„Waar zoudt gij heen gaan? Al de autoriteiten des lands zijn op de been

en waakzaam. De politieagenten en de maréchaussées doorkruisen nacht en

dag het veld in den omtrek. Er is geen enkel veilig punt op de kust,

waar gij u zoudt kunnen inschepen, er bestaat geen enkel voetpad,

waarlangs gij de grens veilig zoudt kunnen bereiken! Zonder mij

vertrekken, is zeker den dood tegemoet snellen!”

„Volgt mijn vader, heeren,” voegde Maria er bij. „Wat er ook geschiede,

hij doet zijn plicht door te pogen u te redden!”

„Goed zoo, mijne dochter,” antwoordde Andreas Ferrato. „Ja waarlijk,

het is slechts mijn plicht, dierbaar kind! Uw broeder wacht ons reeds

bij de jol. De nacht is zeer donker. Vóórdat wij ontdekt zullen wezen,

zullen wij in volle zee zijn. Omhels mij, Maria, omhels mij, kindlief,

en heeren, laten wij vertrekken!”

Toch wilden graaf Sandorf en zijn lotgenoot niet toegeven. Zij

weigerden een dergelijk offer aan te nemen. Zij wilden dat huis wel

dadelijk verlaten, om den visscher niet verder in gevaar te brengen. Ja

zeker. Maar vertrekken onder zijne leiding, wanneer er de galeien op

stonden! Neen! dat wilden zij niet!

„Kom dan toch!” zei Mathias Sandorf tot Stephanus Bathory, terwijl hij

hem meetrok. „Als wij eenmaal buiten zijn, dan valt er alleen voor ons

zelven te vreezen!”

En beiden waren op het punt om door het geopende venster te ontwijken,

om over het kleine erf hetzij de kust te bereiken, hetzij zich naar het

inwendige der provincie te begeven toen Luigi binnen stormde.

„De politieagenten!” zei hij.

„Vaarwel!” riep graaf Sandorf uit.

En gevolgd door zijn lotgenoot sprong hij het venster uit.

Juist in dat oogenblik drong een bende politiedienaren de huiskamer van

den visscher binnen.

Carpena geleidde hen.

„Ellendeling!” zeide Andreas Ferrato.

„Dat ’s mijn antwoord op uwe weigering!”

De visscher werd gegrepen en in een ondeelbaar oogenblik gebonden.

Terzelfder tijd hadden de agenten de woning bezet en al de kamers

daarvan onderzocht. Het open raam wees hen den weg aan, dien de

vluchtelingen genomen hadden. Zij ijlden dadelijk ter hunner vervolging

naar buiten.

De beide rampzaligen bereikten toen juist de heg, die het erf omheinde

en van de kleine beek afscheidde. Graaf Sandorf was er in één sprong

over, daarna hielp hij Stephanus Bathory, die minder vlug was, om er

over te klauteren. Een geweerschot weerklonk op nog geen vijftig passen

van hen.

Stephanus was door een geweerkogel aan den schouder getroffen, hoewel

niet levensgevaarlijk. Maar zijn arm was verlamd en hij was onmachtig

de pogingen van zijn makker te ondersteunen.

„Vlucht,” riep hij hem toe. „Vlucht Mathias.”

„Neen, Stephanus, neen! Wij zullen te zamen sterven,” antwoordde graaf

Sandorf, na andermaal beproefd te hebben zijn gewonden makker in zijne

armen op te tillen.

„Vlucht, Mathias!” herhaalde Stephanus Bathory.

„Neen! neen!”

„Vlucht en leef om de verraders te straffen!”

Die laatste woorden klonken als een bevel in de ooren van graaf

Sandorf.

De magnaat van Transsylvanië, de samenzweerder van Triëst, de makker en

deelgenoot van Stephanus Bathory en van Ladislas Zathmar moest plaats

maken voor den straffenden rechter!

De politieagenten, die op hunne beurt het uiteinde van het kleine erf

bereikt hadden, wierpen zich in dit oogenblik op den gekwetste. Wanneer

graaf Sandorf nog eene enkele seconde aarzelde, dan moest ook hij in

hunne handen vallen!

„Vaarwel, Stephanus, vaarwel!” riep hij uit.

En met een vervaarlijken sprong wipte hij over de beek, die langs de

heg vloot en verdween hij in de duisternis.

Vijf of zes geweerschoten werden in die richting afgeschoten; maar de

kogels troffen den vluchteling niet. Hij sprong terzijde en liep

ijlings naar den kant der zee.

De politieagenten zaten hem evenwel op de hielen. Daar zij hem in het

donker niet ontwaren konden, was het onmogelijk om hem voor te komen.

Zij verspreidden zich, om hem den pas af te snijden, zoowel naar het

innerlijke des lands, als naar den kant van de stad en van het

voorgebergte, hetwelk de baai ten noorden van Rovigno omgeeft.

Een brigade maréchaussées schoot hen te hulp en bewoog zich zoo, dat

graaf Sandorf geen andere weg open bleef, dan naar de kust. Maar daar,

bij den rand der klippen aangekomen, wat zou hij daar doen?

Zou hij er in slagen eene sloep te bemachtigen, om zich daarmede op de

Adriatische zee te wagen?

Daartoe zou hij den tijd niet hebben; want vóórdat hij het touw,

waarmede ze aan den oever vast lag, losgemaakt zou hebben, zou hij

onder de geweerkogels, die op hem afgezonden zouden worden, vallen.

Hij begreep evenwel al heel spoedig, dat de vlucht naar het oosten hem

afgesneden zou zijn. Het geweervuur, de kreten door de politieagenten

en door de maréchaussées uitgestooten, terwijl zij naderden, duidden

hem genoegzaam aan, dat hij van achteren, naar den kant van het strand,

omsingeld was.

Hij kon slechts naar de zee heenijlen en daarlangs ontvluchten.

Dat was ongetwijfeld een zekeren dood tegemoet loopen; maar was het

niet beter die in de golven te vinden, dan ze af te wachten voor het

executie-peloton op het binnenplein van de vesting te Pisino.

Graaf Sandorf spoedde zich dus naar het strand. In weinige sprongen had

hij de eerste kabbelingen bereikt, die de branding tegen het strand

opjoeg. Hij voelde als ’t ware de politieagenten achter zich. De

geweerkogels, die in den blinde op hem afgevuurd werden, gingen

rakelings zijn hoofd voorbij.

Op een kleinen afstand van het strand staken hier op de kust van Istrië

eene menigte rotstoppen uit zee op. Dat waren afzonderlijke klippen,

die den oever dekten. Tusschen die klippen werden talrijke waterpoelen

aangetroffen, die de uithollingen van den oever vulden. De meeste dier

poelen waren diep, maar er waren er ook, waarin het water ternauwernood

tot aan den enkel reikte.

Dat was de laatste uitweg, die nog voor graaf Mathias Sandorf

openstond. Hoewel hij er niet aan twijfelen kon, dat hij den dood aan

het uiteinde daarvan zou vinden, aarzelde hij geen oogenblik dien in te

slaan.

Hij doorwaadde dan die poelen en sprong van rots tot rots. Maar daarbij

werd zijn omtrek meer zichtbaar op den minder donkeren achtergrond van

den gezichteinder. Dadelijk weerklonken kreten om hem aan te duiden,

waarna de politieagenten hem achterna snelden.

Graaf Sandorf was vast besloten niet levend in hunne handen te vallen.

Als de zee hem zou aanspoelen, dan zou het slechts zijn lijk zijn.

Die moeilijke jacht op die onvaste en gladde steenen, bedekt met

glibberige zeegewassen, door die waterpoelen, waarin iedere pas eene

struikeling of een val kon ten gevolge hebben, duurde meer dan een half

uur. Het was den vluchteling gelukt een voorsprong te behouden, maar de

vaste grond zou hem weldra ontbreken.

En inderdaad, hij kwam op een der laatste rotsen van de klippen-bank

aan. Twee of drie politie-agenten waren nog slechts op tien passen van

hem. De anderen volgden op ongeveer twintig schreden.

Graaf Sandorf verhief zijne gestalte toen. Een laatste kreet ontsnapte

hem, een laatste kreet als vaarwel tot den hemel gericht. En op het

oogenblik dat een aantal geweerschoten op hem gelost werden, sprong hij

in zee.

Toen de politie-agenten bij het uiteinde der rotsbank gekomen waren,

ontwaarden zij niets meer dan het hoofd van den vluchteling, dat

slechts als een zwart punt verscheen en naar volle zee gekeerd was.

Eene nieuwe losbranding deed het water rondom het hoofd van Mathias

Sandorf opspatten. En ongetwijfeld moesten een of meer kogels hem

getroffen hebben, want hij dook onder de golven om niet meer te

voorschijn te komen.

Neen, niets, niets was meer te ontwaren!

De maréchaussées en de politie-agenten bleven, totdat de dag

aangebroken was, de rotsbank, de klippen en het strand van het

voorgebergte af ten noorden van de baai gelegen, tot voorbij het fort

van Rovigno nauwkeurig bewaken.

Het was te vergeefs.

Niets duidde er op, dat graaf Sandorf ergens op die kust voet aan wal

gezet had.

Iedereen was dan ook overtuigd, dat zoo hij niet door een kogel

getroffen werd, hij verdronken was; dat hij in ieder geval dood was.

Intusschen met welke nauwgezetheid de nasporingen ook geleid en

uitgevoerd werden, geen lijk werd in de branding ontwaard, noch op de

kust gevonden. En toch strekten die nasporingen zich over eene

kuststrook uit van meer dan twee uren gaans. Maar daar de wind van den

kant van het land woei en de stroom naar het zuidwesten voerde, zoo

bestond er geen twijfel of het lijk van den vluchteling was naar volle

zee gedreven.

Graaf Sandorf, de Hongaarsche magnaat, had dus zijn graf in de golven

van de Adriatische zee gevonden!

Dat was de meening, die na een zeer nauwkeurig onderzoek, als de meest

natuurlijke door het Oostenrijksche gouvernement aangenomen werd.

Het recht moest dan ook zijn loop hebben.

Stephanus was, de lezer weet onder welke omstandigheden, gevat

geworden. Hij werd gedurende den nacht, en vergezeld van een sterk

bewakings-detachement, naar den vestingtoren van Pisino teruggevoerd.

Daar werd hij, helaas! voor slechts weinige uren, in gezelschap van

graaf Ladislas Zathmar opgesloten.

De terechtstelling werd toen vastgesteld op den volgenden dag, den

30sten Juni.

Stephanus Bathory had voorzeker gedurende die noodlottige uren zijne

vrouw en zijn kind voor de laatste maal hebben kunnen weerzien.

Ladislas Zathmar zou een laatsten handdruk van zijn getrouwen dienaar

hebben kunnen ontvangen; want het bevel om hen in den vestingtoren te

Pisino toe te laten, was behoorlijk gegeven.

Maar èn mevrouw Bathory met haren zoon, èn Borik, die uit de gevangenis

losgelaten was, hadden Triëst verlaten. Niet wetende waarheen de

gevangenen gevoerd waren, daar de inhechtenisneming zeer geheim was

gehouden, waren zij in Hongarije en zelfs tot in Oostenrijk gaan

zoeken; en toen het vonnis uitgesproken was, kon men hen natuurlijk

niet bijtijds weêrvinden.

Stephanus Bathory moest dus die laatste vertroosting ontberen om zijn

gade en zijn kind weer te zien. Hij kon hen den naam der verraders, die

zijn leven verkocht hadden, niet mededeelen.

Alleen de gerechtigheid van graaf Mathias Sandorf zou die kunnen

treffen.

Professor Stephanus Bathory en graaf Ladislas Zathmar werden te vijf

uren op het binnenplein der vesting doodgeschoten. Zij stierven als

mannen, die hun leven voor hun vaderland ten offer brachten.

Silas Toronthal en Sarcany konden de hoop koesteren, dat zij tegen

iedere weerwraak beveiligd waren. En inderdaad, het geheim van hun

verraad was slechts bekend bij hen alleen en bij den gouverneur van

Triëst.

Dat verraad, die snoode daad werd hen betaald met de helft der

bezittingen van graaf Mathias Sandorf.

De andere helft werd als buitengewone gunst opgespaard en bewaard voor

de erfgenamen van den graaf, wanneer zij hun achttiende jaar bereikt

zouden hebben.

Noch Silas Toronthal noch Sarcany ondervonden eenige wroeging over

hunne schandelijke daad. Zij konden dan ook in rust en vrede genieten

van de rijkdommen, door dat afschuwelijk verraad verkregen.

Eene ander verrader scheen ook niets te vreezen te hebben. Dat was de

Spanjaard Carpena, wien de bloedprijs, de premie van vijf duizend

gulden, die aan den verklikker uitgeloofd werd, uitgereikt was.

Maar konden de bankier Silas Toronthal en zijn medeplichtige Sarcany in

Triëst met opgeheven hoofde rondwandelen, daar hun geheim bewaard was

gebleven, Carpena moest onder het gewicht der algemeene afkeuring en

verontwaardiging de wijk nemen en Rovigno verlaten. Maar wat kon hem

dat schelen! Hij had niets meer te vreezen, zelfs niet de wraak van

Andreas Ferrato.

De visscher was inderdaad gevangen genomen, terechtgesteld en tot

levenslange galeistraf veroordeeld geworden, omdat hij eene

schuilplaats aan de vluchtelingen verleend had. Maria was thans met

haren jongeren broeder Luigi alleen. Helaas, armoede en ellende

wachtten hen in dat huis, waaruit de vader gesleurd was, zonder er weer

te keeren!

Zoodat drie ellendelingen, alleen uit een hebzuchtig gevoel, zonder dat

een zweem van haat hen tegen hunne slachtoffers in het harnas

joeg,—Carpena hiervan misschien uitgezonderd—de een om zijn wankelende

bankierszaken te herstellen, de twee anderen om rijkdommen te

verwerven, niet waren teruggedeinsd om zulk een gruwel te beramen en te

bedrijven.

Zou zulk een schandelijke daad op aarde ongestraft blijven?

Helaas! Gods rechtvaardigheid wordt niet altijd bespeurd.

Zouden graaf Mathias Sandorf, graaf Ladislas Zathmar en professor

Stephanus Bathory, die drie vaderlandslievende mannen, zoude Andreas

Ferrato, de nederige visscher, het edele hart, ongewroken blijven?

Het antwoord daarop blijft aan de toekomst over.

EINDE VAN HET VOORSPEL.

DOKTER ANTEKIRRT

I.

PESCADOSPUNT EN KAAP MATIFOU.

Vijftien jaren zijn verloopen sedert de laatste gebeurtenissen, bij het

einde van het voorspel dezer geschiedenis verhaald, voorgevallen waren.

Het was den 24en Mei 1882 een feestdag te Ragusa, een der voornaamste

steden van de Dalmatische provinciën.

Dalmatië is slechts een smalle landtong, welke tusschen het noorder

gedeelte der Dinarische Alpen, tusschen Herzegowina en de Adriatische

zee gelegen is. Er is daar juist plaats voor eene bevolking van vier of

vijf maal honderd zielen, die evenwel wat opeengehoopt moeten leven.

De Dalmaten vormen een fraai ras, dat zeer sober in die dorre schrale

landstreek, waar de teelgrond zeldzaam aangetroffen wordt, leeft. Zij

zijn fier gebleven te midden der staatkundige beroeringen, welke zij

ondergaan hebben; zij zijn uiterst trotsch tegenover Oostenrijk,

waaraan zij vastgeklonken werden door het verdrag van Campo Formio,

hetwelk op dat punt bij den vrede van Parijs in 1815 bevestigd werd.

Zij zijn eerlijk als goud, en hebben ten volle verdiend dat hun land,

volgens eene vleiende uitdrukking van den heer Yriartes, „het land der

deuren zonder sloten” genoemd werd!

Dalmatië wordt in vier kringen verdeeld, die op hunne beurt in

districten onderverdeeld zijn. Dat zijn: de kringen van Zara, van

Spolato, van Cattaro en van Ragusa. De gouverneur-generaal heeft zijne

residentie te Zara, welke stad dientengevolge de hoofdplaats van de

provincie is. Te Zara komt de Landdag bijeen, waarvan enkele leden deel

uitmaken van de Kamer van vertegenwoordiging te Weenen.

De tijden zijn wel veranderd sedert de XVIde eeuw, toen de Uskoken, die

niets anders dan gevluchte Turken waren, in open oorlog zoowel met de

Muzelmannen als met de Christenen verkeerden, zoowel met den Sultan van

Constantinopel als met den Doge van Venetië. Zij waren de schrik der

Adriatische zee. Maar de Uskoken zijn verdwenen en men vindt van dien

volksstam nergens anders een spoor terug dan in de Carniòla. De

Adriatische zee is dus heden ten dage even veilig als eenig ander

gedeelte van die prachtige en dichterlijke Middellandsche zee.

Ragusa of beter gezegd: de kleine staat Ragusa, is langen tijd

republikeinschgezind geweest en was dat voor Venetië, dat wil zeggen,

reeds sedert de IXde eeuw. Het was eerst bij decreet van Napoleon I dat

Ragusa in 1809 bij het koninkrijk Illyrië gevoegd werd, om het als

hertogdom aan den maarschalk Marmont te schenken.

Reeds in de IXde eeuw vertoonden zich de schepen van Ragusa in alle de

Levantsche zeeën en hadden den alleenhandel met de ongeloovigen tot

zich getrokken. De Heilige Stoel had dien alleenhandel goedgekeurd,

waardoor aan Ragusa een groote voorrang geschonken werd te midden van

die kleine republieken van Zuid-Europa. Maar Ragusa onderscheidde zich

nog door andere meer edele hoedanigheden. De goede naam harer

geleerden, de roem van hare letterkundigen, de goede smaak van hare

kunstbeoefenaars, hadden haar den naam van Slavonisch Athene verschaft.

Evenwel voor den handel ter zee is een goede haven met diepen

ankergrond noodig, die schepen van groote tonnenmaat kan opnemen. Maar

die haven ontbreekt aan Ragusa. Hare haven is smal en gevaarlijk van

wege de rotsen, die nagenoeg met de waterlijn gelijk liggen, zoodat

niets anders dan kustvaarders en visschersschuiten eene veilige

ligplaats vinden.

Gelukkig heeft de natuur als altijd, op een half uur afstands ten

noorden, in een van die inkeepingen van de baai van Ombla Fiumera,

grillig een van die overheerlijke havenkommen gevormd, die de meest

mogelijke hulpmiddelen en gemakken aan de meest ontwikkelde scheepvaart

aanbieden. Die havenplaats ligt te Gravosa, de beste wellicht van de

geheele Dalmatische kust. Daar is water genoeg voor de meest diepgaande

bodems, zelfs voor oorlogsschepen; daar ontbreekt de ruimte niet voor

het krengen en voor het dokken der schepen, ook niet voor de

scheepstimmerwerven. Daar eindelijk kunnen die groote pakketbooten

aanleggen, die der wereld in het tweede gedeelte dezer eeuw deelachtig

zijn geworden.

Daaruit volgt dus dat op het tijdstip van dit verhaal, de weg van

Ragusa naar Gravosa een ware boulevard was geworden, die ter

weerszijden met fraaie boomen beplant en omzoomd was met heerlijke

villa’s, terwijl de geheele bevolking der stad, die toen op zestien- of

zeventienduizend inwoners kon gerekend worden, zich langs dien weg

verdrong.

Nu kon men dien dag tegen vier uren in den namiddag bespeuren, dat de

bewoners van Ragusa, na een heerlijken lente-ochtend genoten te hebben,

zich naar Gravosa begaven.

In die voorstad—en zoo kon Gravosa, bij de poorten der stad gelegen,

toch inderdaad genoemd worden, niet waar?—was er toen feest.

Verscheidene tenten en kermiskramen waren daar aanwezig, muziek en

danspartijen in de open lucht hadden daar plaats, terwijl kwakzalvers,

kunstenmakers, koorddansers, steltloopers, wier geschreeuw en gekakel,

wier muziekinstrumenten en liederen groot spektakel in de straten, ja

tot op de haven maakten, allerwege aangetroffen werden.

Voor een vreemdeling zou die dag een buitenkansje geweest zijn, om de

verschillende typen van het Slavonische ras, dat zich daar vermengd met

Bohemers van allerlei gehalte verdrong, te bestudeeren. Niet alleen

waren de Nomadische bevolkingen toegestroomd, om er de nieuwsgierigheid

van de ingezetenen te ontginnen, maar ook de boerenlui en de

bergbewoners waren komen opdagen, om hun deel van de openbare

vermakelijkheden te genieten.

Het vrouwelijk geslacht was er in groot getal vertegenwoordigd: dames

uit de stad, boerinnen uit den omtrek, visschersvrouwen van de kust,

die allen wemelden door elkander. Bij de eerstbedoelden was de poging

merkbaar, om hare kleeding met de laatste mode van Westelijk Europa te

doen overeenstemmen. Wat de anderen betreft, hare tooi verschilde

minstens in eene bijzonderheid, naarmate van het district, vanwaar de

draagsters afkomstig waren. Hier zag men witte hemdjes met geborduurde

mouwen en borstrokken, elders jakken met veelkleurige figuren versierd,

dan weer fraaie gordels met honderden ja duizenden zilveren

spijkerkopjes bezaaid. Het alles geleek op een mozaïekwerk, waarin de

kleuren in elkander vloeiden als op een fraai Perzisch tapijt. Hier

werd een wit mutsje op dichte haarvlechten ontwaard, dat met

veelkleurige linten getooid was; daar eene „okronga,” een soort sluier,

die naar achteren afvalt, zooals de „puskul” van den Oosterschen

tulband; en overal beenbekleeders en schoeisel, aan het been en aan den

voet met bandwerk van stroo gevlochten vastgemaakt. En om al dien tooi

en opschik te volmaken, blonken juweelen, in den vorm van armbanden,

halssnoeren, of diademen van geldstukjes, op de meest kunstige wijze

vervaardigd, om hals, armen, borst en midden te versieren. Die juweelen

werden zelfs bij de kleeding van de landlieden aangetroffen, die ook

den glinsterenden zoom van borduursels niet versmaden, waarmede de

onderkant hunner japonnen versierd was.

Maar onder die verscheidene kleederdrachten der Ragusasche bevolking,

welke door allen, zelfs door de zeelieden van de haven en de kust met

smaak gedragen werden, was toch die der commissionnairs of

boodschaploopers—een bevoorrecht gild—wel het meest geschikt om de

aandacht te boeien. Die pakjesdragers zijn inderdaad als ware

Oosterlingen uitgedost met tulband, vest, bovenkleed, gordel, breede

Turksche pantalon en babouchen of sloffen. Zij zouden op de kaden van

Galata of op het plein Top’hané te Constantinopel volstrekt niet

misplaatst zijn.

De feestvreugde was toen tot haar toppunt geklommen en de

luidruchtigheid het hoogst. De kramen zoowel in de straten als op de

kaden waren overvuld. Er bestond bovendien nog eene bijzondere

aantrekkingskracht, die wel geschikt was om een zeker aantal

nieuwsgierigen, leegloopers en lanterfanten te verleiden en meê te

slepen, en dat was het te water laten van eene „trabucolo,” een soort

vaartuig, dat alleen in de Adriatische zee aangetroffen wordt en twee

masten ieder met twee zeilen voert, welke op schuin oploopende ra’s

aangeslagen zijn.

Het te water laten zou tegen zes uren in den avond plaats hebben, en de

romp der trabucolo was reeds bevrijd van de steunpalen en wachtte

slechts op het wegnemen van de sleutelwiggen, om te water te loopen.

Maar tot op dat uur wedijverden de kunsten- en potsenmakers met de

rondreizende muzikanten en met de koorddansers in talent of

behendigheid, tot groot genoegen van de menigte.

Het waren toen de muzikanten, die het meest de toeschouwers tot zich

trokken. Onder hen bevonden zich guzlars of bespelers van de guzla en

die haalden het meeste geld op. Terwijl zij zich met hunne zonderlinge

speeltuigen begeleidden, zongen zij met eene keelgeluidachtige stem

hunne nationale gezangen en liederen, en die waren inderdaad wel waard,

dat men een oogenblik stilstond om ze te hooren.

De guzla, waarvan die straatkunstenaars zich bedienen, is een

instrument met een langen hals, waarover verscheidene snaren gespannen

zijn en waarop zij eenvoudig met een enkelen kattendarm zagen. Wat de

stem der zangers betreft, deze laatsten loopen geen gevaar, dat hun de

noten ontbreken zullen, want zij gaan ze zoowel boven in hun hoofd als

beneden in de borstholte zoeken.

Een van die zangers,—een groote lummel, met gele huid en bruin

haar,—hield zijn instrument tusschen zijne knieën evenals een oude

violoncel, die uitgeteerd zoude zijn. Hij zong en mimeerde door houding

en gebaren eene canzonetta, waarvan hieronder de vertaling volgt:

Wanneer weerklinkt het lied,

Het lied der Singare;

U ontsnappe dan niet,

Hoe zij zingt dat haar lied

Want: Beware!

Pas op voor de Singare!

Blijft ge echter ver van haar

Van haar verteerende blikken

Dan is er weinig gevaar

Dan kunt ge het nog ontglippen!

Na dat eerste couplet trad de zanger met het traditioneele bakje in de

hand op de menigte toe, om hun de gift van een paar kleine koperen

muntstukken af te bedelen. Maar hetgeen hij opgehaald had, bedroeg,

scheen het, niet veel, want hij keerde naar zijne plaats terug en

poogde zijn gehoor te verteederen met een tweede couplet van de

canzonetta.

Een man, ongeveer vijftig jaren oud, hoorde dat gezang dier Bohemers

rustig aan. Maar hij scheen weinig gevoelig voor zooveel dichterlijke

verleidingen; want zijne beurs bleef tot nu toe opgeborgen en gesloten.

Het is waar, dat de Singare zelve, waarvan de canzonetta sprak, met

hare verteerende blikken niet gezongen had, maar wel de lange lummel,

die zich tot haren tolk gemaakt had. Hij was dan ook op het punt om

heen te gaan, zonder iets betaald te hebben, toen een jong meisje, die

den toehoorder begeleidde, hem weerhield met de woorden:

„Vader, ik heb geen geld bij mij. Ik bid u, geef toch iets aan dien

braven man.”

Dat was de reden, waarom de guzlar vier of vijf kreutzer meer ontving

dan wel geschied zou zijn zonder de tusschenkomst van het jonge meisje.

Niet dat haar vader, die zeer rijk was, zulk een gierigaard genoemd kon

worden, dat hij een aalmoes zou weigeren aan een kermismuzikant. Neen,

maar waarschijnlijk behoorde hij niet tot hen, die door de menschelijke

ellende bewogen kunnen worden.

Mathias Sandorf [1] · 第 12 / 17 段