Hij werd doodsbleek en keek zijne vrienden met een van verbijstering

glinsterend oog aan. Zijn hart had een oogenblik opgehouden met

kloppen. Zijne oogleden stonden wijd opengespalkt, zijn hals was stijf

en zijn hoofd was tusschen zijne schouders teruggedrongen. Alles duidde

er op, dat die geestkrachtvolle natuur door een schrikkelijken toorn

beroerd werd.

„Zij!.... De ellendelingen!....” herhaalde hij woest brullende.

Hij richtte eindelijk zijne gebogen gestalte op en keek rond, terwijl

hij de cel met groote passen op en neer liep.

„Vluchten!.... Vluchten!” riep hij uit. „Wij moeten vluchten!”

En die man, die enkele minuten vroeger gereed was om weinige uren later

den dood manmoedig tegemoet te treden, die man, die er zelfs niet aan

gedacht had om den beul zijn hoofd te betwisten, die man had thans

slechts ééne gedachte: leven, om die twee verraders Silas Toronthal en

Sarcany te straffen!

„Ja, ons wreken!” riepen Stephanus Bathory en Ladislas Zathmar uit.

„Ons wreken? Neen!.... Gerechtigheid uitoefenen!”

Het geheele karakter van graaf Sandorf lag in die woorden opgesloten.

VI.

DE VESTINGTOREN VAN PISINO.

De vesting Pisino is een van de meest merkwaardige van die stevige

gebouwen, welke in de middeleeuwen verrezen. Zij ziet er zeer goed uit

met haar feodaal uiterlijk. Er ontbreken slechts ridders in die

gewelfde zalen, slechts edelvrouwen, met bonte japonnen gekleed en

getooid met puntmutsen, aan de ogiefvormige vensterramen, slechts

boogschutters op de transen van de gecreneleerde muren, in de

schietgaten van de vooruitspringende gedeelten, bij de Spaansche

ruiters, die de ophaalbruggen moeten verdedigen. Het kunstwerk van

steen is nog onaangetast; maar de vestinggouverneur met zijn

Oostenrijksch uniform, de soldaten met hunne moderne tenue, de

gevangenbewaarders en de sleuteldragers, die niets meer vertoonen van

dat costuum uit den ouden tijd, half geel, half rood, die allen geven

een valschen toon aan te midden van die prachtige overblijfselen van

een ander tijdvak.

Het was uit den toren van die vesting, dat graaf Sandorf zich vermeette

te willen ontvluchten en dat nog wel gedurende de laatste uren, die de

terechtstelling voorafgingen. Dwaze poging voorzeker, daar de

gevangenen niet eens wisten, welke vesting hen tot kerker diende, daar

zij niets van het omgelegen land kenden, waardoor zij toch na hunne

ontvluchting heen moesten trekken.

O, wellicht kon het voor een geluk gelden, dat zij niets van die

omgeving wisten. Beter onderricht, zouden zij misschien voor de

moeilijkheden, om niet te spreken van de onmogelijkheid van zulk eene

onderneming teruggedeinsd zijn.

Niet dat deze Istrische provincie geene voordeelige kansen voor eene

ontsnapping zou aanbieden, dewijl iedere richting, door de

vluchtelingen genomen, naar een punt van hare kuststreek zou voeren en

dat binnen weinige uren. Ook niet dat de straten van de stad Pisino zoo

streng zouden bewaakt zijn, dat men bij de eerste stappen gevaar zou

loopen gevat te worden. Neen; maar ontsnappen uit die vesting,

voornamelijk uit den toren, door de gevangenen bewoond, dat was tot

heden als volstrekt onmogelijk beschouwd geworden. Het denkbeeld

daarvan kon zelfs niet opkomen.

Ziehier inderdaad de toestand en het uiterlijk voorkomen van dien toren

in de vesting Pisino.

Die toren beslaat eene zijde van een bergplat, alwaar de stad

plotseling als het ware eindigt. Wanneer men op den ringmuur van dat

plat leunt, dan boort de blik in een breede en diepe kolk, waarvan de

steile wanden niet eens bedekt zijn met lange afhangende lianen. Niets

steekt van dien loodrechten rotsmuur uit. Geen enkele trede om naar

boven te klimmen of om naar beneden te dalen. Geen portaal om er even

halt te houden. Geen enkel standpunt, waar ook. Niets dan grillige

uitschuringen, niets dan gladde onzekere streepen, die de schuinsche

ligging der rotslagen aangeven. In één woord is het een afgrond, die

aantrekt, die meesleept en niets teruggeeft van hetgeen er in mocht

vallen.

Het was boven dezen afgrond dat een der zijmuren zich verhief. In dien

muur waren eenige vensters ingesneden, die de cellen op de

verschillende verdiepingen moesten verlichten. Wanneer een gevangene

zich door een van die openingen voorover gebogen had, dan zou hij vol

afgrijzen achteruit gedeinsd zijn, tenzij duizelingen hem in de diepte

zouden hebben doen storten! En wanneer hij viel, wat dan? Of het

lichaam zou op de rotsen van den bodem te pletter storten, òf het zou

door den bergvloed medegevoerd worden, wiens stroom onweerstaanbaar is

in het tijdperk van hoog water.

Die afgrond, dat is de Buco, zoo als hij in dat land genoemd wordt. Hij

dient tot afleiding van het overtollige water van eene rivier, die

Foïba heet. Die rivier erlangt slechts toegang door eene onderaardsche

spelonk, die zij zich zelve langzamerhand door de rotsmassa’s uitgehold

heeft, en waarin zij zich met de kracht van een waterval stort. Waar

stroomt zij dan heen, terwijl zij onder de stad doorgaat? Dat weet men

niet. Waar verschijnt zij weer? Dat weet men evenmin. Niemand kent de

lengte noch de hoogte van die spelonk, die in de krijtsteen- en

leisteenlagen uitgeschuurd is. Wie kan zeggen of de stroom daaronder

zich niet met geweld breekt op scherpe kanten, op puntige hoeken, of

hij niet gestuit wordt door een woud van pilaren, die het kolossale

gevaarte der vesting en ook de geheele stad schragen? Koene

onderzoekers hadden beproefd de Foïba af te zakken in een tijdperk, dat

de middelbare waterstand gedoogde een licht vaartuig te gebruiken, maar

de laagte van het rotsgewelf had hen een onoverkomelijke hinderpaal in

den weg gesteld. In werkelijkheid wist men niets omtrent den toestand

van die onderaardsche rivier. Misschien verloor zij zich wel in eene

aardspleet, die onder de oppervlakte van de Adriatische zee uitkwam.

Dat was de Buco, welks bestaan graaf Sandorf zelfs niet giste. Daar nu

eene ontsnapping niet anders kon geschieden dan door het eenige raam

zijner cel, hetwelk boven de Buco openging, zoo was het voor hem even

zeker den dood tegemoet te gaan, als wanneer hij zich was komen

plaatsen voor het peloton soldaten, dat hem moest doodschieten.

Ladislas Zathmar en Stephanus Bathory wachtten slechts het gunstige

oogenblik af om te handelen. Zij waren bereid te blijven, wanneer het

noodig was; zij waren bereid zich op te offeren om graaf Sandorf te

hulp te komen; zij waren bereid hem te volgen, wanneer hunne vlucht de

zijne niet kon benadeelen.

„Alle drie zullen wij vluchten,” zei graaf Mathias Sandorf, „hoewel het

wellicht noodig zal worden om ons te scheiden, wanneer wij eenmaal

buiten gekomen zullen zijn.”

Het was reeds avond en op den kerktoren sloeg het reeds acht uur. De

veroordeelden hadden nog slechts twaalf uren te leven.

De nacht viel in en zooals men opmerken kon, zou hij zeer donker zijn.

Dikke wolken, die bijna onbewegelijk bleven, bedekten het uitspansel.

De lucht was zwaar, zij maakte de ademhaling moeilijk en was met

electriciteit bezwangerd. Een hevig onweder was in aantocht. Wel

schoten de bliksemstralen nog niet door de ruimte, nog niet door die

dikke dampen, die daar als zoovele accumulatoren aanwezig waren; maar

het gerommel van den donder liet zich reeds heel in de verte vernemen

en werd langs de bergtoppen van de hoogten, die Pisino omgeven,

overgebracht.

Eene ontsnapping, onder die omstandigheden ondernomen, zou dus eenige

kansen van welslagen hebben kunnen aanbieden, wanneer niet een

bedriegelijke afgrond onder de voeten der vluchtelingen geweest ware.

De nacht zou zwart zijn, men zou derhalve niet gezien worden. Bij het

geraas van den donder zou men niet gehoord worden.

Zooals graaf Sandorf reeds dadelijk erkend had, zou de vlucht mogelijk

zijn door het venster van de cel. De deur open te breken, of die

stevige bladen van eikenhout, die daarenboven geheel met ijzer beslagen

waren, aan te tasten, daaraan kon zelfs niet gedacht worden.

Buitendien, de stap van een schildwacht weerklonk op de vloersteenen

van de gang. En gesteld dat men buiten de celdeur geraakte, hoe zou men

den weg vinden in de doolgangen van de vesting? Hoe zou men de poort

uit, de valbrug over komen? Die zouden toch wel door posten soldaten

bewaakt zijn! Aan den kant van den Buco was ten minste geen schildwacht

te bespeuren. Maar de Buco bewaakte die zijde van den vestingtoren

beter dan een geheele keten schildwachten.

Graaf Sandorf onderzocht dus in de eerste plaats, of het venster ruimte

genoeg aanbood, om hen doortocht te verleenen.

Dat raam meette ongeveer drie en een halve voet hoogte op twee voet

breedte. Het verliep trechtersgewijze door den muur, welks dikte op dit

punt op vier voet geschat kon worden. Een stevig kruis van ijzer

verdedigde den toegang. Dat was in den steen dicht bij de binnenopening

geklonken. Er waren geen houten schuttingen of koekoeken aangebracht,

die het licht slechts van boven laten binnenvallen. Die zouden onnoodig

geweest zijn, daar de schikking van de opening den blik belette in den

afgrond van de Buco te dringen. Wanneer men er dus in slaagde dat

ijzeren kruis uit te rukken of van zijne plaats te wringen, dan zou het

gemakkelijk zijn zich door dat raam te laten glijden, dat veel geleek

op een schietgat van de vesting.

Maar, als men eenmaal uit dat raam geklommen was, hoe zou men dan

buiten naar omlaag dalen langs den loodrechten muur? Eene ladder? Ja,

die bezaten de gevangenen niet; ook konden zij die niet vervaardigen.

Hunne beddelakens gebruiken? Zij hadden niets dan dikke wollen dekens,

die hunne matrassen op de ijzeren kribben dekten, welke laatsten

daarenboven in de wanden van de cel vastgeklonken waren. Het zou dus

bepaald onmogelijk zijn door het venster te ontsnappen, wanneer graaf

Sandorf niet eene ketting of beter een ijzeren kabel opgemerkt had, die

buiten hing en de ontsnapping kon vergemakkelijken.

Die kabel was de bliksemafleider, die op den daknok bevestigd was boven

de zijflank van den vestingtoren, maar die zich boven den Buco

loodrecht verhief.

„Gij ziet dien kabel,” zei graaf Sandorf tot zijne vrienden. „Daarvan

zullen wij ons bedienen om te ontsnappen. Maar daartoe behoort moed!”

„O, moed bezitten wij,” antwoordde graaf Ladislas Zathmar. „Maar zullen

wij de kracht hebben?”

„Om het even!” sprak Stephanus Bathory. „Als de krachten te kort

schieten, zullen wij slechts eenige uren vroeger sterven. Dat is

alles!”

„Wij moeten niet sterven, Stephanus,” antwoordde graaf Sandorf.

„Luister goed en gij ook, Ladislas, laat geen enkel mijner woorden u

ontgaan. Wanneer wij een touw bezaten, dan zouden wij geen oogenblik

aarzelen om het buiten het venster te hangen om ons daarlangs tot op

den bodem te laten afglijden. Nu is die ijzeren kabel beter dan een

touw; door zijne onbuigzaamheid zal hij de afdaling zeer

vergemakkelijken. Evenals alle bliksemafleiders zal hij met ijzeren

haken aan den gevelmuur bevestigd zijn. Die haken zullen steunpunten

vormen, waarop onze voeten zullen kunnen rusten. Wij zullen geene

slingeringen te vreezen hebben, daar de kabel aan den muur bevestigd

is. Wij zullen geen duizelingen kunnen ondervinden, daar het nacht is

en wij dus niets zullen kunnen zien. Derhalve, wanneer wij slechts

buiten dat venster geraken, dan met koelbloedigheid en met moed kunnen

wij de vrijheid herwinnen. Dat wij ons leven wagen, is zeer goed

mogelijk. Maar al bestonden slechts tien kansen op honderd, dan nog...

daar wij honderd kansen op honderd zullen hebben om te sterven, wanneer

de gevangenbewaarders ons morgen ochtend in deze cel terugvinden.”

„Dat is zoo,” antwoordde Ladislas Zathmar.

„Waar komt die ketting terecht?” vroeg Stephanus Bathory.

„In den een of anderen put waarschijnlijk; maar zeker buiten den

vestingtoren,” antwoordde graaf Sandorf. „En meer hebben wij niet

noodig. Ik wil niets anders weten of begrijpen, dan dat daar aan het

uiteinde van dien ketting de vrijheid voor ons waarschijnlijk te vinden

is.”

Graaf Sandorf vergiste zich niet, toen hij beweerde, dat die

bliksemafleider van afstand tot afstand met ijzeren haken aan den muur

bevestigd was. Dat veroorzaakte eene groote gemakkelijkheid om af te

dalen, daar de vluchtelingen die haken als de treden eener ladder

konden bezigen, die hen tegen te snel afglijden behoeden moesten. Maar,

wat zij niet wisten en ook niet weten konden, dat was dat die kabel, na

den rand van het bergplat bereikt te hebben, langs den muur van den

vestingtoren vrij en onbedwongen in de ruimte afdaalde en zijn uiteinde

de wateren der Foïba beroerden, die toen door de laatste regens zeer

gezwollen waren. Daar waar zij onder in dien afgrond rekenen konden den

vasten bodem te bereiken, daar was slechts een bergstroom, die zich

onstuimig in de spelonk van den Buco stortte. Maar al hadden zij dat

ook geweten, zouden zij dan nog wel teruggedeinsd hebben voor hunne

poging tot ontsnapping?

Voorzeker neen!

„Hier sterven of straks daar ginds!” sprak graaf Mathias Sandorf. „Als

wij sterven moeten, dan zullen wij ten minste alles gedaan hebben om

het leven te redden!”

Maar eerst moest men dat ijzeren kruis in de doorgang van het venster

opruimen. Dat moest uitgebroken worden. Zou dit mogelijk zijn zonder

breekijzer, zonder koevoet, zonder eenig gereedschap? De gevangenen

bezaten zelfs geen mes.

„Het overige zal slechts moeilijk zijn,” zei graaf Mathias Sandorf,

„maar dit is wellicht het onmogelijke! Kom, mede aan den arbeid!”

Toen hij dat gezegd had, heesch graaf Sandorf zich tot aan het venster,

greep den ijzeren kruisrooster met de hand en voelde dat wellicht geen

al te groote krachtsinspanning noodig zou zijn, om hem uit te rukken.

De ijzeren stangen, waaruit hij bestond, bewogen zich inderdaad

eenigermate in hare sponningen. De steen was bij de hoeken gebarsten en

kon dus slechts een middelmatigen tegenstand bieden. Zeer

waarschijnlijk was de geleiding van den bliksemafleider, voordat hij

zekere herstellingen ondergaan had, niet zeer volmaakt geweest.

Mogelijk was het geweest dat vonken van het electrische vuur, door dien

ijzeren rooster aangetrokken, den muur zelven aangetast hadden en men

weet dat de kracht van dat vuur om zoo te zeggen onbegrensd is. Vandaar

die barsten en breuken bij de sponningen, waarin het uiteinde der

ijzeren staven rustte. De steen was daar verteerd, vergaan en in

sponsachtigen staat, alsof hij door de electriciteit met millioenen

gaatjes doorboord ware.

Professor Stephanus Bathory gaf in weinige woorden den uitleg van dat

verschijnsel, onmiddellijk nadat hij het waargenomen had.

Maar het gold thans niet te oreeren, te doceeren of te leeraren; men

moest zonder aarzelen aan het werk. Geen oogenblik mocht verloren

worden. Wanneer men, na de hoeken van de sponningen te hebben

uitgebroken, de uiteinden van die staven kon losmaken, dan zou het

waarschijnlijk gemakkelijk zijn den rooster tot aan de

buitenoppervlakte van den muur te dringen, dewijl de vensteropening van

binnen naar buiten waaiersgewijze verliep. Men zou hem dan naar buiten

in den afgrond kunnen laten vallen. Het geluid van dien val zou door

het hevige geratel van den donder overstemd en bijgevolg niet gehoord

worden. De onweerswolk was nader gekomen en reeds rolden de

donderslagen en plantten zich onverpoosd en zonder ophouden in de

lagere luchtlagen voort.

„Wij kunnen dien steen toch niet met onze handen verbrijzelen,” zei

graaf Ladislas Zathmar.

„Neen!” antwoordde graaf Sandorf. „Wij zouden een stuk ijzer, een lem

of zoo iets moeten hebben...”

Dat was inderdaad noodig. Hoe vergaan de steen in de nabijheid der

sponningen ook was, de nagels zouden toch daarbij te kort geschoten

zijn, de vingers zouden, bij de poging om hem tot stof te wrijven, zich

te vergeefs bloedig verwond hebben. Men zou niet slagen zonder

werktuig, al ware het ook maar een spijker.

Graaf Sandorf keek rondom zich bij het zwakke schijnsel, hetwelk van

uit de gang, die zelf spaarzaam verlicht was, in de cel door eene

kleine opening, boven de deur aangebracht, drong. Hij betastte de muren

met beide handen. Het kon toch zijn, dat men ergens een spijker

ingeklopt had. Hij vond echter niets.

Toen kreeg hij een inval. Hij bedacht dat het wellicht niet onmogelijk

was een der pooten van de ijzeren kribben, die in den wand

vastgeklonken waren, los te wringen. Alle drie gingen aan het werk en

weldra brak Stephanus Bathory den arbeid af en riep zijne makkers met

zachte stem tot zich.

Een klinknagel van een der ijzeren strooken, die, onderling behoorlijk

gekruist en verbonden, de kriblagen vormden, was losgemaakt. Het was nu

voldoende die strook bij het uiteinde, dat thans vrij was, te grijpen

en haar herhaalde malen heen en weer te buigen om den anderen

klinknagel te doen losspringen.

Dat was in een ommezien geschied. Graaf Sandorf bezat toen een ijzeren

band van vijf duim lang en een duim breed, dien hij bij het uiteinde

met zijn halsdas omwikkelde. Daarna kwam hij bij het venster terug en

begon den steen bij de sponningen los te breken.

Dat kon niet geheel en al zonder gedruisch geschieden. Gelukkig werd

dat overstemd door het geratel van den donder. Hield dat soms bij

tusschenpoozen op, dan staakte graaf Sandorf zijn arbeid om hem daarna

dadelijk weer te hervatten. Het werk vorderde flink. Stephanus Bathory

en Ladislas Zathmar hadden bij de deur post gevat, teneinde graaf

Sandorf te waarschuwen om den arbeid te staken, wanneer de schildwacht

de deur der cel naderbij trad.

Plotseling ontsnapte een zacht „chut”... aan de lippen van Ladislas

Zathmar, waarop de arbeid dadelijk ophield.

„Wat is er?” vroeg Stephanus Bathory.

„Luister,” antwoordde Ladislas.

Hij had juist het oor bij den rand van de ellipsoïdale helling gehouden

en andermaal werd het acoustieke verschijnsel vernomen, dat den

gevangenen bekend had gemaakt met het geheime verraad, ten hunnen

opzichte gepleegd.

Ziehier de afgebroken volzinnen, die bij korte tusschenpoozen nog

opgevangen konden worden:

„Morgen... in vrijheid... gesteld...”

...............................................................

„Ja... wanneer het bevel tot invrijheidstelling zal ontvangen zijn...”

...............................................................

„... Na de terechtstelling... Daarna... ga ik mijn makker Zirone

opzoeken, die mij op Sicilië wacht...”

...............................................................

„Gij zult niet lang gezeten hebben in den vestingtoren van...”

...............................................................

Het was klaarblijkelijk Sarcany, die met een gevangenbewaarder praatte.

Eene bijzonderheid: Sarcany had den naam van een zekeren Zirone

genoemd, die in deze geheele zaak gemengd moest zijn. Graaf Mathias

Sandorf onthield dien naam.

Ongelukkig bereikte het laatste woord, waarvan de kennisname voor de

gevangenen zoo nuttig ware geweest, hun oor niet. Bij het einde van den

volzin, kraakte een geweldige donderslag en terwijl de electrische

stroom de geleiding van den bliksemafleider volgde ontsnapten

vuurstralen en vuurpluimen uit den ijzeren band, die graaf Sandorf in

de hand hield. Zonder den zijden halsdas, die het metaal omwikkelde,

zou de graaf door den stroom getroffen zijn.

Het laatste woord alzoo, de naam van die vesting, was door het

ontzaglijk geraas van den donder verloren gegaan. De gevangenen hadden

dien naam niet kunnen vernemen. En toch, wat zou de kennis in welke

vesting zij opgesloten zaten, door welke streek zij vluchten moesten,

de kansen hunner ontsnapping, die onder zoo moeilijke omstandigheden

ondernomen moest worden, niet hebben vermeerderd!

Graaf Sandorf had den arbeid ijverig hervat. Van de vier sponningen

waren er reeds drie zoodanig uitgebroken, dat de uiteinden der ijzeren

staven uitgelicht konden worden. De vierde werd door het vuur der

bliksemstralen, die het hemelruim onophoudelijk verlichtten aangetast.

De arbeid was tegen half elf uur geëindigd.

De ijzeren vensterrooster was geheel en al uit de sponningen losgemaakt

en kon door de vensterruimte in den muur naar buiten geschoven worden.

Men had thans slechts te duwen, om hem te doen vallen. Dit werd

verricht, toen Ladislas Zathmar waargenomen had, dat de schildwacht

zich bij zijn heen en weer wandelen naar het uiteinde van de gang

begeven had.

Door een forschen stoot bewogen, buitelde de rooster en verdween.

Dit geschiedde in een oogenblik, toen de donder en het windgehuil

zwegen. Graaf Sandorf luisterde om het geluid te vernemen, dat dit

zware lichaam bij zijn val en zijn neerkomen op den grond zou maken.

Maar hij hoorde niets.

„De vestingtoren zal waarschijnlijk op een hooge rots gebouwd zijn, die

het dal beheerscht,” merkte Stephanus Bathory op.

„Och, wat kan ons de hoogte schelen!” antwoordde graaf Sandorf.

„Ongetwijfeld reikt de ketting van den bliksemafleider tot aan den

grond. Langs dien zullen wij den bodem wel bereiken, zonder gevaar te

loopen van te vallen.”

Dat was in het algemeen gesproken eene volkomen juiste redeneering, die

evenwel in het gegeven geval valsch was; want het uiteinde van den

bliksemafleider bereikte niet den bodem, maar de wateren van de Foïba.

Toen men met het venster klaar was, was het oogenblik om te vluchten

daar.

„Vrienden,” zei Mathias Sandorf. „Ziehier hoe wij het moeten aanleggen.

Ik ben de jongste en ik geloof de krachtigste. Ik moet dus het eerst

pogen langs dien kabel naar beneden te komen. Voor het geval dat zich

een of andere hinderpaal voordoet, dan zal ik wellicht de kracht hebben

om mij weer naar boven tot bij het venster te hijschen. Twee minuten

later laat gij, Stephanus, u naar beneden glijden om u bij mij te

voegen. Weer twee minuten later moet gij, Ladislas, denzelfden weg

volgen. Als wij alle drie aan den voet van den vestingtoren vereenigd

zijn, zullen wij naar omstandigheden moeten handelen.”

„Wij gehoorzamen u, Mathias,” antwoordde Stephanus Bathory. „Wij zullen

uitvoeren wat gij bevelen zult; wij zullen gaan waarheen gij ons zeggen

zult onze schreden te wenden. Maar wij willen niet dat uw deel van het

gevaar groot er zal zijn dan het onze....”

„Ons leven is het uwe niet waard!” vulde graaf Ladislas Zathmar aan.

„Voor de rechtspleging, die wij te voltrekken hebben, heeft ons leven

gelijke waarde!” antwoordde graaf Sandorf. „Wanneer een onzer ontsnapt,

dan moet die de uitvoerder van de gerechtigheid zijn. Kom vrienden,

vrienden, laten wij elkander omhelzen.”

De drie mannen omarmden elkander innig en het scheen dat zij eene

groote geestkracht uit die omhelzing geput hadden.

Toen kroop graaf Sandorf, terwijl Ladislas Zathmar bij de deur der cel

op post stond om tegen onraad te waarschuwen, door de vensteropening

die in den muur uitgesneden was. Een oogenblik later was hij buiten en

hing hij in het ijle. Toen liet hij zich zakken, terwijl hij met de

knieën den ketting van den bliksemafleider omklemde. Hij verplaatste

daarbij beurtelings de eene hand onder de andere, terwijl hij met de

voeten de haken zocht, waarmede de geleider vastgemaakt was, om daarop

te steunen.

Het onweder woedde toen in zijn volle kracht. Het regende niet, maar de

wind stormde met ongehoord geweld. De eene bliksemstraal wachtte niet

totdat de voorgaande in het hemelruim verdwenen was. Hare zigzaggen

kruisten elkander boven den vestingtoren, die haar door zijne eenzame

ligging op die hoogte aantrok. De punt van den bliksemafleider

schitterde met een witachtig licht, dat er door den electrischen stroom

als eene pluim opgehoopt werd, terwijl de stang schudde onder het

geweld van den wind.

Mathias Sandorf [1] · 第 7 / 17 段