's Anderendaags bleek uit de kranten dat de ongelukkige mensen, die
men zo gruwelijk vermoord had, helemaal onschuldig geweest waren; het
verdachte poeder dat op hen gevonden was zou kamfer geweest zijn, of
chloruur, of een van die andere middeltjes tegen de cholera – en al
die zogenaamd vergiftigden waren, op de meest natuurlijke manier, aan
de heersende plaag bezweken. Het volk hier, zoals het volk overal,
ontsteekt rap in woede, en kan dan tot gruweldaden verleid worden;
maar als datzelfde volk bezadigde stemmen hoort, dan wordt het even
snel milder gestemd, en het berouwt hartsgrondig zijn ondaden. Met
dat soort stem hebben de kranten hier – direct de dag daarop –
het volk weten in te tomen en zachter te stemmen. Het mag een triomf
van de pers genoemd worden, dat ze in staat bleek het onheil zo snel
in te perken – onheil dat de politie met haar COMMUNIQUÉ had
aangericht. [...] Sindsdien is alles hier rustig; "L'ORDRE RÈGNE
À PARIS", zou onze minister van buitenlandse zaken, Horatius
Sebastiani, zeggen. Een doodse stilte heerst in gans Parijs. Een
stenen ernst ligt op alle gezichten. Vele avonden lang zag men zelfs
op de BOULEVARDS weinig mensen, en dan nog… dezen ijlden elkaar
snel voorbij, met de hand voor de mond, of een doek. De theaters
waren uitgestorven. Als ik een SALON binnenkom, dan zijn de lui
verwonderd mij nog in Parijs te zien – want dringende besognes heb
ik hier toch niet? De meeste buitenlanders –namelijk mijn
landgenoten – zijn onmiddellijk afgereisd. Gehoorzame ouders
hadden van hun kinderen het bevel gekregen ten spoedigste naar huis te
komen. Godvrezende zonen vervulden zonder dralen het zoete verzoek
van de ouders, die hun terugkeer naar de HEIMAT wensten. Eert uw
vader en moeder, en gij zult lang leven op aarde! Bij anderen
ontwaakte plotseling een oneindige SEHNSUCHT naar het dierbare
vaderland, naar de romantische gouwen aan de ontzagwekkende Rijn, naar
de geliefde bergen, naar het gelukzalige Schwaben: het land van de
hoofse liefde en de vrouwentrouw, van de lustige liederen en de
gezonde lucht. In het HÔTEL DE VILLE zijn er al meer dan 120.000
reispassen afgegeven, hoor ik.
En, alhoewel de cholera het zichtbaar gemunt had op de armere klassen,
tóch waren het de rijken die op slag de benen namen. Sommige
PARVENUS kan men het niet kwalijk nemen dat ze er vandoor gingen; die
dachten waarschijnlijk: de cholera, die komt van zo ver, uit Azië,
en die wéét dus niet dat wij de laatste tijd veel geld verdiend
hebben op de beurs – die houdt ons misschien nog voor arme
drommels, en laat ons toch nog in het gras bijten. Alexandre Aguado,
markies DE LA MARISMAS DEL GUADALQUIVIR, een der rijkste bankiers
hier, en ridder in het Erelegioen, was de veldmaarschalk van deze
grote terugtocht. Waanzinnig van angst zat de ridder, naar het
schijnt, gedurig achterom te kijken door het raampje van zijn koets,
en hij hield zijn blauwe bediende, die achterop stond, voor de
waarachtige dood zelf, de CHOLÉRA-MORBUS. Het volk morde bitter
toen het zag hoe de rijken – bepakt met artsen en apothekers –
zich in gezondere oorden kon redden. De armen zagen met wrevel, dat
geld nu ook een beschutting tegen de dood was. Het grootste deel van
de JUSTE-MILIEU-regering en de HAUTE- FINANCE is sindsdien ook
verdwenen, en leeft nu in zijn kastelen. De éigenlijke
vertegenwoordigers van de rijkdom, de heren von Rothschild, dié
zijn evenwel in Parijs gebleven, en geven daarmee te kennen dat ze
niet alleen in geldzaken groots en dapper zijn. Ook premier Casimir
Périer toonde zich groots en dapper, want hij ging bij het
uitbreken van de cholera het HÔTEL-DIEU bezoeken; ik geloof dat
zelfs zijn tegenstanders het betreuren dat hij als gevolg daarvan –
met zijn bekende gevoeligheid – zelf door de cholera getroffen
werd. Hij is er nochtans niet aan bezweken, want hijzelf is een nog
kwaaiere ziekte?. Ook de jonge kroonprins, de hertog van Orléans,
die samen met Périer het hospitaal bezocht, verdient
erkentelijkheid. De hele koninklijke familie, trouwens, heeft in
deze troosteloze tijd met glans haar mannetje gestaan. Bij het
uitbreken van de cholera verzamelde de goede koningin haar vrienden en
dienaars en verdeelde onder hen flanellen zwachtels, die ze goeddeels
zelf vervaardigd had! De zeden van het oude ridderdom zijn nog niet
verzwonden: alleen zijn ze overgegaan in burgerlijke deugden. Hoge
Dames voorzien haar kamp tegenwoordig van minder poëtische –
maar veel gezondere sjaaltjes. Tenslotte leven wij niet langer in de
helm- en harnastijden van de krijgshaftige CHEVALLERIE, maar in de
vredevolle burgertijd van de borstrokken en het warme ondergoed. Wij
leven niet meer in het ijzeren tijdperk, maar in het tijdperk van
flanel. Flanel is werkelijk ons beste pantser tegen de aanvallen van
onze ergste vijand, tegen de cholera. "Vandaag zou Venus", zegt
Figaro, "een gordel van flanel dragen". Ikzelf steek ook voor de
helft in het flanel, en daarom beschouw ik mij als cholera- vast. Ook
de koning draagt tenslotte ondergoed van het beste burgerflanel.
Ik mag hier niet onvermeld laten dat onze ROI-CITOYEN zich bij deze
algemene rampspoed zeer burgerlijk- medevoelend en edel gedragen
heeft, en veel geld uitgegeven heeft voor de armen. ––En nu ik
toch op dreef ben, wil ik ook de aartsbisschop van Parijs, Graaf
Quelen, hier loven. Na het bezoek van de kroonprins en Périer, is
ook hij in het Hôtel-Dieu de zieken komen troosten. Hij had
nochtans lang daarvoor al voorspeld dat God de cholera als straf zou
sturen, om een volk te tuchtigen "dat het bestaan had, de meest
christelijke koning af te zetten, en de privilegies van de katholieke
staatsgodsdienst in de Charta af te schaffen". Maar nu de toorn Gods
de zondaars bezoekt, wil mijnheer Quelen zijn gebed ten hemel richten
en genade afsmeken, tenminste voor de onschuldigen – want er
sterven ook veel koningsgezinden.
Daarenboven heeft de heer Quelen, de aartsbisschop, zijn eigen slot
CONSTANS aangeboden, om er een hospitaal in te richten. De regering
heeft dit aanbod moeten weigeren, want het slot is een complete
woestenij, helemaal verkrot, zodat de reparaties te veel gingen
kosten. Hierbij moet gezegd dat de aartsbisschop geëist had, dat
men hem de vrije hand zou laten in dat toekomstige hospitaal – en,
bij al het lichamelijke lijden van de arme zieken, wilde men niet
óók nog eens hun zielen blootstellen aan de pijnlijke
reddingspogingen, die de aartsbisschop en zijn geestelijke hulpjes op
het oog hadden; men verkoos dus die verstokte revolutionnaire zondaars
liever – zonder vermaning betreffende de eeuwige Verdoemenis en het
Hellevuur, zonder Biecht of Oliesel – simpelweg aan de cholera te
laten sterven. En alhoewel men beweert dat het katholicisme een
passende religie is voor tijden die zo ongelukkig zijn als de dag van
vandaag – tóch willen de Fransen er zich niet meer in bekwamen.
In gelukkiger dagen, zo vrezen ze, konden ze dan wel eens met die
ziektereligie blijven zitten.