HOOFDSTUK XIV.

Op een avond, tegen vijf uur, toen zij uit de Bibliotheek kwamen, vroeg

Elias of Paulus nu eens even mee wilde wandelen door de arme buurten,

waar de ellendigen woonden.

„Waar wij zoo loopen is het gewoonlijk nog al netjes,” zeide hij, „en

de meeste menschen, die het zoo’n beetje doen kunnen, zien nooit iets

van al het akelige en afschuwelijke. Er zijn hier honderdduizenden, die

nooit in de wijken der misère geweest zijn.”

Met een electrische trem reden zij drie kwartier lang naar een

westelijke buurt van de stad, waar Paulus nooit was geweest.

En nu werd het als een booze droom, te bar om werkelijkheid te

gelijken. Straten, bedekt met vastgekoekte modder, vol koolstronken en

sinaasappelschillen, krotten, vooroverhangend van ouderdom, zwart en

verweerd, met gebarsten ruiten, waar het wemelde van havelooze, woest

uitziende stakkerts. Kinderen speelden in het vuil van de straat,

tusschen afval en lorren, als morsige honden. Overal hing walmende

stank van slechte rioleering en vuile kleeren. Joden met wagens vol

rotte vruchten en bedorven eetwaren liepen door de buurt, twistend met

wijven in afzakkende jakken en vuile rokken. Overal klonk gevloek en

gescheld uit heesche kelen.

Uit de gebroken vensters hingen vieze lompen te drogen, gore hemden en

broeken vol gaten.

„Dit is nu het begin pas van de ellende-buurten,” zeide Elias. „Hier

wonen duizenden en duizenden menschen in verdierlijking en vervuiling.

Het is niet deze eene straat hoor, maar een geheele wijk, die zoo is,

een kleine stad apart. Het vuil is er zóó ingeroest, dat het niet meer

weg te krijgen is. De heele buurt zou verbrand moeten worden en nieuw

opgebouwd. Zie je die kleine venstertjes overal, daar heel boven zelfs

nog, op de vierde verdieping? Daar zijn hokken van kamertjes onder de

kapotte pannen, waar de wind door waait, en de regen binnen gutst. En

daar huizen geheele gezinnen, man, vrouw, en kinderen, in weêr en wind,

in den stank van hun eigen faecaliën. De paarden en de honden van de

rijkelui hebben het beter. Maar hier is het nog mooi. De aristocratie

van de misère zou je het kunnen noemen. Dit is nog een breede straat,

waar lucht door den pestwalm heen kan komen. Nu moet je nog eens verder

zien, in de stegen en sloppen.”

En hij nam Paulus mede, nauwe zijstraatjes in, waar het licht niet

doordrong, zoo dicht stonden de krotten op elkaar, tot zij in een

doolhof van nauwe gangen kwamen, in een verstikkende atmosfeer.

Paulus hield Elias’ hand stijf vast, bang hem te verliezen en alleen te

blijven, zonder ooit den weg weer te vinden.

„Dit zijn de zoogenaamde „Sloppen der Verlorenen”” zeide Elias. „Hier

wonen menschen, die nooit buiten een bloem hebben gezien. Ik zou je

hier niet graag ’s avonds meenemen. Dan zouden we niet meer terugkomen,

vrees ik. Ze zouden ons vermoorden als kippen, alleen om onze kleeren.”

Strompelend over scherven en hoopen afval liepen zij door de duistere

steegjes, de oogen verblind door stof en damp. De huizen-krotjes leken

hier zwarte gaten, waar donkere figuren in rondkrioelden. Het leken

holen voor wilde dieren, die in hun vuil waren opgesloten. Hier en daar

walmde een olielampje, miserabel en triestig, en dan zag Paulus iets

wat op een mensch geleek door het zwarte hol bewegen, vaag en

siniester. In die krotten klonk geschreeuw en gebrom, als van beesten.

Hier en daar, op een wrak planken balconnetje was een wijf bezig

morsige lappen goed op te hangen, om te drogen in de muffe lucht vol

stof en dampen. De logge keien van de straat waren hobbelig en puntig,

en hier en daar waren gaten in den grond, vol slijk, waar halfnaakte

schepseltjes van kinderen met stokken in morsten, en popjes maakten van

modder.

„Dat is nu het speelgoed van die kinderen,” zeide Elias bitter. „Ze

hebben niet anders.... Ik zie aan je gezicht, dat je je misselijk voelt

worden. Maar in dezen stank leven duizenden menschen, hoor, die niet

beter weten of ’t hóórt zoo.... En deze vunze krotten zijn het „home”,

waar afgetobde stakkerts in terugkomen nadat ze den geheelen dag

gesjouwd hebben in donkere fabrieksholen, of diep onder den grond, in

het metselwerk van de rioleering.... Je ziet het nu alleen maar van

buiten, maar je moest deze krotten eens van binnen zien.... Geen

beesten, maar ménschen huizen hier in die kamertjes met vochtige muren,

waar de vuilniston in een hoek staat, en de pijpen der privaten

dóórlekken.... vijf, zes kinderen, jongens en meisjes door elkaar,

liggen daar in één nest, want een bed kan je zoo iets niet noemen, als

jonge honden, en dat nest blijft dag en nacht warm omdat er zijn die

overdag, en die ’s nachts moeten werken.... die kinderen hebben dan

eerst tien of twaalf uren aan een wiel gedraaid ergens in een fabriek,

of giftige verfstoffen aangedragen, of kalk gebrand.... en die heele

familie leeft van slechte aardappelen, of afval van den slager als ze

eens bizonder getracteerd worden.... Pas op! Val niet over dat

wurm!....”

Paulus was bijna gevallen over een rondkruipend wichtje van zoowat twee

jaar, dat uit een van de krotten, op handen en voeten, door den modder

in de straat was gekropen. Het leek meer op een ongelukkig diertje dan

op een kind.

Het was Paulus, of hij dit alles zag in eene nachtmerrie, die geen

realiteit kon zijn.

Hoe kon dit bestaan, vlak bij de weelde van de Boulevards en de

Koninginnestraat vol millioenen, die daar nutteloos voor de vensters

lagen uitgestald? Hoe was het mogelijk, dat levende wezens in die

duistere krotten waren samengehokt, terwijl buiten de velden waren, en

de weiden, en de bosschen, vol frissche geuren en zuivere lucht? En de

aarde was toch zoo groot, vol vruchtbaren, sappigen grond, die altijd

gul-bereid was te geven, als hij werd bewerkt! Maar, het ergste—hoe

konden al de welgekleede, goed gevoede menschen zoo rustig en kalmpjes

blijven leven, als ze toch wisten dat al die ellende bestond?....

Opeens zag hij een woest gezicht vol haat tegen hem aankijken.

Een havelooze kerel was uit een der krotten gekomen. Een gescheurd hemd

hing om zijn lichaam, en een gelapte, vette broek flodderde om zijn

beenen. Zijn bloote voeten, vies, vol korsten, stonden op de koude

steenen. De ongewasschen, door elkaar verwarde haren en de vuile baard

gaven hem iets van een verwilderd beest. Gemeene vloeken en ruwe

scheldwoorden schreeuwden schor uit zijn vuilen mond tegen Paulus aan.

„Doorloopen,” waarschuwde Elias. „Niets antwoorden. Die kerel wordt

woedend, omdat hij ons hier ziet slenteren in goede kleeren.... Ze

kunnen het niet velen, dat hier heeren komen kijken.... Ze willen dan

tenminste hun ellende nog voor zich zelf hebben.... Kom mee, ik weet

hier den weg....”

En zij liepen haastig verder, de sloppen uit, terug naar de hoofdstraat

van de misère.

Paulus beefde van zenuwachtigheid.

„Wat keek die man mij aan!” zeide hij, angstig. „Waarom haat die man

mij?... Ik heb hem toch niets gedaan!...”

Elias glimlachte droefjes.

„Die man haat je, omdat hij ziet dat je warm gekleed en goed doorvoed

bent, en omdat híj in lompen gaat, en honger heeft... En wij allen, die

het goed hebben, we hebben hem eigenlijk allen wat gedaan, al weet hij

niet bewust, hoe het precies in elkaar zit... Dat zegt zijn intuïtie

hem, zijn instinct als je wilt... Allemaal, hoor je, allemaal hebben

wij iets gedaan, al die menschen, die het nu goed hebben en lekker

leven, hebben dien stakkert indirect iets gedaan, al denken ze heel

oprecht dat ze eerlijke, christelijke, rechtschapen menschen zijn...

Zeker, er wonen hier boeven, en dieven, en moordenaars, en de gemeenste

misdadigers in deze buurten. Denk niet, dat het alleen maar

ongelukkigen zijn, buiten hun schuld... Maar tóch zijn ál de nette,

fatsoenlijke, eervolle bezitters, die lekker eten en prettig leven, er

de eigenlijke medeplichtigen aan, dat al deze ellende bestaat... zij

handhaven den staat van de maatschappij zooals die nu is, en die

onvermijdelijk het bestaan van al die ellende medebrengt, zoolang

alles, wat de aarde opbrengt, in de macht blijft van een heel kleine

minderheid bezitters... vergeet dát niet... onbewust doet iéder er aan

mede, die van dien toestand van roof en onrecht profiteert...”

Maar Paulus kon nog niet goed theoretisch alles volgen, wat Elias

bedoelde. Hij had nog niet genoeg gestudeerd, om de geheele portée

zijner woorden te begrijpen. Hij zag nog maar alleen die twee felle

contrasten tegen elkaar: de weelde van de Boulevards, de rijke

restaurants, de Koninginnestraat, en het witte, marmeren paleis van

Leliane, met daartegen de smadelijke schande van de prostitutie, en de

dierlijke verwildering der armen in de verschrikkelijke helle-buurten,

waar hij nu pas geweest was.

O! Het was toch nog véél erger, dan hij ooit vermoed had, toen

Willebrordus hem van het onrecht der menschen in Leliënland vertelde!

En het allerwreedste had zijn grootvader hem nog gespaard...

Moê en ziek van al de geziene ellende kwam Paulus met zijn’ vriend in

de deftige wijken van de stad terug.

Zij gingen nu den grooten Boulevard van de Beurs op, door het volk

„Rijkelui’s Boulevard” genoemd, omdat er enkel zéér rijke menschen

woonden.

„Als je nu eens eene scherpe tegenstelling wilt zien met de ellende van

zooeven, en tegelijk een typische ironie,” zeide Elias scherp, „kijk

dan hier eens naar dit mooie, hooge huis.”

Het was een hoog, crême-geel huis, met statig bordes, en een groot air

van voornaamheid en gedistingeerde weelde. Zware en toch ragfijne

kanten gordijnen, van de duurste, zeldzaamste kant die in Leliënstad te

krijgen was, prijkten aan alle vensters. Porseleinen vazen met kostbare

orchideeën stonden beneden voor de groote spiegelruiten. Een

schitterende equipage met twee koolzwarte paarden in rijk met zilver

gemonteerd tuig, stond voor de deur te wachten.

Paulus zag het aan, vijandig, met al den wrok over de zooeven geziene

ellende nog jong in zijn hart.

„Hier woont Larivois, de groote schilder,” zeide Elias lachend, „je

weet wel, de beroemde, die zoo prachtig de misère weergeeft van het

arme fabrieksvolk en de mijnwerkers. Ik verzeker je dat al die armoede

hem rijk gemaakt heeft, puissant rijk, hoor!”

Paulus schrikte op.

Hij herinnerde zich, hoe hij een paar dagen geleden met betraande

oogen, diep geschokt, in een kleine zijzaal van het Koninklijk Museum

had gestaan, waar de beroemde, groote schilderij van Larivois: „De

stervende arbeider” een geheelen zijwand besloeg.

In de triestige schemering van een nevelachtigen winternamiddag, in een

armoedige, donkere bedsteê van een kale, poovere achterkamer, met

schamel, gebroken huisraad, lag onder vuil-grauwe lakens, doodsbleek,

van honger uitgeteerd, een jonge arbeider te sterven. Zijne vrouw, eene

magere, afgesloofde ellende-figuur zat met groote wanhoops-oogen naar

haar stervenden man te zien, en jammerend—wellicht van koû of

honger—lag een kind, haveloos en akelig vervuild, op den steenen vloer.

Het diepe, en toch zoo eenvoudig tragische van het schilderij lag in

het stervende, wegkwijnende licht, waarin men de ziel van den

uitgetobden, afgebeulden werkman voelde heenglijden, en dat een sfeer

van het vreemde mysterie deed voorgevoelen, dat buiten het leven ligt.

Wèl moest de schilder zijn aangegrepen door de ellende van de

verdrukten, om haar zoo groot-eenvoudig in kunst van schoonheid te

hebben verheerlijkt! Deze man, had hij gedacht, was dan toch één van de

gevoeligen en zeldzamen, die het lijden van anderen vrijwillig op hun

ziel hadden geladen, om het meê te helpen dragen.

En nu stond hij daar voor dat hooge, rijke huis van weelde en comfort,

met de schitterende equipage wachtend voor de deur, waar de beroemde

schilder der armoede woonde als de eerste de beste bankier of trust-man

van de haute finance!

Elias zag zijn teleurstelling, en liet hem nog niet met rust.

„Kijk nú eens verder,” zeide hij, „je bent hier op den „Rijkelui’s

Boulevard,” vergeet dat niet. Hier, twee huizen verder van Larivois,

woont zij, die zich Dolorosa noemt, de dichteres van de armoede, zooals

hij de schilder er van was. Je weet toch wel, die van het groote

tooneelspel „De Weversvrouwen”, dat zoo’n enorm succes heeft gehad, en

de geheele wereld over is geweest. En dan die prachtige bundel „De

troost der verdrukten,” waar zij de eeremédaille voor kreeg van de

Academie voor Letterkunde. Je ziet, dat zij het er gemakkelijk van

neemt, om over de armoede te dichten. Het is nu wel waar, dat ze véél

bij de armen komt. Ze bezoekt zelfs wel eens de „Sloppen der

Verlorenen”, en is erg weldadig. Maar wat ze weggeeft zijn toch heusch

maar kruimeltjes van haar kolossaal vermogen, en ze zorgt er wel

wijselijk voor, dat ze haar eigen bezit niet verliest, en altijd zelf

in de weelde blijft. Haar kapitaal is onaangetast, en, met al haar

weldadigheid, verteert zij niet eens de rente. Maar in haar

tooneelstukken en haar verzen huilt zij erg over de ellende van de

verdrukten, en zegt ze dat al hun leed als een zware last is op hare

ziel, die er langzaam door zal versterven. Zie je, dat is nu het

onderscheid tusschen het literaire en de practijk van het leven... Er

is niets zoo schijnheilig en voos als het literaire...”

En toen hij zag dat Paulus, nog te diep onder den indruk van zijne

treurige verbazing, hem niet begreep:

„Weet je wat ik met dat literaire bedoel?... Kijk eens, dit. Als je het

echte, ware wezen van de gevoelens niet hebt, maar er, voor je eigen

genot of je eigen voordeel, kunst van gaat maken, zóógenaamde kunst ten

minste, dát noem ik het literaire, in den tegenwoordigen, slechten zin.

Als die Larivois en die Dolorosa, en zooveel anderen, wérkelijk hadden

geleden om de ellende van het volk, dan zouden ze nú zelf niet zoo

weelderig kunnen leven, met al die misère van hun mede-menschen

brandende in hun ziel. Maar ze hebben met hun zwakke gevoel geknoeid,

en er zoogenaamde kunst van gemaakt, die ze verkwanseld hebben, om rijk

te worden. In den grond van hun hart zijn ze geen aasje beter dan

geld-woekeraars of trust-mannen. Zooals vroeger meer met den

godsdienst, wordt nú met de kunst geknoeid op een jammerlijke manier.

En allemaal om het geld, om het bezit, om maar lekker méér te hebben

dan een ander, en het wat ze noemen „goed” te hebben. De méésten van

die mooie gevoelens van liefde, van vrijheid, van recht, die je van

onze moderne artiesten leest, zijn niet echt, niet

waarachtig-van-wezen, maar literair. Dat wil zeggen, geen deel van hun

innigste wezen, maar aanstellerij. Met al hun hooge en schitterende

ideeën passen ze wel op, dat ze niet in den regen komen, maar veiligjes

op het droge blijven. Er zijn dan ook geen erger conventie-bourgeois

dan de artiesten. Dat trouwt, als ’t kan vooral met rijke vrouwen, dat

pousseert kaartjes, dat zet geld uit op rente, dat zorgt lekker binnen

te zijn en zooveel mogelijk geld te graaien, dat is ijdel en tuk op

lof, houdt conventies aan, die ’t inwendig veracht, voor een goede

pers, dat buigt, en flikflooit, en draagt ridderorden als de gewoonste

grenadier, dat viert jubileums en houdt toasten, dat lauwert met ijdel

gekrans, en dat schrijft en dicht van hooge, en ernstige, en goddelijke

zaken, waar niet één voor sterven zou, zelfs niet één zijn bezit en

positie voor zou geven, als het er eens werkelijk op áánkwam. Zij

voelen die hooge zaken alleen als literair, maar niet als een deel van

hun innigste wezen. En daarom is het, dat „de kunst” nog altijd als

iets buiten-issigs, iets bizonders, iets buiten-het-leven-òm wordt

beschouwd, terwijl zij eene uiting direct van het hoogste Leven zélf

moest zijn, in dat Leven gekiemd en gegroeid, en er uit opgerezen als

een bloem uit den grond.”

Toen zeide Paulus, meer tot zich zelve dan tot zijn’ geleider:

„Dus al dat mooie van de tegenwoordige literatuur zou dan eigenlijk

maar waan zijn, en schijn, en leugen? Maar dat kan toch niet....”

Elias antwoordde er niet dadelijk op. Maar na een tijdje zwijgend te

hebben doorgeloopen zeide hij:

„Als je nú nog eens wat zien wilt, vandaag.... kom dan tegen negen uur

hier op den hoek, in het restaurant de Ster.... Je hebt het groote

nieuws toch wel gehoord?.... De dichter Wederich is ridder van de

diamanten Roos geworden.... en nu wordt hem vanavond een groot diner

aangeboden, om die ontzaglijke gebeurtenis te vieren....”

Paulus keek hem ongeloovig aan. Dat kón niet, dat kón niet, Wederich,

en een eerekruis, en een diner!....

En hij herinnerde zich, hoe hij in zijn stille kamertje in het bosch de

groote, nobele figuur van Wederich voor hem had zien opstaan. Hij had

het tien jaar nádat alles gebeurd was gelezen, maar voor hém was het of

hij alles zelf had medegemaakt, zóó had hij er zich ingeleefd. Wederich

had met Lavelane en een paar jonge vrienden het tijdschrift „De Lotus”

opgericht, in eene periode waarin de literatuur van Leliënland was

doodgeloopen in holle rhetorica en deftige mooidoenerij. Geestdriftige

artikelen had Wederich geschreven over de heiligheid, de onaantastbare,

boven alle conventie en wetten staande heiligheid van de literatuur. De

literatuur, dat was iets, waar de leelijke, onzuivere dingen van de

maatschappij niet bij konden, vér, in een geheel andere, reinere sfeer

dan het leven van alledaagsch gedoe, niets te maken hebbend met het

gekuip, het geïntrigeer, het ijdele geflikflooi en den leegen glans van

het leven der maatschappelijke Streber, die geld en roem en wereldsche

eer voor het hoogste en kostbaarste hielden op aarde. Fel had Wederich

gegeeseld de toenmalige gezaghebbers der literatuur, die hij allemaal

deftige, fatsoenlijke, geposeerde bourgeois noemde, zwaar met

ridderorden gedecoreerd, die zij op welgesneden, voorname kleeren

droegen als de negers wat blinkende kralen. In superieure, hautaine

woorden had Wederich dien wereldschen waan afgewezen van de literatuur,

die boven allen ijdelen schijn stond, eene afspiegeling van het

waarachtige leven Gods, uit den mensch-dichter geöpenbaard. Maar de

éénige onderscheiding van den waren kunstenaar, waarover géén koning of

minister had te beschikken, dat was de onsterflijkheid.

En zij hadden geleefd, Wederich en Lavelane en hun vrienden, in armoede

en smaad, gehoond en uitgelachen, gescholden voor krankzinnigen en

verdwaasden. Maar in dien hoon en die vuile verguizing hadden zij van

uit hun rijke, trotsche armoede hun goddelijke verzen uitgezegd, welker

klank met de jaren was doorgegalmd met al sterker en sterker geluid,

door géén spotgelach meer te overstemmen.

O! Hoe velen waren de avonden geweest, dat Paulus, ademloos van

aandoening over Wederich’s verzen zat gebogen, de oogen verduisterd

door diep uit zijn ziel op-gewelde tranen van zalige smart! Nog pas had

hij dien eersten middag in de groote stad geweend om die heilige verzen

van ééns.

Maar nu was het tien jaren later dan dien schoonen tijd, waarin de

dichter zijn ziele-verzen zong.

Er was sinds véél gebeurd in Wederich’s leven. Hij was getrouwd met een

rijke vrouw uit de wereld. Deftig getrouwd, met een stoet van koetsen,

met een nasleep van verwanten en vrienden uit de voorname kringen, met

al de vastgestelde ceremonies van stadhuis en kerk. De jonge

literatuur, na veel strijd en tegenwerking, was doorgedrongen tot het

geheele volk, de oudere tijdschriften en weekbladen hadden haar

overgenomen, nieuwe schrijvers hadden haar nagevolgd en handig

overgenomen, en wat de zoogenaamde nieuwe richting was geweest, was

langzamerhand officieel en eindelijk zelve ook weer tot rhetorica

geworden. Wederich, rijk en geëerd, was nu een van de officiëele,

gepozeerde gezaghebbers in de literatuur geworden.

Maar Paulus had van dit laatste niets geweten, omdat Willebrordus het

hem had willen sparen, en hem ook Wederich’s laatste werken niet had

gegeven. De laatste werken van den geréusseerden, deftigen, gepozeerden

Wederich, die nu in zijn eigen, op groote schaal geëxploiteerd

tijdschrift op schoolmeesterachtige, pedante wijze leeraarde en

betweterde over allen, die nú weer nieuw en oorspronkelijk waren, en

niet eerst eerbiedig voor zijn souvereine hoogheid hadden gebogen,

waren dan ook de rhetorica van zijn vroegere, echte kunst geworden.

Dit alles wist Paulus nog niet geheel en al, toen hij met Elias om

negen uur het restaurant binnenging.

In het midden van de rijke, van goud en marmer glanzende zaal, was een

kolossale tafel gedekt, schitterende van zilver en kristal. Een deftige

schare zwart gerokte heeren, de meesten gedecoreerd, met bloemen in het

knoopsgat, was om den feestdisch gezeten. Het leken allen rijke

kapitalisten, bankiers, koningen van de haute finance, zoo correct en

voornaam waren zij daar aangezeten, onberispelijk met hun spiegelblank

gestreken overhemden, hun glanzende, gefrizeerde haar, hun hooge,

opstaande boorden met witte das. Een groot air van wèlgesteldheid, van

goeden doen, van veilig in het leven bezorgd zijn was om hen heen. De

lakeien van het etablissement, in groene rokken met zilver, gingen

eerbiedig, geruischloos, rond met allerfijnste gerechten, keurig in

blank-porseleinen schalen opgedischt.

Elias en Paulus gingen aan een klein tafeltje in een hoek van de groote

zaal zitten, zóó, dat zij de feestende heeren goed konden zien.

„Zie je dien bleeken, langen meneer daar?” zeide Elias, met een

spottend accent. „Daar in ’t midden, rechts. Zijn stoel is groen

gemaakt. Dat is Wederich!”

En Paulus zag hem, voor ’t eerst, hem, dien hij had liefgehad als een

verren vriend, in een wonder licht van glorie gezien. Hij was een

lange, bleeke man, met een scherp geteekend, knokig gezicht, dat

misschien nog interessant zou geweest zijn, als het niet zoo vreemd was

komen oprijzen uit een te nauwen, hoogen boord, die het

stijf-onbewegelijk ophield. De gele, borstelige haren waren door eene

scheiding, die er niet in thuis hoorde, precies in tweeën gedeeld, en

lagen weerbarstig aan weerszijden neer onder een laag pommade, met hier

en daar een ópstekende piek. Zijn rok zat te wijd over zijn mager

lichaam, zonder snit, en in zijn overhemd was al een scheeve, lange

plooi. Het was hem aan te zien, dat hem dit uniforme kleedingstuk van

„heer” niet stond, omdat hij nu eenmaal geen heer was, en het ook nooit

worden zou. Dat air van correctheid, waarin hij zijn mager gezicht had

geplooid, gaf hem iets onaangenaams en onrustigs, dat er de eigenlijke

uitdrukking van verborgen hield, en zóó was er iets potsierlijks en

ridicuuls in zijn uiterlijk gekomen, dat hij zeker oorspronkelijk niet

had. Op zijn borst schitterde een fonkelnieuw ridderkruis met diamanten

roos.

Om zijn stoel hingen kransen van eikenloof.

En bij het zien van dat frissche groen in die omgeving kreeg Paulus

opeens zoo hevig de sensatie van scherpen, jongen bosch-geur, dat hij

met moeite een kreet onderdrukte. Als uit de verte hoorde hij Elias

verder spreken:

„Die deftige sinjeur daar naast hem, met dien kalen schedel en die

lange, grijze bakkebaarden, is de Minister van Schoone Kunsten en

Nijverheid, nog eenigszins familie van zijn vrouw.... en die magere,

oude heer aan zijn andere hand is de hoofdredacteur van dat oude

tijdschrift: het Morgenrood, waar Wederich vroeger zoo fel tegen

uitvaarde, en waar hij nu zélf in schrijft.... De heeren zijn nu

verzoend.... Kijk, dáárnaast zit nu Larivois, over wien wij het straks

hadden, de schilder van de Armoede.... wat een kleine dikzak, hè, en

hoe wélvoldaan slaat hij daar juist dat glas wijn naar binnen.... En

daar zit waarachtig ook Wanach, de groote romancier, die er vroeger zoo

leelijk van langs kreeg van Wederich.... dat is nu vergeven en vergeten

natuurlijk.... en de dichter Wartenau, ook van „de Lotus”.... ik kan

wel aan den gang blijven met al die schilders en dichters op te

noemen.... daar zitten ze nu, de groote kunstenaars, zoo goedig hè, aan

die mooie, lange tafel, en als je ’t niet wist zou je denken dat het

allemaal geldmannen of groothandelaren in koloniale artikelen waren....

Zoo gaat het Leven, beste Paulus, en het temt de wildste gemoederen,

als ze het maar den tijd geven, en ze niet in hun hartstocht sterven,

zooals ze in hun verzen trouwens honderdmaal hebben beloofd, maar later

gelukkig weer vergeten zijn....”

„Ik had Wederich liever dood gezien,” zeide Paulus, en Elias zag de

tranen in zijn oogen staan. „Liever dood met ál zijn heerlijke verzen

over, dan hier in deze bende van poenen met dat nietige blinkende ding

over zijn groote hart.”

Hij wist wel, dat die ridderordes maar in naam door de prinses, doch in

waarheid op voordracht van geïnfluenceerde ministers werden gegeven.

En hij dacht over de laatste verzen, die hij van Wederich had gelezen,

verzen van hoogen trots na rijzenis boven véél leed, waarin hij zich

vergeleek bij een eenzame, grijze rots, uitziende over de eindelooze

zee, waartegen de woedende golven van het Lot tevergeefs brullend

klotsten, áltijd onwankelbaar opgerezen.

„Zeg niet poenen,” spotte Elias weder, „dit stelt juist de élite van

het land voor, de crême de la crême van de kunstenaars.... allemaal

menschen, die er door hard werken—en ook nog wel iets anders—gekomen

zijn, en die nu geld hebben en bezittingen, het verdienstelijkste wat

er is.... wat ánderen door beursspeculaties of handel hebben gekregen,

hebben zij veroverd met hun kunst.... daar moet je niet licht over

denken.... Met de edelste gaven, die een mensch bedeeld zijn,—van Gods

genade, noemen ze dat,—door de hoogste openbaringen van de schoonheid,

zijn ze er nu toe gekomen om te hebben, wat ook het beste in het leven

is voor een geld-man, een mooi huis met dingen van weelde er in, een

goed verzorgde familie, roem, naam, en eer,—en niet te vergeten de

ridderordes, die je hier en daar op die keurige zwarte rokken ziet

schitteren... ... Ze zijn nu ook allemaal een beetje ouder geworden.

Ja, ik weet wel wat je zeggen wilt.... ik zie het aan je gezicht.... je

denkt om vroeger, toen ze onder een goedkoop glaasje bier in een

derderangs cabaret zaten te schetteren over „de kunst om de kunst,”

over vrij zijn, en onafhankelijk, en over wat die grandioze fransche

bohémien noemde:

„ma riche pauvreté plus chère qu’un empire.”

„Allemaal heel mooi toen. En natuurlijk meenden ze dat toen ook, en

waren ze toen volkomen te goeder trouw. Daar mag je nooit aan

twijfelen. Maar toen kenden zij die twee groote dingen nog niet, die

hun verdere leven zouden bepalen, ten eerste den verderfelijken invloed

van het succes, de glorie, en ten tweede dat onweêrstaanbare, fatale,

onmerkbaar je als een willoos ding langzaam voortstuwende van het

leven, wat de Franschen „la force des choses” noemen. Als je een jaar

of tien geleden aan Wederich had voorspeld, dat hij nú in dit luxueuze

restaurant met een ridderkruis op zijn borst zich zou laten fêteeren

door wie toén zijn literaire doodvijanden waren, zou hij zeker zijn

glas bier op je hoofd in stukken hebben geslagen. Maar de glorie van ’t

succes èn „la force des choses”—die hebben ’t hem gedaan.”

Met groote oogen, of hij ’t nog maar niet kon gelooven, zat Paulus uit

zijn hoekje het festijn aan te staren. En in zijn binnenste stond het

met een valsch, schel contrast tegenover elkaar: de namelooze ellende,

die hij dien middag gezien had van de verdrukten, de uitgeworpenen der

maatschappij, en die rijke van zilver en kristal schitterende

feestdisch van hen, die zich de edelsten van den menschelijken geest

noemden, de kunstenaars van Gods genade, uit wie Hij zich in schoonheid

openbaarde.

„Zie je die schotels, die daar komen?” hoorde hij opeens Elias zeggen.

„Dat is de specialiteit van dit restaurant, moet je weten. Het zijn

pasteitjes van nachtegaalstongen. Verbazend fijn, en peperduur, dat

begrijp je. Alleen de tong van zoo’n beestje wordt daarvoor gebruikt...

En denk nu eens om dat sonnet van Wederich: „De nachtegaal”, waardoor

hij ineens beroemd werd... Het is zeker geen kiesche keuze geweest, dat

nu die pasteitjes op het menu staan....”

En, vreemd, zooals hij zeer hevig zooeven de sensatie had gehad van den

geur van jong eikenloof, hoorde Paulus nu opeens het wondere gezang

over zijn ziel gaan van den nachtegaal, zingend in plechtigen

maanlichtnacht. De tranen stonden hem in de oogen, en hij voelde een

stekende pijn in zijn hart. Heel duidelijk zag hij ineens in zijn

herinnering de recht-opgaande stammen van stille nacht-boomen, de zware

kronen van bladeren roerloos uitgespreid, het maanlicht zilverend neer

in zachte zegening. En een groot verlangen riep hem terug naar de

rustige eenzaamheid van zijn jeugd.

Elias zag, hoe onrustig hij werd, en hoe hij straks zou uitschreien als

de ontroering hem overweldigde.

„Niet zwak zijn, Paulus,” zeide hij bemoedigend. „Je móógt niet zwak

zijn in dit leven.... De zwakken vallen op den grond, dat wéét je nu

toch, en de sterken trappen over hen heen... je moet nu eenmaal òf

getrapt worden òf zelf trappen, al weet je niet dat je ’t doet.... die

menschen van vanmiddag, dat waren de getrapten, omdat ze zwak zijn, al

zijn de getrapten duizendmaal sterker in aantal.... maar die menschen

daar aan die tafel, dat zijn de sterken... die trappen zèlf, door hun

leven ten koste van anderen... Wederich is ook een sterke, en al die

kunstenaars.... En nu weet ik wel, dat jij niet zelf wilt trappen, maar

toch zeker óók niet door hen getrapt worden... denk er aan, als je zwak

bent trappen zij over je heen...”

„Dat nooit,” zeide Paulus, en klemde de lippen op elkaar.

Zwijgend zat hij nu het verdere verloop van het diner aan te zien.

Hij hoorde het luider en luider wordend geschreeuw van de stemmen, hun

hard, hatelijk gelach, hij zag hun grove, breede gebaren. Naarmate het

uur later werd, en de wijn meer had gevloeid, werden de hoofden rooder,

en verloren de verhitte gezichten het correcte van eerst.

Totdat de champagne knalde, en de toosten begonnen. Een voor een

stonden hier en daar heeren op, de schuimende coupé omhoog, tot

Wederich gericht, en hij onderscheidde achtereenvolgens den Minister

van Schoone Kunsten, den schilder Larivois, den ouden redacteur van het

Morgenrood, den jongen Wartenau, die het woord voerden.

Door het luidruchtig geratel van de stemmen kon Paulus de toosten uit

zijn verre hoekje niet verstaan, maar toch hoorde hij de groote, met

emphase uitgeschreeuwde woorden hier en daar.

„De kunst van Leliënland.... een sieraad van de Leliënlandsche

literatuur.... het eereteeken van Hare Koninklijke Hoogheid zijn edele

dichterborst versieren.... door eigen jarenlangen, onverdroten

arbeid.... de glorie van onze kunst, over de gansche wereld

verspreid.... een toonbeeld voor de jongere kunstenaars van ons

land.... vroeger misschien, in de dolle onbesuisdheid van de eerste

jeugd.... doldriftig als een jong steppenpaard.... maar thans, tot

rijpheid gekomen, inziende den ernst van het leven.... tot hij gewrocht

had die schoone, onvergelijkelijke schepping „de Genius des

Vaderlands”.... dat epos van oude helden en koningen......”

Het duizelde om Paulus’ hoofd. Telkens het hoera-gebrul, het „Lang zal

hij leven”, het gekletterklink van de glazen, het knallen der

champagne-kurken, samengejoeld in één oorverdoovend lawaai.

Nú zag hij Wederich opstaan, zijn lange, magere gestalte hooger

oprijzende dan alle anderen, het bleeke, tragisch-leelijke hoofd

ongemakkelijk, droef potsierlijk, stijf-óp door den veel te nauwen

boord. Hij zag ook, hoe de dichter verlegen rondkeek, hoe hij stotterde

onsamenhangende woorden, en toen, door aandoening overmand, huilend in

zijn stoel terugzonk. Zijn vrienden snelden toe, spraken opwekkende

woorden, namen hem onder den arm, en dansten met hem de tafel rond.

De lakeien brachten jassen, hoeden en stokken, en in groepjes gingen de

gasten de deur uit, luidruchtig zingend van „Lang zal hij leven!”

„Nu begrijp je zeker wel hoe dat eindigt!” zeide Elias kortaf.

Ja, nú wist hij het, Paulus, door het leven van de laatste maanden

geheel op de hoogte. Het meerendeel van die mannen fuifden nu den nacht

door, gingen naar de vrouwen. De vrouwen, de prostituées, die nu goed

genoeg waren om deze mannen verder te amuseeren, die immers geld

hadden, en er voor betaalden, royaler naarmate ze royaal door haar

werden behandeld. In dié en dié restaurants en cafés waren die vrouwen

behoorlijk te vinden, in allerlei soorten, in allerlei prijzen, zooals

in dié en dié winkels de koopwaar gerangschikt lag uitgestald.

Leliane: een modern sprookje · 第 19 / 21 题