geen honger!”

„Jij, je hebt altijd honger, Kaap Matifou; dus.... nu heb je ook

honger,” antwoordde Pescadospunt, terwijl hij met zijne beide handen de

kolossale kakebeenen opende van zijn makker, die de verstandskies niet

afgewacht had om zijne twee en dertig tanden voltallig te hebben. „Ik

zie dat aan je oogtanden, die de lengte bezitten van de haken van een

buldog! Je hebt honger, zeg ik je, en als wij nu maar zoo gelukkig zijn

om slechts een halven gulden, kom, slechts een kwartje te verdienen,

dan zal je eten!”

„Maar jij, kleine Pescadospunt?”

„Ik, voor mij is een graankorrel genoeg! Ik behoef niet sterk te zijn,

terwijl jij zoonlief.... Volg nu wel mijne redeneering. Hoe meer je

eet, te vetter zal je worden. Hoe vetter je wordt, te meer zal je een

wonderverschijnsel zijn!.... Een wonderverschijnsel, ja....”

„Ik integendeel, hoe minder ik eet, te meer ik vermager. En hoe meer ik

vermager, te meer word ik ook een wonderverschijnsel op mijne beurt. Is

dat waar of niet?”

„Dat is waar,” antwoordde Kaap Matifou zoo kinderlijk eenvoudig

mogelijk. „Dus, Pescadospunt, in mijn belang moet ik eten?”

„Het is zooals gij zegt, mijn dikke vent! In uw belang, terwijl ik in

mijn belang niet moet eten!”

„Zoodat, wanneer er slechts voor één te eten was....”

„Dat voor jou zou zijn!”

„Maar wanneer voorraad voor twee was?”

„Dan zou die ook voor jou zijn! Wat duivel, Kaap Matifou, je staat wel

twee mannen?”

„Vier.... zes.... tien!....” riep de reus uit, die inderdaad door tien

mannen niet zou te bedwingen zijn.

Wanneer wij de overdrijving, zoo eigen aan de Herculessen van den ouden

en van den nieuweren tijd ter zijde laten, dan valt toch als

onomstootelijke waarheid mede te deelen, dat Kaap Matifou het van alle

de worstelaars, die met hem in het strijdperk getreden waren, gewonnen

had.

Men verhaalde van hem twee stukken, die inderdaad zijn buitensporige

kracht bewezen.

Op een avond bevond hij zich te Nîmes in een circus, die in hout

opgetrokken was. Een der steunbalken, die de kap van het dak torschten,

bezweek. Een hevig gekraak verschrikte de toeschouwers, die gevaar

liepen onder het vallende dak verpletterd te worden, of zich zelven

dood te dringen, door de poging om langs de smalle uitgangen te

ontsnappen. Maar Kaap Matifou was er! Met één sprong was hij bij den

steunbalk, die reeds uit de loodlijn geweken was, en schraagde hem met

zijne krachtige schouders juist op het oogenblik, dat de dakstoel zou

neerkomen, en dat gedurende den geheelen tijd, die noodig was om de

zaal te ontruimen. Daarna volvoerde hij een vervaarlijken sprong en

stormde naar buiten, juist toen het dak achter hem instortte.

Dat, dat was eene krachtsontwikkeling der schouders geweest; ziet hier

nu eene van de armen.

Eens ontsnapte in de vlakte van Camargue een woedende stier uit de

omheining, waarin hij opgesloten was; hij vervolgde en verwondde

verscheidene personen. Zonder de tusschenkomst van Kaap Matifou, zou

hij de grootste ongelukken veroorzaakt hebben. De reus liep op het dier

toe, wachtte het, toen het op hem aankwam, met gestrekte knieën af,

greep het, toen het met voorover gebogen kop op hem losstormde, bij de

hoorns, wierp het met een krachtige armbeweging omver en weerhield het

in dien stand, terwijl het met de vier hoeven in de lucht spartelde,

totdat het overmeesterd, gebonden en buiten staat gesteld was om verder

nadeel te kunnen aanrichten.

Van die bovenmenschelijke lichaamskracht zouden nog meer bewijzen bij

te brengen zijn. De medegedeelde zijn evenwel voldoende om niet alleen

de spierkracht van Kaap Matifou begrijpelijk te maken, maar ook om een

denkbeeld te geven, van zijn moed en zijne toewijding en

zelfopoffering, daar hij nooit vreesde zijn leven te wagen, wanneer het

gold zijn evenmensch te hulp te komen. Hij was dus een even goedhartig

wezen als hij sterk was. Evenwel om niets van zijne spierkracht te

verliezen, moest de reus, zooals Pescadospunt herhaaldelijk verzekerde,

eten, en zijn makker noodzaakte hem daartoe en leed zelf gebrek,

wanneer er slechts voor één zelfs voor twee voorraad was. Dien avond

evenwel verscheen het avondmaal—voor een zelfs—niet aan den

gezichteinder.

„Er zijn nevelen aan de kim,” zeide Pescadospunt herhaaldelijk.

En om die nevelen te verdrijven, hervatte die edele kerel zijne

geestigheden en zette potsierlijke gezichten. Hij liep zijne

verhevenheid op en neer, hij draaide rechts en links, hij ontwrichtte

zijne heupen, hij liep op zijne handen als hij dat niet op zijne voeten

deed. Volgens eene zijner wijsgeerige opmerkingen, had men minder

honger, wanneer men met het hoofd omlaag heen en weer wandelde. Hij

herhaalde in zijn eigenaardig bargoens, dat half uit Provençaalsche,

half uit Slavonische uitdrukkingen bestond, die eeuwige grappen, die

net zoo lang gebruikelijk zullen zijn als een pailjas zal bestaan, om

ze aan de menigte van leegloopers en maangapers toe te schreeuwen en

zoo lang als die leegloopers zullen samenstroomen om ze aan te hooren.

„Treedt binnen, heeren, treedt binnen!” riep Pescadospunt. „Men betaalt

slechts, wanneer men de tent verlaat, en.... dan nog maar de

kleinigheid van een kreutzer!”

Maar om de tent te kunnen verlaten, moest men haar eerst binnentreden,

en geene der vijf of zes personen, die voor de geschilderde zeilen

stonden te lanterfanten, scheen tot het besluit te kunnen komen om

binnen te treden.

Toen wees Pescadospunt met trillenden stok op de merkwaardigheden, die

op dat zeildoek geschilderd stonden. Niet dat hij eene diergaarde aan

het publiek te vertoonen had! Neen! Die schrikwekkende beesten leefden

ergens in den achterhoek van Afrika of van Indië. Maar.... wanneer Kaap

Matifou hen ooit mocht ontmoeten, dan zou hij er slechts een hap van

maken.

En daarop volgden de gewone kluchten, die door den reus met zware

slagen op de groote trom, die als kanonschoten weerklonken, afgebroken

werden.

„De hyena, heeren! Ziet hier de hyena! Hij is afkomstig van de Kaap de

Goede Hoop. Het is een vlug en bloeddorstig dier. Hij springt de

ringmuren der kerkhoven over en zoekt daar zijn prooi!”

En naar eene andere zijde van het geschilderde doek wijzende, waarop

een geelachtig water te midden van blauwe en groene grassoorten

afgebeeld was.

„Ziet hier! Een jeugdige en belangwekkende neushoorn, die slechts

vijftien maanden oud is! Dat dier werd op Sumatra geboren en opgevoed,

waar het met zijn schrikkelijken hoorn het vaartuig gedurende den

overtocht in gevaar bracht van te stranden!”

Daarna op een groenachtigen hoop beenderen van rampzalige slachtoffers

op den voorgrond wijzende:

„Ziet, heeren, ziet! De schrikkelijke leeuw van den Atlas. Hij bewoont

het innerlijke van de Sahara! In het brandende zand van de woestijn! Op

het oogenblik van de tropische hitte, kruipt hij in rotsholen! Als hij

eenige druppels water vindt, dan stort hij er zich in en komt er

druipstaartend uit!”

Maar al dat aanmoedigende redenaarstalent liep gevaar geheel nutteloos

te worden uitgekraamd. Pescadospunt schreeuwde als een bezetene, maar

te vergeefs. En te vergeefs sloeg Kaap Matifou op de groote trom, alsof

hij het vel wilde stuk slaan!

Het was wanhopig!

Eindelijk bleven toch verscheidene Dalmatiërs, stevige bergbewoners,

stilstaan, om, zooals het scheen, den athleet Kaap Matifou met

bewondering te aanschouwen.

Dadelijk meende Pescadospunt een middel gevonden te hebben. Hij wilde

die brave lieden tot een worstelstrijd uitdagen.

„Treedt binnen, heeren! Treedt binnen! Het oogenblik is gekomen! Groote

worstelstrijd van man tegen man! De strijd zal met geopende hand plaats

vinden! De schouders moeten elkander raken! Kaap Matifou neemt op zich

om al de liefhebbers te overwinnen, die hem de eer willen aandoen zich

met hem te meten! Een katoenen zwembroekje zal de eereprijs zijn voor

zijn overwinnaar! Zult gij dat zijn, heeren?”

Die vraag werd gedaan aan drie kolossale boeren, die hem met domme

verbaasde oogen aankeken.

Mathias Sandorf [1] · 第 13 / 17 段