Hij was opgestaan, en stampte met den voet op den grond, zoo

WONDERREIZEN

JULES VERNE

MATHIAS SANDORF

EEN VERIJDELDE SAMENZWERING

DOKTER ANTEKIRRT

AMSTERDAM

UITGEVERS-MAATSCHAPPY „ELSEVIER”

1916

I.

DE REISDUIF.

Triëst, de hoofdplaats van Illyrië, wordt verdeeld in twee gedeelten,

die zeer weinig gelijkenis met elkander hebben; het eene is nieuw en

rijk, Theresienstadt genaamd, keurig netjes en regelmatig gebouwd langs

de boorden van die fraaie baai, waarvoor een deel door den mensch aan

de golven ontwoekerd werd; het andere gedeelte is eene oude en arme

stad, die geheel onregelmatig opgetrokken werd en besloten ligt

tusschen het Corso, waardoor zij van de Theresienstadt afgescheiden

wordt, en de hellingen van den Karstberg, welks top bekroond is met

eene citadel, die een schilderachtig uiterlijk heeft.

De haven van Triëst wordt gedekt door den kaaidam San Carlo, in welks

nabijheid de koopvaardijschepen bij voorkeur ankeren. Daar vormen zich

gemakkelijk en soms in onrustbarend aantal, groepen van die

straatslijpers, van die bohemers, zooals zij wel genoemd worden, van

die kerels zonder dak, welker jassen, broeken en vesten waarachtig geen

zakken noodig hebben, omdat hunne eigenaren nooit iets gehad hebben en

nooit iets zullen hebben, om er in te bergen.

Evenwel op den dag, waarop dit verhaal begint—den 18den Mei 1867—zou

men te midden van die landloopers twee personen opgemerkt hebben, die

een weinig beter gekleed waren dan hunne omgeving. Of ze ooit veel last

hadden of hebben zouden van de guldens of kreutzers, die zij bezaten,

was weinig waarschijnlijk, tenzij de kansrekening ten hunnen gunste

uitviel. Het is waar dat het een paar kerels waren, die in staat geacht

moesten worden, alles te doen om de fortuin de hand te reiken en haar

gunstig te stemmen.

De een heette Sarcany, die beweerde dat hij van Tripoli afkomstig was.

De andere was op Sicilië geboren en heette Zirone. Beiden, na den

havendam voor den tienden keer op en neer gedrenteld te hebben, waren

op zijn uiteinde blijven stilstaan. Van dat punt onderzochten zij den

gezichteinder op zee ten westen van de baai van Triëst, alsof daar aan

de kim een schip moest opduiken, hetwelk hun een vermogen zou

aanbrengen!

„Hoe laat is het?” vroeg Zirone in het Italiaansch, dat zijn makker

even vlug en vloeiend sprak als al de andere tongvallen, die rondom de

Middellandsche Zee gesproken worden.

Sarcany antwoordde niet.

„Och, ben ik niet dom, met zoo’n vraag te doen!” riep de Siciliaan uit.

„Men weet altijd hoe laat het is, wanneer men den honger gevoelt, als

men niets te ontbijten heeft gehad!”

De Oostenrijksche, Italiaansche en Slavonische bestanddeelen der

maatschappij zijn in dit gedeelte van het Oostenrijksch-Hongaarsche

koninkrijk zoodanig vermengd, dat de aanwezigheid van die twee

personen, hoewel zij blijkbaar vreemdelingen in de stad waren,

volstrekt niet de aandacht trok. En al hadden zij ook al leege zakken

en al waren zij ook arm als Job, zoo kon dat niemand raden, daar zij

onder den bruinen mantel, die hen tot op de hielen viel, een hooge

borst zetten, alsof zij wonder veel in de melk te brokken hadden.

Sarcany, de jongste dier beide mannen, was van middelbare gestalte,

maar evenredig gebouwd. Hij bezat aangename manieren en een bevalligen

gang en was vijf en twintig jaren oud. Hij heette Sarcany, zonder meer.

Geen voornaam, geen doopnaam. En inderdaad, hij was niet gedoopt, omdat

hij zeer waarschijnlijk van Afrikaansche herkomst was, van Tripoli of

Tunis. Maar hoewel zijne huid gebruind was, deden zijne regelmatige

trekken hem eerder voor een blanke dan voor een neger doorgaan.

Wanneer ooit het uiterlijk bedriegelijk was, dan was het wel dat van

Sarcany. Men moest wel een ervaren opmerker zijn om uit dat regelmatige

gelaat, met die schoone zwarte oogen, met dien fijngevormden neus, met

dien keurig geteekenden mond, die door een fijn kneveltje beschaduwd

werd, de diepe sluwheid van dien jongen man op te maken. Geen nog zoo

scherpziend oog zou op dat strakke, ijskoude gelaat die kenmerken van

diepe verachting en van peilloozen afkeer hebben kunnen ontdekken, die

uit een voortdurenden opstand en strijd tegen de maatschappij geboren

worden. Wanneer de gelaatkundigen, en in zeer vele gevallen terecht,

beweren, dat ieder bedrieger in weerwil van zijne behendigheid tegen

zich zelven getuigt, zoo zou Sarcany die bewering volkomen

gelogenstraft hebben. Niemand zou op het eerste gezicht van dien man

hebben kunnen gissen, wie hij was of wat hij geweest was. Hij ontlokte

dien onweerstaanbaren afkeer niet, die door schurken en bedriegers

opgewekt wordt. Hij was er des te gevaarlijker door.

Hoe of wat was de kindsheid van Sarcany geweest? Dat wist niemand te

vertellen. Ongetwijfeld die van een verlaten, verstooten wezen. Hoe was

hij opgevoed geworden? En door wien? In welk Tripolitaansch gat bracht

hij zijne eerste kinderjaren door? Door welke zorgen ontsnapte hij aan

de zoovele oorzaken van verdelging en vernietiging onder die

noodlottige klimaatsinvloeden? Waarlijk niemand—hij zelf waarschijnlijk

ook niet—zou op die vragen antwoord hebben kunnen geven. Het toeval had

hem het aanzijn geschonken, het toeval sleepte hem voort en hij was

bestemd afhankelijk van het toeval te leven! Toch had hij in zijne

jeugd eenig practisch onderricht genoten, hetwelk hij daaraan

waarschijnlijk verschuldigd was, dat hij door de wereld had moeten

rondzwerven, dat hij met allerhande slag van menschen had moeten

omgaan, en dat hij er steeds op bedacht had moeten zijn om kunstmiddel

op kunstmiddel uit te denken, al ware het maar om zijn dagelijksch

onderhoud machtig te worden. Daardoor en door nog verschillende andere

omstandigheden was hij sedert eenige jaren in aanraking gekomen met een

der rijkste huizen van Triëst, met het bankiershuis van Silas

Toronthal, wiens naam innig samengeweven zal zijn met den draad dezer

geschiedenis.

Wat den makker van Sarcany, den Italiaan Zirone, betreft, och, men

heeft in hem slechts te zien een dier mannen zonder god of gebod, een

avonturier, in staat om alles te doen, om alles ter hand te nemen,

iemand die ter beschikking is van den eerste den beste die goed

betaalt, om dien te verraden ter wille van een ander, die nog beter

afschuift. Hij was, zooals reeds gezegd is, op Sicilië geboren en

ongeveer dertig jaar oud. Hij was er de man naar, om zoowel slechten

raad te geven als dien te ontvangen. Vooral evenwel zorgde hij voor de

uitvoering daarvan. In welke plaats was hij geboren? Misschien zou hij

die vraag beantwoord hebben als hij het geweten had. Maar in ieder

geval bekende hij ongaarne waar hij woonde, als hij wel te verstaan

ergens woonde. Het was op Sicilië dat het toeval van zijn zwervend

leven hem in aanraking met Sarcany gebracht had. En zoo gingen zij de

wereld door en trachtten door alle geoorloofde en ongeoorloofde

middelen uit hun beider slecht gesternte munt te slaan en de fortuin te

beproeven. Zirone evenwel, een groote, gebaarde kerel, met zeer bruine

huid en zeer zwart haar, zou eenige moeite hebben om zijne aangeborene

schelmachtigheid te bemantelen, die uit zijne steeds half gesloten

oogen straalde en door zijn voortdurend hoofdschudden aangeduid werd.

Alleen hij poogde zijne sluwheid achter eene luidruchtige

babbelachtigheid te verbergen. Hij was daarenboven eerder vroolijk dan

droevig van aard en veel meer mededeelzaam dan zijn makker.

Dien dag sprak Zirone evenwel met eene soort van omzichtigheid.

Klaarblijkelijk verontrustte hem zijne hongerigheid. Den vorigen dag

had hij een laatste partij gespeeld in een speelhol van zeer laag

allooi, waarbij de fortuin hem onbarmhartig stiefmoederlijk behandeld

had, en hij de laatste hulpmiddelen van Sarcany verspeeld had. Geen

hunner wist dan ook hoe aan eten te komen. Ze konden en mochten slechts

op het toeval rekenen, en daar die bedelaars-voorzienigheid zich niet

haastte om hun de hand te reiken daar op dien havendam van San Carlo,

zoo besloten zij haar een eindje tegemoet te treden, door de nieuwe

stad in te stappen.

Daar op de pleinen, op de kaden, op de wandelwegen, zoowel aan deze als

aan gene zijde van de haven, langs het groote kanaal, dat geheel Triëst

doorsnijdt, daar gaat, komt en verdringt zich, in den ijver om zaken te

doen, eene bevolking van zeventig duizend zielen van Italiaanschen

oorsprong, welker taaldialect, hetwelk dat van Venetië is, zich oplost

in de kosmopolitische spraakverwarring van al die zeelieden,

handelaren, geëmployeerden, beambten, die een mengelmoes doen hooren,

dat uit Duitsch, Fransch, Engelsch en Slavonisch bestaat.

Hoewel beweerd kan worden, dat die nieuwe stad rijk is, zoo moet

daaruit de gevolgtrekking niet gemaakt worden dat allen, die daar op de

straten ronddrentelen, gelukkige stervelingen genoemd kunnen worden.

Neen, waarachtig niet. De meest-vermogenden zouden onmogelijk hebben

kunnen wedijveren met die Engelsche, Armenische, Grieksche en Joodsche

handelaren, die te Triëst den baas spelen en welker weelderige

huishouding de hoofdstad van het Oostenrijksch-Hongaarsche koninkrijk

overwaardig zou zijn. Maar die buiten rekening gelaten, hoeveel arme

drommels, die van ’s morgens tot ’s avonds zwerven door die

handelslanen, welke door hooge gebouwen omgeven zijn, die gesloten

worden als geldkisten en waarin allerhande koopwaren, welke naar die

vrijhaven, die zoo gunstig in dien uithoek van de Adriatische Zee

gelegen is, gebracht worden, opgestapeld liggen. Hoeveel lieden

drentelen daar niet, die niet ontbeten hebben, die misschien niet

zullen middagmalen, opgehouden als zij zullen worden op de havenkaden,

waar de schepen van de machtigste maritieme maatschappij van Europa, de

Oostenrijksche Lloyd, zooveel rijkdom, van al de streken der aarde

bijeengebracht, ontladen. Hoeveel rampzaligen eindelijk, zooals er bij

honderden in Londen, Liverpool, Amsterdam, Rotterdam, Marseille, Havre,

Antwerpen, Livorno, in één woord in alle handelssteden, tusschen rijke

reeders en cargadoors rondkrioelen in de nabijheid dier pakhuizen,

welker ingang voor hen gesloten is, op de beurspleinen dier steden,

gebouwen aan Mercurius gewijd, die zich nimmer voor hen zullen

ontsluiten, bewegen zich niet ook hier te Triëst beneden aan die

trappen van dat Tergesteum, waar de Lloyd hare kantoren gevestigd

heeft, hare leeszalen bezit, en in volmaakte overeenkomst met de Kamer

van Koophandel leeft.

Het is onbetwistbaar dat in al de groote zeesteden van de oude en

nieuwe wereld, een klasse van ongelukkigen rondkrioelt, die aan die

groote handelscentra eigen zijn. Vanwaar zij komen, weet niemand. Hoe

dat lot hun beschoren werd, evenmin. Waar zij het hoofd neerleggen

zullen, weten zij zelven niet. Onder hen worden aangetroffen die van

hooger standpunt weggedrongen werden. Het zijn meestal vreemdelingen

bovendien. De spoortreinen en de koopvaardijschepen brachten hen aan en

wierpen hen op het perron of op de kaden als colli’s vrachtgoederen

zonder waarde, en zij vormen een ware belemmering op den openbaren weg,

vanwaar de politie hen te vergeefs zoekt te verdrijven.

Sarcany en Zirone, na nog een blik over de baai tot aan den vuurtoren,

die op de uiterste punt van Sint Theresia opgericht is, geworpen te

hebben, verlieten alzoo den havendam en namen hun weg tusschen het

Teatro Comunale en de kade door en bereikten zoo de Piazza Grande, waar

zij gedurende een kwartieruur slenterden in de nabijheid van de

fontein, die opgetrokken werd van steenen, welke uit den naburigen

Karstberg gehaald waren, en in de nabijheid van het standbeeld van

Karel VI.

Beiden sloegen toen links af. Intusschen bekeek Zirone de

voorbijgangers met onderzoekenden blik, alsof hij van het

onweerstaanbare plan zwanger ging te willen zakkenrollen. Daarna

slenterden zij rondom het groote vierkant van Tergesteum, juist op het

oogenblik dat de beurstijd eindigde.

„De beurs is nu leeg.... zooals de onze!” meende de Siciliaan met een

glimlach te moeten opmerken, hoewel hij volstrekt geen trek in lachen

had.

Maar de onverschillige Sarcany scheen zelfs het geestige woordenspel

van zijn makker niet gehoord te hebben. Deze evenwel rekte zich de

ledematen uit en geeuwde van honger.

Daarna stapten zij het driehoekige plein over, waarop zich het bronzen

standbeeld van keizer Leopold I verheft. Een scherp gefluit van Zirone,

die dat als een echte straatjongen kon, deed een vlucht blauwe duiven

opvliegen, die onder de boogvormige afdaken van de oude Beurs

koekeloeren, zooals de grijsachtige duiven doen tusschen de Procuraties

van het Sint-Markusplein te Venetië. Niet ver van daar ontwikkelde zich

het Corso, dat het nieuwe Triëst van het oude scheidt.

Dat Corso is een breede straat, die evenwel zonder bevalligheid is,

waarin goedbeklante magazijnen aangetroffen worden, die evenwel

smakeloos genoemd moeten worden. Die straat doet eerder denken aan de

Regentstreet van Londen of de Broadway van New-York, dan aan de

Boulevards des Italiens te Parijs. Een groot aantal voorbijgangers

wordt er steeds aangetroffen. Ook het aantal rijtuigen is er

aanmerkelijk, die van de Piazza Grande naar de Piazza della Legna

rijden.—Die namen duiden aan dat de stad haren Italiaanschen oorsprong

nog niet vergeten is.

Wanneer Sarcany den schijn aannam ongevoelig te zijn voor iedere

verzoeking, zoo ging Zirone toch die rijke winkels niet voorbij zonder

er dien bijzonderen afgunstigen blik in te werpen, die van hen uitgaat,

die de middelen missen naar binnen te kunnen gaan. Daar waren toch

zaken in overvloed aanwezig, die zij wel zouden hebben kunnen

gebruiken, vooral bij de kooplieden in eetwaren en in de „bièreries”

waar het bier meer overvloedig stroomt dan in eenige andere stad van

het Oostenrijksch-Hongaarsche koninkrijk.

„Ik gevoel nog meer honger dan dorst op dit Corso,” merkte de Siciliaan

op, terwijl hij met de tong tusschen zijn verdroogde lippen smakte,

alsof hij een kleppermansratel liet hooren.

Die opmerking werd door Sarcany met een eenvoudig schouderophalen

beantwoord.

Beiden sloegen toen de eerste straat links in, en toen zij op de oevers

van het kanaal waren aangekomen, op het punt waar de Ponto Rosso—eene

fraaie draaibrug—overgang verleende, stapten zij die kaden langs, waar

zelfs schepen van grooten diepgang kunnen vastmeeren. Daar werden zij

veel minder verlokt en gepijnigd door de uitstalling van allerlei

lekkernijen. Ter hoogte van de kerk Sant-Antonio gekomen, sloeg Sarcany

plotseling rechtsom. Zijn makker volgde hem zonder eenige bemerking te

maken. Daarna staken zij weer het Corso over en drentelden thans door

de oude stad, welker straten zeer smal en onbruikbaar voor rijtuigen

zijn, wanneer zij althans die eerste hellingen van den Karstberg

bereiken en daartegen als het ware willen opklimmen. Die straten nemen

in den regel zulke richting, dat zij niet door den schrikkelijken

Borawind—zoo wordt een stevige noordoostelijke bries genoemd—bestreken

kunnen worden. Hier in dat oude Triëst zouden Zirone en Sarcany als

ware platzakken, zich meer te huis gevoelen dan in de rijke en

prachtige kwartieren van de nieuwe stad.

Zij logeerden dan ook inderdaad achter in een zeer bescheiden

passantenhuis, niet ver van de kerk van Santa Maria Magiore, en hadden

daar reeds hun intrek genomen bij hunne aankomst in de hoofdplaats van

Illyrië. Maar daar de logementhouder nog nooit eenig geldstuk van hen

te zien had gekregen en steeds dringender werd om zijne rekening, die

iederen dag al grooter en grooter werd, betaald te krijgen, vermeden

zij die gevaarlijke kaap, staken het plein over en flaneerden gedurende

eenigen tijd rondom de Arco di Riccardo.

Maar op den keper beschouwd, de studie van die overblijfselen van

vermeende bouwkunst kon hen niet bevredigen. Daar dus het toeval dezen

keer blijkbaar zich niet haastte om hen te midden van die slecht

befaamde straten te hulp te komen, begonnen zij, de een gevolgd door

den ander, de steile stegen te beklimmen, die bijna tot op den top van

den Karstberg, naar het plein der kathedraal voerden.

„Een zonderling denkbeeld om daar naar boven te klimmen,” mompelde

Zirone, terwijl hij onderwijl zijn mantel om zijn middel vaster

aantrok.

Maar al pruttelde hij ook, hij verliet zijn makker niet, en van beneden

gezien, had men kunnen waarnemen, hoe zij zich langs die trappen, die

oneigenaardig straten genoemd worden en langs de hellingen van den

Karstberg aangelegd zijn, opheschen. Tien minuten later hadden zij,

hongeriger en dorstiger dan te voren, het plein daarboven bereikt.

Dat van dit hooge standpunt het vergezicht zich prachtig uitstrekte

over de baai van Triëst tot aan de volle zee, over de zoo levendige

haven door het heen en weer varen der visschersvaartuigen, door het in-

en uitstevenen der oorlogs-stoomers en der koopvaardijschepen; dat de

blik kon waren over de geheele stad, over hare voorsteden, over de

laatste huizen, die op de hellingen gelegen waren, over de villa’s, die

verspreid op de hoogten verrezen, neen, dat alles kon onze twee

avonturiers volstrekt niet meer boeien. Zij hadden in hun leven wel wat

anders gezien en bovendien, hoe dikwijls hadden zij niet op die hoogte

met hunne ellende en met hunne verveling rondgewandeld? Zirone vooral

had veel liever langs de rijke winkels van het Corso gedrenteld. Maar

wat er aan te doen! Nu zij toch het toeval en zijne onvoorziene

weldadigheden daar boven waren komen zoeken, moesten zij die zonder al

te veel ongeduld afwachten.

Er stond daar bij het uiteinde van de trap, die toegang tot het terras,

dicht bij de Byzantijnsche Kathedraal van Sint Justus verleende, eene

omheinde ruimte, die vroeger een kerkhof was, maar thans als museum van

oudheden te bezichtigen was. Het waren geen graven meer, die er

aangetroffen werden, maar brokstukken van grafsteenen, die onder de

lage takken van zeer fraaie boomen verscholen lagen, Romeinsche

obeliskvormige monolithen, voetstukken uit de middeleeuwen, stukken van

Dorische friezen en anderen, afkomstig uit den Renaissance-stijl,

verglaasde cubussen, waarop nog steeds de sporen van vuur en asch te

bespeuren waren. Dat alles lag daar door elkander in het gras.

De deur van die omheinde ruimte was niet gesloten. Sarcany had slechts

de moeite te nemen haar open te duwen. Hij trad, gevolgd door Zirone,

binnen, die evenwel deze meewarige opmerking niet kon onderdrukken:

„Wanneer wij het denkbeeld koesterden om een einde aan ons leven te

maken, dan zou waarachtig de plek uitstekend gekozen zijn.”

„En als men u voorsloeg dat te doen?” vroeg Sarcany met spottende stem.

„Wel, daar zou ik hartelijk voor danken, kameraad! Als men mij slechts

één gelukkigen dag op de tien verschaft, och, dan ben ik tevreden, ik

vraag niet meer.”

„Dien gelukkigen dag zal men je verschaffen—en wellicht beter dan dat.”

„Dat je alle heiligen, die door de Italianen vereerd worden, verhooren.

En toch weet God alleen dat die gelukzaligen bij honderden geteld

worden.”

„Kom steeds voort!” hernam Sarcany.

„Waarheen?”

„Kom maar.”

Beiden volgden nu eene halfcirkelvormige laan, welke tusschen

grafsteenen en eene dubbele rij urnen doorliep, en gingen zitten op een

grooten steen, die in den vorm van een Romaansche roos uitgebeiteld en

met den vloer gelijk was.

Eerst namen zij een diep stilzwijgen in acht, dat Sarcany scheen te

bevallen, maar zijnen makker volstrekt niet beviel. Zirone sprak dan

ook weldra, terwijl hij een paar krampachtige spiertrekkingen der

kaakbeenderen niet kon onderdrukken:

„Hel en duivel, het toeval, waarop wij als echte dwazen rekenen, haast

zich niet om ons te hulp te komen!”

Sarcany antwoordde niet.

„Maar welk denkbeeld dan ook,” ging Zirone voort, „om tot hier te

midden van die bouwvallen te komen! Ik geloof, kameraad, dat wij een

verkeerd pad ingeslagen hebben. Wie, duivel, zou hier het toeval de

hand willen komen reiken, hier op dit oud kerkhof iemand komen

verplichten? De zielen der overledenen kunnen het toeval best missen,

die hebben niets meer noodig, sedert zij hun aardsch omhulsel

verlieten. En wanneer ik zoover gekomen zal zijn, och, dan zal mij een

vertraagd diner of een souper dat niet komt, bitter weinig kunnen

schelen! Kom, laat ons heengaan!”

Sarcany was nog in zijne overdenkingen verdiept en had den blik als het

ware in de ruimte verloren. Hij bewoog dan ook geen vin.

Zirone bleef nog een poos zonder verder te spreken. Daarop hernam zijne

gewone babbelzucht weer hare rechten.

„Sarcany,” zei hij, „wilt gij weten onder welke gedaante ik thans dat

toeval, hetwelk ons, zijn beste klanten, zoo liederlijk in den steek

laat, zou willen zien verschijnen? In de gedaante van een der

kassiersloopers van het huis Toronthal, die hier zou aankomen met eene

portefeuille opgepropt met bankbiljetten en die ons die portefeuille

uit naam van den genoemden bankier zou toevertrouwen, onder bijvoeging

van duizend verontschuldigingen, dat hij ons zoo lang heeft laten

wachten.”

„Luister, Zirone,” sprak Sarcany, wiens wenkbrauwen geweldig fronsten.

„Ik zeg je voor de laatste maal, dat wij niets meer van Silas Toronthal

te hopen of te verwachten hebben.”

„Zijt gij er zeker van?”

„Ja, het geheele krediet dat ik bij hem hebben kon, is thans uitgeput

en op mijne laatste aanvragen heeft hij met een formeele en afdoende

weigering geantwoord.”

„Te drommmel, dat ’s gek!”

„Zeer gek, maar het is niet anders!”

„Maar.... als uw krediet uitgeput is,” hernam Zirone, „dan is dat toch

het bewijs dat ge krediet gehad hebt. Wat was er de grondslag van?

Waarop berustte het? Daarop, nietwaar, dat ge herhaaldelijk uwe

verstandelijke vermogens en uw ijver ten dienste van het bankiershuis

bij het behandelen van sommige teergevoelige zaken gesteld hebt....

Daarom is Toronthal gedurende de eerste maanden van ons verblijf te

Triëst niet al te weerstrevend geweest op het gebied van

geldverstrekken! Maar ik acht het voor onmogelijk dat ge hem niet meer

op de een of andere wijze in uwe macht zoudt hebben, en door hem te

bedreigen....”

„Geloof mij, als dat mogelijk ware, zou het reeds geschied zijn,”

antwoordde Sarcany, terwijl hij de schouders optrok, „en zoudt ge thans

niet verplicht zijn rond te loopen om een diner te zoeken. Neen, bij

God! ik heb dien Toronthal niet in mijne macht! Maar wat niet is, kan

nog wel gebeuren, en dien dag dan zal hij mij èn kapitaal, èn

interessen èn interessen van interessen van al hetgeen hij mij nu

weigert, uitbetalen! Ik verbeeld mij, en misschien niet zonder reden,

dat de zaken van zijn kantoor voor het tegenwoordige eenigszins in de

war zijn en dat hij fondsen in wankelende zaken gestoken heeft, die erg

gevaar loopen. De weeromstuit van verscheidene faillissementen in

Duitschland, te Berlijn en te Munchen, heeft zich tot hier in Triëst

doen gevoelen, en wat hij ook heeft mogen beweren, zoo scheen mij Silas

Toronthal zeer onrustig, toen ik hem den laatsten keer bezocht! Kom,

laten wij het water troebel laten worden.... en als dat gebeurd zal

zijn....”

„Welnu, ja,” riep Zirone uit, „dat ’s goed! Maar intusschen hebben wij

nog slechts water om te drinken. Ziet ge, Sarcany, ik ben van meening

dat gij nog een poging bij Toronthal moest wagen. Gij moest nog een

keer bij zijne kas aankloppen om te trachten, al was het maar zooveel

te verkrijgen, ten einde naar Sicilië via Malta terug te kunnen

keeren....”

„Maar wat wilt ge in Sicilië uitvoeren?”

„Dat is mijn zaak. Dat land ken ik en ik zou een troepje Maltezers,

flinke kerels, zonder vooroordeelen, waar wat van te maken zoude zijn,

er heen kunnen voeren. Welnu, voor den drommel! als hier niets meer te

beproeven valt, laten wij dan heengaan, maar laten wij alvorens dien

verwenschten bankier noodzaken ons reisgeld te verschaffen. Hoe weinig

gij ook van hem schijnt te weten, zal dat toch wel voldoende zijn om

hem te doen inzien, dat het voor hem veiliger zal wezen, dat gij u

overal elders dan te Triëst zult bevinden!”

Sarcany schudde het hoofd.

„Kom, vooruit! Het kan onmogelijk lang meer duren,” hernam Zirone. „Wij

zijn geheel blut!”

Hij was opgestaan, en stampte met den voet op den grond, zooals hij

eene stiefmoeder zou gedaan hebben die hem stiefmoederlijk zoude

behandeld hebben.

In dit oogenblik werd zijn blik geboeid door een vogel, die buiten de

omheinde ruimte slechts met moeite scheen te kunnen vliegen. Het was

eene duif, wier vermoeide vleugelen ternauwernood nog klapwieken konden

en die naar den grond streek.

Zirone had, zonder zich af te vragen, tot welke der honderd zeven en

zeventig soorten van duiven, thans in de ornithologische naamlijst

opgenomen, die vogel behoorde, slechts ééne zaak voor oogen, namelijk

dat hij tot de eetbare soorten behoorde. Hij wees hem dan ook met den

vinger aan zijn makker en verslond hem met den blik.

De vogel was klaarblijkelijk uitgeput en het einde zijner krachten

nabij. Hij poogde zich vast te klemmen aan de uitstekende gedeelten van

de kathedraal, welker voorgevel geflankeerd is door een vierkanten

toren, die van oude dagteekening is. Toen hij zich niet meer kon houden

en op het punt was naar beneden te vallen, kwam hij zich eerst

neerzetten op het dakwerk van eene kleine nis, waaronder het beeld van

den heiligen Justus prijkte; maar de vermoeide pootjes van de duif

weigerden hun dienst; zij kon zich niet vastklemmen en liet zich

glijden tot op het kapiteelwerk van eene oude zuil, die in den hoek

stond, welke door dien toren en dien voorgevel gevormd werd.

Al volgde Sarcany, die steeds onbeweeglijk en stilzwijgend daar neer

zat, de duif in hare vlucht niet, zoo verloor haar Zirone daarentegen

niet uit het oog. Zij was uit noordelijke richting gekomen. Een lange

tocht had haar geheel en al uitgeput. Klaarblijkelijk zette haar

instinct haar aan om een nog verder gelegen doel te bereiken. Zij

hernam dan ook bijna dadelijk hare vlucht en volgde eene gebogen

richtingslijn, die haar noodzaakte tot eene nieuwe halt, juist op de

benedentakken van een der boomen van het oude kerkhof.

Toen besloot Zirone de duif te bemachtigen. Hij sloop dan ook zachtkens

en langs den grond kruipende naar den boom. Weldra had hij den

geknoesten stam bereikt, die gelegenheid te over aanbood om de

vorkvormige vertakking van de kruin te kunnen bereiken. Daar bleef hij

onbewegelijk en stom in de houding van een speurhond, die eenig wild

bespiedt, dat boven zijn hoofd gezeten is.

De duif, die hem niet bemerkt had, wilde toen hare vlucht hervatten,

maar hare krachten verlieten haar andermaal, zoodat zij op weinige

passen verder op den grond viel.

Met een sprong vooruitsnellen, de armen uitstrekken, den vogel met de

hand grijpen, dat was voor den Siciliaan het werk van een ondeelbaar

oogenblik. En hij was heel natuurlijk op het punt om de arme duif te

verworgen, toen hij zich plotseling weerhield, een kreet van

verwondering uitstiet en in allerijl bij Sarcany terugkwam.

„Eene reisduif!” zei hij.

„Waarlijk, dat is dan een reiziger, die zijn laatste reis afgelegd

heeft!” antwoordde Sarcany.

„Ongetwijfeld” hernam Zirone, „en des te erger voor hen, aan wie het

briefje is gericht, dat onder den vleugel der duif vastgemaakt zit.”

„Een briefje!” riep Sarcany uit. „Wacht Zirone, wacht! Zoo iets dwingt

tot uitstel van executie!”

Hij weerhield de hand van zijn makker, die reeds den hals van de arme

duif omkneld hield. Daarna nam hij het zakje dat Zirone reeds

losgemaakt had, opende het en haalde er een briefje uit dat een

raadselschrift vertoonde:

ghfhna dalant ltenka

aohhzk aenzse lsnivi

rnryoo tnpees seyehe

lxosde soelnl sglpte

veknni ilarna lotasa

yareah uezmtl rradae

Omtrent de plaats van vertrek en omtrent de bestemmingsplaats van het

briefje geen enkel woord. Wat die achttien woorden betreft, die ieder

uit een gelijk aantal letters samengesteld waren, zoude het mogelijk

zijn, de beteekenis daarvan te weten te komen zonder den sleutel te

kennen? Dat was al zeer onwaarschijnlijk, tenzij een hunner een

behendig oplosser van raadsels mocht heeten en dan moest nog het geval

bestaan dat het schrift ontraadselbaar was.

Tegenover dat geheimschrift, dat voor hen niets beteekende, bleef

Sarcany eerst teleurgesteld, daarna zeer beteuterd in gedachten

verzonken staan. Zou dat briefje een belangrijk, maar vooral een

compromitteerend bericht behelzen? Dat kon, dat moest aangenomen

worden. Dat duidden de voorzorgen genoegzaam aan, die genomen waren,

dat het, wanneer het bij ongeluk in verkeerde handen viel, door niemand

anders kon gelezen worden dan door hen, voor wie het bestemd was. Ook

gaf het vervoermiddel achterdocht. Door toch noch van den postdienst,

noch van de telegraaf gebruik te maken, maar integendeel het

wonderlijke instinct van de reisduif te bezigen, was het duidelijk, dat

het eene zaak gold, die zeer geheimzinnig behandeld moest worden.

„Wellicht,” zei Sarcany, „schuilt er in die regels een geheim, dat ons

een vermogen zou kunnen bezorgen!”

„Dan zou die duif,” hernam Zirone, „de vertegenwoordigster van het

toeval zijn, dat wij sedert heden ochtend zoo opgespoord hebben.

Duivels! ik die het arme dier wilde worgen!.... Maar alles goed en wel

beschouwd, is het briefje toch het meest belangwekkende, zoodat er zich

niets tegen verzet om den briefbesteller te braden.”

„Haast je maar niet, Zirone,” antwoordde Sarcany, die dezen keer

andermaal het leven der duif redde. „Misschien kunnen wij door middel

dier duif te weten komen, aan wien dat briefje gericht is, wel te

verstaan, wanneer die te Triëst woont.”

„En daarna? Dat zal je toch het middel niet aan de hand doen om te

kunnen lezen wat in dat briefje staat, Sarcany!”

„Neen, Zirone.”

„Ook niet om te weten, van waar dat briefje komt!”

„Ook dat niet! Maar als het mij lukt van twee correspondenten een te

leeren kennen, dan verbeeld ik mij, dat dat wel eene vingerwijzing zou

kunnen wezen om ook achter den ander te komen, nietwaar?”

„Ja.... zoo beschouwd....”

„In plaats dan van die duif te dooden en te braden, moeten wij er ons

integendeel op toeleggen haar hare krachten terug te bezorgen, opdat

zij hare bestemming bereiken kunne!”

„Met het briefje?” vroeg Zirone.

„Met het briefje, waarvan ik evenwel alvorens een nauwkeurig afschrift

zal maken, dat ik bewaren zal, tot het oogenblik zal gekomen zijn om er

gebruik van te maken!”

Sarcany haalde vervolgens een aanteekeningsboekje uit zijn zak te

voorschijn en nam met het daarin aanwezige potlood een afschrift van

het briefje. Daar hij wist dat bij de meeste raadselschriften niets

verwaarloosd mag worden omtrent hunne daadwerkelijke rangschikking, zoo

zorgde hij dat de stand der woorden onderling onaangetast bleef. Toen

hij daarmee klaar was, borg hij dit afschrift in zijn notitieboekje op,

herplaatste het briefje in het zakje en het zakje onder den vleugel der

duif.

Zirone keek aandachtig toe, zonder evenwel bijster veel hoop te

koesteren omtrent een vermogen, dat door dit toeval verworven zou

moeten worden.

„En thans?” vroeg hij.

„Thans,” antwoordde Sarcany, „is het zaak om den brievenbesteller goed

te verzorgen.”

En dat was inderdaad noodig; want de duif was meer uitgeput door den

honger dan door de vermoeienis. Hare vleugels waren ongeschonden,

zonder een enkele beleediging of breuk, en bewezen dan ook ten volle,

dat de kortstondige flauwte, die het dier overvallen had, noch aan

eenige hagelkorrels van den een of anderen jager, noch aan een

steenworp van den een of anderen boosaardigen straatjongen te wijten

was. De vogel had honger, maar vooral dorst.

Zirone zocht dus en vond op den grond eenige zaadkorrels, die de duif

met gretigheid oppikte. Eindelijk leschte hij haren dorst bij een

plasje water, dat van den laatst gevallen regen in een scherf van een

antieke vaas van gebakken steen achtergebleven was, zoodat een half

uur, nadat de duif gevangen was geworden, zij, zoo gekoesterd, geheel

hersteld, in staat was haar onderbroken reis te hervatten.

„Als zij nog ver moet vliegen, als zij verder dan Triëst moet zijn, dan

kan het ons minder schelen of die duif onderweg omkomt,” zei Sarcany,

„daar wij haar alsdan uit het oog zullen verliezen en wij haar

onmogelijk zullen kunnen volgen. Wanneer zij evenwel in een der huizen

van Triëst verwacht wordt en daar de eindpaal harer reis is, dan zullen

haar de krachten niet ontbreken om dat te bereiken, want zij heeft dan

nog maar een paar minuten te vliegen.”

„Ge hebt volkomen gelijk,” antwoordde de Siciliaan, „maar zullen wij

haar met onzen blik kunnen volgen tot de plek waar haar duivenslag

staat, al zou het ook zijn, dat die te Triëst aangetroffen werd?”

„Wij zullen in ieder geval ons best daarvoor doen en onze maatregelen

daartoe nemen,” antwoordde Sarcany leuk.

En ziehier wat hij deed:

De kathedraal, welke uit twee oude Romaansche kerken bestond, die de

eene aan de H. Maagd en de andere aan Sint Justus, den beschermheilige

van Triëst, gewijd waren, wordt gesteund door een hoogen toren, die

zich op den vleugel verhief van dien frontgevel, waarin eene groote,

roosvormige versiering prijkte, welke boven de hoofddeur van het gebouw

aangebracht was. Die toren beheerschte de geheele topvlakte van den

Karstberg, en de stad ontwikkelt zich daar beneden als een uitermate

fraaie reliëfkaart. Van dit verheven punt ontwaart men al de vierkante

vlakken, gevormd door de daken der huizen van de stad, van de

heuvelhellingen af tot aan den oever der baai toe. Het zou dus niet

onmogelijk zijn de duif in hare vlucht te volgen, wanneer men haar op

den top van den toren losliet. Ongetwijfeld zou dan het huis te

herkennen zijn, waarop zij zou neerstrijken, wanneer zij namelijk

Triëst en geen andere stad of dorp van Illyrië tot bestemming had.

Die poging kon slagen en zij was wel waard om beproefd te worden. Men

had slechts de duif in vrijheid te stellen.

Sarcany en Zirone verlieten dan ook dit oude kerkhof, staken het kleine

plein, vóór de kerk gelegen, over en stapten op den toren toe. Een der

ogiefvormige deuren, juist dezelfde, die onder het voetstuk van de nis

van den Heiligen Justus aangebracht was, stond open. Beiden traden

binnen en begonnen met de ruwe treden van de wenteltrap, die naar boven

leidde, te bestijgen.

Zij hadden vier of vijf minuten noodig om den top des torens, die in

een spits dak eindigt en dus geen plat heeft, te bereiken. Maar daar

aangekomen, bemerkten zij twee vensters op ieder front van het hooge

gebouw, die veroorloofden den blik langs den geheelen gezichteinder,

zoowel langs de heuvelen als langs de zee, te laten waren.

Sarcany en Zirone namen plaats aan dat venster, hetwelk direct uitzicht

op Triëst in noordwestelijke richting verleende.

Het sloeg toen vier uren op de torenklok van het kasteel, dat in de

zestiende eeuw gebouwd werd op het hoogste punt van den Karstberg, vlak

achter de kathedraal. Het was nog volle dag. De zon daalde langzaam te

midden van een uiterst zuiveren dampkring naar de wateren van de

Adriatische Zee, en het meerendeel der huizen ontving hare stralen op

de voorgevels, die naar den kant van den toren gekeerd waren.

De omstandigheden waren dus zeer gunstig.

Sarcany nam de duif tusschen zijne beide handen, streelde haar nog een

poos en gaf haar toen de vrijheid.

De vogel klapwiekte, daalde eerst snel genoeg om te doen vreezen, dat

hij met een ongelukkigen val zijne loopbaan als luchtbrievenbesteller

zou eindigen.

Vandaar dan ook dat de Siciliaan een waren kreet van teleurstelling

uitstiet. Hij was zeer opgewonden en stond te trappelen van ongeduld.

„Zij valt, zij valt!” riep hij uit.

„Neen, zij hervat zich,” antwoordde Sarcany.

En inderdaad, de duif had haar evenwicht in de lagere luchtlagen

hernomen; daarna maakte zij een scherpen hoek en wendde zich in

schuinsche richting naar het noordwestelijke gedeelte der stad.

Sarcany en Zirone volgden haar met de oogen.

Er werd bij de vlucht van den vogel, die door een bewonderenswaardig

instinct geleid werd, geene enkele aarzeling waargenomen. Men gevoelde

dat hij recht afvloog op het doel waar hij wezen moest, op het doel

waar hij reeds sedert een uur had moeten aangekomen zijn, zonder dat

ongewenschte oponthoud onder de boomen van het oude kerkhof.

Sarcany en zijn makker namen den bode met de meest nauwkeurige

oplettendheid waar. Zij vroegen zich af of de duif de muren der stad

niet zou overschrijden, hetgeen hunne vooruitzichten verijdelen zou.

Neen, dat gebeurde niet.

„Ik zie haar nog!.... Ik zie haar steeds!” riep Zirone, wiens

gezichtsvermogen buitengewoon sterk was.

„Waar?.... Waar?.... vroeg Sarcany, die haar scheen uit het oog

verloren te hebben.

„Daar!.... daar!” antwoordde Zirone, de richting met den vinger

aanwijzend. „Daar!....”

„O ja, ik zie haar weer,” hernam Sarcany met voldoening. „Wat vooral

goed opgemerkt moet worden, is de plek waar de duif gaat neerstrijken.

Wij moeten er de juiste ligging goed van opnemen.”

Eenige minuten na haar vertrek streek de duif op een huis neer, welks

scherpe nok al de anderen beheerschte en zich te midden van een groep

boomen verhief. Dat huis was in het stadsgedeelte gelegen, hetwelk aan

den kant van het gasthuis en van den openbaren tuin aangetroffen wordt.

Daar verdween zij door een dakvenster, hetwelk toen uitermate zichtbaar

was, daar het door een ijzeren windwijzer, die kunstig à jour bewerkt

was, aangeduid werd. Dat ijzeren kunstwerk was zoo sierlijk

vervaardigd, dat het aan Quentijn Matsys had kunnen toegeschreven

worden, wanneer Triëst eene Vlaamsche stad ware geweest.

De algemeene richting van dat huis vastgesteld zijnde, moest het niet

zeer moeilijk zijn, wanneer men dien windwijzer als baken in het oog

hield, om de nok weer te vinden, waaronder het bedoelde dakvenster was

aangebracht en derhalve ook het huis, door den persoon bewoond, voor

wien het briefje bestemd was.

Sarcany en Zirone daalden dadelijk de trappen des torens af en na ook

de hellingen van den Karstberg verlaten te hebben, volgden zij eene

aaneenschakeling van kleine nauwe straten, die hen eindelijk toegang

tot de Piazza della Legna verleenden. Daar waren zij verplicht zich te

oriënteeren, om de huizengroep te verkennen, die het oosterkwartier van

de stad uitmaakte.

Toen zij aan de samenvloeiing van de twee groote gemeenschapsaderen,

de Corso Stadion, die naar den openbaren wandeltuin voert, en de

Acquedotto, een fraaie laan van geboomte, die naar de groote brouwerij

van Boschetto leidt, aangekomen waren, ondervonden de beide avonturiers

eenige aarzeling omtrent de verder te volgen richting. Moest men rechts

of links inslaan? Instinctmatig kozen zij rechts, met het doel om al de

huizen der laan nauwkeurig gade te slaan, waarboven zij den windwijzer,

dien zij opgemerkt hadden, zouden kunnen bespeuren.

Zij schreden dus voort en namen de verscheidene daknokken van de

Acquedotto in oogenschouw, zonder evenwel die te ontdekken, welke zij

zochten. Eindelijk waren zij aan het einde van de laan aangekomen.

„Daar is hij!” riep eindelijk Zirone uit.

En hij wees op een windwijzer, dien de zeewind op zijne ijzeren as deed

knarsen, die boven een dakvenster geplaatst was, waar rondom juist

eenige duiven vlogen.

Er was dus geene vergissing mogelijk. Daar was wel degelijk de duif

neergestreken.

Het huis had een bescheiden uiterlijk, onderscheidde zich in niets van

de overige die tot hetzelfde blok behoorden, en was even als die langs

de Acquedotto gelegen.

Sarcany verschafte zich inlichtingen in een paar naburige winkels en

wist al spoedig hetgeen hij voorshands wenschte te weten.

Dat huis behoorde sinds lange jaren aan den graaf Ladislas Zathmar en

strekte hem tot woning.

„Wie is graaf Zathmar?” vroeg Zirone, wien die naam geheel vreemd was.

„Wel, dat is graaf Zathmar,” antwoordde Sarcany kortweg.

„Ja, maar zouden wij geen inlichtingen omtrent hem kunnen vragen?....”

„Later, Zirone, laten wij niet overijld handelen. Laten wij kalmte

betrachten en de zaak overdenken. Kom, wij keeren thans naar onze

herberg terug.”

„Ja wel!.... Het is etenstijd en de table d’hôte staat gedekt voor hen,

die het recht koopen kunnen er plaats aan te nemen,” merkte Zirone

schamper op.

„Als wij heden niet dineeren,” antwoordde Sarcany, „dan is het toch

mogelijk dat wij morgen zullen smullen.”

„Bij wien?”

„Bij wien, vraagt gij?” zei Sarcany schier gedachteloos.

„Ja, dat vraag ik.”

„Wel, waarschijnlijk bij graaf Zathmar.”

Beiden drentelden langzaam voort. Waarom zich ook te haasten? Toch

hadden zij al te spoedig hun bescheiden hôtel bereikt, dat helaas! nog

te weelderig voor hen was, daar zij hun verblijf onmogelijk konden

betalen.

Maar welke verrassing was hun daar bereid?.... Een brief, die aan

Sarcany gericht was, was aangekomen.

Die brief bevatte een bankbiljet van twee honderd gulden, met de

woorden, die kort maar beteekenisvol waren:

„Hierbij ingesloten het laatste geld, dat gij van mij ontvangen zult.

Het zal voldoende zijn om naar Sicilië weer te keeren. Vertrek en dat

ik nimmermeer iets van u hoore.”

„Silas Toronthal.”

„Duivels!” riep Zirone uit, „de bankier komt juist van pas op zijn

besluit terug. Waarachtig, men moet de finantie-luidjes in waarde

houden en nimmer omtrent hen wanhopen.”

„Dat ’s ook mijne meening,” betuigde Sarcany.

„En dat geld zal ons dienen om Triëst te verlaten?....”

„God beware! Het zal ons integendeel dienen om er te blijven!”

II.

GRAAF MATHIAS SANDORF.

De Hongaren, dat zijn de Magyaren, die het land kwamen bevolken zoo

ongeveer in de negende eeuw van de Christelijke tijdrekening. Zij maken

tegenwoordig het derde gedeelte van de geheele bevolking van Hongarije

uit en tellen ongeveer iets meer dan vijf millioen zielen. Of zij van

Spaanschen, of Egyptischen, of Tartaarschen oorsprong zijn, of zij van

de Hunnen van Attala of van de Finnen uit het noorden afstammen, dat

zijn alle twistvragen, die ons weinig kunnen schelen. Wat evenwel

opgemerkt moet worden, is, dat het geene Slavoniërs, dat het geene

Duitschers zijn, en dat het hun waarschijnlijk niet zou smaken, het te

worden.

Die Hongaren hebben dan ook hun godsdienst ongeschonden behouden en

zijn vurige Katholieken gebleven van de elfde eeuw af, het tijdstip

waarop zij tot de nieuwe geloofsbelijdenis overgingen. Daarenboven

spreken zij nog hunne taal van weleer, eene stamtaal, die zachtvloeiend

en harmonisch klinkt, die zich geheel en al tot de bekoorlijkheid der

dichterlijke wendingen leent, die minder rijk aan woorden dan het

Duitsch, evenwel scherper begrensd van uitdrukking en krachtvoller is,

eene taal, die van af de vijftiende tot de zestiende eeuw bij het geven

van wetten en het slaan van ordonnantiën het latijn verving, in

afwachting dat zij tot de nationale taal verheven zoude worden.

Het was op den 21sten Januari 1699 dat het verdrag van Carlowitz het

bezit van Hongarije en Transsylvanië aan de kroon van Oostenrijk

verzekerde.

Twintig jaren later werd bij de pragmatieke sanctie solemneel

vastgesteld, dat de staten, die het Oostenrijksch-Hongaarsch koninkrijk

vormden, steeds onafscheidelijk aan elkander verbonden zouden zijn. Bij

gebrek aan zonen, zou de dochter volgens rangschikking van het

eerstgeboorterecht op den troon kunnen opvolgen. En dank zij die nieuwe

bepalingen, erfde Maria Theresia de kroon van haren vader, Karel de

Zesde, laatste mannelijke spruit uit het huis van Oostenrijk.

De Hongaren moesten voor de overmacht bukken, maar honderdvijftig jaar

later werden nog mannen uit alle standen en van alle rangen

aangetroffen, die noch van de pragmatieke sanctie, noch van het verdrag

van Carlowitz iets wilden weten.

Op het tijdstip, waarop dit verhaal begint, leefde een Hongaar van

hooge geboorte, wiens geheele leven zich in deze twee gevoelens

oploste, namelijk: in den haat voor alles wat van Germaansche afkomst

was en in de hoop nog eenmaal aan zijn land de zelfstandige regeering

van vroeger weer te geven. In zijne jeugd had hij Kossuth gekend en

hoewel door zijne geboorte en door zijne opvoeding een scheidsmuur

tusschen hen opgetrokken moest zijn, zoo koesterde hij toch eene zekere

bewondering voor het groote hart van dien vaderlander.

Graaf Mathias Sandorf bewoonde in een der comitaten van Transsylvanië

in het district Fagaras, een oud kasteel van feodalen oorsprong. Het

was gebouwd op de hellingen van de noordelijke uitloopers van het

oostelijk Karpatisch gebergte, die de grens uitmaken tusschen

Transsylvanië en Walachyë, en verhief dit kasteel zich in al zijne

woeste fierheid op dien steilen bergketen, als een van die

schuilplaatsen in den laatsten stond, waar samenzweerders tot hun

laatsten snik aan hunne vijanden weerstand kunnen bieden.

Naburige mijnen, rijk aan ijzer- en kopererts, die zorgvuldig ontgind

werden, verschaften aan den eigenaar van het kasteel Artenick een zeer

aanzienlijk vermogen. Dat domein besloeg een groot gedeelte van het

district Fagaras, hetwelk door eene bevolking bewoond werd, die niet

minder dan honderd twee- en zestigduizend inwoners telde. Deze, hetzij

zij stedelingen of landlieden waren, maakten er geen geheim van dat zij

voor graaf Sandorf eene toewijding koesterden, die iedere proef

doorstaan kon; dat zij hem eene onbegrensde erkentelijkheid toedroegen,

voor al het goede dat hij in het land teweeg bracht. Dat kasteel was

dan ook het voorwerp van een bijzonder toezicht, dat door de kanselarij

van Hongarije te Weenen, welke geheel en al van de overige

administratiën van het Keizerrijk onafhankelijk bleef, in het leven

geroepen was. Men kende in de hoogste kringen de denkbeelden van den

gebieder van Artenick, en die denkbeelden baarden onrust, al gaf men

ook voor omtrent den persoon van den graaf gerust te zijn.

Mathias Sandorf was toen vijf en dertig jaren oud. Het was een man van

eene iets meer dan middelmatige gestalte, die eene groote spierkracht

verried. Op zijne schouders rustte een edel en fier gedragen hoofd.

Zijn gelaat, dat warm getint en een weinig vierkant van vorm was,

vertoonde het Magyaarsche type in zijne volkomene zuiverheid. De

levendigheid zijner bewegingen, de juist gekozen uitdrukkingen van zijn

woord, de blik van zijn kalm en onverschrokken oog, de werkdadige

bloedsomloop, die aan zijne neusvleugels en aan zijne mondhoeken eene

lichte trilling verleende, de glimlach die gewoonlijk op zijne lippen

zetelde en als onloochenbaar teeken zijner goedhartigheid kon gelden,

een zekere losheid in zijne taal en gebaren, dat alles duidde op eene

vrijmoedige natuur. Men meent opgemerkt te hebben, dat er eene groote

overeenkomst bestaat tusschen het Fransche karakter en het Magyaarsche.

Graaf Sandorf was daar het levende bewijs van.

Een van de meest te voorschijn tredende karaktertrekken van graaf

Sandorf was, dat hij, hoewel vrij onverschillig voor al hetgeen hem

zelf betrof en hij dus als de gelegenheid zich voordeed er licht over

dacht, wanneer een of ander ongelijk hem alleen trof, nimmer eene

beleediging zoude vergeven hebben, die zijne vrienden aangedaan was.

Hij bezat in de hoogste mate den rechtvaardigheidszin en koesterde een

innigen haat voor alles wat trouweloos kon heeten. Vandaar dat hij

behebt was met eene impersoneele onverzoenlijkheid. Hij behoorde niet

tot hen, die aan God alleen de zorg overlaten om op deze aarde te

straffen.

Mathias Sandorf [1] · 第 1 / 17 段