„Neen,” zei hij, „het is, alles wel beschouwd, waarschijnlijk beter,

dat Sarcany hoore wat hier gesproken zal worden.”

De bankier schelde den bediende en beval hem graaf Sandorf onmiddellijk

binnen te geleiden.

Mathias Sandorf trad het kantoor binnen en beantwoordde geheel

overeenkomstig zijn karakter, de beleefde buigingen van Silas Toronthal

koel. Daarna nam hij in een leuningstoel plaats, dien de bediende

bijgeschoven had.

„Heer graaf,” zei de bankier, „ik mocht op de eer van uw bezoek niet

hopen, daar ik meende dat gij niet te Triëst waart. Maar gij weet het,

in het huis Toronthal zijt gij steeds welkom en uwe tegenwoordigheid

wordt hier hoogst gewaardeerd.”

„Mijnheer,” antwoordde Mathias Sandorf, „ik ben slechts een der meest

bescheidene uwer klanten, daar ik, zooals gij weet, geene zaken drijf.

Toch ben ik u dank schuldig dat gij wel de fondsen, die ik disponibel

had, in deposito hebt willen nemen.”

„Heer graaf, vergeef mij wanneer ik u herinner,” hernam Silas

Toronthal, „dat die fondsen in rekening courant door mij opgenomen

zijn, zoodat gij niet vergeten moogt, dat zij u renten opbrengen.”

„Ik weet het, mijnheer....” antwoordde graaf Mathias Sandorf, „maar ik

herhaal wat ik u destijds zeide, dat ik geene geldbelegging bij uw huis

beoogde, slechts een eenvoudig deposito.”

„Het zij zoo, heer graaf,” hernam Silas Toronthal. „Maar het geld is in

deze tijden duur en het zou niet billijk wezen, wanneer het uwe

improductief bleef liggen. Een finantieele crisis dreigt over het

geheele land zich uit te strekken. De toestanden zijn in het binnenland

zeer moeilijk. De zaken zijn als het ware geheel verlamd. Eenige

bankbreuken van belangrijke huizen hebben het openbaar crediet

geschokt, terwijl er nog andere verwacht worden....”

„Maar uw huis is solied, nietwaar, mijnheer?” vroeg Mathias Sandorf en

vervolgde zonder antwoord daarop af te wachten: „Ik weet uit goede

bron, dat het slechts zeer weinig geleden heeft door de reactie van die

bankbreuken.”

„O, zeer weinig,” antwoordde Silas Toronthal met de grootste kalmte.

„De handel op de Adriatische zee verzekert ons bovendien een stroom van

maritieme zaken, die der huizen van Pest of van Weenen ontvalt, zoodat

de crisis ons slechts weinig gedeerd heeft. Wij zijn dus niet te

beklagen, heer graaf en beklagen ons ook niet.”

„Ik kan niet anders dan u geluk wenschen, mijnheer,” betuigde Mathias

Sandorf. „Ik meen u evenwel te moeten vragen, of tengevolge van die

crisis zich binnenslands geene verwikkelingen voorgedaan hebben?”

Hoewel graaf Sandorf die vraag gesteld had op een toon, alsof hij er

geen het minste belang in stelde, zoo wekte zij toch de aandacht van

Silas Toronthal op, die den graaf dan ook meer nauwkeurig gadesloeg.

Die vraag kon toch inderdaad betrekking hebben op hetgeen hij van

Sarcany vernam.

„Ik weet niets dienaangaande,” antwoordde Silas Toronthal, „en ik heb

niet vernomen dat het Oostenrijksche gouvernement te dien opzichte

eenige vrees koesterde. Zoudt gij, heer graaf, redenen meenen te hebben

om te denken dat aanstaande gebeurtenissen....”

„Volstrekt niet!” viel Mathias Sandorf in; „maar in hooge sferen van

het bankwezen is men soms met zaken bekend, die het publiek eerst later

verneemt. Ziedaar de reden, waarom ik u die vraag stelde, maar uwe

vrijheid onaangetast liet om haar, al naar dat u geraden voorkwam, met

ja of met neen te beantwoorden.”

„Ik heb in dien zin niets vernomen,” hernam Silas Toronthal. „Wees

intusschen verzekerd, heer graaf, dat ik mij niet het recht zou mogen

aanmatigen om met een klant als gij zijt, geheimzinnig of stilzwijgend

te zijn, daar uwe belangen daardoor zouden kunnen lijden!”

„Ik dank u, mijnheer,” antwoordde graaf Sandorf, „en ik meen uwe

gevoelens te kunnen deelen, dat er noch van het binnenland, noch van

het buitenland iets te vreezen is. Ik ga dan ook Triëst weldra verlaten

om in Transsylvanië weer te keeren, waarheen mij dringende zaken

roepen.”

„Zoo, gaat gij heen, heer graaf?” vroeg Silas Toronthal met

levendigheid.

„Ja.... zoo omstreeks over veertien dagen, op zijn laatst.”

„Maar gij komt toch naar Triëst terug?”

„Dat geloof ik niet, mijnheer,” antwoordde graaf Sandorf. „Maar vóórdat

ik vertrek, wenschte ik de geheele comptabiliteit van het kasteel

Artenick, die eenigszins in de war is, in orde te brengen. Ik heb van

mijn intendant tal van nota’s, pachtcedulen, boschcontracten ontvangen,

die ik haast geen tijd heb om na te gaan. Kent gij geen comptabel, of

zoudt gij niet een uwer geëmployeerden kunnen missen, die mij dien

dienst zou willen bewijzen?”

„Niets zal gemakkelijker gaan, heer graaf.”

„Inderdaad?”

„Ja, zeker.”

„Ik zal u wel verplicht wezen.”

„O, de verplichting is aan mijn kant. Wanneer hebt gij dien comptabel

noodig?”

„Zoo gauw mogelijk.”

„En waar moet hij zich aanmelden?”

„Zich aanmelden?”

„Ja, bij wien?”

„Bij mijn vriend graaf Zathmar, wiens huis in de Acquedottolaan nummer

89 gelegen is.”

„Hoe zegt ge.... nummer....?”

„Nummer 89 van de Acquedottolaan.”

„Dat ’s afgesproken.”

„Het zal een werk van een tiental dagen wezen, en ik zal, wanneer die

zaken behoorlijk geregeld zijn, daarna naar het kasteel Artenick kunnen

vertrekken. Ik verzoek u dus om de fondsen, die ik bij u heb staan, ter

mijner beschikking te houden.”

Silas Toronthal kon bij die woorden een gebaar van schrik niet

weerhouden. Gelukkig zag de graaf het niet.

„Op welken dag verlangt gij, dat u die fondsen zullen worden ter hand

gesteld, heer graaf?” vroeg de bankier.

„Op den 8en van de volgende maand.”

„Dan zult gij ze hebben.”

Daarop stond graaf Sandorf op en ging heen terwijl de bankier hem tot

aan de deur van het vertrek begeleidde.

Toen Silas Toronthal in zijn kantoor terugkeerde, vond hij er Sarcany,

die slechts deze woorden sprak:

„Ik moet binnen twee dagen in het huis van graaf Zathmar werkzaam

zijn.”

„Ja, dat moet inderdaad!” antwoordde Silas Toronthal.

IV.

HET GEHEIMSCHRIFT.

Sarcany was inderdaad twee dagen later in het huis van graaf Ladislas

Zathmar geïnstalleerd. Hij was door Silas Toronthal aanbevolen geworden

bij graaf Sandorf, die met de plaatsing van dien man onmiddellijk

genoegen had genomen.

Zoo was de medeplichtigheid van den bankier met zijn agent bij de

kuiperijen, door hem op ’t getouw gezet, behoorlijk tot stand gekomen.

Hun doel was: de ontdekking van een geheim, die het leven van de

hoofden van de samenzwering kon kosten. Het resultaat dat verwacht

werd, zou zijn: dat als prijs hunner aanbrenging een vermogen hun ten

deel viel, voor de helft aan een gelukzoeker, die tot alles in staat

was om zijn zak gevuld te krijgen; voor de andere helft aan een

bankier, die zoover gekomen was, dat hij niet meer aan zijne

verbintenissen kon voldoen.

Het zal wel niet behoeven gezegd te worden, dat een verdrag tusschen

Silas Toronthal en Sarcany gesloten was, waarbij de waarschijnlijk

geachte winsten in twee gelijke portiën verdeeld werden. Bovendien zou

Sarcany al het geld ontvangen, benoodigd om met zijn makker Zirone

fatsoenlijk te Triëst te kunnen leven en om zijne onkosten te kunnen

betalen, die zijne bemoeiingen in die zaak vereischen zouden.

Daartegenover had hij als waarborg de copie van het briefje, dat het

geheim der samenzwering bevatte, waaraan hij niet twijfelde, aan den

bankier moeten overgeven.

Men zal misschien geneigd zijn graaf Mathias Sandorf van

onvoorzichtigheid te beschuldigen. En inderdaad, in zulke

omstandigheden een vreemdeling binnen te leiden in dat huis, waarin

zulke gewichtige belangen behandeld werden, in den vooravond van den

dag waarop het sein tot uitbarsting van een komplot ieder oogenblik kon

gegeven worden, kon niet anders dan onvoorzichtig genoemd worden. Maar

het was slechts door de ijzeren noodzakelijkheid, dat de graaf zoo

gehandeld had.

Vooreerst toch had hij er een dringend belang bij, dat zijne personeele

zaken in orde gebracht werden, op een oogenblik dat hij zich in die

gevaarlijke zaak stortte, waarin hij zijn leven, op zijn allerminst

zijne verbanning waagde, wanneer hij bij nietslagen gevangen genomen of

tot de vlucht genoodzaakt zou worden. Van een anderen kant meende hij

door het opnemen van een vreemdeling in het huis van graaf Zathmar,

juist de achterdocht, die mocht gerezen zijn, af te wenden. Hij had

sedert eenige dagen meenen te zien—en de lezer weet dat het juist

is—dat eenige spionnen in de Acquedottolaan rondslopen. Die spionnen

waren niemand anders dan Sarcany en Zirone geweest. Maar de graaf vroeg

zich af, of de politie hem en zijne vrienden gadesloeg en hunne

handelingen nauwgezet naging? Mathias Sandorf moest het gelooven, ja

vreezen. Wanneer de vergaderplaats der samenzweerders, die tot dien dag

voor alle oningewijden hermetisch gesloten was gebleven, achterdocht

opwekte, dan was er geen beter middel om de verdenking op een valsch

spoor te brengen, dan door die afsluiting op te heffen, en het huis

voor een commies te openen, die er zich inderdaad slechts met

comptabiliteits-zaken onledig zou houden. Zou de tegenwoordigheid van

dien commies een gevaar voor graaf Ladislas Zathmar en voor zijne

makkers kunnen daarstellen? Neen, in geen geval. Er werden geene

brieven in geheimschrift tusschen Triëst en de andere steden van het

Hongaarsche koninkrijk gewisseld. Al de papieren, die op de ophanden

zijnde beweging betrekking hadden, waren vernietigd. Er bleef geen

enkel geschreven spoor van de samenzwering over. De maatregelen waren

genomen, daaraan was niets meer te veranderen. Er behoefden geen nieuwe

genomen te worden. Graaf Sandorf had slechts het sein te geven, wanneer

het gunstige oogenblik daar zou zijn. Dus de aanneming van een nieuwen

geëmployeerde in dat huis zou, wanneer het gouvernement achterdocht

koesterde, iedere verdenking verwijderen.

Ja, de redeneering was juist en de voorzorg zou goed genomen moeten

genoemd worden, wanneer die commies niet Sarcany en zijn borg niet

Silas Toronthal geweest waren!

Sarcany, die een meester in dubbelhartigheid was, genoot evenwel de

voordeelen van zijn uiterlijk. Hij had toch een openhartig en

vrijmoedig gelaat, terwijl zijn geheele persoon eenvoudigheid en

trouwhartigheid scheen te kenmerken. Graaf Sandorf en zijne vrienden

werden er door bedrogen en beetgenomen. De jeugdige comptabel betoonde

zich ijverig, dienstvaardig, vriendelijk en uiterst behendig bij het

nazien van die rekeningen en nota’s, die hij moest in het reine

brengen. Niets bovendien zou hem hebben kunnen doen gissen, wanneer hij

het niet geweten had, dat hij zich in tegenwoordigheid van de hoofden

eener samenzwering bevond, die gereed was het Hongaarsche ras tegen het

Duitsche op te zweepen. Mathias Sandorf, Stephanus Bathory en Ladislas

Zathmar schenen zich slechts bij hunne bijeenkomsten met

wetenschappelijke vraagstukken of met kunstkwestiën bezig te houden.

Geen geheime briefwisselingen meer, geen geheimzinnig heen en weer

loopen rondom het huis. Dat alles was uit. Maar Sarcany wist waaraan

zich te houden. De gelegenheid, die hij zocht, moest zich voordoen en

hij wachtte diensvolgens geduldig.

Toen Sarcany het huis van Ladislas Zathmar betrad, had hij slechts ééne

gedachte, namelijk den rooster machtig te worden, die diende om het

geheimschrift te ontcijferen. Nu er evenwel geen dergelijke stukken

meer te Triëst aankwamen, vroeg hij zich af of die rooster niet uit

overmaat van voorzichtigheid kon vernietigd zijn. Dat denkbeeld

verontrustte hem, want het geheele gebouw zijner kuiperijen berustte

daarop, dat hij het briefje door de reisduif aangebracht, en waarvan

hij afschrift genomen had, zou kunnen lezen.

Dus terwijl hij zich onledig hield met de zaken van Mathias Sandorf te

regelen, keek hij rond, nam hij waar, bespiedde hij alles. De toegang

tot het kantoorvertrek, waarin Ladislas Zathmar en zijne makkers te

zamen kwamen, was voor hem niet afgesloten. Hij werkte er zelfs

somtijds geheel alleen in. En dan waren zijne oogen en zijne handen met

geheel iets anders bezig, dan met het onder elkander stellen van

cijfers of met rekeningen uit te pluizen. Hij snuffelde dan in de

papieren, hij opende de laden met een soort haak, dien Zirone hem als

zaakkundige bij dergelijke bedrijven, ter hand had gesteld na dien zelf

gemaakt te hebben. Hij nam toch intusschen zeer goed in acht, dat hij

bij dien arbeid niet door Borik zoude bespeurd worden; want hij

ontveinsde het zich niet, dat hij dezen niet de geringste sympathie

inboezemde.

Gedurende de vijf eerste dagen waren Sarcany’s nasporingen volkomen

vruchteloos. Hij trad iederen morgen dat huis binnen bezield met de

hoop van te zullen slagen; en iederen avond keerde hij naar zijn hôtel

terug met het bewustzijn, een vergeefschen dag doorgebracht te hebben.

Hij begon aan het welslagen zijner onderneming te wanhopen. En

inderdaad, de omwenteling, wanneer het eene samenzwering gold,—en

daaraan twijfelde hij geen oogenblik—kon iederen dag uitbreken, dat wil

zeggen: alvorens hij haar ontdekt en bij gevolg aangebracht had.

„Eerder dan het voordeel van die aanbrenging te verliezen,” zeide

Zirone, „zal het verkieselijk zijn, al is het zonder bewijzen, de

politie te waarschuwen en haar daarbij het afschrift in handen te

spelen.”

„Ja,” antwoordde Sarcany, „dat zal ik doen, als het noodig wordt.”

Het zal wel overbodig zijn te vertellen, dat hij Silas Toronthal op de

hoogte van zijne nasporingen hield, dat hij waarlijk veel moeite had om

diens ongeduld te temperen.

Maar het toeval zou hem te hulp komen. Dat had hem een eerste maal

gediend door hem het geheimzinnig briefje in handen te spelen; het zou

hem andermaal dienen door hem in staat te stellen dat raadselschrift te

ontcijferen.

Men was op het einde van de maand Mei gekomen, en het was ongeveer vier

uren in den namiddag. Sarcany zou volgens gewoonte, tegen vijf uren het

huis van graaf Ladislas Zathmar verlaten. Hij was te meer kregelig,

daar hij niet verder gevorderd was dan op den eersten dag dat hij in

dienst van graaf Sandorf trad, om diens comptabiliteit in orde te

brengen, een arbeid dien hij bijna geëindigd had. Wanneer hij daaraan

de laatste hand zou gelegd hebben, dan zou hij ongetwijfeld betaald en

bedankt worden; waardoor hem de gelegenheid ontvallen zou om zich

voortaan in dat huis te kunnen vertoonen.

In dat gegeven oogenblik bevonden zich Ladislas Zathmar en zijne beide

vrienden buitenshuis. Er was niemand in de woning aanwezig dan Borik,

die toen in een zaal op de eerste verdieping bezig was. Sarcany had

volledige vrijheid tot handelen en besloot dan ook om de slaapkamer van

graaf Zathmar binnen te dringen,—waarin hij nog nimmer geweest was—om

daar zijne nasporingen op het nauwkeurigst voort te zetten.

De deur was gesloten, maar met zijn haak slaagde Sarcany haar te

openen, waarna hij binnentrad.

Tusschen de beide vensters, die op de straat uitzagen, stond een

secretair-bureau, waarvan de verjaarde vorm een liefhebber van oude

meubelen verrukt zoude hebben. Het schuifblad van den cilinder was

neergeslagen, zoodat van de innerlijke inrichting niets kon bespeurd

worden.

Dat was wel de eerste maal, dat het Sarcany vergund was om dit

meubelstuk te onderzoeken en hij was er de man niet naar, om die

gelegenheid te laten ontsnappen, om de verschillende laden er van te

kunnen doorsnuffelen, hetgeen hij met zijn haak ten uitvoer bracht,

zonder dat daarvan eenig spoor op het slot zichtbaar was.

In de vierde lade, die Sarcany doorzocht, vond hij onder een pak

papieren, die voor hem waardeloos waren, een soort kaart, die

onregelmatig van vierkante gaten voorzien was. Die kaart boeide

dadelijk zijne aandacht.

„De rooster!” zei hij tot zichzelven.

Hij vergiste zich waarlijk niet.

De eerste gedachte, die hem inviel, was om die kaart mede te nemen.

Maar na eenig beraad zei hij tot zichzelven, dat het verdwijnen van

dien rooster achterdocht kon opwekken, wanneer graaf Ladislas Zathmar

dit bespeurde.

„Kom,” sprak hij, „ik heb wel afschrift van het briefje genomen, waarom

zou ik dien rooster niet kunnen namaken? Dan kunnen Toronthal en ik de

dépêche geheel op ons gemak lezen.”

Die rooster was eenvoudig een vierkant van bordpapier van zes

centimeters lang en even zoo breed, die in zes en dertig gelijke ruiten

verdeeld was, welke ieder een vierkante centimeter groot waren. Van die

zes en dertig ruiten of vakken, die op zes horizontale en zes verticale

rijen geplaatst waren, evenals die van een tafel van Pythagoras, welke

voor zes cijfers ingericht zoude zijn, waren zeven en twintig vol en

negen leeg—dat wil zeggen, dat ter plaatse van die negen vakken de

kaart op negen plaatsen uitgeknipt was.

Waarvan Sarcany zich het eerst moest vergewissen, dat was eerstens: van

de nauwkeurige oppervlakte van dat blad bordpapier of rooster en

tweedens van de juiste plaatsing daarop van de negen ledige vakken.

De oppervlakte bracht hij over, door met een potlood den omtrek op een

vel wit papier na te trekken, waarbij hij zorg droeg op de plaat de

plek te merken, waar een kruisje met inkt gemaakt was, hetgeen den

bovenkant van den rooster scheen aan te duiden.

De plaats der negen vakken bracht hij over door het papier, waarop hij

den omtrek nageteekend had, op de gewilde plekken, die zichtbaar waren,

door te prikken. Dat waren op de eerste rij drie ledige plekken, die de

vakken 2, 4 en 6 lieten ontwaren; op de tweede rij een ledige plek, die

vak 5 innam; op de derde rij een ledige plek die vak 3 innam; op de

vierde rij twee ledige plekken, die de vakken 2 en 5 innamen; op de

vijfde rij een ledige plek, die vak 6 innam; en eindelijk op de zesde

of laatste rij een ledige plek, die vak 4 liet zien.

Ziehier bovendien dien rooster, in natuurlijke grootte, waarvan Sarcany

en zijn medeplichtige, de bankier Silas Toronthal, een zoo misdadig

gebruik zouden maken. In dezen afdruk stellen de witte vakken de

uitgeknipte en de zwarte de gevulde vakken voor. Dat is duidelijk,

nietwaar?

Eenige minuten waren voor Sarcany voldoende om het volgende figuur te

verkrijgen.

+

+---+---+---+---+---+---+

|###| |###| |###| |

+---+---+---+---+---+---+

|###|###|###|###| |###|

+---+---+---+---+---+---+

|###|###| |###|###|###|

+---+---+---+---+---+---+

|###| |###|###| |###|

+---+---+---+---+---+---+

|###|###|###|###|###| |

+---+---+---+---+---+---+

|###|###|###| |###|###|

+---+---+---+---+---+---+

Hij twijfelde er niet aan, dat met behulp van dien rooster, dien hij

gemakkelijk uit een stuk bordpapier, dat hij uitknippen zou,

vervaardigen kon, het hem zou gelukken nu het afschrift van het

briefje, dat hij in handen van Silas Toronthal achtergelaten had, te

ontraadselen. Hij plaatste dus den rooster weer in de lade onder de

papieren, die hem bedekt hadden, en verliet daarna de slaapkamer van

Ladislas Zathmar en vervolgens het huis. Hij had haast om in zijn hôtel

weer te keeren.

Zirone zag hem een kwartieruur later hunne gemeenschappelijke kamer met

zulk een zegevierend uiterlijk binnenstappen, dat hij niet nalaten kon

luidkeels uit te roepen:

„Wat is er toch aan de hand, kameraad? Neem je in acht! Gij weet meer

behendig een verdriet dan wel een vreugde te bemantelen, en men

verraadt zich zelven even zoo goed door zich over te geven aan....”

„Schei uit met je gezeur, Zirone,” antwoordde Sarcany, „en aan het werk

zonder eene minuut verloren te laten gaan.”

„Vóór ons avondmaal nog?”

„Ja!”

Zirone zuchtte, maar Sarcany stoorde zich daaraan niet. Deze nam een

stuk bordpapier van geringe dikte. Hij sneed dat volgens zijne calque,

zoodanig dat hij een vierkant verkreeg, die zuiver de afmeting had van

den rooster en vergat daarbij niet het kruisje bij den bovenrand te

plaatsen. Daarna nam hij eene liniaal en verdeelde zijn vierkant in zes

en dertig vakken allen van gelijke grootte.

Toen werden van die zes en dertig vakken negen gemerkt ter plaatse,

welke zij op de calque innamen. Daarna werden die met de punt van een

pennemes zoodanig uitgesneden, dat zij in hunne ontstane ledige plekken

de letters of teekens lieten bespeuren van het een of andere briefje of

stuk, waarop de zoo verkregen rooster neergelegd werd.

Zirone stond voor Sarcany en keek met groote verwonderde oogen toe,

terwijl hij van nieuwsgierigheid trilde. Hij stelde te meer belang in

dien arbeid, daar hij zeer goed het stelsel van geheimschrift begrepen

had, waarop de onderhavige briefwisseling berustte. Alleen hij bezat

den sleutel niet.

„Het is vernuftig,” zei hij, „uiterst vernuftig en zoo iets kan mij

dienen! Als ik bedenk, dat de waarde van ieder van die vakken een

millioen kan bedragen....”

„En meer!” antwoordde Sarcany.

Toen het werk beëindigd was, stond Sarcany op, na het uitgesneden stuk

bordpapier in zijn brieventasch opgeborgen te hebben.

„Morgen ochtend zal ik zoo vroeg mogelijk bij Toronthal zijn,” zei hij.

„Hij moge oppassen voor zijn kas!”

„Als hij het briefje heeft, dan heb ik den rooster!”

„Dat is waar, maar....”

„Geen maren; dat is ontegenzeggelijk!”

„En ditmaal zal hij wel moeten afschuiven!”

„Ja, dat zal hij moeten!”

„Kunnen wij dus thans avondmalen?”

„Ja, dat kunnen wij.”

„Welnu, aan den gang!”

En Zirone, die steeds eetlust had, deed het heerlijke maal, dat hij met

zorg besteld had, alle eer aan.

Den volgenden morgen, den 1sten Juni, vertoonde Sarcany zich reeds te

acht uren aan het bankiershuis. Hoe vroeg het ook nog was, toch gaf

Silas Toronthal bevel om hem dadelijk bij zich in zijn kabinet toe te

laten.

„Daar is de rooster,” vergenoegde zich Sarcany slechts te zeggen,

terwijl hij het stuk bordpapier overreikte, dat hij te voren

uitgesneden had.

De bankier nam het aan, draaide en keerde het, terwijl hij het hoofd

schudde, hetgeen te kennen moest geven, dat hij het vertrouwen van zijn

deelgenoot niet erg deelde.

„Laten wij maar probeeren!” zei Sarcany.

„Dat kunnen wij altijd doen.”

Silas Toronthal nam het afschrift van het briefje, dat in een der laden

van zijn schrijftafel opgesloten lag, en plaatste het op de tafel.

Dat briefje—de lezer zal zich nog wel herinneren—bevatte achttien

woorden, ieder bestaande uit zes letters, woorden die evenwel volmaakt

onverstaanbaar waren. Het was boven alles waarschijnlijk, dat iedere

letter van de woorden overeen moest komen met de zes ledige of gevulde

vakken, die iedere rij van den rooster vormden. Men kon bijgevolg

vooreerst al vast aannemen, dat de zes eerste woorden van het briefje,

samengesteld uit zes en dertig letters, achtereenvolgens verkregen

waren door middel van die zes en dertig vakken.

Het was inderdaad gemakkelijk in te zien, dat de schikking der ledige

vakken zoo vernuftig bij de vervaardiging van dien rooster uitgedacht

was, dat wanneer men hem vier malen een kwart toer liet keeren, die

ledige vakken opvolgend de plaats der volle innamen zonder ooit

tweemalen dezelfde letter te laten ontwaren.

Men ziet dadelijk in, dat het zoo zijn moet. Bij voorbeeld, wanneer men

bij eene eerste toepassing van den rooster op een stuk wit papier de

cijfers van 1 tot 9 in ieder leeg vak invult, vervolgens den rooster

een kwart omwenteling laat maken en op gelijke wijze handelt en de

getallen van af 10 tot en met 18 invult; daarna een tweede kwart

omwenteling volbrengt en de getallen van af 19 tot en met 27

inschrijft; vervolgens den rooster een derde kwart omwenteling doet

maken en de getallen van af 28 tot en met 36 ter neer te schrijven,

zoodat men eindelijk op het papier de getallen van 1 tot 36 zal

bevinden, in de zes en dertig vakken geplaatst die den rooster vormen.

Sarcany werd dus natuurlijk er toegebracht om de eerste zes woorden van

het briefje te behandelen met de vier opvolgende toepassingen van den

rooster. Hij had daarbij het voornemen om diezelfde bewerking te

herhalen met de twee volgende zes woorden en eindelijk een derde maal

met de laatste zes woorden, hetgeen in het geheel de achttien woorden

zou bedragen, waaruit het geheimschrift bestond.

Het zal wel niet behoeven gezegd te worden, dat de hierboven vermelde

redeneeringen door Sarcany tegenover den bankier Silas Toronthal

gehouden werden en dat deze hare volmaakte nauwkeurigheid erkend en

zeer gewaardeerd had.

Mathias Sandorf [1] · 第 4 / 17 段