ernstige opvoeding had genoten. In plaats van het werkelooze leven te
genieten, dat hem door zijn groot vermogen gewaarborgd was, had hij er
behagen in gevonden, de physische wetenschappen en de geneeskundige
studiën te beoefenen. Hij zou een beroemd geneesheer zijn geworden, een
geneesheer van groot talent, wanneer de eischen des levens hem
gedwongen hadden zich met de verzorging van lijders te belasten. Hij
vergenoegde zich een scheikundige te zijn, die door de geleerde wereld
zeer gezien was en gewaardeerd werd. De universiteit te Pest, de
wetenschappelijke Academie te Presburg, de Koninklijke Mijnschool te
Schemnitz, de normaalschool te Temeswar, hadden hem ieder op hare beurt
onder de meest vlijtige leerlingen geteld. Dat leerrijke bestaan vormde
en bestendigde als het ware zijne natuurlijke eigenschappen. Het deed
hem man worden in de volle beteekenis des woords. Hij werd dan ook voor
zoodanig gehouden door allen, die hem kenden, maar voornamelijk door
zijne professoren dier verschillende scholen en universiteiten van het
koninkrijk, die zijne vrienden gebleven waren.
Vroeger heerschte er in het kasteel Artenick vroolijkheid,
levendigheid, beweging. Op die ruwe nokken van de Karpathen, kwamen de
Transsylvaansche jagers gaarne te zamen. Zij volvoerden dan groote en
gevaarlijke klopjachten, waarin graaf Sandorf als het ware afleiding
zocht voor zijne strijdlustige geaardheid, die hij op het staatkundig
schaakbord niet kon botvieren. Want hij hield zich ter zijde en sloeg
den gang van zaken van nabij gade. Hij scheen slechts te leven voor
zijne studiën en voor de jacht, twee hartstochten, waaraan hij zich met
zijn vermogen onbekrompen kon overgeven. Op dat tijdstip leefde de
gravin Rena Sandorf nog. Zij was de ziel der bijeenkomsten in het
kasteel Artenick. Vijftien maanden vóór het begin van deze geschiedenis
had de dood weggerukt haar die gevierd was om hare jeugdige schoonheid,
terwijl zij slechts een klein meisje achterliet, dat thans twee jaar
oud was.
Graaf Sandorf was door dien slag wreed getroffen en helaas! hij zou
steeds ontroostbaar blijven. Het kasteel werd stil en eenzaam. Sedert
dien dag leefde de eigenaar, onder den invloed van eene diepgevoelde
smart, in dat prachtige gebouw als in een klooster. Zijn geheele leven
drong zich op één punt samen, namelijk op zijn kind, dat aan de zorgen
van Rosena Lendeck, de echtgenoote van des graven intendant,
toevertrouwd werd. Die edelaardige vrouw, welke nog jong was, wijdde
zich geheel en al aan de eenige erfdochter der Sandorfs en verzorgde
haar alsof het haar eigen kind ware. De eigen moeder van de gravin had
niet teerder kunnen wezen.
Graaf Sandorf verliet gedurende de eerste maanden van zijn
weduwnaarschap het kasteel van Artenick niet. Hij leefde afgetrokken en
als in zijne herinneringen aan het verleden verzonken. Daarna namen de
denkbeelden omtrent zijn vaderland, dat in een soort van vernederenden
toestand te midden van de Europeesche staten geplaatst was, weer de
overhand.
En daar waren wel redenen voor! De Fransch-Italiaansche oorlog van 1859
had toch een schrikkelijken slag toegebracht aan de Oostenrijksche
macht.
Die slag was zeven jaren later, in 1866, door een nog schrikkelijker
gevolgd geworden, namelijk door dien van Sadowa. Het was niet alleen
meer aan het Oostenrijk, dat van zijne Italiaansche bezittingen beroofd
was geworden, dat Hongarije zich vastgekluisterd gevoelde, maar ook aan
het Oostenrijk, dat aan twee kanten overwonnen en aan Duitschland
ondergeschikt gemaakt werd. De Hongaren gevoelden zich in hunnen trots
vernederd, en dat gevoel laat zich niet wegredeneeren, wanneer het in
het bloed zit. In hun oog konden de overwinningen te Custozza en te
Lissa geene vergoeding voor de nederlaag te Sadowa bieden.
Graaf Sandorf had gedurende het geheele jaar, dat op die
krijgsgebeurtenis gevolgd was, uiterst nauwgezet het staatkundig
terrein bestudeerd en was tot de erkenning gekomen, dat eene beweging
tot afscheiding van zijn vaderland goede kansen van slagen had.
Het oogenblik van handelen was dus volgens hem gekomen.
Den 3en Mei van het jaar 1867 vertrok graaf Sandorf, na zijn
dochtertje, hetwelk hij onder de hoede van Rosena Lendeck goed verzorgd
achterliet, van het kasteel Artenick naar Pest, waar hij zich in
betrekking stelde met zijne vrienden en partijgenooten, en daar eenige
voorloopige beschikkingen nam. Vervolgens reisde hij eenige dagen later
af naar Triëst, om daar den loop der gebeurtenissen af te wachten.
Daar moest het voorname middelpunt van de samenzwering zijn. Vandaar
zouden alle draden, die in de hand van graaf Sandorf te zamen kwamen,
uitstralen. In die stad zouden de samenzweerders, aan minder
achterdocht blootgesteld, met meer vrijheid en veiligheid kunnen
handelen om hunne vaderlandslievende poging tot een goed einde te
brengen.
Twee der meest innige vrienden van Mathias Sandorf woonden te Triëst.
Zij waren bezield met denzelfden geest als hij, en vast besloten om hem
bij die onderneming trouw te volgen. Graaf Ladislas Zathmar en
professor Stephanus Bathory waren Magyaren en van adellijke geboorte.
Beiden waren ongeveer een tiental jaren ouder dan Mathias Sandorf, maar
bezaten hoegenaamd geen vermogen. De een genoot een gering inkomen van
een klein landgoed, in het consulaat Lipte, aan de overzijde van den
Donau gelegen. De andere gaf onderwijs in de natuurkundige
wetenschappen te Triëst en kon met de opbrengst zijner lessen ter
nauwernood rondkomen.
Ladislas Zathmar bewoonde het huis, hetwelk kort geleden door onze twee
bekenden, Sarcany en Zirone, in de Acquedotto verkend was geworden. Dat
huis, eene bescheiden woning, was door graaf Sandorf ter zijner
beschikking gesteld, gedurende al den tijd dat deze buiten zijn kasteel
Artenick zou verblijven, dat wil zeggen totdat de geprojecteerde
beweging tot uitvoering gebracht zoude zijn, welke dan ook de uitslag
er van zoude wezen. Een Hongaar, Borik genaamd, die ongeveer vijf en
vijftig jaren oud was, vertegenwoordigde het geheele bediendenpersoneel
van het huis. Het was een man, die zijn meester evenveel toewijding
toedroeg als de intendant Lendeck voor graaf Sandorf koesterde.
Stephanus Bathory betrok een niet minder bescheidene woning in de
Corsia Stadionstraat, nagenoeg in hetzelfde stadskwartier gelegen als
die van graaf Zathmar. Daar sleet hij zijn leven tusschen zijne vrouw
en zijn zoon Piet, die toen ongeveer acht jaren oud was.
Stephanus Bathory behoorde onbetwistbaar en onloochenbaar, hoewel in
verren graad, tot de nakomelingschap van die Magyaarsche vorsten, die
in de zestiende eeuw den troon van Transsylvanië bestegen. De
verwantschap had zich sedert dat tijdstip gesplitst en was in talrijke
vertakkingen verloren gegaan; men zou ongetwijfeld verwonderd gestaan
hebben, wanneer men vernomen had, dat een der nakomelingen dier
machtige familie van weleer, in dien eenvoudigen professor bij de
Rijks-Academie te Presburg weer te vinden was. Maar dat daargelaten,
Stephanus Bathory was een geleerde van den eersten rang, een van
diegenen, die teruggetrokken leven, maar die door hunne werken beroemd
zijn. In clusum labor illustrat. „Zijn verborgen arbeid maakt hem
beroemd”, dit devies van den zijdeworm zou het zijne kunnen genoemd
worden. Op zekeren dag werd hij door zijn staatkundige gevoelens, die
hij niet onder stoelen of banken verborg, genoodzaakt om zijn ontslag
te nemen. Toen kwam hij als onafhankelijk leeraar te Triëst wonen met
zijne gade, die hem moedig bij alle beproevingen ter zijde gestaan en
geschraagd had.
Het was in de woning van graaf Ladislas Zathmar, dat de drie vrienden
sedert de aankomst van graaf Mathias Sandorf te zamen kwamen; hoewel
deze laatste er in het oog loopend op gestaan had een vertrek in het
Palazzo Modello—thans het hôtel Delòrme—op de Piazza Grande te
betrekken.
De politie was er dan ook ver van verwijderd eenige achterdocht te
koesteren, dat dit huis op de Acquedotto het middelpunt was van eene
samenzwering, die talrijke deelgenooten telde in de voornaamste steden
des rijks.
Ladislas Zathmar en Stephanus Bathory waren zonder eenige aarzeling de
vurigste aanhangers van Mathias Sandorf geworden. Evenals hij hadden
zij erkend, dat de tijdsomstandigheden zich er toe leenden om eene
beweging mogelijk te maken, die Hongarije den rang onder de Europeesche
staten kon doen hernemen, welke door dat rijk begeerd werd. Daarvoor
brachten zij hun leven in gevaar, dat wisten zij, maar dat kon hen niet
weerhouden.
Het huis op de Acquedotto werd dus de vergaderplaats van de voornaamste
hoofden der samenzwering. Vele der deelgenooten, van de verschillende
punten van het Koninkrijk opgeroepen, kwamen er maatregelen beramen en
bespreken, of kwamen er bevelen ontvangen. Een postdienst van
reisduiven, die briefjes overbrachten, stelde een snel en veilig
verkeersmiddel daar tusschen Triëst en de voornaamste steden van het
Hongaarsche land en van Transsylvanië, wanneer het instructiën gold,
die noch aan de posterijen, noch aan den telegraafdienst toevertrouwd
konden worden.
Om kort te gaan, alle voorzorgsmaatregelen waren zoo goed getroffen,
dat de samenzweerders tot heden toe iedere achterdocht, hoe gering ook,
ontgaan waren.
Men zag het: de briefwisseling daarenboven had slechts in geheimschrift
plaats, dat door zijne moeilijke oplossing de geheimzinnigheid
bevorderde en derhalve de veiligheid der samenzweerders zeer in de hand
werkte.
Drie dagen na de aankomst van de reisduif, wier briefje door Sarcany en
Zirone onderschept was, dus op den 21sten Mei, bevonden zich graaf
Ladislas Zathmar en Stephanus Bathory tegen acht uur des avonds bij
elkander in het werkvertrek en wachtten daar de terugkomst van graaf
Mathias Sandorf af. De eigen zaken van laatstgenoemde hadden hem
genoodzaakt naar zijn kasteel Artenick in Transsylvanië weer te keeren;
maar hij had die reis kunnen dienstbaar maken, om met zijne vrienden te
Klausenburg, hoofdplaats der rijksprovincie, te beraadslagen en hij
moest dienzelfden dag terugkomen, na aan de deelgenooten den inhoud van
die dépêche, waarvan Sarcany afschrift genomen had, medegedeeld te
hebben.
Sedert het vertrek van Mathias Sandorf, waren andere correspondentiën
gewisseld geworden tusschen Triëst en Buda-Pest en verscheidene
briefjes in geheimschrift waren door duiven aangebracht. In hetzelfde
oogenblik zelfs hield graaf Ladislas Zathmar zich onledig om het
raadselachtig schrift daarvan in verstaanbaren tekst door middel van
een toestel, onder den naam van „rooster” bekend, over te brengen.
Die dépêches waren inderdaad volgens een zeer eenvoudig stelsel,
namelijk dat der verplaatsing van de letters, samengesteld. In dat
stelsel behoudt iedere letter hare eigene alphabetische waarde, dat wil
zeggen dat bijvoorbeeld een b een b, een o een o blijft beteekenen enz.
Maar de letters worden achtereenvolgens verplaatst volgens de open of
de gesloten vakken van een rooster, die op de dépêche gelegd, slechts
die letters laat ontwaren, welke gelezen moeten worden, terwijl anderen
bedekt en dus onzichtbaar blijven.
Dat roostersysteem, vroeger veel in zwang, was zeer gebrekkig, maar is
sedert veel verbeterd door den kolonel Fleissner. Het is nu nog de
allerbeste manier en de veiligste ook, wanneer het geldt een
onoplosbaar geheimschrift te erlangen. Bij alle andere stelsels, hetzij
met een onveranderlijken grondslag of met enkelen sleutel, waarbij
iedere letter van het alphabet steeds door een en hetzelfde teeken
voorgesteld wordt,—hetzij met veranderlijken grondslag of met dubbelen
sleutel, waarbij men bij iedere letter als het ware van alphabet
verandert, is de veiligheid niet volkomen. Verscheidene lieden toch,
die zich op het ontraadselen van geheimschrift toeleggen, zijn in staat
wonderen bij die soort van nasporingen te verrichten, hetzij door eene
berekening van waarschijnlijkheden, hetzij door een ijverigen arbeid
van tasten en beproeven. Slechts door zich te gronden op de letters,
die het meest voorkomen in zulk een geheimschrift—als de e in de
Fransche, Engelsche, Duitsche en Nederlandsche, de o in de Spaansche,
de a in de Russische, de e en i in de Italiaansche talen—geraken zij er
toe de letters van den tekst uit het geheimschrift hare ware beteekenis
in den verklaarden tekst weer te geven. Er bestaan dan ook weinig
dépêches, volgens die stelsels vervaardigd, die aan de scherpzinnige
gevolgtrekkingen van die naspoorders ontsnappen.
Het schijnt dus dat de roosters of de sleutelwoordenboeken—dat wil
zeggen diegene, waarin zekere vaak gebruikelijke woorden, geheele
volzinnen beteekenende, door getallen aangegeven zijn—de meest volkomen
waarborgen moeten geven van onoplosbaarheid. Maar die beide stelsels
hebben eene ernstige schaduwzijde: zij vereischen eene volkomene
geheimhouding, of beter, zij vorderen de noodzakelijkheid van nimmer de
toestellen of boeken, die dienen om hen te vormen, in handen van
oningewijden te laten vallen. Want inderdaad, is het zonder dien
rooster of zonder dat woordenboek onmogelijk die dépêches te lezen, zoo
is dat daarentegen gemakkelijk voor hen in wier handen die rooster of
dat woordenboek zich bevindt.
Het was dus door middel van een rooster, dat wil zeggen een vierkant
van bordpapier, schaakvormig in ruiten verdeeld, waarvan sommige vakken
weggeknipt waren, dat de brieven, tusschen graaf Sandorf en zijne
partijgangers gewisseld, opgelost werden. Maar uit overmaat van
voorzorg werden alle stukken, na gelezen te zijn, van weerszijden
verbrand en vernietigd. Gebeurde het dus dat die rooster, dien hij en
zijn vrienden gebruikten, verloren geraakte of gestolen werd, dan kon
daaruit geen nadeel voortvloeien. Er zou dan nimmer eenig spoor van dat
komplot overblijven, waarin de edelste heeren, de aanzienlijkste
magnaten van Hongarije, gemeenschappelijk verbonden met de voornaamste
vertegenwoordigers der burgerij en van het volk, betrokken waren en hun
hoofd waagden.
Juist had Ladislas Zathmar de laatst ontvangen berichten verbrand, toen
iemand bescheiden op de deur van het vertrek klopte.
Het was Borik, die graaf Mathias Sandorf aanmeldde, welk zoo even te
voet van het naburige station aangekomen was.
Ladislas Zathmar trad dadelijk op hem toe.
„Uwe reis, Mathias?....” vroeg hij met de haast van iemand die vóór
alles gerust gesteld wil zijn.
„Is volkomen geslaagd, Zathmar,” antwoordde graaf Sandorf. „Ik kan niet
twijfelen aan de gevoelens onzer vrienden in Transsylvanië en hunne
medewerking is ons thans verzekerd.”
„Hebt gij hen dat bericht, hetwelk ons drie dagen geleden van Pest
toegezonden werd, medegedeeld?” vroeg Stephanus Bathory, voor wien
Sandorf groote vriendschap koesterde.
„Ja, Stephanus,” antwoordde Mathias Sandorf, „ja, zij zijn
gewaarschuwd. Ook zijn zij gereed! Zij zullen op het eerste sein
opstaan. In twee uren zullen wij meester van Buda en van Pest zijn, in
een halven dag van de voornaamste comitaten aan deze en gene zijde van
de Theiss, en in een geheelen dag van Transsylvanië en van het
gouvernement der Militaire Grenzen. En dan zullen acht millioen
Hongaren hunne onafhankelijkheid herwonnen hebben!”
„En de rijksraad?”
„Onze partijgenooten hebben er de meerderheid in,” antwoordde Mathias
Sandorf. „Zij zullen dadelijk het nieuwe gouvernement samenstellen,
hetwelk de teugels van het bestuur in handen moet nemen. Alles zal
regelmatig en gemakkelijk gaan, daar de comitaten, wat hunne
administratie betreft, nauwelijks van de Kroon van Oostenrijk
afhankelijk zijn en dat hunne hoofden hunne eigene politie hebben.”
„Maar de raad van het Vice-Koningschap van het rijk, die door den prins
palatijn te Buda voorgezeten wordt?....” vroeg Ladislas Zathmar.
„De palatijn en de raad zullen onmiddellijk bij het uitbreken der
beweging in de onmogelijkheid gesteld worden om te handelen....”
„En ook in de onmogelijkheid om met de kanselarij van Hongarije te
Weenen te correspondeeren?”
„Ja, alle onze maatregelen zijn zoodanig getroffen, dat de eenparigheid
hunner uitvoering den goeden uitslag waarborgt.”
„Den goeden uitslag?” zei Stephanus Bathory.
„Ja, den goeden uitslag!” antwoordde graaf Sandorf. „In het leger
behooren allen ons, wien ons bloed, dat wil zeggen het Hongaarsche
bloed door de aderen vloeit. Waar is de nakomeling der oude Magyaren,
wiens hart niet klopt bij het zien van de vlag der Rodolphen en der
Corvijnen!”
En Mathias sprak die woorden met al de geestdrift van een vurig
vaderlander uit.
„Maar in afwachting dat dit uur komen zal,” ging hij voort, „laat ons
geen enkelen maatregel verzuimen om iedere achterdocht te ontgaan. Laat
ons voorzichtig zijn, wij zullen er slechts te sterker door zijn!—Hebt
gij niets verdachts te Triëst vernomen?”
„Neen,” antwoordde Ladislas Zathmar. „Men heeft hier slechts ooren en
oogen voor de werken, die de Staat te Pola doet uitvoeren en waarvoor
het grootste gedeelte der werklieden aangenomen zijn.”
En werkelijk, sedert een vijftiental jaren had het Oostenrijksch
gouvernement, in het vooruitzicht van Venetië mogelijk te moeten
verliezen—hetgeen inderdaad gebeurd is—het plan opgevat om te Pola, aan
het uiteinde van het Istrische schiereiland, uitgestrekte arsenalen en
eene oorlogshaven te stichten, om dat punt van de Adriatische zee te
kunnen beheerschen. In weerwil van het protest van Triëst, wier
maritieme belangrijkheid daardoor verminderd werd, waren de werken met
koortsachtigen ijver vervolgd geworden. Mathias Sandorf en zijne
vrienden konden dus denken, dat de bewoners van Triëst geneigd zouden
zijn hen te volgen, in geval de afscheidingsbeweging zich tot daar
zoude uitbreiden.
Wat er ook van aan zij, het geheim van die samenzwering ten voordeele
van de Hongaarsche onafhankelijkheid was goed bewaard geworden. Niets
had aanleiding gegeven, dat de politie zou hebben kunnen gissen dat de
voornaamste samenzweerders toen in dat bescheiden huis van de
Acquedottolaan vereenigd waren.
Zoo scheen tot het welslagen van die onderneming alles voorzien te zijn
en had men niets anders te doen dan het juiste oogenblik af te wachten
om handelend te kunnen optreden.
De correspondentie in geheimschrift, tusschen Triëst en de voornaamste
steden van Hongarije en van Transsylvanië, werd al meer zeldzaam en zou
zelfs geheel ophouden, tenzij gewichtige gebeurtenissen voorvielen. De
reisduiven hadden voortaan geene dépêches meer over te brengen, daar de
laatste maatregelen vastgesteld waren. Uit overmaat van voorzichtigheid
dus had men de voorzorg genomen, hun toevluchtsoord op het huis van
Ladislas Zathmar te sluiten.
Er moet hier bijgevoegd worden, dat wanneer het geld de zenuw des
oorlogs is, het dat ook is voor de samenzweringen. Het is van zeer
groot belang, dat het den komplotmakers niet ontbreekt. En bij deze
gelegenheid zou het inderdaad niet ontbreken.
Men weet het, dat al konden graaf Ladislas Zathmar en professor
Stephanus Bathory hun leven voor de onafhankelijkheid van hun vaderland
opofferen, zij evenwel geen vermogen hadden om ten offer te brengen;
want het is den lezer bekend: zij bezaten slechts zeer beperkte
middelen. Maar graaf Mathias Sandorf was rijk, zelfs onmetelijk rijk,
en met zijn leven was hij gereed ook geheel zijn vermogen op het spel
te zetten voor die zaak. Sedert verscheidene maanden dan ook had hij,
door tusschenkomst van zijn intendant Lendeck, groote sommen op zijne
landerijen opgenomen, meer dan twee en een half millioen gulden.
Maar het was noodig dat die som steeds ter zijner beschikking gehouden
werd en dat hij haar ieder oogenblik kon ontvangen. Te dien einde was
zij gedeponeerd geworden bij een bankiershuis te Triëst, waarvan de
goede naam onbesproken, en de soliditeit tegen iedere gebeurlijkheid
bestand was. Dat was het huis Toronthal, waarover Sarcany en Zirone
juist gesproken hadden, terwijl zij op het kerkhof der bovenstad
vertoefden.
Welnu, die buiten alle berekening vallende gebeurtenis, zou de
gewichtigste gevolgen na zich slepen, zooals men zien zal uit den loop
van deze geschiedenis.
Bij de vermelding van dat geld, waarvan een oogenblik sprake was
geweest gedurende hun laatste gesprek, zei graaf Sandorf tot graaf
Zathmar en tot Stephanus Bathory, dat het zijn voornemen was om
eerstdaags een bezoek aan den bankier Silas Toronthal te brengen, om
hem te verwittigen, dat hij het geld binnen den kortst mogelijken tijd
te zijner beschikking te stellen had.
En waarlijk, de gebeurtenissen zouden weldra graaf Sandorf er toe
aanzetten om het van Triëst verwachte signaal te geven, te meer nog nu
hij dien eigen avond meende bespeurd te hebben, dat het huis van graaf
Ladislas Zathmar meer dan gewoonlijk gadegeslagen werd. En dat
verontrustte hem.
Toen graaf Sandorf en Stephanus Bathory tegen tien uur naar buiten
traden, de een om zich naar zijne woning in de Corsia Stadionstraat te
begeven, de andere om naar het hôtel Delòrme weer te keeren, meenden
zij twee mannen te ontwaren, die hen in het donker bespiedden, hen op
eenigen afstand volgden en alle moeite deden om niet gezien te worden.
Mathias Sandorf en zijn metgezel, vast besloten om te weten te komen
wat er gaande was, aarzelden geen oogenblik om op die zoo verdachte
personen toe te treden. Maar toen dezen hen bespeurden, verdwenen zij
bij den hoek van de Sint Antonius-kerk, bij het uiteinde van het groote
kanaal, vóór dat het mogelijk geweest was hen in te halen.
III.
HET BANKIERSHUIS TORONTHAL.
Te Triëst bestaat eigenlijk geen gezelschapsband. Tusschen
verschillende rassen bestaat geene gezelligheid, evenmin als tusschen
verschillende kusten. De Oostenrijksche beambten koesteren de
verwaandheid om te meenen, dat zij de hoogste sport op de
maatschappelijke ladder innemen, welke ook de plaats zij, welke zij in
het administratieve werktuig bekleeden. Over het algemeen zijn dat
voorname lieden, die goed onderwezen en zeer welwillend zijn. Hunne
bezoldiging is evenwel mager en schraal en ver beneden hun
maatschappelijk standpunt, zoodat zij niet wedijveren kunnen met de
handels- of met de finantie-mannen. Deze laatsten zijn genoodzaakt,
daar de bijeenkomsten bij de rijke familiën zeldzaam zijn, maar
zeldzamer nog de officieele vereenigingen, hun toevlucht te nemen tot
weelderigheid buitenshuis—oogenweelderigheid zou men het kunnen
noemen—zooals bij het verschijnen op de straten door de pracht hunner
equipages, of in den schouwburg door den rijkdom der toiletten, door
den overvloed van diamanten, welke hunne dames in de loges van het
Teatro Comunale of van de Armonia tentoonstellen.
Onder al die rijke familiën werd voornamelijk die van den bankier Silas
Toronthal opgemerkt.
Het hoofd van dat bankiershuis, waarvan het crediet zich verre over de
grenzen van het Oostenrijksch-Hongaarsch koninkrijk uitstrekte, was
toen zeven-en-dertig jaren oud. Hij bewoonde met mevrouw Toronthal, die
eenige jaren jonger was dan hij, een prachtig huis in de
Acquedottolaan.
Silas Toronthal ging door voor zeer rijk te zijn, en dat moest hij ook
wezen. Stoutmoedige en zeer gelukkige beursspeculatiën, een breede
grondslag van zaken met de maatschappij van de Oostenrijksche Lloyd en
met andere groote huizen, belangrijke leeningen, waarvan de uitgifte
hem toevertrouwd was, dat alles kon slechts veel geld in zijne kas
gebracht hebben. Vandaar dat hij groote sier gemaakt had, hetgeen wel
het oog op hem deed vallen.
Evenwel was het toch mogelijk, zooals Sarcany tot Zirone gezegd had,
dat de zaken van Silas Toronthal toentertijd eenigermate belemmering
ondervonden, ten minste voor het oogenblik. Dat hij zeven jaren vroeger
den weerslag ondervonden had van de verwarring bij de Bank en op de
beurs teweeg gebracht door den oorlog van Frankrijk en Italië tegen
Oostenrijk, daarna en nog slechts kort geleden, door den veldtocht, die
met de ramp van Sadowa beëindigd werd, dat hij op dat tijdstip zware
verliezen geleden had door de daling der fondsen op de voornaamste
plaatsen van Europa, maar vooral op die van het
Oostenrijksch-Hongaarsch koninkrijk, zooals Weenen, Pest en Triëst, dat
kon niet anders. Toen zou hij, wanneer hij verplicht ware geworden, de
kapitalen, die bij hem in rekening-courant waren gedeponeerd, terug te
betalen, in ernstige ongelegenheid zijn geraakt. Maar dat was niet
geschied en hij had zich voorzeker weer na die crisis hersteld. Maar
wanneer het waar was, wat Sarancy beweerde, had hij gewaagde
speculatiën moeten ondernemen, waardoor de soliditeit van zijn huis op
losse schroeven gesteld zoude zijn.