III. Flanel

's Anderendaags bleek uit de kranten dat de ongelukkige mensen, die

men zo gruwelijk vermoord had, helemaal onschuldig geweest waren; het

verdachte poeder dat op hen gevonden was zou kamfer geweest zijn, of

chloruur, of een van die andere middeltjes tegen de cholera – en al

die zogenaamd vergiftigden waren, op de meest natuurlijke manier, aan

de heersende plaag bezweken. Het volk hier, zoals het volk overal,

ontsteekt rap in woede, en kan dan tot gruweldaden verleid worden;

maar als datzelfde volk bezadigde stemmen hoort, dan wordt het even

snel milder gestemd, en het berouwt hartsgrondig zijn ondaden. Met

dat soort stem hebben de kranten hier – direct de dag daarop –

het volk weten in te tomen en zachter te stemmen. Het mag een triomf

van de pers genoemd worden, dat ze in staat bleek het onheil zo snel

in te perken – onheil dat de politie met haar COMMUNIQUÉ had

aangericht. [...] Sindsdien is alles hier rustig; "L'ORDRE RÈGNE

À PARIS", zou onze minister van buitenlandse zaken, Horatius

Sebastiani, zeggen. Een doodse stilte heerst in gans Parijs. Een

stenen ernst ligt op alle gezichten. Vele avonden lang zag men zelfs

op de BOULEVARDS weinig mensen, en dan nog… dezen ijlden elkaar

snel voorbij, met de hand voor de mond, of een doek. De theaters

waren uitgestorven. Als ik een SALON binnenkom, dan zijn de lui

verwonderd mij nog in Parijs te zien – want dringende besognes heb

ik hier toch niet? De meeste buitenlanders –namelijk mijn

landgenoten – zijn onmiddellijk afgereisd. Gehoorzame ouders

hadden van hun kinderen het bevel gekregen ten spoedigste naar huis te

komen. Godvrezende zonen vervulden zonder dralen het zoete verzoek

van de ouders, die hun terugkeer naar de HEIMAT wensten. Eert uw

vader en moeder, en gij zult lang leven op aarde! Bij anderen

ontwaakte plotseling een oneindige SEHNSUCHT naar het dierbare

vaderland, naar de romantische gouwen aan de ontzagwekkende Rijn, naar

de geliefde bergen, naar het gelukzalige Schwaben: het land van de

hoofse liefde en de vrouwentrouw, van de lustige liederen en de

gezonde lucht. In het HÔTEL DE VILLE zijn er al meer dan 120.000

reispassen afgegeven, hoor ik.

En, alhoewel de cholera het zichtbaar gemunt had op de armere klassen,

tóch waren het de rijken die op slag de benen namen. Sommige

PARVENUS kan men het niet kwalijk nemen dat ze er vandoor gingen; die

dachten waarschijnlijk: de cholera, die komt van zo ver, uit Azië,

en die wéét dus niet dat wij de laatste tijd veel geld verdiend

hebben op de beurs – die houdt ons misschien nog voor arme

drommels, en laat ons toch nog in het gras bijten. Alexandre Aguado,

markies DE LA MARISMAS DEL GUADALQUIVIR, een der rijkste bankiers

hier, en ridder in het Erelegioen, was de veldmaarschalk van deze

grote terugtocht. Waanzinnig van angst zat de ridder, naar het

schijnt, gedurig achterom te kijken door het raampje van zijn koets,

en hij hield zijn blauwe bediende, die achterop stond, voor de

waarachtige dood zelf, de CHOLÉRA-MORBUS. Het volk morde bitter

toen het zag hoe de rijken – bepakt met artsen en apothekers –

zich in gezondere oorden kon redden. De armen zagen met wrevel, dat

geld nu ook een beschutting tegen de dood was. Het grootste deel van

de JUSTE-MILIEU-regering en de HAUTE- FINANCE is sindsdien ook

verdwenen, en leeft nu in zijn kastelen. De éigenlijke

vertegenwoordigers van de rijkdom, de heren von Rothschild, dié

zijn evenwel in Parijs gebleven, en geven daarmee te kennen dat ze

niet alleen in geldzaken groots en dapper zijn. Ook premier Casimir

Périer toonde zich groots en dapper, want hij ging bij het

uitbreken van de cholera het HÔTEL-DIEU bezoeken; ik geloof dat

zelfs zijn tegenstanders het betreuren dat hij als gevolg daarvan –

met zijn bekende gevoeligheid – zelf door de cholera getroffen

werd. Hij is er nochtans niet aan bezweken, want hijzelf is een nog

kwaaiere ziekte?. Ook de jonge kroonprins, de hertog van Orléans,

die samen met Périer het hospitaal bezocht, verdient

erkentelijkheid. De hele koninklijke familie, trouwens, heeft in

deze troosteloze tijd met glans haar mannetje gestaan. Bij het

uitbreken van de cholera verzamelde de goede koningin haar vrienden en

dienaars en verdeelde onder hen flanellen zwachtels, die ze goeddeels

zelf vervaardigd had! De zeden van het oude ridderdom zijn nog niet

verzwonden: alleen zijn ze overgegaan in burgerlijke deugden. Hoge

Dames voorzien haar kamp tegenwoordig van minder poëtische –

maar veel gezondere sjaaltjes. Tenslotte leven wij niet langer in de

helm- en harnastijden van de krijgshaftige CHEVALLERIE, maar in de

vredevolle burgertijd van de borstrokken en het warme ondergoed. Wij

leven niet meer in het ijzeren tijdperk, maar in het tijdperk van

flanel. Flanel is werkelijk ons beste pantser tegen de aanvallen van

onze ergste vijand, tegen de cholera. "Vandaag zou Venus", zegt

Figaro, "een gordel van flanel dragen". Ikzelf steek ook voor de

helft in het flanel, en daarom beschouw ik mij als cholera- vast. Ook

de koning draagt tenslotte ondergoed van het beste burgerflanel.

Ik mag hier niet onvermeld laten dat onze ROI-CITOYEN zich bij deze

algemene rampspoed zeer burgerlijk- medevoelend en edel gedragen

heeft, en veel geld uitgegeven heeft voor de armen. ––En nu ik

toch op dreef ben, wil ik ook de aartsbisschop van Parijs, Graaf

Quelen, hier loven. Na het bezoek van de kroonprins en Périer, is

ook hij in het Hôtel-Dieu de zieken komen troosten. Hij had

nochtans lang daarvoor al voorspeld dat God de cholera als straf zou

sturen, om een volk te tuchtigen "dat het bestaan had, de meest

christelijke koning af te zetten, en de privilegies van de katholieke

staatsgodsdienst in de Charta af te schaffen". Maar nu de toorn Gods

de zondaars bezoekt, wil mijnheer Quelen zijn gebed ten hemel richten

en genade afsmeken, tenminste voor de onschuldigen – want er

sterven ook veel koningsgezinden.

Daarenboven heeft de heer Quelen, de aartsbisschop, zijn eigen slot

CONSTANS aangeboden, om er een hospitaal in te richten. De regering

heeft dit aanbod moeten weigeren, want het slot is een complete

woestenij, helemaal verkrot, zodat de reparaties te veel gingen

kosten. Hierbij moet gezegd dat de aartsbisschop geëist had, dat

men hem de vrije hand zou laten in dat toekomstige hospitaal – en,

bij al het lichamelijke lijden van de arme zieken, wilde men niet

óók nog eens hun zielen blootstellen aan de pijnlijke

reddingspogingen, die de aartsbisschop en zijn geestelijke hulpjes op

het oog hadden; men verkoos dus die verstokte revolutionnaire zondaars

liever – zonder vermaning betreffende de eeuwige Verdoemenis en het

Hellevuur, zonder Biecht of Oliesel – simpelweg aan de cholera te

laten sterven. En alhoewel men beweert dat het katholicisme een

passende religie is voor tijden die zo ongelukkig zijn als de dag van

vandaag – tóch willen de Fransen er zich niet meer in bekwamen.

In gelukkiger dagen, zo vrezen ze, konden ze dan wel eens met die

ziektereligie blijven zitten.

Franse Toestanden · 第 4 / 6 题