Zij dachten na. En daarvoor bestonden waarlijk alle redenen. De

maréchaussées zaten hen achterna, zij waren gezien geworden en konden

herkend worden. De Istrische provinciën boden hun dus geene veiligheid

aan. Zij moesten derhalve dit land binnen den kortst mogelijken tijd

verlaten, hetzij door de Adriatische zee over te steken om zich naar

Italië te begeven, hetzij door Dalmatië en de militaire grenzen door te

trekken, om zoo buiten de landpalen van Oostenrijk te geraken.

Het eerste plan bood veel meer kansen van welslagen aan, wanneer

namelijk de vluchtelingen zich van een vaartuig konden meester maken,

of dat zij den een of anderen visscher konden overreden om hen naar de

Italiaansche kust over te zetten.

Dat plan werd dan ook aangenomen en tot die poging besloten.

Om dat ten uitvoer te brengen, richtten graaf Mathias Sandorf en

Stephanus Bathory zich, nadat zij tegen half acht ongeveer, toen de

duisternis dik genoeg was, den bouwval van de pachthoeve verlaten

hadden, westwaarts, met het doel om de kust van de Adriatische zee te

bereiken. Zij waren reeds dadelijk verplicht om den weg te volgen, ten

einde niet in de moerassen van de Léma te geraken.

Wanneer zij evenwel die hun onbekende baan volgden, zouden zij dan niet

in de stad terecht komen, die natuurlijk in verbinding stond met het

binnenland van Istrië?

Gingen zij daardoor niet het grootste gevaar tegemoet?

Zeker, was het dat. Maar hoe konden zij anders handelen?

Het was omstreeks negen uur, toen de zwarte omtrekken eener stad zich

ongeveer op een kwartmijl afstand in het donker voordeden. Het zou

moeilijk geweest zijn dat niet te ontwaren.

Het was eene opeenhooping van huizen, die zich lomp verhieven op eene

rotsmassa, die de zee beheerschte als ook een havenkom, die diep in de

kust ingesneden was. Het geheel werd beheerscht door een soort vlot,

dat zich, in somberen stijl gebouwd, vertoonde en waaraan de duisternis

onmogelijke afmetingen verleende.

Mathias Sandorf was vast besloten om die stad niet binnen te treden,

waar de aankomst van beide vreemdelingen dadelijk bekend zoude worden.

Het kwam er dus op aan om haar om te trekken, om zoo mogelijk een der

kustpunten te bereiken.

Maar dat kon niet uitgevoerd worden, zonder dat de beide vluchtelingen

buiten hun medeweten gevolgd werden door dienzelfden man, die hen reeds

op den oever van het kanaal van Léma bespied had, toen zij voet aan wal

zetten. Dat was dezelfde Carpena, wiens verklaring aan den brigadier

van de maréchaussées zij hadden hooren afleggen. Inderdaad had de

Spanjaard, verlekkerd door de uitgeloofde premie, zich ter zijde

opgesteld, toen hij naar huis wilde terugkeeren, om zoo den weg beter

waar te nemen. Het toeval was hem gunstig, voor de arme vluchtelingen

echter ongunstig geweest; want het lot had hem op het spoor der

rampzaligen gebracht.

In hetzelfde oogenblik bijna dreigde een bende politie-agenten, die

door een der stadspoorten naar buiten stapten, de vluchtelingen den weg

af te snijden. Zij hadden ternauwernood den tijd om zich ter zijde te

werpen. Daarna richtten zij zich ijlings naar het strand, daarbij den

buitenmuur der buitenhaven volgende.

Daar stond eene bescheiden visschershut met hare kleine vensters,

waardoor het licht scheen. De deur stond op een kier open.

Wanneer Mathias Sandorf en Stephanus Bathory daar geene schuilplaats

vonden, wanneer men weigerde hen op te nemen, dan waren zij reddeloos

verloren.

Daarin eene toevlucht zoeken, was waarlijk alles op één worp wagen!

Maar konden zij, mochten zij in de omstandigheden, waarin zij zich

bevonden, aarzelen?

Graaf Sandorf en zijn lotgenoot liepen naar de deur toe en bleven op

den drempel stil staan.

In het binnenvertrek hield een man zich onledig bij het scherpe licht

eener lantaarn, met het herstellen van netten. Hij scheen bij zijn werk

te mijmeren; want hij schrikte als het ware op toen eene stem zich liet

hooren:

„Vriend....” sprak graaf Sandorf.

„Wat.... wat is er?”

„Vriend, hoe heet deze stad?”

„Deze stad?”

„Ja.”

„Dat is Rovigno.”

„In wiens huis zijn wij hier?”

„Waarom wilt gij dat weten?”

„Zeg het ons maar.”

„Als ik u daarmede genoegen kan doen?....”

„Voorzeker, doet ge dat.”

„Wel, ik heet Andreas Ferrato.”

„Wat is uw beroep?”

„Ik ben visscher en dit huis is het mijne.”

Dat werd met eene onnavolgbare kalmte en fierheid gezegd. Een vorst zou

met niet meer waardigheid het: ik ben koning hebben kunnen uitspreken.

Toch geschiedde het met den meesten eenvoud en natuurlijkheid.

„Zou de visscher Andreas Ferrato ons voor dezen nacht een onderdak

willen verleenen?”

Andreas Ferrato keek hen met een doordringenden blik aan. Daarna stond

hij op, stapte, naar de deur en keek naar buiten. In dat ondeelbare

oogenblik bespeurde hij de bende politie-agenten, die den hoek van den

havenmuur omsloegen. Toen raadde, toen begreep hij ongetwijfeld alles.

Hij zag in wie zij waren, die hem gastvrijheid afsmeekten. Hij zag met

een oogopslag, dat wanneer hij eene seconde draalde met hun te

antwoorden, die mannen verloren waren.

„Komt binnen,” sprak hij.

De twee vluchtelingen haastten zich intusschen niet om dien deurdrempel

te overschrijden.

„Vriend,” zei graaf Sandorf....

„Wat is er? Ik zeg u om binnen te komen.”

„Vriend, er zijn vijfduizend gulden belooning uitgeloofd aan hem, die

de gevangenen, welke den vestingtoren van Pisino ontvlucht zijn,

uitlevert.”

„Ik weet dit.”

„De galeien staan er op, voor hem die hun eene toevlucht verleent.”

„De galeien?”

„Ja, vriend, de galeien!”

„Ik weet dit.”

„Gij kunt ons overleveren....”

„Ik?....”

„De som is niet gering....”

„Ik!.... een verrader!....”

„En het gevaar is groot!....”

„Ik heb u gezegd: komt binnen, ik herhaal die uitnoodiging!” antwoordde

de visscher.

Beiden traden binnen.

Andreas Ferrato sloot juist zijne deur dicht, toen de bende

politiedienaren zijn huis voorbijtrokken.

VIII.

DE HUT VAN DEN VISSCHER FERRATO.

Andreas Ferrato was Corsicaan van oorsprong en geboren te Santa Manza,

eene kleine havenplaats in het arrondissement Sartène, die achter eene

ombuiging van de zuidelijke punt van het eiland gelegen was.

De havenplaats met die van Bastia en die van Porto Vecchio waren de

eenigen, die ettelijke duizenden jaren geleden toegang tot de oostkust

van het eiland gaven, welks kustlijn daar toen zoo grillig en

fantastisch ingesneden was, maar die nu meer effen geworden is door het

voortdurend afknabbelen èn door de bergstroomen èn door de zeegolven,

die allengs de voorgebergten en kapen hebben doen instorten en hen

verzwolgen, waardoor zijne baaien en kreeken uitgewischt werden.

Het was daar te Santa Manza dat Andreas Ferrato, op dat gedeelte der

Middellandsche zee, hetwelk zich tusschen Corsica en het Italiaansche

vasteland uitstrekt, zijn visschersbedrijf uitoefende. Hij waagde zich

soms te midden van de rotsen van de Straat van Bonifacio op de kusten

van Sardinië.

Het visschersbedrijf is een ruw, moeitevol leven, vooral wanneer de

koraalvisscherij aan de vischvangst gepaard gaat. De koralen toch

moeten op de onderzeesche banken op de slechtste plaatsen van de Straat

of van de zeeëngten gezocht worden.

Maar Andreas Ferrato was een moedige kerel, die bovendien stevig

gebouwd en onvermoeibaar was. Hij wist zich even behendig van zijne

vischnetten te bedienen, als van zijne dreg. Zijne zaken bloeiden dan

ook. En geen wonder! Zijne vrouw was arbeidzaam en schrander, en stond

als eene ware heldin aan het hoofd van het kleine gezin van Santa

Manza. Beiden konden lezen, schrijven en rekenen en waren bijgevolg

betrekkelijk goed onderwezen, althans wanneer men hen vergeleek met de

honderd vijftig duizend ongeletterden, die nog steeds door de

statistiek opgegeven worden onder de twee honderd zestig duizend

bewoners van het eiland.

Bovendien was Andreas Ferrato—misschien wel tengevolge van die meerdere

kennis—in zijne denkbeelden en in zijn hart zeer Franschgezind, hoewel

hij, zooals zijn naam reeds aanduidt en zooals trouwens alle Corsicanen

zijn, van Italiaanschen oorsprong was. Die Franschgezindheid had hem op

dat tijdstip menige vijandschap in het kanton op den hals gehaald.

Dat kanton, dat op het zuidelijk uiteinde van het eiland, ver van

Bastia, ver van Ajaccio, ver van de administratieve en rechterlijke

middelpunten gelegen is, moet inderdaad als zeer weerstrevend wegens

ieder die niet Italiaansch of Sardinisch gezind is, beschouwd worden.

Dit is eene betreurenswaardige staat van zaken, die niet eindigen zal

dan tengevolge van eene betere opvoeding der latere geslachten.

Zooals gezegd is, bestond er steeds eene verborgen vijandschap jegens

het gezin Ferrato. Nu is op Corsica de afstand tusschen vijandschap en

haat niet groot en van haat tot gewelddadigheden is hij nog minder.

Eenige omstandigheden verergerden dien toestand nog.

Op een dag dat Andreas Ferrato zijn geduld uitgeput gevoelde, had hij

in eene opwelling van drift en toorn, eene „huid gesneden,” een

„knoopsgat gemaakt.” Hij doodde een schavuit uit die streek, maar...

was toen verplicht te vluchten.

Andreas Ferrato was er evenwel de man niet naar om zich in de bergen te

verschuilen, om daar in dagelijkschen strijd te leven zoowel tegen de

politie als tegen de verwanten, makkers en vrienden van den gedoodde,

en daardoor de reeks wraaknemingen, die ook de zijnen zouden treffen,

te vergrooten. Hij besloot dadelijk om zijn vaderland te verlaten. Hij

vertrok heimelijk van Corsica, om eene schuilplaats op de Sardinische

kust te zoeken. Toen zijne vrouw hunne geringe bezittingen had te gelde

gemaakt, het huis overgedaan en de meubels, het vaartuig en vischnetten

verkocht had, vertrok zij ook derwaarts met hare dochter.

Andreas Ferrato had het besluit genomen, om nooit meer in zijn

vaderland terug te keeren.

Daarenboven drukte die moord, hoewel hij uit zelfverdediging geschied

was, het geweten van Andreas Ferrato. Met zijn eenigszins bijgeloovig

karakter, zijnen landaard zoo eigen, stelde hij zich tot taak die daad

te vergoeden. Hij meende dat de moord van dien man hem niet zou

vergeven worden, dan wanneer hij het leven van een ander mensch met

gevaar van zijn eigen bestaan zou gered hebben. En hij was vast

besloten dat te doen, wanneer de gelegenheid zich daartoe zou

aanbieden.

Andreas Ferrato was evenwel, nadat hij Corsica verlaten had, slechts

korten tijd in Sardinië gebleven, waar hij gemakkelijk ontdekt en

herkend kon worden. Hij was een moedig en geestkrachtvol man. Hij

beefde dan niet voor zijn persoon, maar wel voor de zijnen, die door de

weerwraak van de verwanten van den verslagene getroffen konden worden.

Hij wachtte het oogenblik af, dat hij zich verwijderen kon, zonder

achterdocht op te wekken, en trok toen Italië door. Toen hij te Ancona

aangekomen was, deed zich eene gelegenheid voor om de Adriatische zee

over te steken en de Istrische kust te bereiken. Hij nam haar gretig

waar.

Ziedaar de redenen waarom en de omstandigheden waarin die Corsicaan

zich bij de kleine havenplaats Rovigno gevestigd had. Hij woonde daar

sedert zeventien jaren, en had er het visschersbedrijf hervat. Dat had

tengevolge dat hij de vroeger genoten gegoedheid terug verdiende. Negen

jaren na zijne aankomst was hem een zoon geboren, die Luigi genoemd

werd, en wiens geboorte zijne moeder het leven kostte.

Sedert hij weduwnaar was, leefde Andreas Ferrato slechts voor zijne

dochter en zijn zoon. Maria was toen achttien jaren oud en strekte den

jongeren broeder, die toen zijn achtste jaar bereikte, tot moeder. En

ware het de droefheid niet geweest, van zijne wakkere levensgezellin

verloren te hebben, die zich steeds nijpend deed gevoelen, dan zou die

visscher van Rovigno zoo gelukkig geweest zijn als iemand het kan zijn,

die door zijn arbeid zijn brood verdient en die de genoegdoening

gevoelt zijnen plicht gedaan te hebben.

De lezer weet dat hij ten rechte geroemd werd als zeer behendig in het

uitoefenen van zijn handwerk. Te midden van die lange rijen rotsen, die

de stranden van Istrië dekken, had hij zijne vischvangst in de baai

Santa Manza of in de Straat van Bonifacio niet te betreuren.

Daarenboven was hij goed bekend geworden in die streek, waar dezelfde

taal als in Corsica gesproken werd.

De voordeelen, welke hij behaalde door schepen te loodsen op de kust

van Pola af tot Triëst, werden nog vermeerderd met de verdiensten van

het visschersbedrijf in die vischrijke wateren. In zijn huis vonden de

arme lieden dan ook altijd een onderkomen of een goede aalmoes, en in

die liefdadigheidswerken werd hij zooveel slechts mogelijk was geholpen

door zijne dochter Maria.

Maar de visscher van Santa Manza vergat daardoor de gelofte niet, die

hij weleer afgelegd had: leven om leven! Hij had het leven aan een

wezen ontnomen; hij zou het leven van anderen redden. Ziedaar de reden

waarom hij zonder de minste aarzeling tot de vreemdelingen zei: „Komt

binnen,” toen zij zich aan zijne deur vertoonden, hoewel hij raadde wie

zij waren en hoewel hij wist aan welke straf hij zich blootstelde.

Ja, dat „komt binnen” had hij flinkweg uitgesproken; maar in zijn

binnenste had hij er bijgevoegd:

„En dat God ons onder Zijne hoede neme!”

Intusschen was de bende politie-agenten de deur van het huis van

Andreas Ferrato voorbijgestapt, zonder er op te houden. Graaf Mathias

Sandorf en Stephanus Bathory konden dus meenen dat zij voor ettelijke

nachtelijke uren in het huis van den Corsicaanschen visscher in

betrekkelijke veiligheid waren.

Dat huis was niet in de stad gebouwd, maar op een afstand van ongeveer

vijfhonderd passen van de stadsmuren en buiten de haven, op eene

rotsbedding, die het strand beheerschte. Daar buiten die strook, waar,

op minder dan eene kabellengte, de golven tegen de klippen van het

kustland braken, strekte zich de onmetelijke gezichteinder der zee uit.

Naar den kant van het zuidwesten werd het voorgebergte ontwaard, dat in

een afgeronde en omgebogen punt eindigde en door welker kromming de

kleine reede van Rovigno op de Adriatische Zee omsloten wordt.

Het geheele huis van Andreas Ferrato bevatte slechts eene gelijkvloers

verdieping, die bestond uit vier kamers, twee aan de voorgevelzijde en

twee aan den achterkant, en een getralied houten bijgebouwtje, waarin

men de gereedschappen tot de vischvangst opborg.

Zijn visschersboot was een soort logger, slechts voorzien van één mast.

Dat vaartuig was dertig voet lang, maar had een breeden bijna

vierkanten voorsteven, hetgeen voor de koraalvisscherij met de dreg

zeer gemakkelijk was. Wanneer het vaartuig niet gebezigd werd, lag het

binnen en volkomen vrij van de rotsen geankerd, en werd de gemeenschap

met den wal onderhouden door eene kleine jol, die thans aan het strand

op het droge getrokken was.

Achter dat huis strekte zich een omheinde tuin van een halven bunder

uit, waarin eenige groenten te midden van moerbeziënboomen, olijfboomen

en van wijnstokken geteeld werden. Eene dichte heg scheidde dien tuin

van eene beek, die vijf of zes voeten breed was en de grens aan den

kant van het veld vormde.

Ziedaar de nederige gastvrije woning, waarin de Voorzienigheid de

vluchtelingen gevoerd had.

Ziedaar de gastheer, die zijne vrijheid waagde, om hun een

toevluchtsoord te verschaffen.

Zoodra de deur achter hen dicht gesloten was, keken graaf Sandorf en

Stephanus Bathory rond in de kamer, waarin de visscher hen ontvangen

had.

Dat was wel het voornaamste vertrek van de geheele woning. Het was

slechts spaarzaam gemeubeld; maar wat er in stond, was zindelijk

onderhouden en duidde de hand en den smaak aan van eene degelijke en

zorgzame huisvrouw.

„Vóór alles moet gij thans eten, niet waar?” vroeg Andreas Ferrato.

„Ja, wij sterven van honger,” antwoordde graaf Sandorf. „Wij hebben

hoegenaamd geen voedsel in de laatste vier en twintig uren gehad.”

„Ge hoort het, Maria?” hernam de visscher.

„Ja, vader,” sprak het meisje.

En een oogenblik later had zij een stuk gezouten varkensvleesch, een

schotel gekookte visch, eene flinke portie brood, een flesch landwijn

met twee glazen, een schoteltje rozijnen, een helder wit tafellaken en

twee borden met de noodige vorken en messen op de tafel geplaatst.

Een „reglione,” eene soort olielamp met drie pitten, verlichtte het

vertrek.

Graaf Sandorf en Stephanus Bathory namen dadelijk aan tafel plaats. Zij

waren waarlijk op het punt van in onmacht te vallen.

„En gij?” vroegen zij aan den visscher.

„Ik?”

„Ja, gij. Doet gij niet mede?”

„Wij hebben reeds geavondmaald,” antwoordde Andreas Ferrato.

Die twee uitgehongerden verslonden—ja, dat is het woord,—de spijzen,

die hun met zooveel eenvoud en zoo goedhartig voorgezet waren.

Maar terwijl zij aten, sloegen zij voortdurend den visscher, zijne

dochter en zijn zoon gade, welke laatste in een hoek gezeten was. Allen

keken de vreemdelingen aan, zonder evenwel een woord te spreken.

Andreas Ferrato kon toen twee en veertig jaar oud zijn. Het was een man

met een ernstig, ja zelfs eenigszins droevig gelaat. Hoewel zijn

gezicht door de zon gebruind was, had hij gelaatstrekken vol

uitdrukking, waarbij zwarte oogen met levendigen blik. Hij droeg de

kleeding der visschers van de Adriatische zee, waaronder een edele

borst klopte, terwijl zich daarin eene flink ontwikkelde gestalte liet

ontwaren.

Maria—welker gestalte en gelaat aan die harer moeder herinnerde—was

groot van stuk, welgemaakt en zeer schoon. Zij had vurige zwarte oogen,

bruine haren en eene huid, die door het Corsicaansche bloed, dat door

hare aderen vloeide, warm getint was. Zij had een ernstig karakter, als

gevolg van de verplichtingen, die zij van hare prilste jeugd op zich

had voelen rusten. In hare houding, in hare bewegingen spreidde zij die

kalmte ten toon, die eene bedachtzame geaardheid eigen is. Alles duidde

bij dit jonge meisje op eene geestkracht, die haar nimmer in den steek

zou laten, welke ook de omstandigheden zouden zijn, waarin zij zich zou

kunnen bevinden.

Zij was herhaaldelijk door jeugdige visschers uit den omtrek ten

huwelijk gevraagd, maar zij had daaraan nimmer het oor geleend.

Behoorde haar leven niet aan haren vader toe, en aan dat kind, dat zij

zoo innig, innig liefhad?

Wat Luigi betrof, dat was een flinke vastberaden jongen, een moedig en

degelijk visscher. Hij was reeds volkomen met den werkkring van zeeman

bekend. Hij vergezelde Andreas Ferrato, zijn vader, bij zijne

visscherijen en bij zijne loodsdiensten en was daarbij steeds

blootshoofds, onverschillig of het waaide en of het regende. Hij

beloofde een stevige, gezonde kerel te zullen worden, die meer dan

stoutmoedig, die koen ja roekeloos zou zijn. Hij was tegen alle

guurheden van het weder gehard en had hoegenaamd geen oog voor eenig

gevaar. Hij had zijn vader lief en aanbad zijne zuster.

Graaf Mathias Sandorf had die drie wezens, die door zoo innige banden

aan elkander verbonden waren, nauwkeurig gadeslagen. Hij koesterde dan

ook geen twijfel, dat hij zich bij eerlijke, brave lieden bevond, die

hij volkomen vertrouwen kon.

Toen het maal afgeloopen en de honger verzadigd was, stond Andreas

Ferrato op en naderde graaf Mathias Sandorf.

„Gaat nu slapen, heeren,” zei hij op eenvoudigen toon.

„Slapen?” vroegen de vluchtelingen.

„Ja, slapen, rusten,” hernam de visscher.

„Dat kunnen wij niet.”

„Niemand weet dat gij hier zijt.”

„Dat ’s waar; maar....”

„Morgen zullen wij zien, wat ons verder te doen staat.”

„Neen, Andreas Ferrato, neen!” antwoordde graaf Sandorf.

„Dat kan niet.”

„Wat kan niet?”

„Dat wij heden nacht hier blijven.”

„Ah bah!”

„Onze honger is gestild. Onze krachten zijn weergekeerd. Wij moeten nu

dadelijk dit huis verlaten!”

„Daar valt niet aan te denken!”

„Onze tegenwoordigheid veroorzaakt voor u en de uwen te groot gevaar!”

zei Mathias Sandorf.

„Ja, wij moeten vertrekken,” beaamde Stephanus Bathory. „En dat God u

beloone voor hetgeen gij voor ons gedaan hebt.”

„Gaat slapen! Dat is voorshands het noodzakelijkste,” hernam de

visscher.

„Wij kunnen niet,” antwoordde graaf Sandorf.

„De kust wordt heden avond bewaakt.”

„O, God!”

„Men heeft een embargo op alle schepen van al de havens van deze streek

gelegd.”

„Onmogelijk!”

„Heden nacht is niets te beproeven, dat verzeker ik u.”

„Maar....”

„Gaat slapen,” herhaalde Andreas Ferrato.

„Als gij het dan wilt. Het zij zoo,” antwoordde graaf Mathias Sandorf.

„Ja, ik wil het!”

„Een woord evenwel nog!”

„En dat is?”

„Wanneer is onze ontsnapping bekend geworden?....”

„Sedert dezen morgen,” antwoordde Andreas Ferrato. „Maar...”

„Maar, wat?” vroeg graaf Sandorf, toen hij de aarzeling van den

visscher bemerkte.

„Gij waart met uw vieren gevangen in den vestingtoren van Pisino?”

„Ja.”

„Gij zijt slechts met u beiden hier?”

„Helaas!”

„Men zegt,” ging Andreas Ferrato voort, „dat de derde in vrijheid

gesteld zal worden.”

„Sarcany!” riep Mathias Sandorf toornig uit, vóórdat hij dat gevoel van

woede, alleen door de gedachte aan dien verafschuwden man opgewekt, had

kunnen bedwingen.

„En de vierde?”.... vroeg Stephanus Bathory aarzelend, zonder zijn

volzin te durven eindigen.

„De vierde is nog in leven,” antwoordde Andreas Ferrato.

„In leven?” riep Stephanus Bathory uit.

„Ja, de terechtstelling is verdaagd,” zei de visscher.

„Nog in leven?” herhaalde Stephanus Bathory.

„Ja, ik herhaal....” wilde Andreas Ferrato zeggen.

„Is het mogelijk?” riep Bathory steeds ontzet uit.

„Wel zeker,” hernam graaf Sandorf spottend. „Men wil wachten tot dat

men ons opgespoord en gesnapt zal hebben, om ons de vreugde te bereiden

te zamen te sterven.”

„Mathias!” kreet Stephanus Bathory.

„Maria,” zei Andreas Ferrato bedaard, „wijs onze gasten hunne kamer. Ge

weet wel die aan de achterzijde, die op het bijgebouwtje uitgang

verleent.”

„Ja, vader,” antwoordde het jonge meisje.

„Maar geen licht opsteken, hoor,” ging hij voort.

„Goed, vader.”

„Heden avond moet dat raam niet verlicht wezen.”

„Ja, vader.”

„Dat zou achterdocht kunnen opwekken.”

„Kom, heeren,” sprak het jonge meisje.

Een oogenblik later wisselden graaf Sandorf en zijn makker een

hartelijken handdruk met den visscher. Daarna traden zij hunne kamer

binnen, waar hun twee goede matrassen of beter stroozakken met

maïsbladeren gevuld, wachtten, waarop zij van hunne vermoeienissen, die

zij zoo ruimschoots verduurd hadden, konden uitrusten.

Maar Andreas Ferrato en zijn zoon Luigi hadden reeds het huis verlaten.

Zij wilden zich overtuigen dat niemand in den omtrek rondzwierf, noch

op het strand, noch in het veld aan de overzijde van de beek. De

vluchtelingen konden dus gerust tot het aanbreken van den dag slapen.

De nacht ging zonder bijzondere voorvallen voorbij. De visscher was

herhaaldelijk naar buiten getreden. Hij had evenwel niets verdachts

bespeurd.

Den volgenden morgen, den 18en Juni, ging Andreas Ferrato, terwijl

zijne gasten nog sliepen, op kondschap uit tot in het midden der stad,

als ook op de kaden van de haven. Op verscheidene punten trof hij

samenscholingen aan van nieuwsgierigen en leegloopers. Een

aanplakbiljet, sedert den vorigen dag reeds op de daarvoor bestemde

plaatsen bevestigd, gaf kennis van de ontsnapping, van de straffen, die

op het verleenen van hulp aan de vluchtelingen stond, van de premie die

uitgeloofd was. Dat maakte natuurlijk het onderwerp uit van alle

gesprekken. Men babbelde, men vertelde nieuwtjes, men herhaalde het

gehoorde niet altijd nauwkeurig, soms zeer onjuist en men wist het

juiste evenmin als tevoren.

Niets duidde aan dat graaf Sandorf en zijn lotgenoot in den omtrek

gezien waren, of dat men zelfs hunne aanwezigheid in de provincie

vermoedde. Toch verspreidde zich tegen tien uren in den morgen, toen de

brigadier der maréchaussées met zijne manschappen na hunne nachtelijke

ronde te Rovigno waren teruggekeerd, het gerucht, dat twee

vreemdelingen vier en twintig uren te voren gezien waren op de oevers

van het kanaal van Léma. Men had de geheele landstreek tot aan de zee

doorzocht, om hun spoor terug te vinden, maar zonder gevolg. Er was

niets op te merken van hunnen doortocht.

Hadden zij dus de kuststreek kunnen bereiken en een vaartuig

bemachtigd?

Of hadden zij zich naar een ander punt van Istrië begeven?

Mathias Sandorf [1] · 第 10 / 17 段