hangen, waarlangs de electrische stroom voortdurend afvloeide om zich
in de wateren van den Buco te verliezen. Wanneer het toestel in goeden
staat geweest ware, dan was er geen gevaar om getroffen te worden; want
de volmaakte geleidbaarheid van het metaal vergeleken met die van het
menschelijk lichaam, die veel minder is, zou den koenen waaghals, die
aan den kabel hing, beveiligen; maar was de punt van den
bliksemafleider hoe gering ook afgestompt, was er eene breuk hoe klein
ook in den kabel, waardoor de stroom verbroken werd, dan was een
ongeluk mogelijk, dan kwamen de twee stroomingen, de negatieve en de
positieve te zamen, zelfs zonder dat de bliksem op den geleider
insloeg, alleen door de spanning van den stroom, die in het gebrekkige
toestel opgehoopt werd.
Zoo werd in 1793 Richeman door eene electrische vonk van de dikte eener
vuist gedood, hoewel hij zich op eenigen afstand van den
bliksemafleider bevond, waarvan hij het geleidvermogen verbroken had.
Graaf Sandorf was zeer goed bekend met het gevaar, waaraan hij zich
blootstelde, maar een gevoel krachtiger dan dat van zelfbehoud deed hem
alles trotseeren. Hij daalde langzaam en voorzichtig te midden van de
electrische afstrooming, die hem geheel en al omgaf. Zijn voet zocht
langs den muur iederen haak en rustte daarop een poos. Dan poogde hij,
wanneer een bliksemstraal den afgrond, die onder hem gaapte,
verlichtte, er de diepte van te peilen. Maar steeds te vergeefs.
Toen Mathias Sandorf zoo een zestig voeten, sedert hij het venster der
cel verlaten had, gedaald was, voelde hij een veiliger steunpunt onder
den voet. Dat was een soort banket, slechts weinige duimen breed,
hetwelk buiten den voet van den muur uitstak. De bliksemafleider
eindigde daar ter plaatse niet, hij daalde lager, en in waarheid,—wat
de vluchteling nog niet weten kon,—van dat punt af golfde de ketting in
de lucht, nu eens langs den loodrechten rotswand, dan weer slingerde
hij in het ijle en klotste daarbij tegen eenige der uitstekende deelen,
die boven den afgrond hingen.
Graaf Sandorf hield halt om even adem te scheppen. Zijne beide voeten
steunden op het smalle boord van het banket; met zijne handen hield hij
steeds den ijzeren kabel vast. Hij begreep dat hij de bovenlaag van het
fondament van den vestingtoren bereikt had. Maar van welke hoogte
beheerschte dit het beneden-dal? Dat was door hem niet te schatten.
„Dat moet diep zijn,” dacht hij.
Inderdaad, groote vogels, verschrikt en verblind door de schelheid der
bliksemstralen, vlogen met angstigen wiekslag rondom hem en doken in de
diepte, in stede van hare vlucht opwaarts te richten. De gevolgtrekking
daarvan was duidelijk. Er was daar een afgrond onder zijne voeten.
In dit oogenblik vernam hij eenig gerucht aan het boveneinde van den
ijzeren kabel. Bij de vluchtige verlichting door eene bliksemstraal,
zag graaf Sandorf eene onduidelijke massa, die zich van den muur
afscheidde.
Het was Stephanus Bathory, die het venster der cel uitschoof en zich
langzaam liet afglijden, om zich bij Mathias Sandorf te voegen. Deze
wachtte hem af, terwijl hij de voeten stevig op het steenen uitsteeksel
gesteund hield. Daar moest Stephanus Bathory op zijn beurt halt houden,
terwijl zijn makker de reis naar beneden verder zou vervolgen.
Binnen weinige oogenblikken waren zij bij elkander, waarbij zij op het
banket rustten.
Zoodra het gerommel van den donder een poos ophield, konden zij spreken
en elkander verstaan.
„En Ladislas?” vroeg graaf Sandorf.
„Die zal over eene minuut hier zijn.”
„Is er geen onraad boven?”
„Neen.”
„Goed. Ik ga plaats voor Ladislas maken. En gij, Stephanus, gij zult
hier wachten tot dat hij u bereikt heeft.”
„Dat ’s afgesproken.”
Eene schitterende bliksemstraal omgaf hen beiden in dit oogenblik. Zij
gevoelden zich alsof de electrische stroom, langs het ijzer vloeiende,
tot in hunne spieren gedrongen was en meenden door den bliksem
getroffen te zijn.
„Mathias!.... Mathias!....” riep Stephanus onder den indruk van een
onnoemelijken en onoverwinnelijken angst uit.
„Kalmte en koelbloedigheid!” antwoordde graaf Sandorf.... „Ik ga verder
afdalen.... en gij moet mij volgen!”
Reeds had hij den kabel gegrepen, om zich tot aan den eersten haak naar
onderen te laten afglijden. Daar wilde hij wachten tot dat zijn makker
ook de reis aanvaard had.
Plotseling werden kreten boven in den vestingtoren vernomen. Zij
schenen van den kant van het venster der cel te komen. Duidelijk
weerklonken de woorden:
„Vlucht! Redt u!”
Het was de stem van Ladislas Zathmar.
Terstond daarop spoot als het ware een helder licht uit den muur en
werd gevolgd door eene kort afgebroken losbranding zonder echo. Het was
ditmaal niet de gehakkelde lijn van eene bliksemschicht, die zich op
het zwart kleed van den nacht voordeed. Het was geen electrische vonk,
die geknetterd had. Het was een geweerschot, dat ongetwijfeld op goed
geluk af door het eene of andere schietgat van den vestingtoren gelost
was. Of het een signaal voor de gevangenbewaarders of wel een kogel,
bestemd voor de vluchtelingen was, om het even, de vlucht was thans
ontdekt.
Een schildwacht, die eenig gerucht meende te hooren, had inderdaad om
hulp geroepen, waarop vijf of zes gevangenbewaarders de cel
binnengestormd waren. Het ontbreken van twee gevangenen was natuurlijk
dadelijk ontdekt. De toestand van het venster duidde genoegzaam aan,
dat zij slechts langs dien weg hadden kunnen ontsnappen. Het was toen
dat Ladislas Zathmar vóórdat men dit had kunnen beletten, zich buiten
de vensteropening voorover gebogen en den alarmkreet uitgestooten had.
„De ongelukkige!” riep Stephanus Bathory uit. „Moeten wij hem
achterlaten?.... Mathias!.... Zeg.... achterlaten?”
Een tweede geweerschot werd gelost en ditmaal vermengde zich de
losbranding met het rollen van den donder.
„God zij hem genadig!” antwoordde graaf Sandorf. „Wij moeten
vluchten.... al ware het maar om hem te wreken!.... Kom Stephanus,
kom!”
Het was meer dan tijd. Ook andere vensters van de benedenverdieping van
den vestingtoren werden geopend. Nieuwe losbrandingen verlichtten hen.
Ook hoorde men luidruchtige stemmen. Het waren misschien
gevangenbewaarders, die langs het banket, hetwelk den voet van den
vestingtoren omgaf, voortschrijdende, den weg voor de vluchtelingen
konden afsnijden! Zij konden ook waarschijnlijk getroffen worden door
geweerschoten, die uit andere gedeelten der vesting gelost werden!
„Kom!” riep graaf Sandorf voor de laatste maal.
En hij liet zich afglijden langs den kabel, die daarop dadelijk door
Stephanus Bathory gegrepen werd.
Toen eerst bemerkten beiden, dat die kabel onder het banket in het
ledige, in het ijle slingerde. Er bestonden geen rustpunten, geen haken
meer, die den kabel vasthechtten. Beiden slingerden met dien ketting
mede, die hun de handen verwondde. Zij daalden, zij omklemden den kabel
met de knieën, maar waren onmachtig hunne snelheid te temperen, terwijl
in dat vreeselijke oogenblik hun de geweerkogels langs de ooren floten.
Zoo daalden, neen stortten zij binnen een minuut ruim tachtig voeten
naar beneden. Zij vroegen zich af, of die afgrond, waarin zij als het
ware vielen, bodemloos was. Het geloei van stormachtig opgezweepte
wateren bereikte hun gehoor. Toen begrepen zij dat de geleidketting van
den bliksemafleider in den een of anderen bergstroom eindigde. Maar....
om het even.... de dood daar boven, de dood hier beneden.... dan was de
laatste voor de rampzaligen het meest verkieselijk.
Een vreeselijke bliksemstraal verscheurde in dit oogenblik te midden
van eene machtige electrische verlichting de wolken. Hoewel de stang
boven op den vestingtoren niet middellijk door den electrischen stroom
getroffen was, zoo was de spanning van dien stroom, die zich
voortdurend langs den ketting ontlastte, zoodanig, dat zij de schalmen
bij haren overgang wit gloeiend maakte, zooals met een platina draad
geschiedt onder de ontlading van eene electrische batterij.
Stephanus Bathory stiet een kreet van smart uit en liet de handen los.
Mathias Sandorf zag hem voorbij zich vallen, waarbij zij elkander
schier aanraakten. De ongelukkige had de armen uitgestrekt.
Op zijn beurt moest ook hij den kabel, die hem de handen verschroeide,
loslaten. Hij viel van eene hoogte van ruim veertig voeten in den
bergstroom van Foïba, in dien onbekenden afgrond van den Buco.
VII.
DE BERGSTROOM VAN FOÏBA.
Het was ongeveer elf uren in den nacht. De onweerswolken begonnen zich
in hevige stortregens op te lossen. De regen werd vermengd met dikke
hagelsteenen, die de oppervlakte der Foïba mitrailleerden en op de
naburige rotsen kletterden.
De geweerschoten, die uit de schietgaten gelost werden, waren gestaakt.
Waarom zooveel kogels, zooveel lood jegens de vluchtelingen te
verspillen? De Foïba zou slechts lijken weergeven, wanneer zij althans
iets weergaf!
Nauwelijks was graaf Mathias Sandorf in den bergstroom gestort en onder
de oppervlakte geschoten, toen hij zich plotseling meegesleept
gevoelde. Van uit het schitterende licht, waarmede de electrische
losbarsting den afgrond vervuld had, was hij overgegaan in den
zwartsten nacht. Het geloei der wateren had het geratel van den donder
vervangen. De ondoordringbare spelonk liet van buiten, noch geluid,
noch licht, noch iets bespeuren.
„Help....”
Opeens werd die kreet vernomen! Het was Stephanus Bathory, die hem
geslaakt had. De kilheid van het water had hem tot het leven
teruggeroepen; maar hij kon zich niet aan de oppervlakte handhaven. Hij
zou zeker verdronken zijn, wanneer hem niet een stevige hand gegrepen
had op het oogenblik, dat hij ging verdwijnen.
„Ik ben hier.... Stephanus!.... Houd moed!”
Graaf Sandorf ondersteunde zijn makker met de eene hand, terwijl hij
met de andere zwom.
De toestand was zeer kritiek. Stephanus Bathory kon ter nauwernood
zijne ledematen bewegen, verlamd als zij waren door den doorgang van
den electrischen stroom. Voelde hij ook al de brandwonden aan zijne
handen in de koude wateren niet, toch kon hij door die verlamming er
zich niet van bedienen. Als graaf Sandorf hem slechts een oogenblik
losgelaten had, zou hij onmiddellijk gezonken zijn. En toch had de
graaf genoeg met zich zelven te stellen.
Dan nog verkeerde men in volslagen onzekerheid omtrent de richting, die
deze bergstroom volgde. In welke streek kwam hij uit? In welke rivier,
of in welke zee zou hij uitmonden? Wanneer Mathias Sandorf ook al
geweten had, dat die bergstroom de Foïba was, dan nog was zijn toestand
even wanhopig geweest, dewijl niemand weet waar zijne wateren blijven,
waarin hij zich uitstort. Men had gesloten flesschen bij den ingang van
de spelonk in de Foïba geworpen, en nimmer waren zij ergens in een der
wateren van het Istrische schiereiland te voorschijn getreden. Het kon
zijn, dat zij onderweg gebroken waren bij dien onderaardschen doorgang,
maar het kon ook zijn, dat die watermassa hen medegesleept had in de
een of andere spleet van de aardkorst.
De vluchtelingen werden intusschen met groote snelheid medegevoerd. Dit
was eene omstandigheid, die het hun gemakkelijk maakte om aan de
oppervlakte te blijven. Stephanus Bathory had zijn bewustzijn verloren.
Hij was als een machteloos lichaam in de handen van graaf Sandorf. Deze
kampte voor twee, maar hij gevoelde dat hij weldra uitgeput geraakte.
Bij de gevaren om tegen de een of andere vooruitstekende rotspunt,
hetzij van de wanden, hetzij hangende van het verwulf te stooten, kwam
nog een ander, dat veel grooter genoemd moest worden. Dat was van in
een dier draaikolken te geraken, die veroorzaakt werden door de
veelvuldige tegenstroomingen, welke daar gevormd worden, waar een wand
plotseling afbrak of een vooruitstekend stuk de regelmatige strooming
verstoorde. Twintig malen voelde Mathias zich met zijn makker in een
van die vloeibare zuigers opgenomen, die hem door hunne ronddraaiende
beweging evenals een maalstroom tot zich trokken. Zij werden dan door
een rondgaande beweging vervoerd en eindelijk naar den buitenrand van
de kolk geworpen, zoo als met een steen uit een slinger zou geschieden,
en konden er niet uitkomen dan door een tegenstroom geholpen.
Zoo verliep onder die omstandigheden een half uur, waarin de dood hen
iedere minuut, iedere seconde aangrijnsde. Mathias Sandorf, met eene
bovenmenschelijke geestkracht begaafd, had nog geen oogenblik van
zwakte ondervonden. Het was, alles goed beschouwd, gelukkig, dat zijn
makker nagenoeg bewusteloos was. Als het gevoel van zelfbehoud wakker
ware geweest, dan zou hij gesparteld hebben. Dan zou er gestreden
moeten worden om hem te bedwingen, om hem tot onmacht te noodzaken. En
dan zou graaf Sandorf waarschijnlijk genoodzaakt zijn geweest, om hem
aan zijn lot over te laten, om niet beiden te verdrinken.
Die toestand kon evenwel niet lang blijven duren. De krachten van
Mathias Sandorf begonnen merkbaar af te nemen. In sommige oogenblikken
dook zijn hoofd onder, wanneer hij dat van Stephanus Bathory boven de
watervlakte ophief. Dan was de ademhaling plotseling verbroken. Dan
hijgde hij, dan hoestte, dan kuchte hij, dan werd hij benauwd; want dan
had hij te doen met een begin van verstikking.
Hij moest zelfs verscheidene malen zijn makker loslaten, wiens hoofd
dan dadelijk onder water dook, maar steeds slaagde hij er in hem weer
te vatten en dat te midden van dien zwaren stroom, die door de
gezwollen wateren nog sterker dan gewoonlijk was en met afgrijselijk
geluid rondom hem loeide.
Graaf Sandorf voelde dan ook weldra, dat hij verloren was. Het lichaam
van Stephanus Bathory ontsnapte hem eindelijk geheel... Wel trachtte
hij het, als laatste uiting van zijn wilskracht, nog te grijpen; maar
hij vond het niet meer en zelf werd hij onder den waterspiegel
medegesleept.
Een hevige schok kneusde hem pijnlijk den schouder. Hij stak
instinctmatig de hand uit. Zijne vingeren grepen en omsloten een bundel
wortels, die in het water hingen.
Die wortels behoorden tot een boomstronk, die door den bergstroom
medegevoerd werd. Mathias Sandorf klemde zich stevig aan dat wrakstuk
vast en kwam toen aan de oppervlakte der Foïba terug. Hij hield zich
vast met de eene hand, maar zocht zijn makker met de andere.
Het gelukte hem een oogenblik later den arm van Stephanus Bathory te
grijpen en werkte hem met veel inspanning op den boomstronk, waarna hij
naast hem plaats nam. Beiden waren nu buiten dadelijk gevaar van te
verdrinken, maar zij waren nu aan het lot van dat wrakstuk verbonden en
aan de grillen van de stroomingen en versnellingen van den Buco
overgeleverd.
Graaf Sandorf was gedurende een oogenblik buiten kennis geraakt. Zijn
eerste zorg was, toen hij weer bijkwam, om maatregelen te nemen dat
Stephanus Bathory niet van den boomstam kon glijden. Uit overmaat van
voorzorg plaatste hij zich achter hem, zoodanig dat hij hem kon
ondersteunen. Toen dat geschied was, keek hij rondom zich, om waar te
nemen of niet eenig daglicht in de grot drong. Hij zou dan den toestand
bij het verlaten van die spelonk kunnen overzien. Maar niets duidde
aan, dat de uitgang van dat eindeloos kanaal nabij was.
Toch was de toestand der vluchtelingen eenigermate verbeterd. Die
boomstronk was ongeveer tien voet lang en zijn wortels, die op de
watervlakte rustten, moesten verhinderen dat hij zich onverwacht
omkeerde. Wanneer zich geene geweldige schokken zouden voordoen, dan
scheen zijne stabiliteit verzekerd, hoewel de watermassa met kracht als
langs een hellend vlak schoot. Zijne snelheid kon dan ook gerekend
worden op tien mijlen in het uur, en was gelijk aan die van den
bergstroom, die hen meesleepte.
Mathias Sandorf had inmiddels zijne geheele koelbloedigheid
teruggekregen. Hij poogde toen zijn makker, wiens hoofd op zijne knieën
rustte, tot bewustzijn terug te brengen. Hij vergewiste zich dat zijn
hart nog klopte, maar hij merkte daarbij op, dat hij ter nauwernood nog
maar adem haalde. Hij bukte zich over hem heen, sloot zijne lippen op
die van zijn vriend en blies zoo meerdere lucht in zijne longen.
Misschien zou de eerste inwerking van de ondergane verstikking nog geen
onherstelbare verwoestingen op de edele deelen aangericht hebben.
En inderdaad, Stephanus Bathory begon zich te bewegen. Diepere en
langere ademhalingen verhieven zijne borstkas en openden zijne lippen.
Eindelijk ontsnapten enkele woorden aan zijn mond.
„Mijne vrouw!.... Mijn zoon!.... Mathias!”
Geheel zijn bestaan lag in die woorden opgesloten.
„Stephanus, hoort ge me?.... hoort ge me?” vroeg graaf Sandorf, die te
midden van het geloei van den bergstroom, hetwelk de gewelven van den
Buco vervulde, schreeuwen moest.
„Ja!.... Ja....!”
„Stephanus!.... Stephanus!.... hoort ge mij?” herhaalde graaf Sandorf,
die wellicht de twee woorden van zijn vriend niet verstaan had.
„Ja!.... Ja!....” herhaalde deze. „Ik hoor u!.... Spreek!.... Mijne
hand in de uwe!....”
Nu had Mathias verstaan; want hij had zich voorovergebogen en zijn oor
bij den mond van zijn vriend gebracht.
„Stephanus,” vervolgde hij, „wij zijn niet meer in onmiddellijk gevaar.
Wij hebben een wrakstuk dat ons torscht.... Waarheen?... Dat kan ik
niet zeggen. Maar dat stuk hout zal ons niet ontbreken!”
„Mathias.... en de vestingtoren?....”
„Daar zijn wij reeds ver van daan! Men zal in de vesting gelooven, dat
wij den dood in de wateren van deze kolk gevonden hebben en men zal er
voorzeker niet aan denken om ons te achtervolgen! Waar die bergstroom
ook zijne monding heeft, in zee of in eene rivier, zal hij ons toch
eene uitkomst leveren en wij zullen dan levend aanlanden. Laat den moed
dus niet zinken, Stephanus! Ik waak over je! Rust nog maar en herneem
krachten, want die zult ge weldra noodig hebben. Binnen weinige uren
zijn we gered!....”
„Gered?....”
„Ja gered!.... en vrij!”
„Gered en vrij?”
„Ja, voorzeker!”
„En Ladislas?”
Graaf Mathias Sandorf beantwoordde die vraag niet.
Wat zou hij er in Gods naam op hebben kunnen antwoorden?
Ladislas Zathmar had slechts tijd gehad om zijne makkers den
alarmkreet, dien hij door het venster der cel geslaakt had, te doen
hooren. Onmiddellijk daarop was hem de vlucht onmogelijk gemaakt. Hij
was gegrepen geworden en werd van toen af streng bewaakt. Als zijne
makkers voor hunnen persoon ook in de mogelijkheid daartoe geweest
waren, zouden zij toch niets hebben kunnen uitrichten.
Stephanus Bathory had zijn hoofd achterover laten vallen. De physieke
kracht ontbrak hem om de loomheid, die hem bevangen had, te overwinnen.
Maar Mathias Sandorf waakte over hem en was op alles voorbereid, zelfs
om het wrakhout te verlaten, wanneer dat tegen een der hinderpalen, die
te midden van de dikke duisternis, welke alom heerschte, niet te
voorzien en niet te vermijden waren, mocht verbrijzeld worden.
Het kon ongeveer twee uur in den morgen zijn, toen de snelheid van den
stroom en dus ook die van den boomstronk aanmerkelijk scheen te
minderen. Ongetwijfeld werd dat onderaardsche kanaal gaandeweg breeder,
waardoor de wateren een meer vrijen doortocht tusschen die rotswanden
vonden. Hun gang was dan ook meer regelmatig. Men mocht daaruit
wellicht de gevolgtrekking maken, dat het uiteinde van dat
onderaardsche hol niet ver meer verwijderd kon zijn.
Maar weken de wanden terzijde uit, dan toonde het gewelf ter zelfder
tijd eene neiging om te dalen. Wanneer graaf Mathias Sandorf de hand
ophief, dan raakte die de onregelmatige krijtlagen en leisteenen, die
boven zijn hoofd welfden. Soms hoorde hij een gedruisch als van eene
wrijving... dat was de een of andere worteltak van den boom, die,
loodrecht omhoog staande, met het uiteinde het gewelf aanraakte. Dan
ontstonden hevige schokken, die aan den stam medegedeeld werden,
waardoor deze schommelde en zwaaide en waardoor hij telkens van
richting veranderde. Nu eens lag hij dwars in den stroom, dan weer
draaide hij om zijn lengte-as, dan weer om zijne breedte-as, zoodat de
vrees om er afgesleurd te worden niet ongegrond was.
Toen dat gevaar, hetwelk zich herhaaldelijk voorgedaan had, voorbij
was, bleef er een ander over, waarvan graaf Sandorf alle de gevolgen
koelbloedig berekende. Dat was de waarschijnlijkheid, dat het gewelf
der grot van den Buco bleef dalen. De drenkeling had reeds de aanraking
met dat rotsgewelf niet anders kunnen ontwijken, dan door zich
plotseling achterover uit te strekken, wanneer zijne hand eene
uitstekende rots ontmoette. Zou men dus weer in den stroom moeten
dompelen? Wat hem betrof, dat zou nog gaan, maar zou hij er in slagen
om ook zijn makker boven water of hem zelfs onder de wateroppervlakte
bij zich te houden? En als dat onderaardsche kanaal zonder bovenruimte
zich over een langen afstand uitstrekte? Zou er dan mogelijkheid
bestaan er levend uit te komen? Neen!... neen!... dat zou
onherroepelijk het einde zijn, na zooveel doodstrijd reeds doorworsteld
te hebben.
Hoe geestkrachtvol Mathias Sandorf ook was, hij voelde de doodsangst
hem de keel dichtsnoeren. Hij begreep dat het kritiekste oogenblik, het
uiteinde naderde. De wortels van den boomstam wreven krachtiger tegen
de rotssteenen van het gewelf en soms werd hij met het vooreinde
zoodanig onder water geduwd, dat zijne geheele oppervlakte overstroomd
werd.
„Toch kan de uitgang van die spelonk thans niet ver meer zijn!”
mompelde graaf Sandorf in zich zelf.
En dan trachtte hij uit te kijken, of geene lichtstraal daar voor hem
uit de dikke duisternis doorbrak. De nacht zou nu wel reeds zoo ver
gevorderd zijn, dat de duisternis daarbuiten zoo sterk niet meer was.
Misschien verlichtten de bliksemstralen nog het ruim daarbuiten den
Buco. In dat geval zou wel een weinig licht in dit kanaal kunnen
indringen, dat de afgevoerd wordende wateren der Foïba niet meer scheen
te kunnen bevatten.
Maar niets! Steeds niets!
Steeds volkomen duisternis.
Steeds het geloei van den bergstroom, welks schuim nog altijd zwart
bleef.
Plotseling werd een vreeselijke schok ondervonden. De boomstronk had
met zijn vooreinde tegen een grooten steen, die van het gewelf afhing,
gestooten. Onder dien stoot keerde de boom geheel en al om, maar graaf
Sandorf liet hem niet los. Met de eene hand klemde hij zich wanhopig
aan de wortels vast, met de andere hand had hij zijn makker gegrepen
juist op het oogenblik, dat deze op het punt was om medegesleept te
worden. Daarna liet hij zich in het water glijden, dat thans tegen het
gewelf brak.
Zoo ging eene minuut voorbij. Mathias Sandorf had een gevoel alsof hij
verloren was. Instinctmatig weerhield hij zijn adem, om het weinigje
lucht, dat in zijne longen nog besloten was, zooveel mogelijk te
sparen.
Plotseling ondervond hij te midden van de watermassa, hoewel hij de
oogen gesloten hield, een gevoel, alsof een schel licht op zijne
oogleden inwerkte. Een bliksemstraal had geschitterd en werd
onmiddellijk daarop gevolgd door het geratel van den donder.
Eindelijk!.... daar was licht!
De Foïba had inderdaad dat sombere onderaardsche kanaal verlaten en
stroomde thans onder den blooten hemel. Maar naar welk punt der kust
stroomde zij? In welke zee zou hare monding uitkomen?
Dat was steeds het onoplosbare vraagstuk.
En toch was ’t het vraagstuk van leven en dood.
De boomstam was ook op de wateroppervlakte teruggekomen. Stephanus
Bathory werd steeds stevig vastgehouden door Mathias Sandorf, die er
eindelijk door eene buitengewone krachtsinspanning in slaagde om hem
weer op het wrakstuk uit te strekken en achter hem plaats te nemen.
Daarna keek hij vooruit, rondom zich, boven zich.
Achter hem begon eene zwarte massa in de nevelen te verdwijnen, alsof
zij uitgewischt werd. Dat was de kolossale rotsklomp, die den Buco
vormt en waardoor het onderaardsche hol liep, hetwelk doorgang aan de
wateren der Foïba verleende. De dag werd reeds door een zwak licht
aangekondigd, dat in het zenith waargenomen werd, en nog ijl was als
die sterren-nevelvlekken, welke het oog ter nauwernood gedurende de
helderste winternachten kan bespeuren. Van tijd tot tijd werden de
achtergelegen vakken van den gezichteinder door bliksemstralen
verlicht, terwijl de donder statig maar dof rolde. Het onweer
verwijderde zich of was uitgeraasd, nadat het al de electrische stof,
in het ruim voorhanden, verbruikt had.
Mathias Sandorf liet zijne blikken niet zonder angst rechts en links
rondwaren. Hij kon toen bemerken, dat de rivier steeds met groote
snelheid tusschen steile rotswanden voortstroomde.