Wat hen betreft, zij waren vast besloten alles te loochenen, zoolang

hun geen daadwerkelijk bewijs werd voorgehouden. In dat geval zouden

zij weten hun leven op te offeren. Anderen zouden den een of anderen

dag de mislukte beweging hervatten. De onafhankelijkheidszaak zou later

wel weer nieuwe aanvoerders vinden. Zij zouden, wanneer zij overtuigd

werden, hunne gevoelens en hun hoop belijden. Zij zouden het doel

aanwijzen, hetwelk zij beoogden, een doel dat den een of anderen dag

bereikt zou worden. Zij zouden zelfs de moeite niet nemen zich te

verdedigen, zij zouden slechts de partij, die zij verloren hadden,

ridderlijk en edelaardig betalen.

Het was niet zonder reden, dat graaf Sandorf en zijne vrienden

vermeenden, dat de werkkring der politie in deze zaak zeer beperkt was.

Te Buda, te Pest, te Klausenburg, in één woord: in al de steden waarin

de beweging zou hebben kunnen losbarsten, wanneer het signaal daartoe

van Triëst gegeven ware, hadden agenten de sporen van het complot

opgezocht, maar te vergeefs. Daarom had het gouvernement de

inhechtenisstelling der drie Triëster opperhoofden zoo geheimzinnig

doen ten uitvoer leggen. Dat zij in de kasematten van het versterkt

kasteel te Pisino gekerkerd waren, dat men niet wilde dat iets van die

zaak ruchtbaar werd, vóórdat zij een eindbeslag had, had zijn grond

daarin, dat men hoopte dat de een of andere omstandigheid de stellers

van het briefje in geheimschrift, hetwelk naar de hoofdplaats van

Istrië verzonden was, maar waarvan men de herkomst niet kende, aan het

licht zoude brengen.

Die hoop werd niet verwezenlijkt. Het verwachte sein kwam niet, het zou

niet komen. De beweging was geremd, voorshands althans. Het

Oostenrijksch gouvernement moest zich vergenoegen met graaf Sandorf en

zijne medeplichtigen onder de beschuldiging van hoogverraad jegens den

Staat te doen terechtstaan.

Die nasporingen hadden evenwel verscheidene dagen gevorderd. Het was

dan ook eerst tegen den 20en Juni, dat de instructie der zaak begon,

door de beschuldigden te verhooren. Zij werden zelfs niet met elkander

geconfronteerd en zij zouden elkander slechts voor hunne rechters

weerzien.

Het gouvernement had aan een krijgsraad de opdracht gedaan, om de

opperhoofden der Triëster samenzwering te berechten. Men weet hoe

beknopt en oppervlakkig de instructie eener zaak gevoerd wordt, wanneer

zij aan de beslissing van zulk een buitengewoon rechtslichaam

onderworpen wordt; hoe snel de debatten geleid worden, met hoeveel

overhaasting het vonnis uitgesproken en ten uitvoer gelegd wordt.

Zoo geschiedde het ook bij deze gelegenheid.

Den 25en Juni vergaderde de krijgsraad in een der lage zalen van het

versterkt kasteel te Pisino en dienzelfden dag verschenen de

beschuldigden voor die militaire rechtbank.

De debatten zouden noch lang, noch belangrijk wezen, want geen enkel

voorval zou hen kenmerken.

De krijgsraad nam zitting tegen negen uur des morgens. Graaf Sandorf,

graaf Zathmar, professor Bathory en Sarcany zagen elkander toen voor de

eerste maal sedert hunne inhechtenisneming weer. De handdruk dien graaf

Sandorf met zijne vrienden op de bank der beschuldigden wisselde, was

als eene nieuwe betuiging, een nieuwe overeenkomst betreffende de

gevoelens, die hen verbond. Een gebaar van graaf Ladislas Zathmar en

van Stephanus Bathory deed graaf Sandorf begrijpen, dat zij hem de taak

overlieten om voor den raad het woord te voeren. Noch hij, noch de

anderen hadden den dienst van een verdediger willen aannemen. Wat graaf

Sandorf tot heden gedaan had, was wèl gedaan. Wat hij noodig oordeelde

tot de rechters te zeggen, zou wèl gezegd zijn.

De zitting was publiek, in dien zin opgenomen, dat de deuren van de

raadkamer openstonden. Weinige personen evenwel waren tegenwoordig;

want de zaak was niet naar buiten uitgelekt. Hoogstens waren een

twintigtal personen aanwezig, die nog tot den dienst van het kasteel

behoorden.

De identiteit der beschuldigden werd vooraf geconstateerd. Graaf

Sandorf vroeg daarop aan den voorzitter van den krijgsraad den naam van

de plaats, waarheen hij en zijne makkers gevoerd waren om terecht te

staan; maar op die vraag kreeg hij geen antwoord.

De identiteit van Sarcany werd ook gesteld, maar deze sprak geen woord,

waardoor hij te kennen kon geven, dat hij zijne zaak van die der andere

beschuldigden wenschte af te scheiden.

Alsnu werd mededeeling van het afschrift van het briefje, dat zoo

verraderlijk aan de politie overgeleverd werd, aan de beschuldigden

gedaan.

Toen de auditeur militair hen deed afvragen of zij bekenden het

origineele van dat briefje, waarvan het afschrift hun vertoond werd,

ontvangen te hebben, antwoordden zij dat het de plicht der

beschuldigers was daarvan het bewijs te leveren.

Na dat antwoord vertoonde men hen den rooster, die in de kamer van

graaf Ladislas Zathmar gevonden was.

Noch graaf Sandorf noch zijne metgezellen konden ontkennen dat die

rooster in hun bezit geweest was. Zij poogden dat zelfs niet. Er viel

tegenover dat feitelijk bewijs niets te antwoorden. Daar de toepassing

van dien rooster het lezen van dat briefje in geheimschrift mogelijk

maakte, werd daaruit de gevolgtrekking gemaakt, dat dit briefje door de

beschuldigden behoorlijk ontvangen was.

Toen vernamen dezen eerst hoe de samenzwering ontdekt was en op welken

grondslag de beschuldiging rustte.

Van dit oogenblik af werden de vragen en antwoorden uiterst helder en

duidelijk van weerskanten gedaan en gegeven.

Graaf Sandorf kon niet meer ontkennen. Hij sprak dus in naam van

zichzelven en van zijne beide vrienden. Eene beweging was door hen

voorbereid, waardoor de scheiding tusschen Hongarije en Oostenrijk

teweeg zou gebracht worden, waarna de zelfregeering van het koninkrijk

der oude Magyaren hersteld zoude geworden zijn. Zonder hunne

terechtstelling zou de beweging reeds uitgebroken zijn en Hongarije zou

zijne onafhankelijkheid reeds herwonnen hebben. Mathias Sandorf maakte

zich als opperhoofd der samenzwering bekend en wees zijnen

medebeschuldigden slechts eene ondergeschikte rol toe. Maar deze

protesteerden tegen de woorden van den graaf en eischten met de eer ook

het gevaar op èn van de medeplichtigheid in de samenzwering èn van het

samengaan naar het schavot.

Het debat kon nu niet lang meer zijn. Toen daarenboven de voorzitter

van den krijgsraad de beschuldigden over hunne medeplichtigen buiten

Triëst ondervroeg, weigerden zij te antwoorden.

Geen naam werd genoemd en zou dat ook niet worden.

„Gij hebt onze drie hoofden in uw macht,” antwoordde graaf Mathias

Sandorf op kalmen en eenvoudigen toon, „weest daarmede tevreden.”

Drie hoofden slechts.... want graaf Sandorf stelde zich toen tot taak

om de onschuld van Sarcany aan het daglicht te doen treden. Hij

verhaalde hoe hij den jongen man als comptabel op aanbeveling van den

bankier Silas Toronthal ten huize van graaf Ladislas Zathmar had in

dienst gesteld.

Sarcany kon dat beweren van graaf Sandorf slechts bevestigen. Hij wist

niets van de samenzwering. Hij was wel het meeste verbaasd geweest,

toen hij vernam dat daar in dat stille huis in de Acquedottolaan een

complot tegen de veiligheid van den Staat gesmeed werd. Dat hij niet

bij zijne inhechtenisneming geprotesteerd had, kwam alleen daarvandaan,

dat hij niet begrepen had, wat er gaande was.

Noch graaf Sandorf, noch hij ondervonden moeilijkheden bij het

vaststellen van dien staat van zaken, en het mag wel waarschijnlijk

geacht worden, dat de krijgsraad dienaangaande reeds een vooraf

gevestigde meening bezat. Op het advies van den auditeur militair werd

dan ook de beschuldiging, tegen Sarcany ingebracht, ingetrokken en van

verdere vervolging afgezien.

Tegen twee uren in den namiddag waren de debatten afgeloopen en werd in

dezelfde zitting het vonnis geslagen.

Graaf Mathias Sandorf, graaf Ladislas Zathmar en professor Stephanus

Bathory werden, als overtuigd van hoogverraad jegens den Staat, ter

dood veroordeeld.

De veroordeelden zouden op de binnenplaats van de vesting zelve

doodgeschoten worden.

Het vonnis zou binnen twee maal vier en twintig uur voltrokken worden.

Sarcany werd vrijgesproken, maar hij zou naar de gevangenis

teruggevoerd worden, tot de bekrachtiging van zijn vonnis van

vrijlating, hetgeen denzelfden dag van de terechtstelling der drie

schuldigen zou geschieden.

Hetzelfde vonnis sprak ook de verbeurdverklaring der goederen van de

drie veroordeelden uit.

Daarop werd bevel gegeven om graaf Mathias Sandorf, graaf Ladislas

Zathmar en professor Stephanus Bathory naar hunnen kerker terug te

voeren.

Sarcany werd in de cel teruggebracht, die hij betrokken had aan het

uiteinde van een elliptische gang, die op de tweede verdieping van den

vestingtoren gelegen was.

Graaf Sandorf en zijne beide vrienden werden gedurende de laatste uren,

die zij nog te leven hadden, ingekerkerd in eene vrij ruime cel, die op

dezelfde verdieping aan het uiteinde van de groote as van bedoelde

ellips, welke door de gang beschreven werd, gelegen was. Ditmaal was

het bevel tot afzondering opgeheven. De veroordeelden zouden bij

elkander blijven totdat het oogenblik van sterven gekomen zou zijn.

Toen zij eindelijk alleen gelaten waren, was dat een troost, ja, zelfs

een vreugde voor hen. Toen konden zij zich vrijelijk overgeven aan

hunne gemoedsaandoeningen; toen konden zij hunne gevoelens vrij den

teugel laten vieren. In tegenwoordigheid hunner rechters hadden zij

zich weten te bedwingen; de terugwerking deed zich thans evenwel gelden

en daar zonder getuigen openden zij de armen voor elkander en klemden

elkander aan hunne mannelijke borst.

„Vrienden,” sprak graaf Sandorf, „ik zal de schuld van uwen dood zijn!

Maar ik onthoud mij er u vergiffenis voor te vragen! Het gold

Hongarije’s onafhankelijkheid! Onze zaak was eene rechtvaardige zaak!

Het was onze plicht voor hare verdediging op te treden! Het zal eene

eer zijn het leven voor haar te laten!”

„Mathias,” antwoordde Stephanus Bathory, „wij bedanken u integendeel,

dat ge ons deel hebt laten nemen aan dat vaderlandslievende werk, dat

de kroon op geheel ons leven zal stellen...”

„Wij zullen elkanders deelgenooten tot in den dood zijn!” antwoordde

graaf Zathmar koelbloedig.

Daarna bekeken de drie vrienden, na een poos van stilzwijgen, de akelig

sombere cel, waarin zij hunne laatste levensuren zouden doorbrengen.

Een smal venster, dat in de dikke muren van den vestingtoren op eene

hoogte van vier of vijf voeten ingesneden was, verschafte ternauwernood

genoegzaam daglicht. Zij bevatte drie ijzeren ledikanten, eenige

stoelen, eene tafel en eenige muurtafeltjes, die aan de wanden

vastgeklonken waren en waarop allerlei voorwerpen stonden.

Terwijl Ladislas Zathmar en Stephanus Bathory zich natuurlijk genoeg

aan hunne sombere overpeinzingen overgaven, wandelde graaf Mathias

Sandorf de cel op en neer.

Ladislas Zathmar, die zich alleen ter wereld bevond, had niet veel te

beweenen. Slechts één persoon op deze aarde zou om hem treuren en dat

was zijn knecht Borik.

Zoo was het niet met Stephanus Bathory gesteld. Zijn dood trof niet hem

slechts. Hij had eene vrouw en een zoon, die door dien slag ook

getroffen zouden worden. Die dierbare wezens zouden er door geschokt

worden, konden er van sterven! En... wanneer zij hem overleefden, welk

bestaan wachtte hen dan! Welke toekomst voor die onbemiddelde vrouw met

een kind van ternauwernood acht jaren oud! Wanneer bovendien Stephanus

Bathory eenig vermogen bezeten had, wat zou daarvan dan nog aan haar,

na een vonnis, hetwelk de verbeurdverklaring van al de goederen der

drie ter dood veroordeelden uitsprak, verbleven zijn?

Wat graaf Sandorf betrof, het was zijn geheel verleden, hetwelk hem

voor den geest trad! Het was zijne vrouw, wier beeld hij steeds in zijn

hart omdroeg! Het was zijn dochtertje, een kind van twee jaren, hetwelk

aan de goede zorgen van den intendant achtergelaten was, en wien thans

de taak toeviel om haar op te voeden! Het waren zijne vrienden, die hij

in het ongeluk gesleept had! Hij vroeg zich af, of hij wel goed

gehandeld had, of hij niet verder gegaan was dan de plicht jegens het

vaderland gebood, nu de straf verder reikte, nu zij onschuldigen trof!

„Neen!... neen!... ik heb mijn plicht slechts gedaan!” herhaalde hij

voortdurend bij zich zelven. „Neen!... het vaderland voor alles, boven

alles!”

Een gevangenbewaarder trad tegen vijf uren de cel binnen, zette het

eten voor de drie veroordeelden op de tafel neer en ging weer heen

zonder een enkel woord gesproken te hebben. Mathias Sandorf evenwel had

wel willen weten, waar hij zich bevond, hoe de vesting heette, waarin

hij opgesloten was. Maar op de vraag, die hij daaromtrent aan den

voorzitter van den krijgsraad gedaan had, had deze gemeend niet te

moeten antwoorden en voorzeker zou de gevangenbewaarder, daartoe door

een bevel genoodzaakt, wel evenmin geantwoord hebben.

De drie veroordeelden raakten het eten, dat hun voorgediend was,

ternauwernood aan. Zij brachten den dag door met over allerhande zaken

te praten, over de hoop dat de verijdelde omwenteling den een of

anderen tijd hervat zoude worden. Toen kwamen zij herhaaldelijk op de

bijzonderheden der zaak terug.

„Wij weten thans,” zei graaf Ladislas Zathmar, „waarom wij gevangen

genomen zijn en hoe de politie alles door dat briefje, hetwelk haar in

handen is gevallen, te weten is gekomen”.

„Ongetwijfeld, Ladislas,” antwoordde graaf Sandorf, „maar in wiens

handen is dat briefje, een der laatsten, die wij ontvangen hebben, toch

gevallen en door wien is er afschrift van genomen?”

„En hoe is, nadat het briefje bemachtigd was, de rooster gevonden, om

dat briefje te kunnen ontraadselen?” sprak Stephanus Bathory op zijne

beurt.

„Die rooster moet ons dus, al was het maar voor een oogenblik,

ontstolen zijn,” zei graaf Sandorf.

„Ontstolen!... Door wien?” vroeg Ladislas Zathmar. „Op den dag onzer

gevangenneming lag hij nog in de lade van de schrijflessenaar op mijne

slaapkamer. Daar hebben hem toch de politieagenten gevonden, niet

waar?”

Het was inderdaad onverklaarbaar. Dat het briefje aan den hals van de

reisduif, die het overbracht, gevonden was, dat er nauwkeurig afschrift

van was gemaakt, alvorens naar zijne bestemming doorgezonden te zijn,

dat het huis van bestemming ontdekt was, dat alles kon en moest

aangenomen worden. Maar dat de letters van het geheimschrift op hunne

ware plaats hadden kunnen hersteld worden, zonder het instrumentje

waarmede het tot stand gebracht was, dat was onverklaarbaar, dat was

onbegrijpelijk.

„En toch is dat briefje ontraadseld en gelezen geworden,” hernam graaf

Sandorf, „daaromtrent zijn wij zeker, niet waar? En het is niet zonder

den rooster kunnen ontcijferd worden! Het is dat briefje, hetwelk de

politie op het spoor van het complot gebracht heeft en het is op dat

briefje alleen, dat de geheele beschuldiging gegrondvest is!”

„Och, wat kan het ons toch schelen!” antwoordde Stephanus Bathory.

„O! het kan ons integendeel veel schelen!” riep graaf Sandorf uit. „Wij

zijn misschien verraden geworden! En als er een verrader in het spel

is, dan.... is het zaak.... te....”

Graaf Sandorf stokte. Sarcany’s naam kwam hem voor den geest. Maar hij

verbande die gedachte ver, zeer ver, zonder haar zelfs aan zijne

vrienden mede te deelen.

Mathias Sandorf en zijne twee vrienden gingen zoo voort met praten over

dat onverklaarbare in die zaak en zoo werd het langzamerhand laat in

den nacht.

Zij werden den volgenden morgen uit een vrij diepen slaap gewekt, door

het binnenkomen van den gevangenbewaarder. Het was de morgen van hun

voorlaatsten dag. De terechtstelling was op vier en twintig uren later

bepaald.

Stephanus Bathory vroeg aan den gevangenbewaarder of het hem geoorloofd

zoude zijn, zijn gezin te zien.

De gevangenbewaarder antwoordde, dat hij dienaangaande geene bevelen

had. Het was evenwel niet waarschijnlijk, dat het Oostenrijksch

gouvernement den veroordeelden die laatste vertroosting zou toestaan.

De geheele zaak was toch tot op den dag van het vonnis zoo geheim

mogelijk gehouden geworden. Zelfs de naam van de vesting, die den

veroordeelden tot gevangenis diende, was geheim gebleven.

„Kunnen wij ten minste schrijven, en zullen onze brieven hunne

bestemming bereiken?” vroeg graaf Sandorf.

„Ik zal u papier, pen en inkt geven,” antwoordde de gevangenbewaarder,

„en ik beloof u, uwe brieven aan den gouverneur ter hand te zullen

stellen.”

„Wij danken u, vriend,” antwoordde graaf Sandorf, „voor hetgeen gij

doen wilt en wat gij alleen doen kunt! Wij kunnen u niet voor uwe

moeite beloonen; maar....”

„Uw dank is voor mij genoeg, heeren,” hernam de gevangenbewaarder, die

zijne ontroering niet kon verbergen.

Die brave man bracht dadelijk het noodige schrijfgereedschap. De

veroordeelden brachten een gedeelte van den dag door met het nemen

hunner laatste beschikkingen. Van den kant van graaf Sandorf waren het

de meest gemoedelijke raadgevingen voor zijn dochtertje, dat als wees

zou achterblijven, welke uit het hart eens vaders konden opwellen. Van

den kant van Stephanus Bathory waren het de vurigste

liefdesbetuigingen, die deze in zijn laatst vaarwel aan zijne

echtgenoote en aan zijn zoon deed vernemen. Van den kant van Ladislas

Zathmar waren het innige aanhankelijkheidsbewijzen, die een heer voor

zijn ouden knecht, voor zijn laatsten vriend kon koesteren.

Maar hoe afgetrokken waren zij niet dien dag, hoe herhaaldelijk hadden

de gevangenen de ooren niet gespitst! Hoe menigmaal poogden zij niet te

ontwaren, of er geen ver gedruisch door de lange gangen van den

vestingtoren tot hen doordrong. Hoe menigmaal scheen het hun niet, dat

de deur van die cel zou opengaan en dat het hun veroorloofd zou zijn

voor de laatste maal eene gade, eene dochter, een zoon te omarmen! Dat

zou eene vertroosting geweest zijn. Maar, in waarheid, was het niet

beter dat een wreed onvermurwbaar verbod, dat laatste vaarwel, hetgeen

zoo hartverscheurend zoude zijn, belette?

De deur ging niet open. Ongetwijfeld wisten noch mevrouw Bathory, noch

haar zoon, noch de intendant Lendek, aan wien het dochtertje van graaf

Mathias Sandorf toevertrouwd was, waarheen de gevangenen na hunne

inhechtenisneming overgebracht waren, evenmin als Borik, die nog steeds

in de gevangenis te Triëst opgesloten zat. Allen wisten ongetwijfeld

ook niet, welk vonnis over de hoofden der samenzwering uitgesproken

was. De veroordeelden, zoo was bepaald, zouden hunne dierbaren vóór de

ten uitvoerlegging van het vonnis niet wederzien.

De eerste uren van dien dag snelden zoo voorbij. Soms praatten Mathias

Sandorf en zijne beide vrienden te zamen. Soms ook vervielen zij in een

langdurig stilzwijgen en waren zij in zichzelven gekeerd. In die

oogenblikken gleed alles met eene schrikkelijke, bovennatuurlijke

nauwkeurigheid in het geheugen voorbij. Het was alsdan niet in het

verledene dat zij terugtraden. Alles wat de herinnering in het brein

terugriep, ontplooide zich in den vorm van het tegenwoordige. Was dat

als een voorgevoel van de eeuwigheid, die zich opende van dien

onbegrijpelijken en onmetelijken toestand, dien men het oneindige

noemt?

Intusschen, terwijl Stephanus Bathory en Ladislas Zathmar zich zoo

zonder stoornis aan hunne overpeinzingen overgaven, werd het brein van

Mathias Sandorf onweerstaanbaar beheerscht door eene gedachte, die er

als het ware post in had gevat. Hij twijfelde er niet aan, of in die

geheimzinnige zaak had het verraad zijne treurige rol vervuld. Nu was

voor een man van zijn karakter, sterven zonder den verrader, wie hij

ook zijn mocht, gestraft te hebben, zonder zelfs te weten wie de

verrader was, als het ware tweemaal sterven. Wie had dat briefje,

waaraan de politie de ontdekking van de samenzwering en de

inhechtenisneming der hoofdschuldigen te danken had, bemachtigd? Wie

had de middelen ontdekt om het te kunnen lezen? Wie had het aan de

politie overgeleverd, verkocht wellicht?.... Tegenover dat onoplosbaar

vraagstuk waren de opgewonden hersenen van graaf Sandorf ten prooi aan

eene soort koorts.

Terwijl zijne vrienden dan ook schreven of daar stilzwijgend ter neer

zaten en zich onbeweeglijk hielden, liep hij onrustig langs de muren

der cel als een wild dier in zijne kooi op en neer.

Een zonderling maar volkomen door de wetten der geluidsleer

verklaarbaar natuurverschijnsel, zou hem het geheim mededeelen, juist

toen hij wanhopen moest het ooit te vernemen.

Verscheidene malen had graaf Sandorf stilgestaan bij den hoek van het

vertrek, die door den binnenmuur gevormd werd met den buitenmuur van de

gang, waarop de verschillende cellen van deze verdieping van den

vestingtoren uitkwamen. In dien hoek, in welks nabijheid de deur

aangebracht was, meende hij een gemurmel gehoord te hebben als van

verwijderde stemmen, dat nog niet verstaanbaar was. Eerst sloeg hij er

geen acht op, maar.... plotseling hoorde hij een naam uitspreken....

den zijnen.... en dat deed hem het oor spitsen.

Klaarblijkelijk werd daar hetzelfde natuurverschijnsel te voorschijn

geroepen, gelijk aan dat, hetwelk onder boogvormige gangen of onder

gewelven met ellipsvormige constructie waargenomen wordt. De stem, die

van een der zijden van de ellips uitgaat, doet zich na den omtrek der

muren gevolgd te hebben in het andere brandpunt vernemen, zonder op

hare baan ergens waarneembaar te zijn geweest. Zulk een

natuurverschijnsel wordt in de onderaardsche gewelven van het Panthéon

te Parijs, in de binnenruimte van den koepel van de Sint Pieterskerk te

Rome, in de „whispering gallery” de weerklinkende galerij van de Sint

Paulskerk te Londen waargenomen. Onder dergelijke omstandigheden wordt

het geringste woord, zelfs wanneer het fluisterend uitgesproken wordt,

duidelijk verstaan in het tegenovergestelde brandpunt.

Er viel hier niet aan te twijfelen. Twee of meer personen praatten,

hetzij in de gang, hetzij in een der cellen aan het einde van zijn

doorsnede gelegen, en het brandpunt bevond zich bij de deur van de cel,

waarin Mathias Sandorf opgesloten was.

Met een enkel gebaar riep hij zijne makkers tot zich. En daar stonden

zij alle drie met gespitste ooren te luisteren.

Brokstukken van volzinnen bereikten hun oor zeer duidelijk. De

volzinnen werden afgebroken, wanneer de sprekers zich, al was het ook

nog maar zoo weinig, van het brandpunt verwijderden, dat wil zeggen van

dat punt, waarvan de ligging het natuurverschijnsel deed geboren

worden.

En ziehier de woorden, die zij met herhaalde tusschenpoozen opvingen:

...............................................................

„Morgen na de terechtstelling zult ge vrij zijn................

...............................................................

„En dan zullen de goederen van graaf Sandorf, eerlijk verdeeld.

...............................................................

„Zonder mij zoudt ge dat briefje niet hebben kunnen ontraadselen.

...............................................................

„En zonder mij, die het aan den hals van de postduif gevonden heb,

zoudt gij het nooit in handen gekregen hebben..................

...............................................................

„Hoe het ook zij, niemand kan eenige verdenking koesteren, dat wij de

politie........................................................

...............................................................

„En als de veroordeelden nu ook al eenige achterdocht..........

...............................................................

„Noch bloedverwanten, noch vrienden kunnen meer tot hen

doordringen....................................................

...............................................................

„Tot morgen, Sarcany”..........................................

„Tot morgen, Silas Toronthal!”.................................

...............................................................

Daarna zwegen de stemmen en het geluid eener deur die toesloeg, werd

vernomen.

„Sarcany!.... Silas Toronthal!....” riep graaf Sandorf uit. „Zij!....

Zij zijn het!”

Mathias Sandorf [1] · 第 6 / 17 段