geheele belangrijkheid van de bewerking.
Ziehier welke de achttien woorden van het briefje waren. Het zal
voorzeker noodig zijn ze andermaal onder de oogen van den lezer te
brengen:
ghfhna dalant ltenka
aohhzk aenzse tsnivi
znrijoo tnpees seijehe
lxosde soelnl sglpte
veknni ilarna lotasa
ijareah nezmtl rradae
Het kwam er vooreerst op aan, de eerste zes woorden te ontraadselen. Om
daartoe te geraken, schreef Sarcany ze op een vel papier, daarbij zorg
dragende de letters zoodanig van elkander te schrijven, dat ieder
hunner overeenkwam met een der vakken van den rooster.
Dat gaf de volgende uitkomst:
g h f h n a
a o h h z k
z n r ij o o
l x o s d e
v e k n n i
ij a r e a h
Daarna werd de rooster zoodanig op dat samenstel geplaatst, dat de
zijde met het kruisje gemerkt bovenaan stond. Toen lieten de leege
vakken de volgende negen letters zien, terwijl de zeven en twintig
anderen door de volle vakken van het bordpapier bedekt bleven. Zoo
+
+---+---+---+---+---+---+
|###| h |###| h |###| a |
+---+---+---+---+---+---+
|###|###|###|###| z |###|
+---+---+---+---+---+---+
|###|###| r |###|###|###|
+---+---+---+---+---+---+
|###| x |###|###| d |###|
+---+---+---+---+---+---+
|###|###|###|###|###| i |
+---+---+---+---+---+---+
|###|###|###| e |###|###|
+---+---+---+---+---+---+
Sarcany liet daarna den rooster een kwart omwenteling volbrengen van de
linker- naar de rechterzijde, zoodanig dat de bovenkant ditmaal de
rechterkant werd. Bij die tweede toepassing waren het de navolgende
letters, die in de ledige vakken te voorschijn traden:
+---+---+---+---+---+---+
|###|###|###|###|###|###|
+---+---+---+---+---+---+
|###|###| h |###|###| k |
+---+---+---+---+---+---+
|###|###|###|ij |###|###|
+---+---+---+---+---+---+ +
| l |###|###|###|###| e |
+---+---+---+---+---+---+
|###|###| k |###| n |###|
+---+---+---+---+---+---+
|###| a |###|###|###| h |
+---+---+---+---+---+---+
Bij de derde toepassing werden de navolgende letters zichtbaar, die
evenals de vorigen net zorg opgeteekend werden:
+---+---+---+---+---+---+
|###|###| f |###|###|###|
+---+---+---+---+---+---+
| a |###|###|###|###|###|
+---+---+---+---+---+---+
|###| n |###|###| o |###|
+---+---+---+---+---+---+
|###|###|###| s |###|###|
+---+---+---+---+---+---+
|###| e |###|###|###|###|
+---+---+---+---+---+---+
|ij |###| r |###| a |###|
+---+---+---+---+---+---+
+
Wat Silas Toronthal en ook Sarcany al dadelijk uitermate verbaasd had,
was dat de woorden, zooals zij zich achtereenvolgens vormden, geen zin
hadden. Zij hadden verwacht hen vloeiend te hebben kunnen lezen, dewijl
zij door de opeenvolgende toepassingen van den rooster verkregen waren,
en toch waren die woorden even raadselachtig als die van het
geheimzinnige briefje. Zou dat lorrige vod onoplosbaar blijven?
De vierde toepassing van den rooster leverde het navolgende resultaat
op:
+---+---+---+---+---+---+
| g |###|###|###| n |###|
+---+---+---+---+---+---+
|###| o |###| h |###|###|
+---+---+---+---+---+---+
| z |###|###|###|###| o |
+ +---+---+---+---+---+---+
|###|###| o |###|###|###|
+---+---+---+---+---+---+
| v |###|###| n |###|###|
+---+---+---+---+---+---+
|###|###|###|###|###|###|
+---+---+---+---+---+---+
Ook dat was even duister, even raadselachtig.
En waarlijk, de vier woorden, die verkregen waren door de vier
verschillende toepassingen van den rooster, waren de navolgende:
hhazrxdie,
hkijleknah,
fanoseijra,
gnohroovn,
waaruit volstrekt niets te maken was.
Sarcany kon zijn toorn niet verbergen, door die teleurstelling
teweeggebracht. De bankier vergenoegde zich met het hoofd te schudden
en niet zonder spotternij te zeggen:
„Misschien is het die rooster niet, welken de samenzweerders bij hunne
briefwisseling gebruikt hebben!”
Die bemerking deed Sarcany opspringen.
„Laat mij voortgaan!” riep hij uit.
„Ga voort!” antwoordde Silas Toronthal.
Toen het Sarcany gelukt was de zenuwachtige beweging, die hem bevangen
had, te boven te komen en te bedwingen, hervatte hij de bewerking met
de volgende zes woorden, die de tweede kolom van het briefje vormden.
Vier malen paste hij den rooster op de woorden toe, door hem telkenmale
een kwart omwenteling te laten maken, en verkreeg daardoor die
verzameling van letters, die ook volstrekt geen zin hadden:
aatsponam,
neeslanel,
lanelluzt,
dneztseir.
Sarcany wierp ditmaal den rooster verwoed op tafel en vloekte als een
koopvaardijmatroos.
Als zonderlinge tegenstelling had Silas Toronthal zijne koelbloedigheid
geheel en al bewaard. Hij bestudeerde die zoo verkregen woorden sedert
het begin der roosterbewerking en bleef stil peinzend zitten.
„Naar den drommel dien rooster en zij die er gebruik van maken!” riep
Sarcany uit, terwijl hij van zijn stoel opvloog.
„Hoe dwaas!” zei Silas Toronthal.
„Dwaas?” vroeg Sarcany verwoed.
„Ga weer zitten,” zei de bankier kalm.
„Gaan zitten?....”
„Ja, ga zitten en ga voort!”
Sarcany keek Silas Toronthal aan. Daarna hernam hij plaats en greep
weer den rooster, om hem op de zes laatste woorden van het briefje toe
te passen. Maar hij deed dat geheel werktuigelijk als iemand, die geen
bewustzijn heeft van hetgeen hij verricht.
Ziehier de woorden, die door die vier laatste toepassingen van den
rooster verkregen werden:
tnavijgtad,
niesetsre,
etehporaa,
lksisella.
Maar die vier laatste woorden beteekenden evenmin iets als de vorige
acht.
Sarcany was uitermate verwoed. Hij greep het vel papier, waarop die
zotklinkende woorden geschreven stonden en die door den rooster
achtereenvolgens te voorschijn waren gebracht, om het te verscheuren.
Silas Toronthal weerhield hem.
„Kalmte,” zei hij.
„Och,” riep Sarcany uit, „wat is er uit te voeren met dat prul?”
„Schrijf eens al die woorden aan elkander gehecht ter neer,” antwoordde
de bankier bedaard.
„Waarom?”
„Om te zien.”
Sarcany gehoorzaamde en hij kreeg de aaneenschakeling van de navolgende
letters:
h h a z r x d i e h k ij l e k n a h f a n o s e ij r a g n o h r o o v
n a a t s p o n a m n e e s l a n e l l a n e l l u z t d n e z t s e i
r t n a v ij g t a d n i e s e t s r e e t e h p o r a a l k s i s e l
l a.
Nauwelijks waren die letters ter neer geschreven, of Silas Toronthal
rukte het papier onder de handen van Sarcany weg. Hij bekeek het en
stiet een kreet uit. Hij was het thans, die op zijne beurt de kalmte
verloor.
Sarcany vroeg zich waarachtig af of de bankier niet plotseling
krankzinnig was geworden.
„Man, lees dan toch!” riep Silas Toronthal uit, terwijl hij het papier
aan Sarcany overreikte. „Lees dan toch!”
„Lezen?”
„Ja, lezen!”
„Maar wat dan?”
„Wel, ziet gij dan niet, dat de correspondenten van graaf Mathias
Sandorf, alvorens hunne woorden met behulp van den rooster saam te
stellen, den volzin het achterste voor geschreven hebben.”
Sarcany greep ijlings het papier en ziehier wat hij las, toen hij die
letters, met de laatste te beginnen, ontraadselde.
„Alles is klaar. Op het eerste sein dat gij van Triëst
zendt, zullen allen als een man opstaan voor Hongarijes
onafhankelijkheid. X r z a h h.”
„En die laatste zes letters?” riep hij uit.
„Dat is eene vooraf overeengekomen onderteekening,” antwoordde Silas
Toronthal.
„Nu hebben wij hen te pakken!....”
„Maar dat kan de politie nog niet zeggen.”
„Dat’s mijne zaak.”
„Zoo?”
„Ja!”
„Maar gij zult zoo geheimzinnig mogelijk te werk gaan?”
„Dat’s mijne zaak,” herhaalde Sarcany voor den tweeden keer. „De
gouverneur van Triëst alleen zal de namen der twee eerlijke
vaderlandslievende mannen vernemen, die eene samenzwering tegen
Oostenrijk in hare geboorte gesmoord zullen hebben!”
Terwijl hij zoo sprak, liet die ellendeling door toon en gebaar
genoegzaam de bijtende scherts ontwaren, die hem bij het uitbrengen
dier woorden bezielde.
„Dan zal ik mij dus met niets te bemoeien hebben?” vroeg de bankier
koel.
„Met niets anders,” antwoordde Sarcany, „dan met het opstrijken van de
helft der winsten in die zaak.”
„Wanneer?”
„Hoe, wanneer?”
„Wanneer die verdeeling van winsten?”
„Wel wanneer onder de bijl drie hoofden gevallen zullen zijn, die ons
ieder meer dan een millioen zullen opbrengen.”
Silas Toronthal en Sarcany scheidden. Als zij voordeel wilden trekken
uit het geheim, hetwelk het toeval hen in handen gespeeld had, door de
samenzweerders te verraden vóórdat de omwenteling uitgebarsten was, dan
moesten zij zich haasten.
Sarcany evenwel ging, zooals hij gewoon was te doen, naar de woning van
Ladislas Zathmar terug. Hij had zijn comptabiliteits-arbeid hervat en
was daarmede bijna ten einde. Graaf Sandorf zelf zeide hem, terwijl hij
hem voor zijne betoonde vlijt bedankte, dat hij over acht dagen zijne
diensten niet meer noodig had.
Volgens Sarcany’s opvatting beduidde dat klaarblijkelijk, dat het sein,
hetwelk van Triëst verwacht werd, op dat tijdstip aan de voornaamste
steden van Hongarije zou gegeven worden.
Sarcany ging dus voort om alles, wat in het huis van graaf Ladislas
Zathmar voorviel, ten nauwkeurigste waar te nemen, zonder evenwel de
geringste achterdocht op te wekken. Hij was daarenboven gebleken zoo
vernuftig, zoo met de vrijzinnige denkbeelden ingenomen te zijn, hij
had een zoo onbewimpelden afkeer aan den dag gelegd, dien hij voor het
Duitsche ras koesterde, in één woord: hij had zijne komedie zoo goed
gespeeld, dat graaf Sandorf het voornemen had opgevat hem later,
wanneer de omwenteling Hongarije vrij zou hebben gemaakt, aan zich te
verbinden. Tot zelfs Borik was door hem gewonnen en had de
vooringenomenheid afgelegd, die hij eerst voor dien jongman gekoesterd
had.
Sarcany was dus zijn doel nabij.
Graaf Sandorf was met zijne twee vrienden overeengekomen, dat het sein
tot den opstand op den 8sten Juni zou gegeven worden, en die dag was
daar.
Maar toen was ook het aanbrengingsplan volbracht.
Dien avond overrompelde de politie van Triëst plotseling het huis van
graaf Ladislas Zathmar. Tegenstand bieden was onmogelijk. Graaf Mathias
Sandorf, graaf Ladislas Zathmar en professor Bathory, Sarcany zelfs,
die geen enkel woord van protest liet hooren, en Borik werden gevangen
genomen, zonder dat iemand iets van het bevel tot inhechtenisneming
vernomen had.
V.
VOOR, GEDURENDE EN NA DE TERECHTZITTING.
Istrië, dat door de tractaten van 1815 aan het
Oostenrijksch-Hongaarsche koninkrijk toegevoegd is geworden, is een
driehoekig schiereiland, welks landengte het grondvlak over de grootste
breedte van dien driehoek vormt. Dat schiereiland strekt zich van de
golf van Triëst af tot de golf van Quarnero uit, en worden langs die
kust vrij talrijke havenplaatsen aangetroffen. Onder deze kan als de
voornaamste opgesomd worden, de haven van Pola, die aan de Zuiderpunt
van bedoeld schiereiland gelegen is.
Die provincie Istrië, vooral wat hare westelijke kusten betreft, is
zeer Italiaansch, zelfs Venetiaansch gebleven, zoowel door hare
gebruiken en gewoonten, als door hare taal. Het is waar, dat er het
Slavonisch element een soort tegenwicht vormt; maar wat zeker is, dat
is dat het Duitsche element zich er met moeite tusschen die twee rassen
kan handhaven.
Verscheidene belangrijke steden langs de kust of in het binnenland
gelegen, schenken leven aan die streek, die door de wateren der
Adriatische Zee bespoeld wordt. Zoo als daar zijn Capo d’Istria en
Pirano, welker bevolking bijna uitsluitend de groote
zoutaanmaakbeddingen bewerkt, die aan de monding der Risano en der
Corna Lunga gelegen zijn; verder Parenzo, de residentieplaats van de
vertegenwoordiging van Istrië en van den bisschop; nog verder Rovigno,
hetwelk zijne rijkdommen uit zijne olijfaanplantingen trekt; eindelijk
Pola, waar de toeristen de prachtige monumenten van Romeinschen
oorsprong gaan zien en die bestemd is de meest belangrijke
oorlogshavenplaats van geheel de Adriatische zee te worden.
Maar geen dezer steden heeft het recht de hoofdplaats van Istrië
genoemd te worden. Het is eigenlijk Pisino, dat in het midden van den
bedoelden driehoek gelegen is, dat dien naam draagt, en het was
daarheen dat de gevangenen na hunne geheime inhechtenisneming gebracht
werden zonder dat zij er iets van wisten.
Voor de deur van het huis van graaf Ladislas Zathmar stond een
postrijtuig te wachten. Alle vier stegen in en twee Oostenrijksche
maréchaussées—van die lieden welke behoorlijk voor de veiligheid in de
Istrische velden zorgen—namen bij hen plaats. Het was hun dus niet
geraden om gedurende de geheele reis een enkel woord te wisselen, dat
gevaarlijk kon zijn; of eenige overeenkomst van gemeenschappelijk
handelen te bespreken, betreffende hun verschijnen voor den rechter.
Eene bedekking van twaalf maréchaussées te paard, die onder de bevelen
van een luitenant stonden, reed voor, achter en bij de portieren van
het rijtuig, dat tien minuten later de stad verlaten had. Wat Borik
betreft, die was dadelijk naar de gevangenis van Triëst gebracht
geworden en daar in eene cel, afgezonderd van een ieder opgesloten.
Waar bracht men de gevangenen heen? In welke vesting zou het
Oostenrijksche gouvernement hen opsluiten, daar het kasteel van Triëst
daartoe niet genoegzaam scheen? Dat was wel belangrijk voor graaf
Sandorf en zijne vrienden; maar dat kregen zij niet te weten, welke
moeite zij daartoe ook aanwendden.
De nacht was donker. Ternauwernood konden de lantaarns van het rijtuig
den weg verlichten tot bij de eerste rij der ruiters van de bedekking.
Men reed snel vooruit. Mathias Sandorf, Stephanus Bathory en Ladislas
Zathmar hielden zich stil en zwijgend in hunne hoeken. Ook Sarcany
poogde dat stilzwijgen niet te verbreken, noch om tegen zijne
inhechtenisneming te protesteeren, noch om te vragen, waarom deze
geschied was.
Na Triëst verlaten te hebben, veranderde het postrijtuig zoodanig van
richting, dat het in schuinsche strekking naar de zeekust teruggevoerd
werd. Graaf Sandorf kon toch te midden van het leven, door de hoeven
der paarden, door de wielen van het rijtuig, door het geklikklak der
sabels veroorzaakt, in de verte het gedruisch van de branding op de
rotsen van het strand vernemen. Eenige lichten schitterden gedurende
enkele oogenblikken in den nacht, maar verdwenen weer dadelijk. Het was
een klein vlek, Muggia genaamd, hetwelk het postrijtuig doorgereden had
zonder halt te houden. Daarna meende graaf Sandorf dat hun weg weer
landwaarts in voerde.
Te elf uur in den avond, stond het rijtuig stil om te verspannen. Er
was niets anders te zien dan eene soort hoeve, waar de paarden
wachtten, geheel en al gereed om aangespannen te worden. Het was de
gewone pleisterplaats voor de postrijtuigen niet. Men had vermeden, die
van Capo d’Istria aan te doen.
De bedekking reed weer vooruit. Het rijtuig volgde thans een weg, die
tusschen wijngaarden door liep, wiens slingerloten zich aan de takken
der moerbeziënboomen als festoenen vasthechtten. Men bleef steeds in de
vlakte, hetgeen veroorloofde zeer snel te rijden. De duisternis was des
te zwarter, daar verscheidene dikke wolken, door een stevigen
zuidwesten wind voortgejaagd, het geheele uitspansel innamen en
bedekten. Hoewel de glasramen der portieren van tijd tot tijd
neergelaten werden om de lucht in het rijtuig eenigszins te
ververschen,—want de zomernachten zijn zoel in Istrië—zoo was het toch
onmogelijk iets te kunnen onderscheiden, zelfs binnen zeer beperkten
straal.
Welke aandacht graaf Mathias Sandorf, graaf Ladislas Zathmar en
Stephanus Bathory ook inspanden om zich de geringste aanwijzingen, die
zich onderweg voordeden op te teekenen, zooals de richting van den
wind, den verloopen tijd sedert hun vertrek, zoo gelukte het hun toch
niet te weten in welke richting het postrijtuig reed. Men wilde
ongetwijfeld dat het gerechtelijk onderzoek in deze zaak in het
grootste geheim en op eene plaats die onbekend voor het volk moest
blijven, zou geschieden.
Tegen twee uren in den morgen verspande men voor den tweeden keer.
Evenals bij de eerste verspanning duurde zij ternauwernood vijf
minuten.
Graaf Sandorf meende in het donker eenige huizen te bespeuren, die een
groepje aan het uiteinde van een weg vormden en bijgevolg de uiterste
huizen van een voorstad konden zijn.
Dat was Baja, de hoofdplaats van het district van dien naam, welke op
ongeveer een twintigtal mijlen van Muggia gelegen is.
Zoodra de versche paarden aangespannen waren, fluisterde de luitenant
der maréchaussées den postiljon iets in het oor, waarop het postrijtuig
in galop vertrok.
Tegen half vier zou de dag aanbreken. De gevangenen zouden een uur
later, door de opkomende zon, zich eenigermate rekenschap hebben kunnen
geven van de hoofdrichting, die zij tot nu toe gevolgd hadden. Zij
zouden ten minste kunnen bepalen of zij noord- of zuid-, oost- of
westwaarts gereden hadden. Maar toen sloten de maréchaussées de
raamkleppen dicht, zoodat het innerlijke van het rijtuig in diepe
duisternis gedompeld was.
Noch graaf Sandorf, noch zijne beide vrienden lieten zich eene enkele
opmerking ontvallen. Er zou toch niet naar geluisterd zijn, dat was
maar al te zeker. Beter was het dus maar volkomen te berusten en te
wachten.
Een of een paar uur later—het zou moeilijk geweest zijn den tijd te
schatten,—hield het rijtuig voor de laatste maal stil en verspande bij
het vlek Visinada.
Alles wat men van dat punt af kon waarnemen, was dat de weg zeer
moeilijk werd. Het geschreeuw van den postiljon, het klappen der zweep,
moedigde de paarden aan, wier hoefijzers op den ongelijken
steenachtigen bodem van die bergachtige landstreek weerklonken. Eenige
heuvels, met kleine bosschen overdekt, die een grijsachtig voorkomen
vertoonden, hadden den gezichtseinder zeer begrensd. De gevangenen
hadden twee of drie maal de tonen eener fluit kunnen vernemen. Dat
waren jeugdige herders, die hunne vreemdsoortige melodieën bliezen,
terwijl zij hunne kudden zwarte geiten hoedden. Maar dat was wel eene
onvoldoende aanduiding van de landstreek, die men doorreed, en men
moest zich tevreden stellen met niets te zien.
Het kon zoo ongeveer negen uur in den morgen geweest zijn, toen het
postrijtuig een geheel anderen gang aannam. Men kon zich daarin niet
vergissen, het rolde toen snel langs eene helling naar beneden, na
eerst het hoogste punt van den weg bereikt te hebben. Die snelheid was
zeer groot, zoodat zelfs de wielen herhaaldelijk geremd moesten worden.
En inderdaad, na eerst in dat geaccidenteerde terrein, hetwelk door den
berg Major beheerscht wordt, gestegen te zijn, daalde de weg schuins
naar beneden, toen hij Pisino naderde. Hoewel die stad nog vrij hoog
boven de oppervlakte der zee verheven is, zoo schijnt zij toch in een
dal begraven te liggen, wanneer men omliggende hoogten in aanmerking
neemt. Lang alvorens haar te bereiken, kan men reeds het torentje
bespeuren, dat boven de groep harer huizen, welke schilderachtig
amphitheatersgewijs gebouwd zijn, uitsteekt.
Pisino is de districtshoofdplaats en telt eene bevolking van ongeveer
vijf en twintig duizend zielen. Zij is nagenoeg in het midden van dat
driehoekig schiereiland gelegen, en de Morlakken, de Slavoniërs van
verschillende stammen, zelfs de Tsiganen wemelen in die stad, vooral
tegen het tijdstip der jaarmarkten, wanneer een aanzienlijke handel
gedreven wordt.
Als oude stad heeft de hoofdplaats van Istrië haar feodaal karakter
behouden. Dat komt vooral in haar versterkt kasteel uit, hetwelk eenige
nieuwere militaire etablissementen, waarin de administratieve bureaux
van het Oostenrijksche Gouvernement gevestigd zijn, beheerscht.
Het was op de binnenplaats van dat kasteel, dat het postrijtuig op den
9den Juni des voormiddags te tien uren ongeveer, na eene reis van ruim
vijftien uren, stilstond. Graaf Sandorf met zijne beide makkers, alsook
Sarcany moesten toen uitstijgen. Eenige oogenblikken later waren zij
ieder afzonderlijk gekerkerd in de gewelfde vertrekken van dat gebouw,
welke zij slechts konden bereiken, na een vijftigtal treden van een
groote trap opgeklommen te zijn.
Het was de geheime opsluiting in hare volle gestrengheid.
Hoewel zij hoegenaamd geene gemeenschap met elkander hadden en zij
derhalve niet van gedachten wisselen konden, zoo hadden Mathias
Sandorf, Ladislas Zathmar en Stephanus Bathory slechts één denkbeeld,
hetwelk hun brein martelde: Hoe was het geheim der samenzwering ontdekt
geworden?
Was ’t het toeval, dat de politie op het spoor gebracht had?
Maar niets had naar buiten kunnen uitlekken! Geen briefwisseling had
meer plaats tusschen Triëst en de voornaamste steden van Hongarije en
Transsylvanië.
Was er dus verraad in het spel?
Maar wie was dan de verrader?
Nooit was eene vertrouwelijke mededeeling aan wien ook gedaan geworden!
Onmogelijk had eenig papier in de handen van een spion kunnen vallen!
Alle documenten waren steeds vernietigd. En al had men ook het huis in
de Acquedottolaan in alle hoeken en gaten doorzocht, al had men het ook
het onderste boven gekeerd, dan zou men niets verdachts gevonden
hebben!
En dat was zelfs gebeurd. De politieagenten hadden gezocht, gezocht,
maar niets anders gevonden dan den rooster, die door graaf Zathmar niet
vernietigd was, want het kon toch mogelijk zijn, dat hij nog zou moeten
dienen. Ongelukkiglijk zou die rooster als overtuigingsbewijs opgenomen
worden, waarvan het gebruik onmogelijk anders verklaard kon worden, dan
dat hij gebezigd werd voor eene geheime briefwisseling.
De lezer weet, wat de gevangenen nog niet wisten, dat alleen op het
afschrift van het briefje, hetwelk Sarcany in medeplichtigheid met
Silas Toronthal aan den gouverneur van Triëst ter hand gesteld had, na
er eerst de duidelijke beteekenis bijgevoegd te hebben, de
inhechtenisneming geschied was. Dat was evenwel voldoende om daarop
eene beschuldiging van complot tegen de veiligheid van den Staat te
grondvesten. Meer was dus niet noodig om graaf Sandorf en zijne
vrienden voor eene afzonderlijke rechtbank, voor een krijgsraad te
brengen, die de militaire rechtspleging zou toepassen.
Er bestond evenwel een verrader en die was niet verre. Door zich,
zonder een woord te zeggen, in hechtenis te laten nemen, door zich
zelfs te laten veroordeelen, natuurlijk met de nevengedachte om later
wel gratie te verwerven, ontkwam die verrader aan iedere achterdocht.
Dat was Sarcany’s spel en hij speelde die komedie met al den ernst en
de koelbloedigheid die hij bij alles aan den dag legde.
Daarenboven graaf Sandorf, die door dien schurk bedrogen was—en wie ter
wereld zou het niet geweest zijn in zijne plaats?—was besloten om alles
aan te wenden, om hem buiten het geding te houden. Het zou hem niet
moeilijk vallen, zoo dacht hij, te bewijzen, dat Sarcany geen deel aan
de samenzwering genomen had, dat hij slechts een eenvoudig comptabel
was, die eerst kort geleden toegang tot het huis van Ladislas Zathmar
verkregen had en slechts belast was geweest met de personeele zaken van
den graaf, die in geen verband hoegenaamd met de samenzwering stonden.
Als het noodig zou zijn, zou hij Silas Toronthal als getuige oproepen,
om de onschuld van den jongen man te bewijzen. Hij twijfelde er dan ook
niet aan, of Sarcany zou wel worden vrijgesproken, zoowel wat aangaat
de hoofdbeschuldiging als van die der medeplichtigheid, in het geval
dat men er toe geraken mocht eene ernstige beschuldiging in te stellen,
hetgeen hem nog niet geloofbaar voorkwam.
Alles wel beschouwd, kon het Oostenrijksche gouvernement, behalve de
complotmakers van Triëst, onmogelijk iets van de samenzwering weten.
Hunne deelgenooten in Hongarije en Transsylvanië waren geheel onbekend.
Er bestond geen enkel spoor van hunne medeplichtigheid. Mathias
Sandorf, Stephanus Bathory en Ladislas Zathmar hadden dus dienaangaande
geene zorgen te koesteren.