Het was dus eene stroomversnelling, die de vluchtelingen te midden van

stroomingen, tegenstroomingen en kolken medevoerde. Maar het

uitspansel, het oneindige strekte zich boven hun hoofd uit en niet meer

dat lage gewelf, hetwelk hen ieder oogenblik dreigde den schedel te

verbrijzelen. Er was evenwel geen oever, geen strand, waarop zij vasten

voet zouden kunnen verkrijgen, zelfs geen talud, geene helling, waarop

zij aan land hadden kunnen gaan. De Foïba was als het ware tusschen

twee steile muren ingekist. Het was een smal kanaal met loodrechte

wanden, die door de wateren glad geschuurd waren.

De laatste indompeling had tot gevolg gehad, om Stephanus Bathory tot

bewustzijn te doen terugkeeren. Zijne hand had die van Mathias Sandorf

gezocht en natuurlijk gevonden.

Deze boog zich over zijn vriend en sprak hem toe:

„Gered!”

Maar.... had hij wel het recht dat woord uit te spreken?

Gered?.... Hij wist niet eens waarheen die bergstroom hen voerde!

Gered?.... Hij wist niet eens door welke landstreek zij dreven!

Gered?.... Hij kon niet weten, wanneer hij dat wrakhout zou kunnen

verlaten!

En toch, de graaf was zoodanig door geestkracht bezield, dat hij,

terwijl hij zich overeind op den boomstronk oprichtte, drie malen met

krachtige stem dat woord herhaalde:

„Gered! Gered! Gered!”

Ja, die woorden klonken luid. Maar om het even, wie zou ze hier hooren?

Niemand was op de naakte rotsen te ontdekken, waarop zelfs ietwat

humus, ietwat teelaarde ontbrak, en waarop slechts rotssteenen, keien

en leisteenen aangetroffen werden, waar zelfs niet zooveel grond

aanwezig was, om eenige struikjes te voeden. De landstreek, die zich

achter die hooge oevernokken uitstrekte, kon geen enkel menschelijk

wezen lokken. Het was eene rampzalige streek, waardoor de Foïba

stroomde, die ingekerkerd was, zooals slechts een afwateringskanaal

tusschen zijne granietmuren kan zijn. Geen enkel beekje kwam onderweg

den stroom voeden. Geen vogel schoor over de watervlakte, zelfs geen

enkele visch waagde zich in die te snelvlietende wateren. Hier en daar

staken boven de oppervlakte groote rotsen uit, welker volkomen droge

brokken genoegzaam aanduidden, dat het heerschende geweld van dien

waterstroom slechts aan eene kortstondige rijzing te danken was, welke

door de laatstgevallen regens veroorzaakt werd.

In gewone tijden kon de bedding der Foïba niets meer dan een diep

ingesneden ravijn zijn.

Het was daarenboven niet te vreezen, dat de boomstronk op de rotstoppen

geworpen werd. Hij vermeed ze uit zichzelven, door den stroomdraad te

volgen, die er omheen voerde. Het zou ook onmogelijk geweest zijn het

vervoermiddel der vluchtelingen uit dien stroomdraad te brengen, ook om

zijne snelheid te remmen, om bijvoorbeeld eenig punt des oevers aan te

doen, voor het geval dat de mogelijkheid bestond om aan wal te gaan.

Zoo ging in die omstandigheden nog een uur voorbij, zonder dat men zich

om een onmiddellijk gevaar had te bekommeren. De laatste

bliksemschichten waren van den hemel verdwenen. In de verte werd van

het onweder niets anders vernomen, dan een dof gerommel, dat door de

hoogere wolken, die boven aan het uitspansel lange vederachtige strepen

vormden, afgestompt werd.

Het daagde reeds bij de kim en een wit licht bleekte het donkere azuur

van de lucht, die door de nachtelijke buien geheel gezuiverd was.

Stephanus Bathory zat half overeind en rustte in de armen van graaf

Sandorf, die voor hem waakte.

In dit oogenblik werd eene verwijderde losbranding in zuidwestelijke

richting vernomen.

„Wat kan dat zijn?” vroeg Mathias Sandorf zich af. „Is het een

kanonschot, dat de dageraad en de opening van de een of andere haven

aankondigt?”

In dat geval zouden zij niet ver van de kust verwijderd zijn. Dat moest

hij erkennen.

Welke haven kon dat wezen? Triëst?

Neen! want daar is het oosten, daar aan dien kant, waar de zon op het

punt is te verschijnen.

Zou het Pola zijn, de haven, die op het zuidelijke uiteinde van Istrië

gelegen is?

Maar... dan is...

Een tweede losbarsting weerklonk en werd dadelijk daarop door eene

derde gevolgd.

„Drie kanonschoten?” vroeg graaf Sandorf zich zelven af. „Zou dat het

sein niet eerder zijn van een embargo voor de schepen, die uit zeilen

willen?”

En na eenig nadenken, mompelde hij:

„Zou dat in verband staan met onze ontvluchting?”

Dat was inderdaad te vreezen.

De autoriteiten hadden voorzeker geen enkele voorzorg verwaarloosd om

de vluchtelingen het verdere ontsnappen te beletten, wanneer het hun

gelukken mocht een vaartuig te bereiken.

„Dat God ons thans te hulp kome!” mompelde graaf Sandorf. „Hij alleen

kan ons helpen!”

De hooge rotswanden, die de Foïba omgaven, begonnen langzamerhand lager

te worden, terwijl zij zich verder van elkander verwijderden. Toch was

er nog niets van het omliggende land te verkennen. Plotselinge

buigingen, scherpe hoeken maskeerden den horizon en begrensden den

gezichtskring tot eenige honderden voeten. Onder die omstandigheden was

het oriënteeren totaal onmogelijk.

Het bed der rivier, dat thans zeer verbreed was, bleef steeds stil en

eenzaam en veroorloofde de wateren met minder snelheid voort te stuwen.

Eenige boomstammen, die bovenstrooms ontworteld waren, volgden den

stroomdraad statig en bijna langzaam. Die Juni-ochtend was vrij frisch.

De vluchtelingen klappertandden en bibberden onder hunne doornatte

kleeding. Het werd hoog tijd dat zij eene schuilplaats vonden, waar de

zon hunne vodden kon drogen.

Tegen vijf uur werden de laatste uitloopers van het gebergte vervangen

door lage oevers, die zich in eene effen en kale landstreek

ontwikkelden. De Foïba liep toen langs eene bedding, die zeker eene

halve mijl breed was en ging weldra in eene groote uitgestrektheid

water over, die den naam van meer of ten minste van meertje verdiend

zou nebben. Geheel aan het uiteinde in het westen werden eenige

visschersvaartuigen ontwaard, sommige nog voor anker liggende, andere

bezig met zeil te zetten om van de lichte morgenbries gebruik te maken;

zij schenen er op te wijzen dat dit meertje een havenkom was, die breed

uitgesneden in de kust voorkwam.

De zee kon dus niet ver meer af zijn, het was dus onze vluchtelingen

als aangewezen om haar op te zoeken. Het zou evenwel niet voorzichtig

genoemd kunnen worden eene schuilplaats aan die visschers te gaan

verzoeken. Zich aan hun toevertrouwen, zou, voor het geval zij van de

ontvluchting kennis droegen, groot gevaar opleveren, om aan de

Oostenrijksche maréchaussées, die toch de landstreek doorzoeken

moesten, uitgeleverd te worden.

Graaf Mathias Sandorf wist waarachtig niet waartoe te besluiten, toen

de boomstronk tegen een anderen stiet, die ternauwernood met de

wateroppervlakte gelijk bij den linkeroever van het meertje in de

modder vastgeklonken lag en bewegingloos bleef liggen, alsof hij voor

anker gekomen was. Zijne wortels verwarden zich zoo stevig in een

boschje struikgewas, dat zij daarin vast bleven zitten en de boomstronk

langs den oever gleed als eene sloep, die het touw, waarmede zij

vastgelegd is, strak loopt.

Graaf Sandorf stapte op den oever over, evenwel niet zonder eenige

voorzorgsmaatregelen genomen te hebben. Hij verzekerde zich, dat

niemand hem kon bespeuren.

Zoo ver zijn blik ook droeg, zag hij geen enkel menschelijk wezen,

visscher of iemand anders op of langs dit gedeelte van het meertje.

En toch lag er een man op het zand op minder dan tweehonderd passen

uitgestrekt, die vandaar de beide vluchtelingen zeer goed kon

waarnemen.

Toen graaf Sandorf vermeende, dat hij veilig was, stapte hij weer op

den boomstronk, tilde zijn makker in zijne armen op en lei hem zacht op

den oever neer, steeds zonder iets te weten van de streek, waarin hij

zich bevond, noch van de richting die men zou moeten inslaan.

De uitgestrektheid water, die de Foïba tot monding strekte, was noch

een meertje, noch een meer, maar een haft. Men noemt haar daar ter

plaatse het kanaal van Léma. Het heeft gemeenschap met de Adriatische

zee door eene smalle insnijding, welke tusschen Orsera en Rovigno op de

westkust van het Istrische schiereiland gelegen was. Maar men wist toen

niet dat het de wateren der Foïba waren, die, na de spelonk van den

Buco doorstroomd te hebben, dat haft kwamen voeden.

Op weinige passen van den oever stond eene jagershut. Graaf Sandorf en

Stephanus Bathory traden er in, om eenige rust te genieten en om hunne

krachten te herstellen. Daar ontdeden zij zich van hunne kleederen, die

in de stralen van de warme Juni-zon spoedig zouden gedroogd zijn.

Daarna wachtten zij.

De visschersvaartuigen hadden het kanaal van Léma verlaten en, zoover

het oog peilen kon, was de kust eenzaam en stil.

In dit oogenblik stond de man, die dat schouwspel gadegeslagen had, op,

naderde de hut, alsof hij er de ligging goed van wilde opnemen; daarna

verdween hij in zuidelijke richting, terwijl hij een ietwat verheven

kusthoek omsloeg.

Drie uren later hadden graaf Sandorf en zijn makker hunne kleederen

weer kunnen aantrekken, die evenwel nog vochtig waren. Maar het werd

tijd om te vertrekken.

„Wij kunnen niet langer in die hut blijven,” zei Stephanus Bathory.

„Voelt ge u sterk genoeg om de reis te aanvaarden?” vroeg Mathias

Sandorf.

„Ik ben flauw en uitgeput door den honger.”

„Laten wij de kuststrook volgen. Wellicht dat wij er in slagen ons

eenig voedsel te verschaffen, ook om ons in te schepen! Kom,

Stephanus!”

Beiden verlieten de hut, maar gevoelden zich klaarblijkelijk meer

verzwakt door de ontbering dan door de vermoeienis.

Het plan van graaf Sandorf was, om den zuidelijken oever van het kanaal

van Léma te volgen, teneinde de zeekust te bereiken.

Maar was ook al de landstreek eenzaam en verlaten, zoo krioelde zij

toch van beken, die allen naar het haft stroomden. Onder den invloed

van dat vochtige net, was dit gedeelte van den oever slechts een vast

moeras, waarvan de papachtige bodem geen enkel steunpunt aanbood. Men

moest dat dus omtrekken door zuidwaarts af te houden. Die richting was

gemakkelijk waar te nemen bij de klimmende baan der zon. De

vluchtelingen schreden zoo gedurende twee uren voort, zonder een enkel

menschelijk wezen te ontmoeten, maar ook zonder den honger, die hen

teisterde, te kunnen stillen.

Later werd het land langzamerhand minder schraal. Een weg vertoonde

zich, die van het oosten naar het westen liep. De vluchtelingen

bespeurden een mijlsteen, die niets omtrent de landstreek, waarin zich

graaf Sandorf en Stephanus Bathory blindelings waagden, te kennen gaf.

Evenwel eenige moerbeziënheggen en verder een sorgho-veld veroorloofde

hen zoo niet hunnen honger te stillen, dan toch de behoefte van hun

maag bedriegelijk tevreden te stellen. De rauwe sorgho, die zoo maar

uit de vuist verorberd werd, de frissche moerbeien waren evenwel

voldoende om te beletten van honger neer te vallen, vóórdat zij de kust

bereikt hadden.

Maar nu die landstreek meer bewoonbaar werd, nu eenige akkers bewezen

dat een menschenhand aan het werk geweest was, nu moest men ook

verwachten bewoners te ontmoeten.

Dat gebeurde inderdaad zoo tegen het middaguur.

Vijf of zes voetgangers verschenen op den weg. Voorzichtigheidshalve

wilde graaf Mathias Sandorf zich niet laten bemerken. Gelukkig

ontwaarde hij eene heining om den bouwval van eene pachthoeve, die op

ongeveer vijftig passen ter linkerzij van den weg gelegen was. Daar

vonden hij en zijn makker, nog vóórdat zij ontdekt waren, eene

schuilplaats in een donker vertrek. Er bestond veel kans, dat zij niet

ontdekt werden wanneer de een of andere voorbijganger bij die

pachthoeve stil hield, en zij konden er desnoods, tot de nacht

ingevallen was, blijven.

Die voetgangers waren boeren en zoutvervaardigers. De meesten hunner

dreven troepen ganzen naar de markt van eene stad of van een dorp, dat

niet ver verwijderd van het kanaal van Léma lag. Mannen en vrouwen

waren volgens de Istrische mode gekleed met de juweelen, medailles,

oorbellen, borstkruizen, horlogekettingen met aanhangselen, die de

kleederdrachten der beide geslachten versierden. Wat de

zoutvervaardigers betrof, zij waren eenvoudig gekleed; zij droegen een

randsel op den rug, een knuppel in de hand, en begaven zich naar de

naburige zoutpannen, wellicht naar de meer belangrijke te Stagnon of te

Pirano, in het westen van de provincie gelegen.

Sommigen stonden, bij de pachthoeve aangekomen, een oogenblik stil,

anderen zetten zich op den drempel neder en praatten niet zonder

levendigheid met elkander, evenwel slechts over zaken, die op hunnen

handel betrekking hadden.

De beide vluchtelingen, in hun hoek verscholen, luisterden.

Misschien droegen die lieden reeds kennis van hunne ontvluchting en

zouden zij er over praten.

Misschien zouden zij zich ook woorden laten ontvallen, waaruit graaf

Sandorf kon opmaken in welke landstreek van Istrië zijn makker en hij

zich bevonden.

Geen enkel woord evenwel werd over dat onderwerp gewisseld en men moest

zich dus steeds met gissingen tevreden stellen.

„Daar de lieden over onze ontvluchting niet spreken,” zei graaf

Sandorf, „valt daaruit op te maken, dat zij nog niet ter hunner kennis

gekomen is.”

„Dat zou als bewijs kunnen opgenomen worden, dat wij reeds ver van de

vesting verwijderd zijn.”

„Ja, zeker!”

„Rekent men de snelheid van den bergstroom, die ons door zijn

onderaardsche gang gedurende zes volle uren meesleurde, dan kunnen wij

er niet verbaasd over zijn.”

„Neen zeker niet!” antwoordde graaf Sandorf.

„En het moet zoo zijn,” sprak Bathory.

Evenwel twee uren later hoorden zij eenige zoutvervaardigers, die de

pachthoeve voorbij stapten, zonder zich op te houden, praten over eene

brigade maréchaussées, die zij bij de poort van de stad ontmoet hadden.

Welke stad?....

Die werd niet genoemd.

Dat bericht was volstrekt niet geschikt, om onze vluchtelingen gerust

te stellen.

Wanneer maréchaussées de streek doorkruisten, dan was dat

waarschijnlijk met het doel om hen op te sporen.

„En toch,” zei Stephanus Bathory, „naar de omstandigheden, waaronder

wij ontsnapt zijn, moet men meenen dat wij dood zijn en van eene

opsporing afzien....”

„Men zal slechts aan onzen dood gelooven, wanneer men onze lijken

gevonden zal hebben,” antwoordde Mathias Sandorf.

Hoe het ook zij, dat was buiten kijf, dat de politie op de been was en

de vluchtelingen zocht. Zij besloten dan ook om in de pachthoeve

verscholen te blijven, totdat de nacht ingevallen zou zijn. De honger

kwelde hen; maar zij durfden hunne schuilplaats niet verlaten en daar

deden zij goed aan.

Dien avond tegen vijf uren, naderde inderdaad een kleine ruiterbende.

Men kon den hoefslag op den weg hooren weerklinken.

Graaf Sandorf, die, over den grond kruipende, de deur van de omheining

genaderd was, keerde haastig naar zijn makker weder en trok hem met

zich voort tot in den donkersten hoek van het vertrek.

Daar schuilden beiden onder een hoop struiken weg en hielden zich zoo

onbewegelijk mogelijk.

Een zestal maréchaussées, aangevoerd door een brigadier, reden langs

den weg en richtten zich oostwaarts. „Zouden zij bij de pachthoeve stil

houden?” vroeg graaf Sandorf zich niet zonder angst af. Wanneer de

maréchaussées dien bouwval doorzochten, dan kon het niet missen, of zij

moesten de verscholenen ontdekken.

Zij hielden bij die plaats stil. De brigadier commandeerde halt. Twee

maréchaussées en hij stegen van het paard, terwijl de anderen in het

zadel bleven.

Deze kregen bevel om de streek in de nabijheid van het kanaal van Léma

te doorzoeken en daarna op de pachthoeve terug te trekken, waar men hen

tot des avonds zeven uren wachten zou.

De vier maréchaussées verwijderden zich en reden den weg op. De

brigadier en de twee anderen bonden hunne paarden aan de spijlen van

een half vergane omheining vast, die de pachthoeve omgaf. Daarna gingen

zij buiten het gebouw zitten en begonnen te praten. De vluchtelingen

konden van uit het vertrek, waar zij verscholen waren, alles hooren.

„Ja, hedenavond moeten wij naar de stad terugkeeren,” antwoordde de

brigadier op eene vraag, die door een zijner maréchaussées gedaan was.

„Daar zullen wij instructies voor den nachtdienst erlangen. De

telegraaf zal waarschijnlijk wel nieuws van Triëst aangebracht hebben.”

De besproken stad was dus Triëst niet. Dat was eene bijzonderheid, die

graaf Sandorf niet ontging.

„Is het niet te vreezen, dat de vluchtelingen, terwijl wij hen hier

zoeken, het kanaal van Quernaro bereikt hebben?” vroeg een der

maréchaussées.

„Dat’s zeer goed mogelijk,” antwoordde de andere.

„Waarom?” vroeg de brigadier.

„Omdat zij daar beter in veiligheid zijn dan hier.”

„Als zij daarheen getrokken zijn, loopen zij hetzelfde gevaar om

ontdekt te worden als hier.”

„Meent ge, brigadier?”

„Voorzeker; want de geheele kust van het eene einde van de provincie

tot het andere wordt bewaakt.”

Een tweede bijzonderheid, die niet vergeten mocht worden. Graaf Sandorf

en zijn makker bevonden zich dus wel degelijk op de westkust van

Istrië, dat wil zeggen bij den oever van de Adriatische zee en niet op

den oever van het tegenovergelegen kanaal, dat tot Fiuma en

waarschijnlijk verder reikt.

„Ik denk dat men ook wel nasporingen in de zoutpannen van Pirano en van

Capo d’Istria zal verrichten,” hernam de brigadier. „Men kan zich daar

gemakkelijker schuil houden, en een vaartuig bemachtigen om de

Adriatische zee over te steken.”

„Ho, ho! brigadier!” riep een der maréchaussées uit.

„Rimini of Venetië zijn niet ver.”

„Zij hadden beter gedaan, stil den dood in hunne cel af te wachten,”

antwoordde de andere maréchaussée wijsgeerig.

„Ja”, meende de andere, „vroeg of laat zal men hen toch wel snappen,

als men hunne lijken niet uit den Buco opvischt! Dan was het uit. En

dan hadden wij bij die hitte het land niet af te loopen, wat geen

baantje is.”

„En wie zegt je dat het niet uit is?” hernam de brigadier. „De Foïba

heeft zich waarschijnlijk belast met de terechtstelling, en de

veroordeelden konden geen slechteren weg dan dien kiezen om uit den

vestingtoren van de citatel van Pisino te geraken, dan toen de wateren

zoo gezwollen waren!”

De Foïba, dat was dus de naam der rivier, die graaf Sandorf en zijn

lotgenoot meêgesleurd had.

De citadel van Pisino, dat was de vesting waarin zij, na hunne

gevangenneming, gekerkerd, verhoord en veroordeeld waren!

Daar was het, dat zij zouden zijn doodgeschoten.

Het was uit den vestingtoren van die citadel, dat zij ontsnapt waren!

Graaf Sandorf kende de stad Pisino goed. Hij was dus omtrent dit voor

hen zoo belangrijke punt ingelicht en het zou alzoo aan het toeval

overgelaten moeten worden, hoe en waarheen zij het Istrische

schiereiland doortrekken zouden, wanneer namelijk de vlucht nog

mogelijk geoordeeld werd.

Het gesprek der maréchaussées ging niet verder; maar door die weinige

woorden hadden de vluchtelingen alles vernomen wat belangrijk voor hen

was te weten. Alleen hadden zij nog niet vernomen, welke stad het meest

nabij het kanaal van Léma op de kust van de Adriatische zee gelegen

was.

De brigadier was intusschen opgestaan. Hij stapte langs de omheining

van de pachthoeve op en neer en keek of de uitgezonden manschappen nog

niet terugkwamen. Hij trad twee of drie malen in de bouwvallige woning

en bezocht er al de kamers van, eer uit gewoonte aan zijn vak eigen,

dan uit achterdocht. Hij kwam zelfs tot bij de deur van het vertrek,

waarin de vluchtelingen zaten, en zij zouden zeker ontdekt zijn,

wanneer er geen dikke duisternis geheerscht had. De brigadier trad

zelfs binnen en raakte met het benedeneinde van zijn sabelschede

lichtelijk den hoop struiken aan, waaronder zij verscholen waren. In

dit oogenblik ondervonden graaf Mathias Sandorf en Stephanus Bathory

eene afwisselende reeks van angstige gevoelens, die onmogelijk te

beschrijven zijn.

Zij waren evenwel vast besloten om hun leven zoo nadrukkelijk mogelijk

te verdedigen, wanneer zij zouden ontdekt worden. O, in dat geval

zouden zij voor niets terugdeinzen. Zij zouden zich dan op den

brigadier werpen, zij zouden dan van zijne verrassing en schrik gebruik

maken om hem zijne wapens te ontrukken, zij zouden hem en zijne

manschappen aanvallen, hen dooden of zelf vallen. Dat alles dwarrelde

door hun brein.

De brigadier werd evenwel een oogenblik later naar buiten geroepen,

zoodat hij het vertrek verliet, zonder er iets verdachts bespeurd te

hebben. De vier maréchaussées, die op verkenning uitgezonden werden,

waren op de pachthoeve teruggekeerd. In weerwil van hunnen ijver,

hadden zij van de vluchtelingen geen spoor ontdekt in die geheele

streek, besloten tusschen de kust en het kanaal van Léma. Zij kwamen

evenwel niet alleen terug. Een man vergezelde hen.

Dat was een Spanjool, die dagelijks in de zoutpannen in den omtrek

arbeidde. Hij was op weg om naar de stad terug te keeren, toen de

maréchaussées hem ontmoet hadden. Daar hij hen vertelde dat hij de

landstreek tusschen de stad en de zoutpannen doorgetrokken was,

besloten zij hem bij hunnen brigadier te brengen, opdat deze hem zou

kunnen ondervragen.

Die man weigerde volstrekt niet om hen te volgen.

Toen hij in de tegenwoordigheid van den brigadier gekomen was, vroeg

deze hem of hij of andere zoutmakers de aanwezigheid van twee vreemde

personen opgemerkt hadden.

„Neen, brigadier,” antwoordde de man, „maar heden ochtend, een uur

nadat ik de stad verlaten had, heb ik twee mannen waargenomen, die bij

de punt van het kanaal van Léma aan wal kwamen.

„Twee mannen, zegt ge?” vroeg de brigadier.

„Ja; maar daar men in den omtrek meende dat de terechtstelling

hedenochtend in de vesting van Pisino had plaats gehad en daar men van

de ontsnapping nog niets wist, heb ik geene aandacht aan die mannen

gewijd. Nu ik weet wat er van aan is, zou het mij niet verwonderen,

wanneer dat de vluchtelingen waren.”

Graaf Sandorf en Stephanus, steeds in hun donker vertrek verscholen,

hoorden woord voor woord dat gesprek, hetwelk zoo belangrijk voor hen

was. Dus op het oogenblik, dat zij op den oever van het kanaal Léma

voet aan wal zetten, waren zij bespeurd geworden.

„Hoe heet ge?” vroeg de brigadier.

„Ik?”

„Ja, gij.”

„Wat hebt ge met mijn naam te maken? Ik ben niet ontvlucht.”

„Om het even. Ik moet dien weten.”

„Welnu, ik heet Carpena.”

„En uw beroep?”

„Mijn beroep?” vroeg Carpena aarzelend.

„Ja, uw beroep. Kom, maak voort.”

„Ik ben arbeider in de zoutpannen van dit land.”

„Uw geboorteland?”

„Wat hebt ge daar toch mee te maken?”

„Antwoord slechts, het waarom gaat u niet aan.”

„Welnu, ik ben Spanjaard.”

„Waar geboren?”

„Te Catana, eene plaats aan de Middellandsche Zee.”

De brigadier, die schrijfgereedschap voor den dag gehaald had, teekende

dat alles op.

„Zoudt gij die mannen herkennen?” ging hij voort met vragen.

„Welke mannen?”

„Houd je nu niet dom. Die mannen, die ge hedenochtend op den oever van

het kanaal van Léma gezien hebt?”

„Herkennen?.... Dat is maar zoo wat.”

„Herinner je goed.”

„Ik heb hen zoo niet gadegeslagen.”

„Kom, met wat goeden wil.”

„Nu, ik meen ja.”

„Ja, wat?”

„Dat ik ze herkennen zou.”

„Welnu, dan moet ge naar de stad gaan en daar uwe verklaring bij de

politie afleggen en u ter harer beschikking stellen.

„Maar....”

„Doe wat ik je beveel.”

„Ik zal het doen.”

„Weet ge dat er vijfduizend gulden belooning uitgeloofd zijn...”

„Vijfduizend guldens,” vroeg Carpena verbaasd.

„Ja, vijfduizend gulden, voor hem die de vluchtelingen opspoort”.

„Het is een mooie som,” sprak de Spanjaard met hebzuchtige stem.

„En de galeien voor hem, die hen eene schuilplaats verleent.”

„Drommels, dat is geen gekheid.”

„Neen, zeker niet.”

„Het is goed dat ik het weet.”

„Ga nu,” zei de brigadier.

„Maar die vijfduizend guldens....”

„Kom, geen praatjes,” zei de vertegenwoordiger der openbare macht, „ga

nu dadelijk naar de stad.”

De mededeeling door den Spanjaard gedaan, had tot dadelijk gevolg dat

de maréchaussées zich verwijderden.

De brigadier gelastte zijne manschappen om op te stijgen. Daarna

vertrok hij, in weerwil dat de nacht reeds ingevallen was, om de

boorden van het kanaal van Léma meer nauwgezet te gaan doorzoeken.

Wat Carpena betrof, deze ging dadelijk den weg naar de stad op, terwijl

hij in zichzelven mompelde, dat met een beetje geluk, de gevangenneming

van de vluchtelingen hem een aardige som geld kon opbrengen, die wel op

den inboedel van graaf Sandorf gevonden zou worden.

Mathias Sandorf en Stephanus Bathory bleven evenwel nog een geruimen

tijd verscholen en verlieten het donkere vertrek niet, dat hun tot

schuilplaats gestrekt had.

Mathias Sandorf [1] · 第 9 / 17 段