HOOFDSTUK XIII.

Eéns op een middag, toen hij peinzend over het Domplein liep, werd hij

opgeschrikt door het zien van een grooten troep volk, die zich midden

op het plein had verzameld, of er een ongeluk gebeurd was. Hij drong

zich door de menschen heen, en zag een heel klein jongetje, dat

erbarmelijk stond te huilen. Een slagersjongen wilde hem bij den arm

nemen, maar het mannetje sloeg met de vuistjes van zich af, en wilde

met niemand te doen hebben.

„Vader!... vader!...” riep hij maar.

Juist wilde Paulus op hem afgaan, toen het jongetje een opening zag in

den menschenkring om hem heen, en hard wegholde, verbazend vlug op zijn

kleine beentjes. Zijn hoedje rolde af, en blootshoofds rende het ventje

het plein over, waar zware rijtuigen ratelden, en electrische trems

klingelend en rinkelend voorbij stoven.

„Vader!... vader!...” gilde hij, en zóó holde hij, heel klein en heel

armpjes, om zijn vader te zoeken, door het lawaaiende gevaar van het

groote meedoogenlooze stadsleven. Hij scheen in zijn angst niets meer

te zien, en rende maar blindelings door. Dáár kwam een gele, zware

electrische trem aan, en van de andere zijde een tweede: groote, wreede

gevaarten, daverend en bellend, maar het kleine kereltje holde langs de

rails....

Nog juist had Paulus tijd hem te grijpen, en het zware monster lawaaide

onverschillig voorbij.

Angstig en woedend keek het knaapje naar den jongen man, die hem in

zijn armen had opgetild, maar met dat instinct, dat kinderen hebben en

honden, voelde het, dat hier een vriend voor hem was.

„Mijn vadertje!... mijn vadertje!...” huilde hij, „waar is vadertje?”

Paulus begreep, dat het kereltje zijn vader was kwijtgeraakt. Het was

nog een heel klein ventje, dat hij daar gered had, van vier of vijf

jaar. Hoe hulpeloos en bang keken zijn verschrikte oogjes! Hoe heel

klein en broos, zoo’n kinderleventje, alléén gelaten in die groote stad

van zonde en ellende en gevaren!

Met veel moeite wist hij uit het knaapje los te krijgen den naam van de

straat waar zijn ouders woonden. Het was niet ver, en gelukkig wist hij

den weg. En met het kleine mannetje aan zijn hand liep hij het drukke

plein over, en dóór naar het veilige huis. Hij wist hem met

vriendelijke woorden gerust te stellen, en zag met vreugde, dat hij nu

ook bedaarde, en vertrouwelijk met hem werd. Eenmaal in de goede straat

gekomen, wist het mannetje zelf het huis te vinden. Paulus belde, en

een burgervrouw deed open. Hoe het kereltje in haar armen vloog, hoe

alles nu weer goed bezorgd was, en wèlvertrouwd, nu het veilige thuis

was gevonden! En hoe goed het hem deed, toen het ventje hem vriendelijk

bleef handjes-wuiven toen hij weer terugging!

Maar onderweg voelde hij opeens de pijn van een wreede gedachte. Dat

kleine, hulpelooze kereltje, dat daar zoo héél armzalig was alleen

gelaten, in die groote stad van gevaar, roepend om zijn vader.... was

hij dan iets anders? Was hij niet even ongelukkig, even verlaten in het

groote, meêdoogenlooze Leven, en had ook hij zijnen Vader niet

verloren? Had hij Hem niet aangeroepen in bitteren nood, had hij Hem

niet droeviglijk gezocht in de duisterste eenzaamheden van zijne

gedachten, had hij Hem niet met tranen gebeden, hem te helpen en tot

hem te komen, waar hij in donkere zonde was afgedaald? Was hij niet

precies even verlaten en hulpeloos als dat kleine kereltje, dat hij

zooeven bij moeder thuis had gebracht?

En al die andere, blinde, dwaze menschen, die óók maar doorholden in de

gevaren van ellende en duisternis, waren zij óók niet eigenlijk hun

Vader kwijt, en liepen zij dáárom niet zoo dol in het krankzinnige

door, zonder ooit het veilige Thuis te vinden? Liepen zóó ook niet in

de wreede misère van de zwarte nacht-straten de klagelijke vrouwen en

meisjes, die voor geld te koop moesten geven wat verwant was aan het

heilig maagd-mysterie van Leliane? Was in al hun wanhoopsblikken, in al

hun wanhoopsgelach, in al hun gebaren en woorden eigenlijk niet het

verstikte, onderdrukte roepen om hun Vader, die hen alléén liet in de

misère?

O! Als een vader, een gewone, menschelijke vader wist dat zijn kind

hulpeloos ergens alleen liep, hem roepend met klagelijk geschrei, en

bedreigd door vele gevaren, zou hij niet aansnellen, ademloos, en het

bergen, veilig in zijn sterke armen?

Maar die eindelooze, hemelsche God, Wiens aangezicht hij gezien had in

de klare pracht van den dageraad, en in de majestueuze drooming van den

avond, Wiens stem hij had gehoord in het ruischen van nachtelijke

winden, en Wiens tegenwoordigheid hij vol eerbied gevoeld had in de

stilte van het woud, die almachtige, eeuwige God, uit Wiens wezen al de

wonderen der wereld waren geboren, Hij liet zijne kinderen droeviglijk

alléén in het duister van zonde en gevaren, en niet strekte Hij de hand

reddend uit naar wie in wanhoop schreiend om Zijn hulp riep, uit

allerbittersten nood. Wreed en koud ging het Leven door, het

hulpgeschrei der lijdenden en verdwaalden werd verdoofd in het daverend

voort-lawaaien van zijn’ gang, en géén antwoord kwam van dien Vader,

die toch wist hoe Zijne kinderen doolden, en in ellende moesten

vergaan!

En wéér dacht hij om die machtige spreuk op den Dom, die hij de laatste

weken maar niet kon vergeten:

Ziet ik ben bij

U alle dagen tot aan

Der wereld einde.

Hij zag, hoe de menschen op straat om hem heen gingen. Hoe hard en koud

waren toch al die vreemde gezichten! Hoe onverschillig voor elkander,

hoe apart elk bezig met zijn eigen ik! Allen gingen naar een eigen

doel, allen met andere gedachten, en geen warmte van gelijkheid en

vertrouwen leek er tusschen hen te bestaan. Zooals bijvoorbeeld de

stille vertrouwelijkheid in het bosch, als ineens alle boomen te zamen

ruischten en hun broederlijke kruinen naar ééne zijde negen, onder

denzelfden vaderlijken wind voor allen....

Instinctmatig voelde Paulus, dat hij nog niet met graaf Marcelio over

al de dingen moest praten, die hij door Elias had geleerd. Hij vermeed

zorgvuldig alle aanleiding om er over te beginnen, besloten als hij was

om te wachten tot alles beter in hem tot klaarheid was gekomen.

Maar ééns werd het hem te sterk, en liet hij er onvoorzichtig iets van

los. Het was op een avond, toen hij met Marcelio te voet naar huis

ging, omdat het mooi weer was, en de lucht zoo heerlijk frisch na de

benauwde atmosfeer van een met menschen overvulde concert-zaal.

De Koninginnestraat was nu weer vol van vrouwen, die in het triestige

licht van de lantarens op en neer slenterden voor de met ijzeren

valluiken gesloten winkel-paleizen. En ineens zag Paulus de

nacht-misère weer even grimmig voor zich als dien eersten avond, toen

hij uit het raam naar beneden had gekeken, en niet begrepen had.

„Marcelio,” zeide hij, bewogen. „Vin-je het niet verschrikkelijk, die

vrouwen allemaal?”

Maar de aristocraat begreep hem niet.

„Het zijn gemeene wijven,” antwoordde hij. „Maak je er niet bezorgd

over. Ga liever mee nog wat gezellig een grogje drinken boven.”

Maar boven in de weelderige, veilige kamer gekomen, kon Paulus het

vreeselijk gebeuren daar buiten niet vergeten. Hij schoof het gordijn

weg, en zag in het half-duister van de nacht-straat de donkere, sombere

zonde-figuren dolen. En hij kon het niet meer verkroppen, en barstte

uit.

„Je zegt, dat het gemeene wijven zijn daar beneden, maar ik vind dat

het een gemeene maatschappij is, die zoo iets mogelijk maakt... Dacht

je dat die vrouwen het voor hun plezier deden? Dat ze zoo’n ellendig

métier zouden hebben, als ze in liefde en geluk waren opgevoed? Als ze

beter in de maatschappij waren bezorgd? Die menschen hebben hun heele

leven lang niets dan ellende gekend, òf ze zijn er door armoede of

onrecht toe gekomen. Wie weet, hoe velen er niet onder zijn, die door

echte, zuivere liefde tot die misère zijn gebracht, die éven voor

rijke, beter in ’t leven geplaatste mannen voor tijdverdrijf hebben

gediend, en daarna aan hun lot zijn overgelaten... Al die vrouwen zijn

toch ééns kinderen en meisjes geweest... Hoe kan je zoo iets

verschrikkelijks aanzien, Marcelio, en er niet meer door ontroerd

worden, of het iets héél gewoons was? Ik vind het vrééselijk... Ik

begrijp niet hoe al die deftige, goed verzorgde meisjes en vrouwen van

de zoogenaamde hoogere standen maar onbezorgd kunnen voortleven als ze

weten dat duizenden van haar zusteren zoo diep in de ellende zijn

verzonken... hoe je ooit rust kunt hebben, en op je gemak mooie dingen

van kunst genieten, als dat ontzettende lijden je op straat zóó maar

voorbijgaat. Want lijden is het, al weten de meesten van die armen het

gelukkig zélf niet... en dan er nog op neer te zien en ze „gemeene

wijven” te noemen... zijn de andere vrouwen niet gemeener, die

eigenlijk ten koste van al die misère in hun weelde lekkertjes

leven?...”

Marcelio zag hem verbaasd aan, en vroeg, ietwat spottend:

„Maar Paulus! Ben je soms sociaal-democraat geworden?”

„Neen, sociaal-democraat niet. Alleen maar mensch behoef je daarvoor te

zijn. Alleen maar christen, als je wilt, maar dan christen, zooals

Christus dat meende, en niet de zoogenaamde christenen van hier, die de

ongelukkigen er onder willen houden om zelf lekker te leven. Maar zeg

me eens, Marcelio... Weet de prinses de verschrikking van de

prostitutie? Lijdt zij er niet onder, dat duizenden van hare zusteren

van schande en bezoedeling moeten leven?”

„De prinses?...” vroeg Marcelio. „Haar Koninklijke Hoogheid?... Maar

wat bezielt je nu, Paulus?... Dacht je dat die zich druk zou maken om

al die akeligheden van het gemeene volk? Gelukkig niet, hoor!... Daar

staat ze veel te ver boven. Dat is goed voor socialistische

parlementsleden en zoo. De prinses heeft wel wat ánders te doen... Die

kan zich toch niet met al die gemeene vrouwen afgeven...”

Paulus zweeg, om niet in harde woorden uit te vallen.

Hij staarde naar de tragische figuren, die daar nog ronddoolden in de

nacht-straat, om het heiligste te verkoopen voor wat geld...

Grimmig leken hem de zware ijzeren valgordijnen van de winkels,

waarachter al de schatten van goud en juweelen waren verborgen, enkel

voor de rijken en de nietsdoeners bestemd, die in weelde zwelgden. En

daar buiten, vlak er bij, alleen maar er van gescheiden door dat harde

ijzer, liepen de ongelukkige misdeelden, die voor een paar luttele

guldens hun lijf liepen te veilen, schandelijk, in uitersten jammer....

Hij voelde het onrecht scherp schrijnen door zijn ziel. En ineens vroeg

hij zich af, of het wel goed was, dat hij daar nu zelf zoo lekkertjes

zat, warm en veilig, en eigenlijk leefde van het goud dier rijke

prinses, die daar zoo hoog troonde in een blinkend paleis van wit

marmer, onbewogen voor het lijden harer zusteren, onbarmhartig gehuld

in eigen reinheid, die niet bevlekt mocht worden door aanraking met de

ellende....

Hij voelde dat er nu iets aan ’t wankelen in hem was, iets van het

allermooiste en heiligste in zijn ziel, dat kraakte en scheurde, en nog

eens breken zou.

Het was hem, of de goddelijke sfeer waarin hij Leliane’s beeld zag

tronen, langzamerhand begon te verduisteren, nu hij het groote lijden

van de wereld had gezien, waarvoor zij onbewogen bleef, ongenaakbaar in

eigen schoonheidsglans gehuld.

De deernis voor het lijden der menschen begon hooger en hooger in hem

te stijgen en waasde een droeven nevel tegen de vlekkeloos glanzende

vereering, die in hem was opgeblonken voor haar majestueuze beeld.

En vaag begon hij vóór te gevoelen, dat er nog iets anders in hem was

gekomen dan zijn ziels-verlangen naar al het mooie van verre

horizonnen, en stille sterren-nachten, en witte wolken-droomen, dat tot

zijn innigste hoogste was gestegen in zijne aanbidding voor Leliane, en

dat dit andere beter en heiliger moest zijn dan het eerste, misschien

zelfzuchtige gesmacht naar één-zijn met al wat schoon was,—omdat het

wezen daarvan was de goddelijke barmhartigheid, die eigen geluk om

schoonheid niet genieten kan als niet alle mede-menschen het kunnen

deelen.

Leliane: een modern sprookje · 第 18 / 21 题