En inderdaad sedert eenige maanden was Silas Toronthal—zedelijk

althans—veel veranderd. Hoezeer hij de uitingen zijner gevoelens ook in

bedwang had, zoo was zijn uiterlijk toch zijns ondanks gewijzigd.

Kenteekenen begonnen hem te verraden. Hij was niet meer zooals vroeger.

Opmerkers zouden bespeurd hebben, dat hij de menschen niet meer

openlijk in het gelaat durfde aanschouwen, zooals hij vroeger gewoon

was te doen; maar hen van ter zijde aankeek, met half gesloten oogen.

Die beginnende kenmerken waren zelfs aan mevrouw Toronthal niet

ontsnapt, die eene ziekelijke vrouw was zonder eenige geestkracht,

daarenboven zeer onderworpen aan den wil van haren echtgenoot en die

slechts weinig en dan nog zeer oppervlakkig met zijne zaken bekend was.

Nu kon er op gerekend worden, en het moet wel bekend worden, dat

wanneer een ramp zijne bankierszaken bedreigde, Silas Toronthal geen

medelijden van de openbare meening te verwachten had. Dat hij vele

klanten zoowel in de stad als in het rijk had, was waar; maar hij had

weinig vrienden. Het hooge gevoel, dat hij van zijne maatschappelijke

positie koesterde, zijne aangeboren ijdelheid, het voorkomen van

meerderheid, hetwelk hij jegens iedereen en bij alles aannam, dat alles

was niet geschikt om de menschen buiten den kring zijner zaken aan te

trekken. Daarenboven de Triëstenaren hielden hem voor een vreemdeling,

daar hij afkomstig van Ragusa, dus een Dalmaat van geboorte was. Geen

familiebanden bonden hem derhalve aan die stad, waarin hij een

vijftiental jaren geleden gekomen was om er de grondslagen van zijn

vermogen te vestigen.

Zoo was toen de toestand van het huis Toronthal. Hoewel Sarcany te dien

opzichte eenige achterdocht koesterde, zoo bestond er nog niets,

hetgeen veroorloofde het gerucht te beamen, dat de zaken van den rijken

bankier ernstig bedreigd werden. Zijn crediet was evenwel volstrekt

niet aangetast, openlijk althans. Graaf Mathias Sandorf had dan ook

geen oogenblik geaarzeld, na zijne fondsen te gelde gemaakt te hebben,

hem eene zeer aanzienlijke som toe te vertrouwen, eene som die steeds

ter zijner beschikking moest gehouden worden, op voorwaarde, dat vier

en twintig uren te voren gewaarschuwd moest worden, wanneer uitbetaling

verlangd werd.

Misschien zal de lezer zich verwonderen, dat punten van aanraking, ja

dat betrekkingen hadden kunnen ontstaan tusschen dat bankiershuis,

hetwelk onder de meest geachte aangeteekend stond, en een persoon als

Sarcany was. Toch was het zoo, en die betrekking dagteekende reeds van

twee of drie jaren geleden.

Op dat tijdstip had Silas Toronthal zeer belangrijke zaken te

verhandelen gehad met het regentschap Tripoli. Sarcany, die een soort

makelaar in allerhande zaken en zeer ervaren in de kunst van cijferen

was, slaagde er in om als tusschenpersoon in die zaken op te treden,

die—het moet er bij gezegd worden—van zeer verdachten aard waren. Er

waren daarbij transactiën gesloten, die het daglicht niet mochten zien,

omtrent omkoopingen, omtrent twijfelachtige commissieloonen, omtrent

weinig eerlijke heffingen, waarin de Triëster bankier niet in persoon

had willen optreden. In die omstandigheden was Sarcany op den voorgrond

getreden. Hij werd agent bij die knoeierige combinatiën en bewees

daarbij en ook bij andere zaken van denzelfden aard, goede diensten aan

Silas Toronthal. Daaruit werd heel natuurlijk de gelegenheid geboren om

toegang tot het bankiershuis te hebben. Hij had er voet, werd gezegd,

hij had er de hand: ware beter uitgedrukt. En inderdaad, nadat die

smerige zaken afgeloopen waren en hij Tripoli verlaten had, hield

Sarcany niet op eene soort geldafpersing op den Triëster bankier toe te

passen. Niet dat Silas Toronthal geheel en al aan de genade van dien

schoft overgeleverd was. Van die compromitteerende operatiën bestond

geen enkel feitelijk bewijs. Maar de toestand van een bankier is van

teederen aard. Eén enkel woord kan hem benadeelen. En nu wist Sarcany

genoeg, om het geraden te achten, rekening met hem te houden.

En dat deed Silas Toronthal ook. Het kostte hem zelfs belangrijke

sommen, die zoo bijzonder vlug opgemaakt en voornamelijk in kroegen

verspild werden, als dat slechts door een gelukzoeker geschieden kan,

die omtrent de toekomst geene zorgen hoegenaamd koestert. Sarcany werd

eindelijk, nadat hij den bankier tot in Triëst opgezocht had, zoo

lastig, zoo veeleischend, dat het den bankier begon te vervelen en deze

hem eindelijk ieder crediet weigerde. Sarcany dreigde. Silas Toronthal

hield vol. En daarin had hij gelijk, daar die volleerde geldafperser

eindelijk bij zichzelven tot de bekentenis moest komen, dat hij bij

gebrek aan deugdelijke bewijzen, tamelijk ongewapend tegenover den

bankier stond.

Ziedaar de redenen waarom Sarcany en zijn eerlijke makker Zirone zich

sedert eenigen tijd zonder middelen bevonden, en zoodanig zonder geld

waren, dat zij in de onmogelijkheid waren de stad te verlaten om elders

hun geluk te beproeven. Maar men weet ook, dat Silas Toronthal, met het

doel om zich geheel en al van hen te ontdoen, hen eene som gelds als

laatste hulp had toegezonden. Die som zou hen in staat stellen om

Triëst te verlaten en naar Sicilië weer te keeren, waar Zirone

geaffiliëerd was aan een schrikwekkend gezelschap, dat de oostelijke en

de middenprovinciën van dat eiland exploiteerde. De bankier mocht dus

hopen zijn makelaar in Tripolitaansche zaken nimmer weer te zien, en

dat hij nimmermeer van hem zou hooren spreken. Daarbij vergiste hij

zich, wat hem bij andere zaken ook wel eens overkwam.

Het was in den avond van den 18den Mei dat de tweehonderd gulden,

vergezeld van het bekende korte briefje door Silas Toronthal verzonden

en door de twee gelukzoekers in hun logement, alwaar zij verblijf

hielden, ontvangen waren.

Zes dagen later, dus den 24sten van dezelfde maand, belde Sarcany bij

het bankiershuis aan en verzocht om Silas Toronthal te spreken; zijn

aandringen was van zoodanigen aard, dat deze inwilligde hem te

ontvangen.

De bankier was op zijn kantoor, waarvan Sarcany de deur zorgvuldig

sloot, zoodra hij binnengekomen was.

„Gij alweer! En nog hier!” riep Silas Toronthal eerst uit. „Wat komt

gij hier doen? Ik heb u voor de laatste maal eene som geld toegezonden,

die toereikend moet zijn om Triëst te kunnen verlaten. Gij zult

nimmermeer iets van mij krijgen, wat gij mij ook zult willen vertellen

of wat gij ook uitvoeren wilt! Waarom zijt gij niet vertrokken? Ik

waarschuw u, dat ik mijne maatregelen zal nemen om uwe lastige bezoeken

voortaan tegen te gaan!—Wat wilt ge thans van mij?”

Sarcany had dien woordenvloed, waarop hij voorbereid was, koelbloedig

aangehoord. Zijne houding was dezelfde niet meer, welke hij gewoonlijk

aannam, namelijk brutaal en uitdagend, zooals hij bij zijne laatste

bezoeken aan het bankiershuis geweest was.

Hij bleef zichzelven niet alleen geheel en al meester, maar hij bleef

ook ernstig. Hij greep een stoel, zonder dat hij de uitnoodiging

ontvangen had om te gaan zitten; nam plaats en wachtte daarna dat de

booze luim van den bankier zich in luidruchtige verwijtingen lucht

gegeven en uitgeput zoude hebben om hem te antwoorden.

„Welnu, zult ge spreken?” hernam Silas Toronthal, die, na zijn kabinet

eenige malen op en neer geloopen te hebben, op zijn beurt was gaan

zitten, evenwel zonder er in geslaagd te zijn meer bedaard te worden.

„Ik wacht tot gij kalmer zult zijn,” antwoordde Sarcany vreedzaam, „en

ik zal al den tijd wachten, die daartoe noodig zal zijn.”

„Of ik kalm ben of niet, wat kan dat schelen? Voor de laatste maal, wat

wilt gij van mij?”

„Silas Toronthal, ik heb u eene zaak voor te stellen.”

„Eene zaak?”

„Ja.”

„Ik wil over geen zaken spreken met u, ik wil geen zaken met u doen of

daarover onderhandelen!” riep de bankier uit. „Wij hebben niets gemeens

meer met elkander en ik wil dat gij Triëst terstond, heden nog verlaat,

om er nooit terug te komen.”

„Ik denk te vertrekken en Triëst te verlaten,” antwoordde Sarcany,

„maar ik wil niet vertrekken zonder mijne schuld aan uw huis

aangezuiverd te hebben.”

„Uwe schuld?.... Aanzuiveren!.... Gij?.... mij betalen?”

„Ja, u betalen interest, kapitaal, alles, ongerekend een deel in de

winsten van....”

Silas Toronthal trok verachtelijk de schouders op bij dat onverwachte

voorstel, komende van Sarcany.

„De sommen, die ik u voorgeschoten heb, heb ik op mijne verliesrekening

gebracht,” zeide hij. „Ik scheld u die kwijt en heb dus niets van u te

vorderen.”

Sarcany glimlachte.

„Ik ben boven die nietigheden verheven,” ging de bankier voort.

„Maar als het mij belieft uw schuldenaar te blijven?”

„Dat kan slechts gelden, als het mij belieft uw schuldeischer te zijn!”

Bij die woorden keken Silas Toronthal en Sarcany elkander in het

gelaat. Daarop trok deze laatste op zijne beurt de schouders op.

„Volzinnen slechts, niets anders dan volzinnen! Woorden, anders niets,”

hernam Sarcany. „Ik herhaal, dat ik u eene zeer ernstige zaak kom

voorstellen.”

„Even smerig als ernstig, ongetwijfeld?”

„Hé, hé, het zou voor de eerste maal niet zijn, dat gij u tot mij

wendet, om....”

„Sarcany!” riep de bankier uit.

„Neen, niet de eerste maal, dat gij mijne....”

„Woorden, niets dan woorden,” herhaalde Silas Toronthal op zijne beurt.

Hij wist niets anders te zeggen om de brutale uiting, die den anderen

op de lippen lag, te stuiten.

„Hoor naar mij,” zei Sarcany, „ik zal kort zijn.”

„En daar zult ge goed aan doen.”

„Indien hetgeen ik u ga voorstellen, niet van uwe gading zal zijn,

zullen wij er niet meer over spreken en zal ik van hier vertrekken.”

„Van hier of van Triëst?”

„Van hier en van Triëst!”

„Morgen reeds?”

„Heden avond reeds!”

„Spreek dan.”

„Ziehier wat het geldt.” zei Sarcany. „Maar....” voegde hij er bij,

terwijl hij overal rondkeek, „zijt gij er zeker van dat niemand ons

hooren kan?”

„Gij staat er dus op, dat ons onderhoud geheim zal blijven?” antwoordde

de bankier met ietwat spotachtigs in zijne stem.

„Ja, Silas Toronthal, want wij beiden, gij en ik, zullen het leven van

hooge personen in de hand hebben!”

„Gij misschien! Ik, neen!”

„Oordeel er over! Ik ben op het spoor van eene samenzwering. Wat haar

doel is? Dat weet ik nog niet. Maar sedert de partij, die te midden van

de vlakte van Sadowa afgespeeld werd, sedert den slag van Sadowa heeft

ieder niet-Oostenrijker fraai spel tegen Oostenrijk. Nu heb ik wel

redenen om te meenen, dat eene beweging voorbereid wordt, eene beweging

ten voordeele van Hongarije, waaruit wij munt kunnen slaan.”

Silas Toronthal vergenoegde zich deze enkele woorden op spottenden toon

tot antwoord te geven:

„Er valt niets te halen van eene samenzwering.”

„Waarachtig wel! Meer dan waarschijnlijk.”

„Hoe dan?”

„Door haar te verraden.”

„Komaan, laat hooren. Verklaar u nader.”

„Luister dan,” zei Sarcany.

Daarop verhaalde hij, wat er op het oude kerkhof van Triëst gebeurd

was, hoe hij eene reisduif bemachtigd had, de wijze waarop het briefje

in geheimschrift—waarvan hij een afschrift gehouden had—in zijne handen

gevallen was en hoe hij met de woning van hem, voor wien het briefje

bestemd was, bekend was geworden. Hij voegde er bij dat hij en Zirone

de laatste vijf dagen doorgebracht hadden met alles te bespieden, zoo

niet wat binnen dat huis omging, dan toch het uiterlijke en den omtrek

daarvan. Eenige personen, die altijd dezelfde waren, kwamen er steeds

des avonds bijeen en traden niet zonder groote voorzorgen binnen.

Andere duiven waren van daar vertrokken, andere waren weer aangekomen.

De eerste vlogen noordwaarts, de overigen kwamen daar vandaan. De deur

dezer woning werd door een ouden dienstbode bewaakt, die haar ongaarne

ontsloot en steeds de naderenden nauwgezet gadesloeg. Sarcany en zijn

makker hadden zelfs met eene zekere omzichtigheid moeten te werk gaan,

om de aandacht van dien man niet te trekken. En nog vreesden zij, zijne

achterdocht sedert eenige dagen te hebben opgewekt.

Silas Toronthal begon meer aandacht aan het verhaal te wijden, dat

Sarcany hem deed. Hij vroeg zich af, wat er waars kon zijn in dat

alles. Zijn oude makelaar was niet zoo geheel te vertrouwen. Hij vroeg

zich ook af op welke wijze deze meende dat hij zich in de zaak zou

mengen, om er eenig voordeel uit te behalen.

Toen het verhaal uit was en toen Sarcany nogmaals en voor den laatsten

keer verzekerd had, dat het eene samenzwering tegen den Staat betrof en

dat het zeker gewin moest opleveren, wanneer men de geheimen van dat

komplot zoude weten te benuttigen, vergenoegde zich de bankier hem de

navolgende vragen te stellen:

„Waar is dat huis gelegen?”

„In de Acquedottolaan.”

„Nummer?”

„Nummer 89.”

„Aan wien behoort die woning?”

„Aan een Hongaarsch edelman.”

„Een Hongaar?”

„Ja.”

„En die heet?”

„Graaf Ladislas Zathmar.”

„En welke personen bezoeken hem?”

„Het zijn voornamelijk twee.”

„Slechts twee?”

„Ja. Beiden zijn van Hongaarsche afkomst.”

„En de eene heet?”

„De eene is een professor hier ter stede en heet Stephanus Bathory.”

„En de andere?”

„Graaf Mathias Sandorf.”

„Weet gij dat zeker?”

„Ja, zeer zeker.”

Bij dien laatstgenoemden naam was een licht gebaar van verwondering aan

Silas Toronthal ontsnapt, hetgeen Sarcany niet ontging. Wat die drie

namen betreft, die deze laatste genoemd had, het was hem gemakkelijk

gevallen die te weten te komen. Hij was beiden gevolgd, professor

Stephanus Bathory zoowel als graaf Sandorf, den eersten, toen hij naar

zijne woning in de Corsia Stadionstraat wederkeerde, den andere toen

hij zich naar het hôtel Delòrme begaf.

„Gij ziet het, Silas Toronthal,” hernam Sarcany, „dat zijn namen, die

ik geen oogenblik geaarzeld heb u te openbaren. Gij zult daaruit wel

willen ontwaren, dat ik u niet wil bedriegen, of ook maar tegenover u

wil veinzen.”

„Dat alles is wel nevelachtig en onbestemd,” antwoordde de bankier, die

klaarblijkelijk meer van de zaak wenschte te weten, alvorens er op in

te gaan.

„Nevelachtig en onbestemd?” vroeg Sarcany.

„Zeker! Gij hebt eigenlijk niets wat op een daadwerkelijk bewijs

gelijkt.”

„En dit dan?”

„Wat?”

„Dat briefje?”

Daarbij reikte Sarcany het afschrift van het geheimschrift aan Silas

Toronthal over.

„Dat vod?”

De bankier bekeek en onderzocht het niet zonder nieuwsgierigheid, hoe

onverschillig hij de woorden „dat vod” ook had uitgesproken; maar die

geheimzinnige woorden konden geen zin voor hem hebben en er was geen

enkele aanwijzing, dat zij de belangrijkheid bezaten, die Sarcany hen

toeschreef. Wanneer die zaak van zoodanigen aard was om zijne

belangstelling op te wekken, dan was het dat zij graaf Mathias Sandorf

betrof, die een goede klant van zijn huis was en wiens toestand van

schuldeischer jegens hem, hem verontrustte, wanneer deze een dadelijke

uitkeering der fondsen, bij het bankiershuis gestort, vergde.

„Welnu?” vroeg Sarcany, nadat Silas Toronthal het papier had ingekeken.

„Welnu,” antwoordde deze, „mijne meening is, dat de zaak nevelachtig en

onbestemd is en door dat biljet dat al meer en meer wordt.”

„Mij dunkt integendeel, dat zij duidelijk en helder is,” was het

wederantwoord van Sarcany, die zich door de aangenomen houding van den

bankier niet liet uit het veld slaan.

„Hebt gij dat geheimschrift kunnen ontraadselen?”

„Neen, Silas Toronthal, maar....”

„Maar wat?”

„Ik zal het weten te lezen als de tijd daar zal zijn.”

„En hoe?”

„Ik heb mij wel meer met dergelijke evenals ook met andere zaken

beziggehouden,” antwoordde Sarcany, „en ik heb nog al brieven en

stukken, in geheimschrift gesteld, in handen gehad, dat verzeker ik u.

Nu heeft een nauwgezet onderzoek van dit briefje mij helder en klaar

overtuigd, dat de sleutel er van noch op een getal, noch op een vooraf

overeengekomen alphabet berust, die aan ieder der letters eene andere

beduidenis dan hare ware verleent. Ja, in dit biljet is een s een s,

een p een p en een r een r; maar deze letters zijn in eene volgorde

gesteld die niet kan hersteld worden dan door middel van een rooster.”

De lezer weet reeds dat Sarcany zich niet vergiste. Dat was inderdaad

het stelsel hetwelk bij die briefwisseling gebruikt was. Hij weet ook,

dat het daardoor des te moeilijker was, dat geheimschrift te

ontraadselen.

„Ik wil aannemen,” sprak de bankier, „en niet loochenen, dat gij gelijk

hebt; maar zonder dien rooster is het toch onmogelijk dat briefje te

lezen.”

„Inderdaad.”

„En hoe zult gij u dien rooster verschaffen?”

„Dat weet ik nog niet,” antwoordde Sarcany; „maar wees gerust, ik zal

hem mij wel verschaffen.”

„Waarlijk?” vroeg de bankier spottend.

„Ongetwijfeld,” antwoordde de andere ernstig.

„Welnu, Sarcany, als ik in uwe plaats was, dan zou ik mij zoo veel

moeite niet geven.”

„Ik zal er de moeite toe nemen, die noodig is.”

„Waartoe zou dat dienen? Ik zou mij eenvoudig vergenoegen met aan de

politie uwe meeningen en achterdocht mede te deelen en haar dat briefje

overhandigen.”

„Op zijn tijd zal ik dat doen, Silas Toronthal, maar niet op eenvoudige

vooronderstellingen,” antwoordde Sarcany koeltjes. „Wat ik wil trachten

te erlangen, alvorens te spreken, dat zijn daadwerkelijke en derhalve

onbetwistbare bewijzen. Ik heb mij in het hoofd gezet, mij meester van

die samenzwering te maken, ja, meester! meester in de volle beteekenis

van het woord, om er al de voordeelen uit te trekken, die ik u aanbied

samen te deelen. En.... wie weet of het nog niet het voordeeligst zoude

zijn ééne lijn met de samenzweerders te trekken, in plaats van ons

tegen hen te stellen!”

Een zoodanige taal kon Silas Toronthal niet verwonderen. Hij wist,

waartoe Sarcany met zijn schranderen kop, maar met zijn slecht hart, in

staat was. Maar als die man niet aarzelde zich zoo tegenover den

Triëster bankier uit te laten, dan was dat met de wetenschap van zijn

kant, dat men alles aan Silas Toronthal kon voorstellen, daar diens

rekbaar geweten op iedere zaak, hoe schurkachtig ook, inging, wanneer

zij maar grove winsten beloofde. Daarenboven, het kon niet genoeg

herhaald worden, Sarcany kende hem al sedert lang, en hij had

buitendien redenen om te gelooven, dat de toestand van het bankiershuis

sedert eenigen tijd verward en wankelend was. Zou nu de onthulling van

die samenzwering, behendig gebezigd, hem niet kunnen veroorloven zijne

zaken te herstellen? Het was op dergelijke beschouwingen, dat Sarcany

eenigermate rekende.

Van zijn kant poogde Silas Toronthal in dit oogenblik gesloten spel met

zijn vroegeren makelaar in Tripolitaansche zaken te spelen. Dat er eene

kiem van samenzwering tegen het Oostenrijksche gouvernement bestond en

dat Sarcany die op het spoor was, kon hij wel aannemen. Dat huis van

graaf Ladislas Zathmar, waarin de geheime samenkomsten plaats hadden,

die briefwisseling in geheimschrift, de buitensporig groote som geld

bij hem door graaf Sandorf gestort, met aanbeveling haar steeds ter

zijner beschikking te houden, dat alles begon hem zeer verdacht voor te

komen. Sarcany had zeer waarschijnlijk bij die omstandigheden de zaken

juist ingezien. Maar de bankier, er nog meer van wenschende te vernemen

en meer inzicht in het spel van den gelukzoeker wenschende te hebben,

wilde nog niet dadelijk toetreden. Hij vergenoegde zich dan ook zoo

onverschillig mogelijk te antwoorden:

„En daarna, aangenomen dat gij er in slaagt dat geheimschrift te

ontraadselen, waaraan ik twijfel, dan zult gij zien, dat het eenvoudig

particuliere zaken, zaken zonder eenig belang betreft, en waaruit dan

noch voor u noch voor mij eenig voordeel zal zijn te halen.”

„Neen!” riep Sarcany met al het vuur eener vast gevestigde overtuiging

uit. „Neen! Ik ben op het spoor van eene zeer ernstige en zeer

gewichtige samenzwering, die door mannen van hoogen rang en hooge

maatschappelijke positie aangevoerd wordt en ik voeg er bij, Silas

Toronthal, dat gij er evenmin aan twijfelt als ik.”

„Maar wat wilt gij dan eindelijk van mij?” vroeg de bankier, ditmaal

recht op den man af.

Sarcany stond op en antwoordde met zacht fluisterende stem, terwijl hij

den bankier strak in de oogen keek:

„Wat ik van u wil,” en hij legde bijzonderen nadruk op dit laatste

woord. „Ziehier: Ik wil zoo spoedig mogelijk toegang tot het huis van

den graaf Ladislas Zathmar hebben, onverschillig onder welk

voorwendsel, om daarna zijn vertrouwen te winnen. Eenmaal in de plaats

genesteld, waarin mij niemand kent, zal ik dien rooster wel weten

machtig te worden en dat raadselschrift ontcijferen, om er dat gebruik

van te maken, hetwelk het meest met onze belangen zal overeenkomen.”

„Met onze belangen?” herhaalde Silas Toronthal.

„Ja, onze belangen.”

„Waarom zijt gij er zoo op gesteld mij in die zaak te mengen?”

„Omdat zij der moeite waard is, en....”

„Oho!” riep de bankier uit.

„En gij er groote voordeden bij behalen zult!”

„Waarom onderneemt gij die zaak niet alleen?”

„Waarom?”

„Ja, waarom?”

„Wel, omdat ik uwe medewerking noodig heb.”

„Mijne medewerking?”

„Inderdaad.”

„Kom dan toch tot verklaring.”

„Luister. Om mijn doel te bereiken, heb ik tijd noodig; en om te kunnen

wachten, moet ik in de gelegenheid zijn te kunnen leven. Ik heb dus

geld noodig. En dat bezit ik niet meer!”

„Uw crediet bij mij is uitgeput, dat weet ge.”

„Ja; maar....”

„Maar wat? Maak toch voort.”

„Gij kunt mij een ander crediet openen!”

„Wat zal ik daarmee kunnen winnen?”

„Dit: Van die drie mannen, die ik u straks noemde, zijn twee zonder

vermogen, dat zijn graaf Zathmar en professor Bathory; maar de derde is

rijk, buitengewoon rijk zelfs. De goederen, die hij in Transsylvanië

bezit, zijn zeer aanzienlijk. Nu weet gij zeer goed, dat wanneer hij

als samenzweerder gevat en veroordeeld wordt, zijne verbeurd verklaarde

goederen voor het grootste gedeelte hun toegewezen worden, die de

samenzwering ontdekt en aangebracht hebben!.... En dat zullen wij zijn,

ik en gij, Silas Toronthal. Geloof mij, wij zullen eerlijk deelen.”

Sarcany zweeg. De bankier antwoordde niet. Hij overpeinsde hetgeen men

van hem als inzet van die partij eischte. Hij was daarenboven de man

niet, om zich persoonlijk in eene zaak van dien aard bloot te geven.

Maar hij gevoelde dat Sarcany als zijn agent wel mans genoeg was om de

taak van hun beiden op zich te nemen. Wanneer hij mocht besluiten aan

die kuiperij deel te nemen, dan zou hij dezen wel zoodanig door een

contract weten te verbinden, dat hem geheel en al aan zijne genade zou

overleveren, dat hij, hoewel op den achtergrond blijvende, het grootste

deel der winsten zou opstrijken.... Toch aarzelde hij. Maar alles wel

beschouwd, wat waagde hij toch? Hij zou in die verachtelijke daad niet

optreden, hij zou er alleen de winst van genieten, groote winst, die

den toestand van zijn huis geheel zou kunnen herstellen.

„Welnu?....” vroeg Sarcany.

„Gij vraagt mijne beslissing?”

„Ja.”

„Welnu, neen,” antwoordde Silas Toronthal, vooral afgeschrikt door het

denkbeeld zulk een deelgenoot te hebben, of om een beter woord te

bezigen: zoo’n medeplichtige.

„Gij weigert?”

„Ja, ik weiger.... Ik geloof bovendien niet aan den goeden uitslag van

uwe combinatiën!”

„Pas op, Silas Toronthal!” riep Sarcany, zonder zich ditmaal te

bedwingen, op dreigenden toon uit.

„Oppassen, voor wat, alsjeblieft?”

„Ik weet zekere zaken....”

„De deur uit, Sarcany!” antwoordde de bankier.

„Ik zal weten u te noodzaken....”

„De deur uit!”

In dit oogenblik werd licht op de deur van het kantoor getikt. Terwijl

Sarcany zijn gelaat vlug naar den kant van het venster gewend had, was

de deur opengegaan op het „binnen” van den bankier. Een bediende

verscheen en sprak met luider stem:

„Graaf Sandorf verzoekt den heer Silas Toronthal een oogenblik gehoor!”

Daarna ging hij heen.

„Graaf Sandorf?” riep Sarcany uit.

Van den eenen kant kon de bankier niet anders dan zeer verstoord zijn,

dat Sarcany van dat bezoek onderricht werd, en van den anderen kant

begreep hij dat groote moeilijkheden gingen voortvloeien uit die

onverwachte komst van den graaf.

„He! he! wat komt graaf Sandorf hier doen?” vroeg Sarcany op scherp

spotachtigen toon. „Staat gij dus in betrekking met de samenzweerders

van het huis Zathmar. Inderdaad, ik geloof dat ik mij tot een hunner

gewend heb.”

„Zult gij eindelijk heengaan?”

„Neen, Silas Toronthal, ik zal niet heengaan. Ik wil weten wat graaf

Sandorf hier komt doen!”

Toen hij die woorden uitgesproken had, wierp hij zich ijlings in een

kabinet, dat aan het kantoor grensde en welks voorhang achter hem

neerviel.

Silas Toronthal was op het punt om iemand te roepen, teneinde den

indringer te doen wegjagen, toen hij plotseling van gedachte

veranderde.

Mathias Sandorf [1] · 第 3 / 17 段