Alles was mogelijk.
„Mooi!” werd gezegd. „Dat zullen al vast vijf duizend gulden zijn, die
voor de schatkist bewaard blijven.”
„Een geld dat beter besteed kan worden dan om hatelijke verklikkerijen
te beloonen!”
„Ja zeker!
„God geve dat de arme vluchtelingen mogen ontsnappen!”
„Ontsnappen!....”
„Ik hoop het!”
„Och, dat zal wel reeds geschied zijn!”
„Zij zullen wel reeds in veiligheid aan de andere zijde van de
Adriatische zee zijn!”
Afgaande op dat gepraat, dat in het meerendeel der groepen van boeren,
burgers en arbeiders, die voor de aanplakbiljetten stilstonden,
gehouden werd, was de openbare meening, zooals men ziet, zeer ten
gunste van de veroordeelden, ten minste onder de bewoners van Istrië,
schier allen Slavoniërs en Italianen van geboorte. De Oostenrijksche
beambten konden dus niet op eene verklikking van dien kant rekenen.
Niets werd dan ook nagelaten of verzuimd om de vluchtelingen weer te
vinden. Al de benden politie-agenten, al de brigades maréchaussées
waren sedert den vorigen dag op de been en er werden onophoudelijk
telegrammen tusschen Rovigno, Pisino en Triëst gewisseld.
Toen Andreas Ferrato tegen elf uur tehuis kwam, deelde hij die
berichten, die eerder goed dan slecht waren, mede.
Graaf Sandorf en Stephanus Bathory, die door Maria in de kamer, waarin
zij overnacht hadden, bediend werden, hadden juist in dat oogenblik hun
ontbijt verorberd.
Die eenige uren rust, dat heerlijke maal, die goede verpleging had hen
geheel en al van hunne uitputting hersteld.
„Welnu, vriend?” vroeg graaf Sandorf, zoodra de deur achter Andreas
Ferrato gesloten was.
„Ik geloof niet, heeren,” antwoordde de visscher, „dat gij voor het
oogenblik iets te vreezen hebt.”
„Maar wat wordt er in de stad verteld?” vroeg Stephanus Bathory.
„Ja, wat wordt er verteld? Zeg ons dat,” herhaalde ook graaf Sandorf.
„Men spreekt wel van twee vreemdelingen, die gisterenochtend gezien
zijn, op het oogenblik, dat....”
„Ga voort, wat ik u bidden mag,” zei graaf Sandorf bij de aarzeling van
den visscher.
„Op het oogenblik,” vervolgde deze, „dat zij op den oever van het
kanaal van Léma voet aan wal zetten.... En....”
„En wat?” vroeg Stephanus Bathory ongeduldig.
„En als gij het zijt.... heeren....”
„Ga voort. Wij zijn het inderdaad,” zei Stephanus Bathory. „Een man,
een zoutarbeider van den omtrek, heeft ons gezien en aangebracht.”
Toen werd Andreas Ferrato op de hoogte gebracht van hetgeen in den
bouwval der pachthoeve voorgevallen was, terwijl de vluchtelingen er
verscholen waren.
„En weet gij niet, wie die verklikker is?” vroeg de visscher met
aandrang.
„Neen,” antwoordde Bathory.
„Wij hebben hem niet kunnen zien,” vulde graaf Sandorf verder aan; „wij
hebben slechts zijne stem kunnen vernemen.”
„Dat is een betreurenswaardige omstandigheid,” hernam Andreas Ferrato.
„Het voornaamste en gewichtigste evenwel is, dat men uw spoor verloren
heeft. Bovendien al ware het dat men omtrent uwe aanwezigheid in mijne
woning achterdocht had, dan geloof ik niet dat er eene verklikking te
vreezen is.”
„Zoo?” vroeg Stephanus Bathory verbaasd. „Waarom niet?”
„Omdat alle menschen hier in Rovigno ten uwen voordeele zijn!”
„Ja, daarover verwonder ik mij niet,” hernam graaf Sandorf. „Het is
eene moedige en eerlijke bevolking in deze provinciën! Toch moet het
oog op de Oostenrijksche autoriteiten gehouden worden. Zij zullen voor
niets terugdeinzen om ons weer in hunne macht te krijgen.”
„Wat u geruststellen moet, heeren,” sprak de visscher, „dat is dat de
meening, waarin men verkeert, luidt, dat gij reeds de overzijde van de
Adriatische zee hebt kunnen bereiken.”
„Och, God gave dat het zoo ware!” zuchtte Maria, die de handen gevouwen
en de oogen ten hemel geslagen had, alsof zij een gebed slaakte.
„Het zal zoo worden, lief kind,” antwoordde graaf Sandorf op den toon
der vurigste overtuiging. „Ja, met Gods hulp zullen wij ontsnappen....”
„En met de mijne, heer graaf!” hernam Andreas Ferrato. „Ik ga nu aan
mijne bezigheden. Men is gewoon ons, Luigi en mij, bezig te zien met
het herstel onzer netten op het strand, of met het schoonmaken van ons
vaartuig. Wij moeten niets aan den gewonen gang van zaken veranderen.”
„Voorzeker niet,” zei Stephanus Bathory.
„Ik heb bovendien noodig om mij omtrent den toestand van het weer te
vergewissen, alvorens een besluit te nemen. Blijft dus in deze kamer.
Verlaat haar onder geen voorwendsel. Doet, om alle achterdocht te
vermijden, het venster open, dat op onzen tuin uitzicht verleent, maar
blijft in het achterste gedeelte van het vertrek en vooral vertoont u
niet.”
„Neen, neen, wees gerust!”
„Ik ben over een paar uren terug.”
Daarop verliet Andreas Ferrato met zijn zoon Luigi het huis, terwijl
Maria zich voor de deur met hare gewone bezigheden onledig hield.
Eenige visschers drentelden op het strand heen en weer. Andreas Ferrato
trachtte bij wijze van voorzorg een praatje met hen te maken, alvorens
hij zijne netten op het zandige strand uitstrekte.
„De westewind is goed doorgekomen,” zei een hunner.
„Ja, antwoordde Andreas Ferrato, „het onweder van eergisteren heeft de
lucht flink gezuiverd.”
„Ongetwijfeld,” hernam een ander. „Toch zou het kunnen gebeuren dat de
wind meer en meer opstak bij het vallen van den avond, en tot buien
overging, wanneer de „bora” zich er bij voegt.”
„Och, het zal steeds een landwind zijn en de zee kan dan niet onstuimig
tusschen de rotsen wezen.”
„Dat staat te bezien.”
„Gaat gij dezen nacht visschen, Andreas?”
„Ongetwijfeld.”
„Als het weer het toelaat, niet waar?”
„Dat spreekt van zelf.”
„Maar het embargo.”....
„Het embargo?”....
„Ja.”
„Dat is slechts op de groote schepen gelegd en niet op de
visschersvaartuigen, die zich niet van de kust verwijderen.”
„Zijt gij daar zeker van?”
„Ja, zeer zeker.”
„Welnu, des te beter; want men heeft scholen tonijnen geseind, die uit
het zuiden komen. Wij mogen niet dralen om onze fuiken te stellen.”
„Mooi!” zei Andreas Ferrato. „Maar er is nog geen tijd verloren.”
„Misschien. Wie weet?”
„Neen, geloof mij. Als ik heden nacht uitzeil, dan ga ik de tonijnen
opwachten bij Orsera of naar de kust van Parenzo.”
„Dat moet gij weten; maar wij zullen onze fuiken aan den voet der
rotsen stellen
„Dat is uwe zaak!”
Toen gingen Andreas Ferrato en Luigi hunne netten uit het bijgebouwtje
halen, spreidden ze op het mulle zand uit, om ze in de zon te laten
drogen. Twee uren later keerde de visscher naar zijne woning terug, na
zijn zoon aanbevolen te hebben, de haken klaar te houden, die dienen om
de visschen te dooden.
Nadat hij gedurende ongeveer tien minuten zijne pijp op den drempel
zijner deur gerookt had, begaf zij zich naar de kamer zijner gasten,
terwijl Maria met haar werk voor de deur voortging.
„Heer graaf,” sprak de visscher, „de wind waait van de landzijde,
zoodat volgens mijne meening de zee dezen nacht niet hol zal staan. Nu
zal het ’t meest eenvoudige middel zijn om te vluchten, zonder eenig
spoor na te laten, om u met mij in te schepen. Wanneer gij daartoe
besluit, dan zal het ’t beste zijn, heden avond tegen tien uren te
vertrekken. Alsdan zult gij tusschen de rotsen tot aan den rand der
branding moeten voortsluipen. Niemand zal u zien. Mijne jol zal u tot
bij mijn vaartuig brengen, waarna wij dadelijk zee zullen kiezen zonder
de opmerkzaamheid op te wekken, daar men weet, dat ik dezen nacht zal
uitzeilen. Als de wind te zeer mocht opsteken, dan zal ik langs de kust
houden en u aan de andere zijde van de Oostenrijksche grens buiten de
mondingen van den Cattaro ontschepen.”
„Maar als de wind niet opsteekt, wat zijt gij dan voornemens te doen?”
vroeg graaf Sandorf.
„Dan zullen wij volle zee halen,” antwoordde de visscher. „Dan zullen
wij de Adriatische zee oversteken en dan zal ik u hetzij te Rimini,
hetzij bij de uitwatering van de Po aan land zetten.”
„Is uw vaartuig bestand voor zulk een overtocht,” vroeg Stephanus
Bathory.
„Ja, zeker. Het is een flinke boot, die een half dek heeft en waarmede
mijn zoon en ik zeer slecht weder getrotseerd hebben. Daarenboven, wij
moeten wel wat wagen, nietwaar?”
„Dat wij gevaar loopen,” antwoordde graaf Sandorf, „wij wier leven op
het spel staat, dat is niet meer dan natuurlijk. Maar dat gij, gij,
mijn vriend, uw leven waagt....”
„Dat is mijn zaak, heer graaf,” hernam Andreas Ferrato. „Ik doe slechts
mijn plicht door u te redden.”
„Uw plicht?....”
„Ja!”
Andreas Ferrato verhaalde daarop dat gedeelte van zijne
levensgeschiedenis, tengevolge waarvan hij Santa Manza en zelfs Corsica
had moeten verlaten, en hoe het goede, hetwelk hij op het punt stond te
doen, slechts de vergelding was van het kwaad, dat hij bedreven had.
„Edel hart!” riep graaf Sandorf uit, die door dat verhaal bewogen was.
Daarop hernam hij:
„Maar, hetzij wij naar de mondingen van den Cattaro stevenen, hetzij
wij naar de Italiaansche kust gaan, zoo zal toch zulk eene reis eene
vrij langdurige afwezigheid van uwe zijde veroorzaken, die de bewoners
van Rovigno verwonderen moet. Het mag niet gebeuren, dat gij, na ons in
veiligheid gebracht te hebben, bij uwen terugkeer gevangen genomen
wordt....”
„Vrees niets, heer graaf,” antwoordde Andreas Ferrato. „Ik blijf
somtijds tegen het tijdstip der groote visscherijen vijf of zes dagen
op zee. Ik herhaal het bovendien: dat zijn mijne zaken. Zoo moet
gehandeld worden en zoo zullen wij handelen.”
Er viel na die beslissing van den visscher niet meer te twisten. Het
plan van Andreas Ferrato was klaarblijkelijk het beste en daarenboven
het meest gemakkelijke om uitgevoerd te worden, daar het
visschersvaartuig—zooals ten minste gehoopt werd—niets van de
stormachtigheid der zee zou te vreezen hebben. Er waren geene
voorzorgsmaatregelen te treffen dan op het oogenblik van inscheping. De
nacht zou evenwel somber en zonder maan zijn. Zeer waarschijnlijk zou
bij het vallen van den avond daarenboven een van die dikke nevels
opstijgen, die de kust bedekken, maar in volle zee niet waargenomen
worden. Op dat uur zou het strand eenzaam en verlaten zijn. Behalve een
paar grensbeambten, die hun kustgebied afliepen, zou men niemand
ontmoeten. Wat de overige visschers, de buren van Andreas Ferrato
betreft, zij zouden, zooals zij zelf verteld hadden, zich onledig
houden om hunne fuiken op de piketten te spannen, buiten de
rotsengroep, dat wil zeggen op twee of drie mijlen ten zuiden van
Rovigno. Wanneer die het visschersvaartuig van Andreas Ferrato zouden
ontwaren, gesteld dat dit gebeurde, dan zou het reeds te ver in zee
zijn om iemand aan boord te kunnen herkennen. Daarenboven zouden de
vluchtelingen zich onder het halfdek verscholen houden.
„Op hoeveel afstand rekent gij de haven van Rovigno van het
naastbijgelegen punt van de Italiaansche kust?” vroeg toen Stephanus
Bathory.
„Op vijftig mijlen ongeveer.”
„Hoeveel tijd is er benoodigd om dien afstand af te leggen?”
„Dat ’s moeilijk te zeggen,” antwoordde de visscher voorzichtig.
„Maar er is toch wel eene gissing, een raming te maken, niet waar?”
„Ja, als deze wind blijft doorstaan, dan kunnen wij in een twaalftal
uren overkomen. Maar....”
„Gij aarzelt, vriend?” vroeg graaf Sandorf.
„Gij zijt zonder geld, niet waar?”
„Ja, helaas!” antwoordde Stephanus Bathory met een zucht.
„En toch is dat onmisbaar!”
„Dat valt niet te ontkennen.”
„Welnu,” vervolgde Andreas Ferrato, „neemt dezen gordel, daarin zitten
drie honderd gulden. Doet hem zoo.... kijk zoo, om het lijf.”
„Vriend!....” zei Mathias Sandorf.
„Gij zult mij dat later teruggeven,” hernam de visscher.
„Teruggeven? Later? Wanneer?” vroeg graaf Sandorf met aarzeling in
zijne stem.
„Wanneer gij in veiligheid zijt. Zoodra het u schikt. Kom, dat is
afgesproken, niet waar? Wacht mij nu slechts.”
Toen dat alles afdoende geregeld was, ging Andreas Ferrato heen en
hernam zijne gewone bezigheden met nu eens op het strand te arbeiden en
zich dan weer eens in huis onledig te houden. Het gelukte Luigi om,
zonder dat dit opgemerkt werd, eenige levensmiddelen, genoeg voor
verscheidene dagen, aan boord van het visschersvaartuig te brengen. Hij
had ze eenvoudig in een reserve-zeil gewikkeld en zoo overgevoerd. Geen
enkele achterdochtige gedachte kon de plannen van Andreas Ferrato komen
dwarsboomen. Hij dreef de voorzorgsmaatregelen zoo ver, dat hij zijne
gasten gedurende het overige gedeelte van den dag niet meer wilde
terugzien. Graaf Mathias Sandorf en professor Stephanus Bathory bleven
in de kleine kamer verscholen, waarvan het venster evenwel geopend
bleef. Wanneer het tijd zou zijn om die gastvrije woning te verlaten,
zou de visscher hen waarschuwen.
In den namiddag kwamen ettelijke buren met hem over visscherijzaken
praten, voornamelijk over de verschijning der tonijnen langs de kusten
van Istrië. Andreas Ferrato ontving hen in zijne huishoudkamer en bood
hen volgens gewoonte een ververschingsdronk aan.
Zoo ging het grootste gedeelte van den dag met heen en weer te
drentelen en in verschillende gesprekken voorbij. Soms liep het gesprek
over de vluchtelingen. Het gerucht was toch verspreid, dat zij in de
nabijheid van het kanaal van Quarnero op de tegenovergestelde kust van
Istrië gevat waren geworden. Dat gerucht werd evenwel kort daarop
weersproken.
Alles scheen dus zoo goed mogelijk te gaan. Dat de kuststrook met meer
nauwkeurigheid dan vroeger, hetzij door de ambtenaren der in- en
uitgaande rechten, hetzij door de politie-agenten, hetzij door de
maréchaussées, zou gadegeslagen worden, kon als zeker aangenomen
worden. Maar het zou zoo moeilijk niet zijn die waakzaamheid te
verschalken, wanneer het nacht geworden zou zijn.
Het embargo was, zooals de lezer zich herinneren zal, slechts op de
groote schepen of op de kustvaarders van de Adriatische en
Middellandsche zeeën gelegd, niet op de visschersschuiten die bij den
oever blijven. Het uitzeilen van het vaartuig van Andreas Ferrato kon
dus geschieden zonder achterdocht op te wekken.
Andreas Ferrato had evenwel op het bezoek niet gerekend, dat hem zoo
tegen zes uren des avonds gebracht werd. Dat bezoek verwonderde hem,
hoewel het hem nog niet verontrustte. Hij zou er de dreigende
beteekenis eerst van begrijpen, toen de bezoeker weer vertrokken was.
Acht uren waren geslagen. Maria hield zich onledig met het gereed maken
van het avondmaal en de tafels waren reeds gedekt in de huishoudkamer,
toen tweemalen op de huisdeur geklopt werd. Andreas Ferrato aarzelde
geen oogenblik om te openen. Hij was zeer verbaasd toen hij zich
tegenover den Spanjaard Carpena bevond.
Die Carpena was geboren te Almavate, eene kleine stad in de provincie
Malaga. Hij had waarschijnlijk Spanje om eene zelfde reden verlaten,
waarom Andreas Ferrato Corsica vaarwel had gezegd, en had zich in
Istrië gevestigd. Daar had hij het zoutwerkers-ambacht ter hand genomen
en hield zich voornamelijk onledig met de opbrengst der zoutpannen op
de westkust naar het binnenland te vervoeren. Dat was een ondankbare
arbeid, waarmede hij ter nauwernood zooveel verdienen kon om zijn
ellendig bestaan te rekken.
Carpena was een stevige kerel en nog jong, daar hij nog niet ten volle
vijf en twintig jaren telde. Hij was klein van gestalte, maar breed van
schouders, had een dik hoofd, met gekroesd grof zwart haar bedekt, en
een gelaat als een bulhond, dat volstrekt niets geruststellends had.
Hij was niet gezellig van aard, doch haatdragend, wraakzuchtig en
daarenboven nog lafhartig. Met zulke hoedanigheden begaafd, kon het
niet vreemd heeten, dat hij in de buurt geenszins bemind was. Niemand
wist, waarom hij zijn vaderland verlaten had. Hij had meermalen twist
met zijne makkers, zoutarbeiders, gehad, waarbij bedreigingen geuit
waren, waarbij zelfs vechtpartijen voorgevallen waren, en dat alles had
hem volstrekt geen goeden naam bezorgd. Men liet hem volgaarne ter
zijde.
Toch koesterde Carpena geen ongunstige meening over zijn eigen persoon.
Verre van daar. Dat kan voldoende verklaring geven en men zal vernemen
waarom hij gepoogd had met Andreas Ferrato in aanraking te komen. Het
is waar, reeds bij het begin van die relatiën had hij vanwege den
visscher geen aanlokkend onthaal ondervonden. Dat zal genoegzaam
begrepen worden, wanneer de pretentiën van dien man in het volgende
gesprek ontsluierd zullen zijn.
Nauwelijks had Carpena eene schrede in het vertrek gedaan, of Andreas
Ferrato hield hem tegen, terwijl hij vroeg:
„Wat komt gij hier doen?”
„Ik drentelde voorbij. Daar ik licht zag, heb ik aangeklopt.”
„Waarom?”
„Wel, om u als buurman een bezoek te brengen.”
„Uwe bezoeken mishagen mij, dat weet ge wel.”
„Gewoonlijk,” antwoordde de Spanjaard, „is dat zoo; maar heden.... Dat
zal wel anders zijn.”
Andreas Ferrato begreep dat niet en kon ook de beteekenis van die
raadselachtige woorden niet gissen. In den mond van Carpena waren zij
evenwel onrustwekkend. Een vluchtige trilling kon de huisheer dan ook
niet bemantelen en die ontging den bezoeker niet. Deze had de deur
gesloten.
„Ik moet u spreken,” zei hij.
„Neen!”
„Jawel!”
„Gij hebt mij niets te zeggen.”
„Jawel.... Ik moet u afzonderlijk spreken,” vervolgde de Spanjaard,
terwijl hij fluisterend sprak.
„Och kom!”
„Geloof me.”
„Nu, kom dan,” antwoordde de visscher, die dien dag goede redenen had
om niemand den toegang tot zijn huis te weigeren. Op een teeken van
Andreas Ferrato stapte Carpena de huishoudkamer door en volgde hem in
zijne slaapkamer.
Die kamer was slechts door een zeer dun beschot van het vertrek
gescheiden, waarin graaf Sandorf en zijn lotgenoot Stephanus Bathory
verscholen waren. De eene kamer had uitzicht op de straat, de andere op
het omheinde erf achter de woning. Toen zij alleen waren, vroeg de
visscher:
„Wat wilt ge van mij?”
„Buurman,” antwoordde Carpena, „ik kom nog een beroep op uw goede
vriendschap doen.”
„Vriendschap?.....” vroeg Andreas Ferrato smalend.
„Ja, vriendschap!”
„En ter zake van wat?”
„Ter zake van uwe dochter.”
„Daarover geen woord meer!”
„Maar hoor dan toch!....”
„Geen woord! geen enkel woord!”
„Gij weet dat ik Maria bemin, en....”
„Zwijg!”
„En dat het mijn vurigste wensch is, dat zij mijne vrouw wordt.”
Ja, dat was het droombeeld van Carpena.
Sedert verscheidene maanden vervolgde hij het jonge meisje met zijne
oplettendheden. Zooals de lezer wel begrijpen zal, werd hij daarbij
eerder door baatzucht dan door liefde gedreven. Andreas Ferrato kon
welgesteld heeten en was dat ook in den kring der visschers, waarin hij
verkeerde. Hij mocht rijk genoemd worden in vergelijking met den
Spanjaard, die niets ter wereld bezat.
Niets was dus natuurlijker dan dat Carpena de gedachte gekoesterd had,
om de schoonzoon te worden van dien bemiddelde; maar niets was
daartegenover ook natuurlijker, dan dat de visscher hem steeds en
onveranderlijk afgescheept had. Een zoodanig sujet kon hem niet
behagen.
„Carpena,” antwoordde Andreas Ferrato koeltjes, „gij hebt u eerst tot
mijne dochter gewend en die heeft „neen” gezegd. Daarop zijt gij tot
mij gekomen en ik heb eveneens „neen” geantwoord. Gij komt heden
andermaal op uw verzoek terug; ik antwoord u „neen!” voor de laatste
maal.”
Het gelaat van den Spanjaard verwrong vreeselijk. Zijn lippen krulden
om en lieten zijne tanden zien. Zijne oogen rolden woest en schoten
vuurstralen. Maar de kamer, waarin de beide mannen zich bevonden, was
slecht verlicht, zoodat Andreas Ferrato dat onheilspellend gelaat niet
kon zien.
„Is dat uw laatste woord?” vroeg Carpena.
„Ja!”
„Onherroepelijk?
„Ja, onherroepelijk mijn laatste woord, wanneer het de laatste maal zal
zijn, dat gij uw aanzoek herhaalt,” antwoordde de visscher. „Komt gij
er evenwel op terug, dan zult gij steeds hetzelfde antwoord ontvangen.”
„Ik zal er op terugkomen!....”
„Dat is volmaakt noodeloos!”
„Ja, ik zal er op terugkomen, wanneer Maria mij zeggen zal om het te
doen.”
„Zij?....”
„Ja, zij!”
„Zij!....” riep Andreas Ferrato uit. „Zij! Gij weet wel dat mijne
dochter noch vriendschap, noch achting voor u koestert!”
„Hare gevoelens kunnen veranderen, wanneer....”
„Kom, loop heen.”
„Wanneer ik een onderhoud met haar gehad zal hebben.”
„Een onderhoud?”
„Ja, Ferrato, ik wensch haar te spreken.”
„Wanneer?”
„Dadelijk!.... Hoort ge?.... Ik moet haar dadelijk spreken...”
„Moet?” vroeg de visscher toornig.
„Ja, ik moet. En dat nog wel heden avond.”
„Ik weiger voor haar!”
„Pas op!”
„Geen bedreigingen!”
„Pas op!” herhaalde Carpena, die thans luider sprak. „Pas op!”
„Waarop?”
„Ik zal mij wreken!”
„Ha, ha, ha!”
„Ja, ik zal mij wreken!”
„Welnu, wreek je, als ge kunt en als ge durft, Carpena,” antwoordde
Andreas Ferrato, die nog meer toornig werd.
„Sar me niet!”
„Wreek je; je bedreigingen jagen mij geen angst aan, dat weet je wel!”
De Spanjaard knarsetandde.
„En nu de deur uit!” ging Andreas Ferrato voort. „Of ik smijt je naar
buiten!”
Het bloed steeg Carpena naar het hoofd. Hij was op het punt om geweld
tegen den visscher te begaan; maar het gelukte hem zich te bedwingen,
en na de deur met kracht opengesmeten te hebben, vloog hij de huiskamer
door en het huis uit zonder een woord gesproken te hebben.
Nauwelijks was hij buiten, toen de deur der naburige kamer, waarin de
vluchtelingen verborgen waren, openging. Graaf Sandorf, wien niets van
dat onderhoud ontgaan was, verscheen op den drempel, en op Andreas
Ferrato toetredende, zei hij op fluisterenden toon:
„Dat is de man, die ons aan den brigadier der maréchaussées verraden
heeft. Hij kent ons. Hij heeft ons gezien, toen wij op den oever van
het kanaal van Léma voet aan wal zetten. Hij heeft ons tot Rovigno
gevolgd. Hij weet blijkbaar, dat gij ons eene schuilplaats in uw huis
verleend hebt. Laat ons dan dadelijk vluchten, anders zijn wij
verloren, en.... gij met ons!”
IX.
LAATSTE POGINGEN IN EEN LAATSTEN STRIJD.
Andreas Ferrato hoorde dat stilzwijgend aan.
Hij had niets in zijn brein gevonden om graaf Sandorf te antwoorden.
Zijn Corsicaansch bloed kookte in hem. Hij had de beide vluchtelingen
vergeten, voor welker redding hij zooveel op het spel gezet had. Hij
dacht slechts aan den Spanjaard; hij zag slechts Carpena!
„Die ellendeling! O, die ellendeling!” mompelde hij eindelijk. „Ja! hij
weet alles! Wij hangen geheel en al van zijne genade af! ik had het
moeten begrijpen!”
Mathias Sandorf en Stephanus Bathory keken den visscher met een beklemd
gevoel aan. Zij wachtten reikhalzend wat hij zeggen, wat hij doen zou.
Er mocht geen enkel oogenblik verloren gaan. Er moest gehandeld,
dadelijk gehandeld worden. Het verraad, dat werk des duivels, was
waarschijnlijk reeds geschied.
„Heer graaf,” sprak eindelijk Andreas Ferrato, „de politie kan ieder
oogenblik mijne woning overvallen en binnenstormen. Ja! die ellendige
bedelaar moet alles weten of ten minste moet hij onderstellen dat
gijlieden hier zijt! Het is een koop, dien hij mij heeft komen
voorstellen! Mijne dochter tot prijs voor zijne stilzwijgendheid. Hij
zal u ten val brengen om zich op mij te wreken! Helaas, wanneer de
politie-agenten komen, zal het onmogelijk zijn te ontsnappen en dan
zult gij andermaal gevangen genomen worden. Ja, inderdaad, gij moet
dadelijk vluchten!”
„Gij hebt gelijk, Andreas Ferrato,” antwoordde graaf Mathias Sandorf,
„maar vóórdat wij scheiden, laat mij u bedanken voor al hetgeen gij
voor ons gedaan hebt, en voor hetgeen gij voor ons doen wildet....”
„Wat ik doen wilde, wil ik nog doen,” sprak Andreas Ferrato hoogst
ernstig.
„Dat weigeren wij!” antwoordde Stephanus Bathory.
„Ja, dat weigeren wij,” vulde graaf Sandorf aan. „Gij hebt u reeds te
veel blootgegeven en in gevaar gesteld! Wanneer men ons bij u ontdekt,
dan veroordeelt men u tot de galeien!”
„Om het even!” riep de visscher uit.
„Kom Stephanus, laten wij deze woning verlaten om te vermijden dat wij
er den ondergang en het ongeluk brengen!”
„Maar, heer graaf....”
„Laten wij vluchten, dat ’s goed; maar alleen vluchten!”
Andreas Ferrato greep den graaf bij de hand.