Eéns op een middag, toen hij peinzend over het Domplein liep, werd hij
opgeschrikt door het zien van een grooten troep volk, die zich midden
op het plein had verzameld, of er een ongeluk gebeurd was. Hij drong
zich door de menschen heen, en zag een heel klein jongetje, dat
erbarmelijk stond te huilen. Een slagersjongen wilde hem bij den arm
nemen, maar het mannetje sloeg met de vuistjes van zich af, en wilde
met niemand te doen hebben.
„Vader!... vader!...” riep hij maar.
Juist wilde Paulus op hem afgaan, toen het jongetje een opening zag in
den menschenkring om hem heen, en hard wegholde, verbazend vlug op zijn
kleine beentjes. Zijn hoedje rolde af, en blootshoofds rende het ventje
het plein over, waar zware rijtuigen ratelden, en electrische trems
klingelend en rinkelend voorbij stoven.
„Vader!... vader!...” gilde hij, en zóó holde hij, heel klein en heel
armpjes, om zijn vader te zoeken, door het lawaaiende gevaar van het
groote meedoogenlooze stadsleven. Hij scheen in zijn angst niets meer
te zien, en rende maar blindelings door. Dáár kwam een gele, zware
electrische trem aan, en van de andere zijde een tweede: groote, wreede
gevaarten, daverend en bellend, maar het kleine kereltje holde langs de
rails....
Nog juist had Paulus tijd hem te grijpen, en het zware monster lawaaide
onverschillig voorbij.
Angstig en woedend keek het knaapje naar den jongen man, die hem in
zijn armen had opgetild, maar met dat instinct, dat kinderen hebben en
honden, voelde het, dat hier een vriend voor hem was.
„Mijn vadertje!... mijn vadertje!...” huilde hij, „waar is vadertje?”
Paulus begreep, dat het kereltje zijn vader was kwijtgeraakt. Het was
nog een heel klein ventje, dat hij daar gered had, van vier of vijf
jaar. Hoe hulpeloos en bang keken zijn verschrikte oogjes! Hoe heel
klein en broos, zoo’n kinderleventje, alléén gelaten in die groote stad
van zonde en ellende en gevaren!
Met veel moeite wist hij uit het knaapje los te krijgen den naam van de
straat waar zijn ouders woonden. Het was niet ver, en gelukkig wist hij
den weg. En met het kleine mannetje aan zijn hand liep hij het drukke
plein over, en dóór naar het veilige huis. Hij wist hem met
vriendelijke woorden gerust te stellen, en zag met vreugde, dat hij nu
ook bedaarde, en vertrouwelijk met hem werd. Eenmaal in de goede straat
gekomen, wist het mannetje zelf het huis te vinden. Paulus belde, en
een burgervrouw deed open. Hoe het kereltje in haar armen vloog, hoe
alles nu weer goed bezorgd was, en wèlvertrouwd, nu het veilige thuis
was gevonden! En hoe goed het hem deed, toen het ventje hem vriendelijk
bleef handjes-wuiven toen hij weer terugging!
Maar onderweg voelde hij opeens de pijn van een wreede gedachte. Dat
kleine, hulpelooze kereltje, dat daar zoo héél armzalig was alleen
gelaten, in die groote stad van gevaar, roepend om zijn vader.... was
hij dan iets anders? Was hij niet even ongelukkig, even verlaten in het
groote, meêdoogenlooze Leven, en had ook hij zijnen Vader niet
verloren? Had hij Hem niet aangeroepen in bitteren nood, had hij Hem
niet droeviglijk gezocht in de duisterste eenzaamheden van zijne
gedachten, had hij Hem niet met tranen gebeden, hem te helpen en tot
hem te komen, waar hij in donkere zonde was afgedaald? Was hij niet
precies even verlaten en hulpeloos als dat kleine kereltje, dat hij
zooeven bij moeder thuis had gebracht?
En al die andere, blinde, dwaze menschen, die óók maar doorholden in de
gevaren van ellende en duisternis, waren zij óók niet eigenlijk hun
Vader kwijt, en liepen zij dáárom niet zoo dol in het krankzinnige
door, zonder ooit het veilige Thuis te vinden? Liepen zóó ook niet in
de wreede misère van de zwarte nacht-straten de klagelijke vrouwen en
meisjes, die voor geld te koop moesten geven wat verwant was aan het
heilig maagd-mysterie van Leliane? Was in al hun wanhoopsblikken, in al
hun wanhoopsgelach, in al hun gebaren en woorden eigenlijk niet het
verstikte, onderdrukte roepen om hun Vader, die hen alléén liet in de
misère?
O! Als een vader, een gewone, menschelijke vader wist dat zijn kind
hulpeloos ergens alleen liep, hem roepend met klagelijk geschrei, en
bedreigd door vele gevaren, zou hij niet aansnellen, ademloos, en het
bergen, veilig in zijn sterke armen?
Maar die eindelooze, hemelsche God, Wiens aangezicht hij gezien had in
de klare pracht van den dageraad, en in de majestueuze drooming van den
avond, Wiens stem hij had gehoord in het ruischen van nachtelijke
winden, en Wiens tegenwoordigheid hij vol eerbied gevoeld had in de
stilte van het woud, die almachtige, eeuwige God, uit Wiens wezen al de
wonderen der wereld waren geboren, Hij liet zijne kinderen droeviglijk
alléén in het duister van zonde en gevaren, en niet strekte Hij de hand
reddend uit naar wie in wanhoop schreiend om Zijn hulp riep, uit
allerbittersten nood. Wreed en koud ging het Leven door, het
hulpgeschrei der lijdenden en verdwaalden werd verdoofd in het daverend
voort-lawaaien van zijn’ gang, en géén antwoord kwam van dien Vader,
die toch wist hoe Zijne kinderen doolden, en in ellende moesten
vergaan!
En wéér dacht hij om die machtige spreuk op den Dom, die hij de laatste
weken maar niet kon vergeten:
Ziet ik ben bij
U alle dagen tot aan
Der wereld einde.
Hij zag, hoe de menschen op straat om hem heen gingen. Hoe hard en koud
waren toch al die vreemde gezichten! Hoe onverschillig voor elkander,
hoe apart elk bezig met zijn eigen ik! Allen gingen naar een eigen
doel, allen met andere gedachten, en geen warmte van gelijkheid en
vertrouwen leek er tusschen hen te bestaan. Zooals bijvoorbeeld de
stille vertrouwelijkheid in het bosch, als ineens alle boomen te zamen
ruischten en hun broederlijke kruinen naar ééne zijde negen, onder
denzelfden vaderlijken wind voor allen....
Instinctmatig voelde Paulus, dat hij nog niet met graaf Marcelio over
al de dingen moest praten, die hij door Elias had geleerd. Hij vermeed
zorgvuldig alle aanleiding om er over te beginnen, besloten als hij was
om te wachten tot alles beter in hem tot klaarheid was gekomen.
Maar ééns werd het hem te sterk, en liet hij er onvoorzichtig iets van
los. Het was op een avond, toen hij met Marcelio te voet naar huis
ging, omdat het mooi weer was, en de lucht zoo heerlijk frisch na de
benauwde atmosfeer van een met menschen overvulde concert-zaal.
De Koninginnestraat was nu weer vol van vrouwen, die in het triestige
licht van de lantarens op en neer slenterden voor de met ijzeren
valluiken gesloten winkel-paleizen. En ineens zag Paulus de
nacht-misère weer even grimmig voor zich als dien eersten avond, toen
hij uit het raam naar beneden had gekeken, en niet begrepen had.
„Marcelio,” zeide hij, bewogen. „Vin-je het niet verschrikkelijk, die
vrouwen allemaal?”
Maar de aristocraat begreep hem niet.
„Het zijn gemeene wijven,” antwoordde hij. „Maak je er niet bezorgd
over. Ga liever mee nog wat gezellig een grogje drinken boven.”
Maar boven in de weelderige, veilige kamer gekomen, kon Paulus het
vreeselijk gebeuren daar buiten niet vergeten. Hij schoof het gordijn
weg, en zag in het half-duister van de nacht-straat de donkere, sombere
zonde-figuren dolen. En hij kon het niet meer verkroppen, en barstte
uit.
„Je zegt, dat het gemeene wijven zijn daar beneden, maar ik vind dat
het een gemeene maatschappij is, die zoo iets mogelijk maakt... Dacht
je dat die vrouwen het voor hun plezier deden? Dat ze zoo’n ellendig
métier zouden hebben, als ze in liefde en geluk waren opgevoed? Als ze
beter in de maatschappij waren bezorgd? Die menschen hebben hun heele
leven lang niets dan ellende gekend, òf ze zijn er door armoede of
onrecht toe gekomen. Wie weet, hoe velen er niet onder zijn, die door
echte, zuivere liefde tot die misère zijn gebracht, die éven voor
rijke, beter in ’t leven geplaatste mannen voor tijdverdrijf hebben
gediend, en daarna aan hun lot zijn overgelaten... Al die vrouwen zijn
toch ééns kinderen en meisjes geweest... Hoe kan je zoo iets
verschrikkelijks aanzien, Marcelio, en er niet meer door ontroerd
worden, of het iets héél gewoons was? Ik vind het vrééselijk... Ik
begrijp niet hoe al die deftige, goed verzorgde meisjes en vrouwen van
de zoogenaamde hoogere standen maar onbezorgd kunnen voortleven als ze
weten dat duizenden van haar zusteren zoo diep in de ellende zijn
verzonken... hoe je ooit rust kunt hebben, en op je gemak mooie dingen
van kunst genieten, als dat ontzettende lijden je op straat zóó maar
voorbijgaat. Want lijden is het, al weten de meesten van die armen het
gelukkig zélf niet... en dan er nog op neer te zien en ze „gemeene
wijven” te noemen... zijn de andere vrouwen niet gemeener, die
eigenlijk ten koste van al die misère in hun weelde lekkertjes
leven?...”
Marcelio zag hem verbaasd aan, en vroeg, ietwat spottend:
„Maar Paulus! Ben je soms sociaal-democraat geworden?”
„Neen, sociaal-democraat niet. Alleen maar mensch behoef je daarvoor te
zijn. Alleen maar christen, als je wilt, maar dan christen, zooals
Christus dat meende, en niet de zoogenaamde christenen van hier, die de
ongelukkigen er onder willen houden om zelf lekker te leven. Maar zeg
me eens, Marcelio... Weet de prinses de verschrikking van de
prostitutie? Lijdt zij er niet onder, dat duizenden van hare zusteren
van schande en bezoedeling moeten leven?”
„De prinses?...” vroeg Marcelio. „Haar Koninklijke Hoogheid?... Maar
wat bezielt je nu, Paulus?... Dacht je dat die zich druk zou maken om
al die akeligheden van het gemeene volk? Gelukkig niet, hoor!... Daar
staat ze veel te ver boven. Dat is goed voor socialistische
parlementsleden en zoo. De prinses heeft wel wat ánders te doen... Die
kan zich toch niet met al die gemeene vrouwen afgeven...”
Paulus zweeg, om niet in harde woorden uit te vallen.
Hij staarde naar de tragische figuren, die daar nog ronddoolden in de
nacht-straat, om het heiligste te verkoopen voor wat geld...
Grimmig leken hem de zware ijzeren valgordijnen van de winkels,
waarachter al de schatten van goud en juweelen waren verborgen, enkel
voor de rijken en de nietsdoeners bestemd, die in weelde zwelgden. En
daar buiten, vlak er bij, alleen maar er van gescheiden door dat harde
ijzer, liepen de ongelukkige misdeelden, die voor een paar luttele
guldens hun lijf liepen te veilen, schandelijk, in uitersten jammer....
Hij voelde het onrecht scherp schrijnen door zijn ziel. En ineens vroeg
hij zich af, of het wel goed was, dat hij daar nu zelf zoo lekkertjes
zat, warm en veilig, en eigenlijk leefde van het goud dier rijke
prinses, die daar zoo hoog troonde in een blinkend paleis van wit
marmer, onbewogen voor het lijden harer zusteren, onbarmhartig gehuld
in eigen reinheid, die niet bevlekt mocht worden door aanraking met de
ellende....
Hij voelde dat er nu iets aan ’t wankelen in hem was, iets van het
allermooiste en heiligste in zijn ziel, dat kraakte en scheurde, en nog
eens breken zou.
Het was hem, of de goddelijke sfeer waarin hij Leliane’s beeld zag
tronen, langzamerhand begon te verduisteren, nu hij het groote lijden
van de wereld had gezien, waarvoor zij onbewogen bleef, ongenaakbaar in
eigen schoonheidsglans gehuld.
De deernis voor het lijden der menschen begon hooger en hooger in hem
te stijgen en waasde een droeven nevel tegen de vlekkeloos glanzende
vereering, die in hem was opgeblonken voor haar majestueuze beeld.
En vaag begon hij vóór te gevoelen, dat er nog iets anders in hem was
gekomen dan zijn ziels-verlangen naar al het mooie van verre
horizonnen, en stille sterren-nachten, en witte wolken-droomen, dat tot
zijn innigste hoogste was gestegen in zijne aanbidding voor Leliane, en
dat dit andere beter en heiliger moest zijn dan het eerste, misschien
zelfzuchtige gesmacht naar één-zijn met al wat schoon was,—omdat het
wezen daarvan was de goddelijke barmhartigheid, die eigen geluk om
schoonheid niet genieten kan als niet alle mede-menschen het kunnen
deelen.