IV. Père Lachaise

Er lopen tegenwoordig heel wat verklede priesters rond tussen de

mensen, met de boodschap dat een gewijde rozenkrans tegen de cholera

beschermt. Onze linkse vrienden, de Saint-Simonisten, rekenen het bij

de voordelen van hùn geloof dat er geen enkele Saint- Simonist aan

de heersende plaag kan sterven – ze redeneren zo: aangezien de

vooruitgang een natuurwet is, en aangezien de sociale vooruitgang bij

het Saint-Simonisme ligt, is het uitgesloten dat er één van hen

sterft, zolang het aantal van hun apostelen nog ontoereikend is. De

Bonapartisten houden vol dat als iemand de cholera bij hemzelf gewaar

wordt, hij onmiddellijk de Vendômezuil moet aanschouwen: hij

blijft dan in leven. Zo heeft eenieder in deze tijd van nood zijn

geloof. Wat mij betreft: ik geloof in flanel.

Een goed diëet kan natuurlijk ook geen kwaad: alleen moet men dan

weer niet zó weinig eten als sommige brave mensen doen, die 's

nachts hun hongerkrampen voor de cholera houden. Het is vermakelijk

om te zien hoe schuw de mensen tegenwoordig aan tafel zitten, en hoe

ze daarbij de meest mensvriendelijke gerechten wantrouwig bekijken.

Diepzuchtend slikken ze de allerfijnste hapjes door. De dokters

hebben hun verteld dat ze geen vrees moeten koesteren en elke

ergernis vermijden; maar nu vrezen ze juist dat ze zich onverhoeds aan

iets zullen ergeren – en het ergert hen dat ze daar schrik voor

hebben. De mensen zijn de zachtmoedigheid zelve geworden, ze zeggen

gedurig BON DIEU, en ze spreken met zachte stemmen, zo zacht als die

van een pas bevallen vrouw. Daarbij ruiken ze als wandelende

apotheken, betasten zich vaak de buik, en ze vragen om het uur met

sidderende ogen naar het aantal doden. Dat men dat juiste aantal niet

kent, of liever, dat men ervan overtuigd is dat de officiële

cijfers niet kloppen, dat vult de gemoederen met een vage schrik en

het jaagt de angst onmetelijk de hoogte in. Inderdaad, de kranten

hebben sinds kort toegegeven dat er op één enkele dag, namelijk

de tiende april, tweeduizend mensen gestorven zijn. Maar het volk

liet zich niet officiëel bedotten en klaagde zonder ophouden: dat

het er meer waren dan men toegaf. Mijn kapper vertelde me dat er een

oude vrouw op de FAUBOURG MONTMARTRE de hele nacht voor het raam had

gezeten om de lijken te tellen die men daar voorbij droeg. Ze had er

meer dan driehonderd geteld en, toen bijna de morgen aanbrak, werd

zijzelf overvallen door de koelte en de krampen van de cholera, en ze

stierf kort daarop. Waar men ook kijkt op straat, overal waren er

lijkstoeten, of – wat nog melancholischer stemt – wagens die

door niemand gevolgd werden. Omdat er niet genoeg lijkwagens

voorhanden waren, moest men allerlei andere vervoermiddelen gebruiken,

en – al werden die met zwart doek overtrokken – het zag er

geïmproviseerd uit. Maar ook dat volstond op den duur niet en ik

zag lijkkisten die in fiakers gelegd werden; men zette die in het

midden, zodat de beide uiteinden door de open zijdeuren naar buiten

staken. Weerzinwekkend werd het toen de grote verhuiswagens ingezet

werden, de wagens die men gebruikt om te emigreren. Dat werden nu

doden- omnibussen, OMNIBUS MORTUIS, die in alle straten rondkwamen en

de kisten oplaadden om ze per dozijn naar het kerkhof te brengen.

Maar het allerergst werd de troosteloosheid in de buurt van de

kerkhoven, waar alle lijkstoeten samenkwamen. Toen ik een goede

vriend een bezoekje wou brengen, en nog juist op tijd kwam om zijn

kist te zien opladen; toen vond ik plots dat ik iets moest terugdoen

voor die vriend, want die had mij ooit een grote eer bewezen. Ik nam

een koets en begeleidde hem naar PÈRE LACHAISE. Hier nu, vlak bij

het kerkhof, hield mijn koetsier plotseling halt; ik keek op uit een

droom en rondom mij zag ik niets als de hemel – en lijkkisten.

Ik was tussen enige honderden lijkwagens geraakt. Die stonden in

QUEUE voor de nauwe kerkhofpoort, en in deze zwarte omgeving moest ik

het nu een paar uur uithouden, want weer wegraken ging niet. Uit

verveling vroeg ik de koetsier naar de naam van mijn buur-lijk, en

– weemoedig toeval! – hij gaf mij de naam van een jonge vrouw

die toevallig een paar maand daarvoor – ik reed toen naar een bal

in LOINTIER – op juist dezelfde manier een tijd naast mijn koets

had moeten stilstaan. Alleen, dat die jonge vrouw toen voortdurend

uit haar raampje keek, met dat haastige bloemenkopje van haar, en dat

levendige maneschijngezichtje, en dat ze over de vertraging haar

heiligste verontwaardiging uitdrukte. Nu was ze heel stil, en

waarschijnlijk blauw.

Af en toe werden de rouwpaarden, die voor de lijkwagens gespannen

waren, schichtig en bewogen onrustig – en dan kwam het mij voor

alsof in de doden zèlf een onrust voer; als waren ze het wachten

moe; als hadden ze haast om in het graf te komen. En als dan vlak

voor de poort één koetsier een andere wilde voorbijsteken, en de

stoet zo in wanorde geraakte dat de gendarmen er met de blanke sabel

tussenkwamen, en er op vele plaatsen een geroep en een gevloek

ontstond, en enkele wagens kantelden, waarbij de kisten kraakten en de

lijken te voorschijn kwamen – dan geloofde ik de meest ontzettende

van alle opstanden te zien, een opstand van de doden. Ik zal, om uw

gemoederen te sparen, hier niet vertellen wat ik op PÈRE LACHAISE

zèlf gezien heb. Genoeg – solide man als ik ben – gruwen

moest ik, ondanks mijzelf. Een mens kan op zijn sterfbed nog het

sterven leren, en daarna in een soort opgewekte rust de dood

afwachten; maar begraven worden tussen de choleralijken, in die

kalkgraven – dat kan men niet leren.

Ik vluchtte, zo vlug als ik kon, naar de hoogste heuvel van het

kerkhof, vanwaar men de stad zo mooi kan zien. De zon was juist

ondergegaan, haar laatste stralen leken weemoedig afscheid te nemen.

Als witte lakens omhulden de nevelen van de schemering het zieke

Parijs, en ik weende bitter over die ongelukkige stad, de Stad van de

Vrijheid, van het enthousiasme en het martelaarschap, de Heilandstad,

die voor de aardse verlossing van de mensheid al zoveel geleden had.

Franse Toestanden · 第 5 / 6 题