II. Vergif

Niets gelijkt op de verwarring waarmee er nu plots

zekerheidsmaatregelen genomen werden. Er kwam een COMMISSION

SANITAIRE tot stand, er werden overal BUREAUX DE SECOURS ingericht, en

de verordening betreffende de SALUBRETÉ PUBLIQUE, de

huisvuilophaling, moest ten spoedigste in werking treden. Hier kwam

men al direct in botsing met de belangen van enige duizenden mensen,

die de vuilnis op de openbare weg als hùn domein beschouwden. Dat

zijn de zogenaamde CHIFFONNIERS, die hun levensonderhoud halen uit het

afval dat zich een hele dag voor de huizen ophoopt, in hoekjes en

kantjes. Met grote spitse korven op de rug, en een prikstok in de

hand, slenteren deze vuil- bleke gestalten – deze mensen – door

de straten en ze weten nog heel wat bruikbaars uit het vuil te prikken

en te verkopen. Maar nu gaf de politie die afvalophaling in

ENTREPRISE, om het vuil niet te lang op straat te laten liggen. Het

afval werd op karren geladen en moest direct de stad uit, naar het

vrije veld. Alleen daar was het de CHIFFONNIERS nog toegestaan naar

hartelust wat rond te vissen. Maar deze mensen klaagden nu: dat ze

gebroodroofd werden, of op zijn minst in hun belangen geschaad; dat

hun bedrijvigheid een lang verworven recht was, een soort eigendom

eigenlijk, die men hen niet zomaar willekeurig kon afpakken.

Het is eigenaardig dat de argumentatie, die de CHIFFONNIERS daarbij

hanteerden, helemaal dezelfde was als die welke ook onze Duitse

landjonkers, gildenmeesters, tiendenpredikers, faculteitsgenoten en

andere bevoorrechten plegen in te roepen, als de oude misbruiken waar

zíj hun nut uit trekken – het afval van de middeleeuwen dus –

als dié misbruiken eens dreigen opgeruimd te worden, om op die

manier tenminste óns leven niet te verpesten met dat verjaard stof

en die vuiligheid.

Toen hun protest niks uithaalde, zochten de CHIFFONNIERS met geweld

die hervorming van de huisvuilophaling te verhinderen; ze probeerden

een kleine contrarevolutie, en wel met de steun van ouwe vrouwen, de

REVENDEUSES. Aan hen had men verboden om nog langer het stinkende

goedje, dat ze grotendeels van de CHIFFONNIERS afnamen, langs de kaden

uit te kramen. We zagen nu een weerzinwekkende opstand: de nieuwe

reinigingskarren werden kapotgeslagen en in de Seine gesmeten. De

CHIFFONNIERS barricadeerden zich bij de PORTE ST-DENIS; bij

CHÂTELET vochten de ouwe-rommel- wijven met hun grote paraplu's; de

algemene strijdmars weerklonk; eerste minister Casimir Périer liet

zijn myrmidonen uit hun boetieken naar buiten trommelen; de troon van

burger-koning Louis-Philippe sidderde; de rente zakte; de karlisten

juichten. Deze laatsten, de aanhangers van het oude koningshuis en

het ANCIEN RÉGIME, hadden eindelijk hun natuurlijke bondgenoten

gevonden: lompenrapers en rommelkraamsters, want die kwamen nu ook op

voor dezelfde principes. Voorvechters van het vervallene, van het

overgeleverde erf-afvalrecht, en van alle soort uitvaagsel.

Het oproer van de CHIFFONNIERS werd dus door de gewapende macht

gesmoord; op dat moment greep de cholera nog niet zo woedend om haar

heen als sommigen het misschien wel gewenst hadden – want zulke lui

zijn er altijd: die hopen bij elke noodtoestand, of bij elke

volksopwinding, niet zozeer op hun eigen overwinning, als wel op de

val van de huidige regering.

En dan dook er ineens dat gerucht op – vergif! Die vele mensen,

die zo snel begraven waren – die waren niet aan een ziekte

gestorven, maar aan vergif. Het ging rond dat men op alle

levensmiddelen vergif had weten te strooien: op groentenmarkten was

het gebeurd, bij de bakkers, bij de slagers, bij de wijnhandelaars.

Hoe ongelooflijker de verhalen klonken, des te gretiger werden ze door

het volk aangenomen – en toen dan de politieprefect met een

verklaring voor de pinnen kwam, moesten zelfs hoofdschuddende

twijfelaars er geloof aan hechten. Het is er de politie hier minder

om te doen – hier zoals overal elders – om misdaden te

verijdelen, dan wel om het zó te laten voorkomen, alsof ze altijd

wel weet hebben van wat er omgaat. Nu wilden ze met dat

COMMUNIQUÉ, ofwel pralen met die alwetendheid, ófwel

redeneerden ze: bij zulke berichten als over een vergiftiging –

laat die nu waar zijn of vals – moeten we in elk geval alle argwaan

ten opzichte van de regering proberen af te wenden. Wat er ook van

zij, door hun ongelukkig COMMUNIQUÉ, waarin uitdrukkelijk stond dat

ze de gifmengers op het spoor waren, werd dat kwaadaardige gerucht

natuurlijk ten volle bevestigd, en heel Parijs geraakte in een

gruwelijke doodsverbijstering.

"Wat moeten we toch horen!" riepen de oudste mensen, die zelfs in de

grimmigste ogenblikken van de Revolutie nooit zulke wandaden

meegemaakt hadden. "FRANÇAIS! we zijn onteerd!" riepen de mannen

en sloegen zich voor de kop. De vrouwen drukten hun kleine kinderen

angstig tegen het hart en weenden bitter, en jammerden – dat de

kleine wormpjes nog in hun armen zouden sterven. De arme mensen

durfden niet meer te eten of te drinken en wrongen zich de handen van

pijn en woede. Het was alsof de wereld verging. Op alle

straathoeken, meest bij de roodgemerkte wijnhuizen, stonden hele

groepjes zich te beraden. Daar was het ook, dat mensen die er wat

verdacht uitzagen afgetast werden, en wee! als men ook íets

verdachts vond in hun zakken. Als wilde beesten, als razenden,

stortte het volk zich op hen. Zeer velen konden zich nog redden door

tegenwoordigheid van geest; velen werden nog ontzet door de GARDE

COMMUNALE, die overal patrouilleerde in die dagen; anderen werden

zwaar verwond en verminkt; zes mensen werden op de meest onbarmhartige

manier vermoord.

Er is geen afgrijselijker aanblik dan die volkstoorn, die om bloed

vraagt en zijn weerloze slachtoffers wurgt. Dan stroomt er door de

straten een donkere mensenzee, met daarin arbeiders in hemdsmouwen als

witte golfkopjes. Alles giert en bruist, genadeloos, heidens,

daemonisch. In de RUE ST DENIS hoorde ik de oude kreet "À LA

LANTERNE" en woedend vertelden enkele stemmen mij dat ze een gifmenger

aan het verhangen waren. Sommigen zeiden dat het een koningsgezinde

was – ze hadden naar het schijnt een BREVET DU LYS in zijn tas

gevonden, een soort vrijgeleide met het leliesymbool; anderen

beweerden dat het een priester was, en die zijn tot alles in staat.

Aan de RUE VAUGIRARD werden twee mensen vermoord, omdat ze een wit

poeder op zak hadden. Ik zag één van die ongelukkigen, toen

hij nog een beetje rochelde. Oude vrouwen zelfs deden hun klompen

uit en sloegen hem daarmee zolang op de kop tot hij dood was. Hij was

helemaal naakt, tot een bloedklomp geslagen en gekwetst; niet alleen

waren hem de kleren afgerukt, ook de haren, de schaamdelen, de lippen

en de neus. Een woesteling deed het lijk een strik om de voeten en

sleepte het door de straat. Hij riep daarbij aan één stuk:

"VOILÀ LE CHOLÉRA-MORBUS!" Een wondermooi witwoedend vrouwmens,

met ontblote borsten, haar handen helemaal met bloed bedekt, stond

erbij, en toen het lijk haar voorbij kwam gaf ze het een trap met de

voet. Ze lachte, en ze vroeg mij of ik voor dat zachtmoedige werkje

niet een paar franken over had; dan zou ze een zwart rouwkleed kunnen

kopen, want haar moeder was een paar uur daarvoor gestorven, aan gif.

Franse Toestanden · 第 3 / 6 题