glinsterend oog aan. Zijn hart had een oogenblik opgehouden met
kloppen. Zijne oogleden stonden wijd opengespalkt, zijn hals was stijf
en zijn hoofd was tusschen zijne schouders teruggedrongen. Alles duidde
er op, dat die geestkrachtvolle natuur door een schrikkelijken toorn
beroerd werd.
„Zij!.... De ellendelingen!....” herhaalde hij woest brullende.
Hij richtte eindelijk zijne gebogen gestalte op en keek rond, terwijl
hij de cel met groote passen op en neer liep.
„Vluchten!.... Vluchten!” riep hij uit. „Wij moeten vluchten!”
En die man, die enkele minuten vroeger gereed was om weinige uren later
den dood manmoedig tegemoet te treden, die man, die er zelfs niet aan
gedacht had om den beul zijn hoofd te betwisten, die man had thans
slechts ééne gedachte: leven, om die twee verraders Silas Toronthal en
Sarcany te straffen!
„Ja, ons wreken!” riepen Stephanus Bathory en Ladislas Zathmar uit.
„Ons wreken? Neen!.... Gerechtigheid uitoefenen!”
Het geheele karakter van graaf Sandorf lag in die woorden opgesloten.
VI.
DE VESTINGTOREN VAN PISINO.
De vesting Pisino is een van de meest merkwaardige van die stevige
gebouwen, welke in de middeleeuwen verrezen. Zij ziet er zeer goed uit
met haar feodaal uiterlijk. Er ontbreken slechts ridders in die
gewelfde zalen, slechts edelvrouwen, met bonte japonnen gekleed en
getooid met puntmutsen, aan de ogiefvormige vensterramen, slechts
boogschutters op de transen van de gecreneleerde muren, in de
schietgaten van de vooruitspringende gedeelten, bij de Spaansche
ruiters, die de ophaalbruggen moeten verdedigen. Het kunstwerk van
steen is nog onaangetast; maar de vestinggouverneur met zijn
Oostenrijksch uniform, de soldaten met hunne moderne tenue, de
gevangenbewaarders en de sleuteldragers, die niets meer vertoonen van
dat costuum uit den ouden tijd, half geel, half rood, die allen geven
een valschen toon aan te midden van die prachtige overblijfselen van
een ander tijdvak.
Het was uit den toren van die vesting, dat graaf Sandorf zich vermeette
te willen ontvluchten en dat nog wel gedurende de laatste uren, die de
terechtstelling voorafgingen. Dwaze poging voorzeker, daar de
gevangenen niet eens wisten, welke vesting hen tot kerker diende, daar
zij niets van het omgelegen land kenden, waardoor zij toch na hunne
ontvluchting heen moesten trekken.
O, wellicht kon het voor een geluk gelden, dat zij niets van die
omgeving wisten. Beter onderricht, zouden zij misschien voor de
moeilijkheden, om niet te spreken van de onmogelijkheid van zulk eene
onderneming teruggedeinsd zijn.
Niet dat deze Istrische provincie geene voordeelige kansen voor eene
ontsnapping zou aanbieden, dewijl iedere richting, door de
vluchtelingen genomen, naar een punt van hare kuststreek zou voeren en
dat binnen weinige uren. Ook niet dat de straten van de stad Pisino zoo
streng zouden bewaakt zijn, dat men bij de eerste stappen gevaar zou
loopen gevat te worden. Neen; maar ontsnappen uit die vesting,
voornamelijk uit den toren, door de gevangenen bewoond, dat was tot
heden als volstrekt onmogelijk beschouwd geworden. Het denkbeeld
daarvan kon zelfs niet opkomen.
Ziehier inderdaad de toestand en het uiterlijk voorkomen van dien toren
in de vesting Pisino.
Die toren beslaat eene zijde van een bergplat, alwaar de stad
plotseling als het ware eindigt. Wanneer men op den ringmuur van dat
plat leunt, dan boort de blik in een breede en diepe kolk, waarvan de
steile wanden niet eens bedekt zijn met lange afhangende lianen. Niets
steekt van dien loodrechten rotsmuur uit. Geen enkele trede om naar
boven te klimmen of om naar beneden te dalen. Geen portaal om er even
halt te houden. Geen enkel standpunt, waar ook. Niets dan grillige
uitschuringen, niets dan gladde onzekere streepen, die de schuinsche
ligging der rotslagen aangeven. In één woord is het een afgrond, die
aantrekt, die meesleept en niets teruggeeft van hetgeen er in mocht
vallen.
Het was boven dezen afgrond dat een der zijmuren zich verhief. In dien
muur waren eenige vensters ingesneden, die de cellen op de
verschillende verdiepingen moesten verlichten. Wanneer een gevangene
zich door een van die openingen voorover gebogen had, dan zou hij vol
afgrijzen achteruit gedeinsd zijn, tenzij duizelingen hem in de diepte
zouden hebben doen storten! En wanneer hij viel, wat dan? Of het
lichaam zou op de rotsen van den bodem te pletter storten, òf het zou
door den bergvloed medegevoerd worden, wiens stroom onweerstaanbaar is
in het tijdperk van hoog water.
Die afgrond, dat is de Buco, zoo als hij in dat land genoemd wordt. Hij
dient tot afleiding van het overtollige water van eene rivier, die
Foïba heet. Die rivier erlangt slechts toegang door eene onderaardsche
spelonk, die zij zich zelve langzamerhand door de rotsmassa’s uitgehold
heeft, en waarin zij zich met de kracht van een waterval stort. Waar
stroomt zij dan heen, terwijl zij onder de stad doorgaat? Dat weet men
niet. Waar verschijnt zij weer? Dat weet men evenmin. Niemand kent de
lengte noch de hoogte van die spelonk, die in de krijtsteen- en
leisteenlagen uitgeschuurd is. Wie kan zeggen of de stroom daaronder
zich niet met geweld breekt op scherpe kanten, op puntige hoeken, of
hij niet gestuit wordt door een woud van pilaren, die het kolossale
gevaarte der vesting en ook de geheele stad schragen? Koene
onderzoekers hadden beproefd de Foïba af te zakken in een tijdperk, dat
de middelbare waterstand gedoogde een licht vaartuig te gebruiken, maar
de laagte van het rotsgewelf had hen een onoverkomelijke hinderpaal in
den weg gesteld. In werkelijkheid wist men niets omtrent den toestand
van die onderaardsche rivier. Misschien verloor zij zich wel in eene
aardspleet, die onder de oppervlakte van de Adriatische zee uitkwam.
Dat was de Buco, welks bestaan graaf Sandorf zelfs niet giste. Daar nu
eene ontsnapping niet anders kon geschieden dan door het eenige raam
zijner cel, hetwelk boven de Buco openging, zoo was het voor hem even
zeker den dood tegemoet te gaan, als wanneer hij zich was komen
plaatsen voor het peloton soldaten, dat hem moest doodschieten.
Ladislas Zathmar en Stephanus Bathory wachtten slechts het gunstige
oogenblik af om te handelen. Zij waren bereid te blijven, wanneer het
noodig was; zij waren bereid zich op te offeren om graaf Sandorf te
hulp te komen; zij waren bereid hem te volgen, wanneer hunne vlucht de
zijne niet kon benadeelen.
„Alle drie zullen wij vluchten,” zei graaf Mathias Sandorf, „hoewel het
wellicht noodig zal worden om ons te scheiden, wanneer wij eenmaal
buiten gekomen zullen zijn.”
Het was reeds avond en op den kerktoren sloeg het reeds acht uur. De
veroordeelden hadden nog slechts twaalf uren te leven.
De nacht viel in en zooals men opmerken kon, zou hij zeer donker zijn.
Dikke wolken, die bijna onbewegelijk bleven, bedekten het uitspansel.
De lucht was zwaar, zij maakte de ademhaling moeilijk en was met
electriciteit bezwangerd. Een hevig onweder was in aantocht. Wel
schoten de bliksemstralen nog niet door de ruimte, nog niet door die
dikke dampen, die daar als zoovele accumulatoren aanwezig waren; maar
het gerommel van den donder liet zich reeds heel in de verte vernemen
en werd langs de bergtoppen van de hoogten, die Pisino omgeven,
overgebracht.
Eene ontsnapping, onder die omstandigheden ondernomen, zou dus eenige
kansen van welslagen hebben kunnen aanbieden, wanneer niet een
bedriegelijke afgrond onder de voeten der vluchtelingen geweest ware.
De nacht zou zwart zijn, men zou derhalve niet gezien worden. Bij het
geraas van den donder zou men niet gehoord worden.
Zooals graaf Sandorf reeds dadelijk erkend had, zou de vlucht mogelijk
zijn door het venster van de cel. De deur open te breken, of die
stevige bladen van eikenhout, die daarenboven geheel met ijzer beslagen
waren, aan te tasten, daaraan kon zelfs niet gedacht worden.
Buitendien, de stap van een schildwacht weerklonk op de vloersteenen
van de gang. En gesteld dat men buiten de celdeur geraakte, hoe zou men
den weg vinden in de doolgangen van de vesting? Hoe zou men de poort
uit, de valbrug over komen? Die zouden toch wel door posten soldaten
bewaakt zijn! Aan den kant van den Buco was ten minste geen schildwacht
te bespeuren. Maar de Buco bewaakte die zijde van den vestingtoren
beter dan een geheele keten schildwachten.
Graaf Sandorf onderzocht dus in de eerste plaats, of het venster ruimte
genoeg aanbood, om hen doortocht te verleenen.
Dat raam meette ongeveer drie en een halve voet hoogte op twee voet
breedte. Het verliep trechtersgewijze door den muur, welks dikte op dit
punt op vier voet geschat kon worden. Een stevig kruis van ijzer
verdedigde den toegang. Dat was in den steen dicht bij de binnenopening
geklonken. Er waren geen houten schuttingen of koekoeken aangebracht,
die het licht slechts van boven laten binnenvallen. Die zouden onnoodig
geweest zijn, daar de schikking van de opening den blik belette in den
afgrond van de Buco te dringen. Wanneer men er dus in slaagde dat
ijzeren kruis uit te rukken of van zijne plaats te wringen, dan zou het
gemakkelijk zijn zich door dat raam te laten glijden, dat veel geleek
op een schietgat van de vesting.
Maar, als men eenmaal uit dat raam geklommen was, hoe zou men dan
buiten naar omlaag dalen langs den loodrechten muur? Eene ladder? Ja,
die bezaten de gevangenen niet; ook konden zij die niet vervaardigen.
Hunne beddelakens gebruiken? Zij hadden niets dan dikke wollen dekens,
die hunne matrassen op de ijzeren kribben dekten, welke laatsten
daarenboven in de wanden van de cel vastgeklonken waren. Het zou dus
bepaald onmogelijk zijn door het venster te ontsnappen, wanneer graaf
Sandorf niet eene ketting of beter een ijzeren kabel opgemerkt had, die
buiten hing en de ontsnapping kon vergemakkelijken.
Die kabel was de bliksemafleider, die op den daknok bevestigd was boven
de zijflank van den vestingtoren, maar die zich boven den Buco
loodrecht verhief.
„Gij ziet dien kabel,” zei graaf Sandorf tot zijne vrienden. „Daarvan
zullen wij ons bedienen om te ontsnappen. Maar daartoe behoort moed!”
„O, moed bezitten wij,” antwoordde graaf Ladislas Zathmar. „Maar zullen
wij de kracht hebben?”
„Om het even!” sprak Stephanus Bathory. „Als de krachten te kort
schieten, zullen wij slechts eenige uren vroeger sterven. Dat is
alles!”
„Wij moeten niet sterven, Stephanus,” antwoordde graaf Sandorf.
„Luister goed en gij ook, Ladislas, laat geen enkel mijner woorden u
ontgaan. Wanneer wij een touw bezaten, dan zouden wij geen oogenblik
aarzelen om het buiten het venster te hangen om ons daarlangs tot op
den bodem te laten afglijden. Nu is die ijzeren kabel beter dan een
touw; door zijne onbuigzaamheid zal hij de afdaling zeer
vergemakkelijken. Evenals alle bliksemafleiders zal hij met ijzeren
haken aan den gevelmuur bevestigd zijn. Die haken zullen steunpunten
vormen, waarop onze voeten zullen kunnen rusten. Wij zullen geene
slingeringen te vreezen hebben, daar de kabel aan den muur bevestigd
is. Wij zullen geen duizelingen kunnen ondervinden, daar het nacht is
en wij dus niets zullen kunnen zien. Derhalve, wanneer wij slechts
buiten dat venster geraken, dan met koelbloedigheid en met moed kunnen
wij de vrijheid herwinnen. Dat wij ons leven wagen, is zeer goed
mogelijk. Maar al bestonden slechts tien kansen op honderd, dan nog...
daar wij honderd kansen op honderd zullen hebben om te sterven, wanneer
de gevangenbewaarders ons morgen ochtend in deze cel terugvinden.”
„Dat is zoo,” antwoordde Ladislas Zathmar.
„Waar komt die ketting terecht?” vroeg Stephanus Bathory.
„In den een of anderen put waarschijnlijk; maar zeker buiten den
vestingtoren,” antwoordde graaf Sandorf. „En meer hebben wij niet
noodig. Ik wil niets anders weten of begrijpen, dan dat daar aan het
uiteinde van dien ketting de vrijheid voor ons waarschijnlijk te vinden
is.”
Graaf Sandorf vergiste zich niet, toen hij beweerde, dat die
bliksemafleider van afstand tot afstand met ijzeren haken aan den muur
bevestigd was. Dat veroorzaakte eene groote gemakkelijkheid om af te
dalen, daar de vluchtelingen die haken als de treden eener ladder
konden bezigen, die hen tegen te snel afglijden behoeden moesten. Maar,
wat zij niet wisten en ook niet weten konden, dat was dat die kabel, na
den rand van het bergplat bereikt te hebben, langs den muur van den
vestingtoren vrij en onbedwongen in de ruimte afdaalde en zijn uiteinde
de wateren der Foïba beroerden, die toen door de laatste regens zeer
gezwollen waren. Daar waar zij onder in dien afgrond rekenen konden den
vasten bodem te bereiken, daar was slechts een bergstroom, die zich
onstuimig in de spelonk van den Buco stortte. Maar al hadden zij dat
ook geweten, zouden zij dan nog wel teruggedeinsd hebben voor hunne
poging tot ontsnapping?
Voorzeker neen!
„Hier sterven of straks daar ginds!” sprak graaf Mathias Sandorf. „Als
wij sterven moeten, dan zullen wij ten minste alles gedaan hebben om
het leven te redden!”
Maar eerst moest men dat ijzeren kruis in de doorgang van het venster
opruimen. Dat moest uitgebroken worden. Zou dit mogelijk zijn zonder
breekijzer, zonder koevoet, zonder eenig gereedschap? De gevangenen
bezaten zelfs geen mes.
„Het overige zal slechts moeilijk zijn,” zei graaf Mathias Sandorf,
„maar dit is wellicht het onmogelijke! Kom, mede aan den arbeid!”
Toen hij dat gezegd had, heesch graaf Sandorf zich tot aan het venster,
greep den ijzeren kruisrooster met de hand en voelde dat wellicht geen
al te groote krachtsinspanning noodig zou zijn, om hem uit te rukken.
De ijzeren stangen, waaruit hij bestond, bewogen zich inderdaad
eenigermate in hare sponningen. De steen was bij de hoeken gebarsten en
kon dus slechts een middelmatigen tegenstand bieden. Zeer
waarschijnlijk was de geleiding van den bliksemafleider, voordat hij
zekere herstellingen ondergaan had, niet zeer volmaakt geweest.
Mogelijk was het geweest dat vonken van het electrische vuur, door dien
ijzeren rooster aangetrokken, den muur zelven aangetast hadden en men
weet dat de kracht van dat vuur om zoo te zeggen onbegrensd is. Vandaar
die barsten en breuken bij de sponningen, waarin het uiteinde der
ijzeren staven rustte. De steen was daar verteerd, vergaan en in
sponsachtigen staat, alsof hij door de electriciteit met millioenen
gaatjes doorboord ware.
Professor Stephanus Bathory gaf in weinige woorden den uitleg van dat
verschijnsel, onmiddellijk nadat hij het waargenomen had.
Maar het gold thans niet te oreeren, te doceeren of te leeraren; men
moest zonder aarzelen aan het werk. Geen oogenblik mocht verloren
worden. Wanneer men, na de hoeken van de sponningen te hebben
uitgebroken, de uiteinden van die staven kon losmaken, dan zou het
waarschijnlijk gemakkelijk zijn den rooster tot aan de
buitenoppervlakte van den muur te dringen, dewijl de vensteropening van
binnen naar buiten waaiersgewijze verliep. Men zou hem dan naar buiten
in den afgrond kunnen laten vallen. Het geluid van dien val zou door
het hevige geratel van den donder overstemd en bijgevolg niet gehoord
worden. De onweerswolk was nader gekomen en reeds rolden de
donderslagen en plantten zich onverpoosd en zonder ophouden in de
lagere luchtlagen voort.
„Wij kunnen dien steen toch niet met onze handen verbrijzelen,” zei
graaf Ladislas Zathmar.
„Neen!” antwoordde graaf Sandorf. „Wij zouden een stuk ijzer, een lem
of zoo iets moeten hebben...”
Dat was inderdaad noodig. Hoe vergaan de steen in de nabijheid der
sponningen ook was, de nagels zouden toch daarbij te kort geschoten
zijn, de vingers zouden, bij de poging om hem tot stof te wrijven, zich
te vergeefs bloedig verwond hebben. Men zou niet slagen zonder
werktuig, al ware het ook maar een spijker.
Graaf Sandorf keek rondom zich bij het zwakke schijnsel, hetwelk van
uit de gang, die zelf spaarzaam verlicht was, in de cel door eene
kleine opening, boven de deur aangebracht, drong. Hij betastte de muren
met beide handen. Het kon toch zijn, dat men ergens een spijker
ingeklopt had. Hij vond echter niets.
Toen kreeg hij een inval. Hij bedacht dat het wellicht niet onmogelijk
was een der pooten van de ijzeren kribben, die in den wand
vastgeklonken waren, los te wringen. Alle drie gingen aan het werk en
weldra brak Stephanus Bathory den arbeid af en riep zijne makkers met
zachte stem tot zich.
Een klinknagel van een der ijzeren strooken, die, onderling behoorlijk
gekruist en verbonden, de kriblagen vormden, was losgemaakt. Het was nu
voldoende die strook bij het uiteinde, dat thans vrij was, te grijpen
en haar herhaalde malen heen en weer te buigen om den anderen
klinknagel te doen losspringen.
Dat was in een ommezien geschied. Graaf Sandorf bezat toen een ijzeren
band van vijf duim lang en een duim breed, dien hij bij het uiteinde
met zijn halsdas omwikkelde. Daarna kwam hij bij het venster terug en
begon den steen bij de sponningen los te breken.
Dat kon niet geheel en al zonder gedruisch geschieden. Gelukkig werd
dat overstemd door het geratel van den donder. Hield dat soms bij
tusschenpoozen op, dan staakte graaf Sandorf zijn arbeid om hem daarna
dadelijk weer te hervatten. Het werk vorderde flink. Stephanus Bathory
en Ladislas Zathmar hadden bij de deur post gevat, teneinde graaf
Sandorf te waarschuwen om den arbeid te staken, wanneer de schildwacht
de deur der cel naderbij trad.
Plotseling ontsnapte een zacht „chut”... aan de lippen van Ladislas
Zathmar, waarop de arbeid dadelijk ophield.
„Wat is er?” vroeg Stephanus Bathory.
„Luister,” antwoordde Ladislas.
Hij had juist het oor bij den rand van de ellipsoïdale helling gehouden
en andermaal werd het acoustieke verschijnsel vernomen, dat den
gevangenen bekend had gemaakt met het geheime verraad, ten hunnen
opzichte gepleegd.
Ziehier de afgebroken volzinnen, die bij korte tusschenpoozen nog
opgevangen konden worden:
„Morgen... in vrijheid... gesteld...”
...............................................................
„Ja... wanneer het bevel tot invrijheidstelling zal ontvangen zijn...”
...............................................................
„... Na de terechtstelling... Daarna... ga ik mijn makker Zirone
opzoeken, die mij op Sicilië wacht...”
...............................................................
„Gij zult niet lang gezeten hebben in den vestingtoren van...”
...............................................................
Het was klaarblijkelijk Sarcany, die met een gevangenbewaarder praatte.
Eene bijzonderheid: Sarcany had den naam van een zekeren Zirone
genoemd, die in deze geheele zaak gemengd moest zijn. Graaf Mathias
Sandorf onthield dien naam.
Ongelukkig bereikte het laatste woord, waarvan de kennisname voor de
gevangenen zoo nuttig ware geweest, hun oor niet. Bij het einde van den
volzin, kraakte een geweldige donderslag en terwijl de electrische
stroom de geleiding van den bliksemafleider volgde ontsnapten
vuurstralen en vuurpluimen uit den ijzeren band, die graaf Sandorf in
de hand hield. Zonder den zijden halsdas, die het metaal omwikkelde,
zou de graaf door den stroom getroffen zijn.
Het laatste woord alzoo, de naam van die vesting, was door het
ontzaglijk geraas van den donder verloren gegaan. De gevangenen hadden
dien naam niet kunnen vernemen. En toch, wat zou de kennis in welke
vesting zij opgesloten zaten, door welke streek zij vluchten moesten,
de kansen hunner ontsnapping, die onder zoo moeilijke omstandigheden
ondernomen moest worden, niet hebben vermeerderd!
Graaf Sandorf had den arbeid ijverig hervat. Van de vier sponningen
waren er reeds drie zoodanig uitgebroken, dat de uiteinden der ijzeren
staven uitgelicht konden worden. De vierde werd door het vuur der
bliksemstralen, die het hemelruim onophoudelijk verlichtten aangetast.
De arbeid was tegen half elf uur geëindigd.
De ijzeren vensterrooster was geheel en al uit de sponningen losgemaakt
en kon door de vensterruimte in den muur naar buiten geschoven worden.
Men had thans slechts te duwen, om hem te doen vallen. Dit werd
verricht, toen Ladislas Zathmar waargenomen had, dat de schildwacht
zich bij zijn heen en weer wandelen naar het uiteinde van de gang
begeven had.
Door een forschen stoot bewogen, buitelde de rooster en verdween.
Dit geschiedde in een oogenblik, toen de donder en het windgehuil
zwegen. Graaf Sandorf luisterde om het geluid te vernemen, dat dit
zware lichaam bij zijn val en zijn neerkomen op den grond zou maken.
Maar hij hoorde niets.
„De vestingtoren zal waarschijnlijk op een hooge rots gebouwd zijn, die
het dal beheerscht,” merkte Stephanus Bathory op.
„Och, wat kan ons de hoogte schelen!” antwoordde graaf Sandorf.
„Ongetwijfeld reikt de ketting van den bliksemafleider tot aan den
grond. Langs dien zullen wij den bodem wel bereiken, zonder gevaar te
loopen van te vallen.”
Dat was in het algemeen gesproken eene volkomen juiste redeneering, die
evenwel in het gegeven geval valsch was; want het uiteinde van den
bliksemafleider bereikte niet den bodem, maar de wateren van de Foïba.
Toen men met het venster klaar was, was het oogenblik om te vluchten
daar.
„Vrienden,” zei Mathias Sandorf. „Ziehier hoe wij het moeten aanleggen.
Ik ben de jongste en ik geloof de krachtigste. Ik moet dus het eerst
pogen langs dien kabel naar beneden te komen. Voor het geval dat zich
een of andere hinderpaal voordoet, dan zal ik wellicht de kracht hebben
om mij weer naar boven tot bij het venster te hijschen. Twee minuten
later laat gij, Stephanus, u naar beneden glijden om u bij mij te
voegen. Weer twee minuten later moet gij, Ladislas, denzelfden weg
volgen. Als wij alle drie aan den voet van den vestingtoren vereenigd
zijn, zullen wij naar omstandigheden moeten handelen.”
„Wij gehoorzamen u, Mathias,” antwoordde Stephanus Bathory. „Wij zullen
uitvoeren wat gij bevelen zult; wij zullen gaan waarheen gij ons zeggen
zult onze schreden te wenden. Maar wij willen niet dat uw deel van het
gevaar groot er zal zijn dan het onze....”
„Ons leven is het uwe niet waard!” vulde graaf Ladislas Zathmar aan.
„Voor de rechtspleging, die wij te voltrekken hebben, heeft ons leven
gelijke waarde!” antwoordde graaf Sandorf. „Wanneer een onzer ontsnapt,
dan moet die de uitvoerder van de gerechtigheid zijn. Kom vrienden,
vrienden, laten wij elkander omhelzen.”
De drie mannen omarmden elkander innig en het scheen dat zij eene
groote geestkracht uit die omhelzing geput hadden.
Toen kroop graaf Sandorf, terwijl Ladislas Zathmar bij de deur der cel
op post stond om tegen onraad te waarschuwen, door de vensteropening
die in den muur uitgesneden was. Een oogenblik later was hij buiten en
hing hij in het ijle. Toen liet hij zich zakken, terwijl hij met de
knieën den ketting van den bliksemafleider omklemde. Hij verplaatste
daarbij beurtelings de eene hand onder de andere, terwijl hij met de
voeten de haken zocht, waarmede de geleider vastgemaakt was, om daarop
te steunen.
Het onweder woedde toen in zijn volle kracht. Het regende niet, maar de
wind stormde met ongehoord geweld. De eene bliksemstraal wachtte niet
totdat de voorgaande in het hemelruim verdwenen was. Hare zigzaggen
kruisten elkander boven den vestingtoren, die haar door zijne eenzame
ligging op die hoogte aantrok. De punt van den bliksemafleider
schitterde met een witachtig licht, dat er door den electrischen stroom
als eene pluim opgehoopt werd, terwijl de stang schudde onder het
geweld van den wind.