Het was bijna één uur toen Paulus, na nog wat in een stil café met hem
gepraat te hebben, dien avond van zijn vriend afscheid nam.—Bang voor
zijn eigen gedachten, als hij nu eenzaam in bed ging liggen, liep hij
nog wat door de natte, glibberige straten, met den kouden mistregen
driezelend langs zijn hoofd.
De Koninginnestraat was nu weer de ongure, griezelige nacht-allée, met
de hooge lantaren-pitten gelig-valsch brandend, en de groote
winkel-paleizen zwart en dicht, met ijzeren rol-gordijnen straf
gesloten. Al de weelde was nu weg, veilig achter slot en grendel, nu de
rijke bezitters toch niet meer in de straat kwamen, en de ellende nu
voorbijtrok. En er was iets in dat onmeedoogend, brutaal gesloten zijn,
dat veilig weggeborgene van al de luxe, die hij achter die machtige
sluitingen wist, dat hem opeens woedend irriteerde.
Er waren nu maar weinig menschen op de been, met het gure weêr. Maar
tóch liepen hier en daar nog kerels, het hoofd diep in de kragen van
hunne overjassen gestoken, den hoed stijf ingedrukt voor den wind,
haastig heen en weer om nog wat vrouwen te zoeken.
Wat misère-prostituées van den derden rang,—die het éénigszins konden
doen bleven nu thuis,—slecht gekleed, bibberend onder hun would-be
chicque confectiemantels, de schoenen kletsend in de plassen, de haren
verwaaid en nat van regen, slenterden hier en daar nog langs de
winkels, of stonden te schuilen onder een marquise, de heeren
aanroepend die voorbijgingen. Er was iets ontzettend tragisch in die
donkere, sjofele figuren, daar rondwarend in regen en wind, in de
genadelooze nachtstraat, met al die ijzer-gesloten deuren en vensters,
waarachter millioenen aan weelde lagen opgehoopt.
En weêr voelde Paulus het klagen in zijn ziel, dat maar niet woû
ophouden, en met niets van denken en redeneeren was te sussen:
„Het zijn háár zusteren... háár zusteren... de zusteren van Leliane...”
In de laatste tijden was het als een obsessie geworden. Het liet hem
niet meer los, wáár hij ook was, niet in hel verlichte vreugde-zalen,
niet in de eenzame uren ’s nachts in bed. Wat in Leliane van heilige
essence was, dat moest ook in álle vrouwen zijn, hare zusteren.
En naarmate hij de misère van de prostitutie beter begon te kennen,
werd het leed, waarmede zij hem sloeg, universeeler. Het werden nu niet
enkel meer aparte, uitgestooten wezens, die genadeloos te gronde
gingen, het was iets van Leliane zelve, dat hij zag verkwijnen, avond
aan avond, in de wreede stad van weelde en weedom. Hij had het nu
gezien, van nabij: in al de afgebeulde, besmette, beleedigde meisjes-
en vrouwenlijven, die hij nu gezien had, was toch altijd iets van het
oorspronkelijke mooie en reine behouden gebleven. Hier een altijd
rein-gebleven blankheid van huid, dáár een nobele golving van arm of
been, nú een wonderteêre drooming van lijnen langs borst of buik, dan
het lieve, kinderlijke lachen van in slaap weêr kuischgeworden lippen,
áltijd was nog iets van het maagdelijke mooi bewaard, dat onaantastbaar
was gebleven, en dat het klagelijk óndergaan van al het andere des te
droever maakte. En nú was het hem in de laatste tijden geworden, of het
eigenlijk ook Leliane zelve was, die hij in al die misère zag
verkwijnen, en het deed hem aan met al feller en feller wordende pijn.
Al het lieve en mooie, dat overal te sterven ging, het was eigenlijk
van Leliane zelve, evengoed als van al die ongelukkige schepselen, en
juist waar het, hier en daar, plotseling in de misère opscheen, met een
lachje, met een gebaartje, met een lijn of golving, was het opeens of
hij Leliane daarin herkende, en schrikte hij, iets van háár te zien
waar hij het nooit had verwacht. En het werd ten laatste zoo, dat hij
werkelijk angstig werd voor háár, dat hij zich verwonderde, met een
blijden zucht van verlichting, als hij de prinses weer ergens voorbij
zag rijden, nog even ongeschonden rein als immer, en hij zich afvroeg
in diepe verbazing hoe het toch mogelijk geweest was, dat al het
leelijke en droeve wat hij van zooveel vrouwen, hare zusteren, gezien
had, zoo ganschelijk buiten haar om was gegaan. En eene geheime
intuïtie bleef hem zeggen, al zekerder en zékerder, dat het in innigste
essence toch hetzelfde moest zijn, Leliane, en de stille water-lelies
in den vijver, en het mysterie van de reliquieën in de Cathedraal, en
wat verkwijnde in die droeve, duistere vrouwen en meisjes, die daar nu
klagelijk om hem heen doolden, in de wreede straat van weelde en
gruwzaam onrecht.
Peinzend liep hij door, met al die gedachten over onrecht en ellende
warrelend door zijn hoofd, tot hij opeens op het groote Domplein stond.
Dáar stonden de kolossale gebouwen, het Paleis van Justitie en het
Parlement. Het Paleis van Justitie, waar gesproken moest worden het
Recht! Het Recht!—De Justitie, die de rijke bezitters beschermde, die
het schrikkelijk onrecht hielp handhaven, en die de ongelukkigen en
misdeelden, of andere slachtoffers der gedegenereerde Maatschappij met
wreede straffen strafte, omdat zij daden begingen, die zij, door hun
ellendige omstandigheden daartoe gedreven, wel móesten doen! De
Justitie, wèl blind inderdaad, die niet zag, hoe God de schoone wereld
aan allen gelijkelijk had gegeven, die niet zag welk een hemeltergend
onrecht het was, dat eene kleine minderheid van—zij het voor ’t
meerendeel onbewuste—geweldenaars en farizeeërs rijkelijk en
over-weelderig leefde van de ellende van duizenden! De Justitie, die
zich vermat de drager van het Recht te willen wezen, waar zij in
waarheid de verdedigster was van het onrecht, dat Gods heilig recht met
voeten trad!
En daar stond het Parlement, het luxueuze weelde-gebouw, waar de
vijfhonderd mannen, zoogenaamd uit vrijen wil door het volk gekozen,
over het wèl en wee van het volk moesten beraadslagen en de wetten
formuleeren, die de algemeene welvaart van het land moesten bevorderen.
Nú wist hij het, hoe die vrije keuze een leege logen was, en hoe de
meerderheid van het volk, de getrapten en ellendigen, die ook de armen
waren van geest, waar Jezus van had gesproken, van alle deelneming was
uitgesloten aan het kiezen van hen, die over hun treurig lot moesten
beschikken. O! Elias had hem er van verteld, van de vuile intrigues en
de duivelsche logens, waarmede die kamerleden in het Parlement werden
gekozen, van den fellen partijhaat en het grove eigenbelang, die altijd
vóór het belang van het volk gingen, het gekuip, het gelieg, het
geknoei en de omkooperij, waardoor het verheven idee van eene
vertegenwoordiging van het volk was verkracht, en tot een valsche leus
van schijn en bedrog was gemaakt!
Hoe zwaar van waan en goddeloosheid stonden daar die enorme gebouwen óp
van de aarde, groot-massief, onwankelbaar opgerezen tempels van leugen.
Maar het allerergste nog, daar vóór hem, aan het uiteinde van het
plein, blokte op de immense massa van den Dom, al hooger en hooger
stijgend op zijn zware marmeren pilaren, vierkant en resoluut, met zijn
vier oprondende koepels aan de zijden, en in ’t midden den grootsten
koepel van allen, een ontzaglijk luchtgevaarte, blauw glanzend
opbollend tegen donkeren hemel. Een ontzettende, zwarte reuzen-schaduw
maakte het in de lucht, hoog boven de hoogste daken der omringende
huizingen.
Het breede plein, glinsterend van natten modder en kille plassen, lag
onguur te glimmen, en de wind, door geen muren gestuit, huilde er
klagend overheen.
En ook hier, erbarmelijk en tragisch, waarden nog enkele veege
gestalten van vrouwen in ’t rond. Onder de groote lantaren, op een
rotonde in ’t midden, stonden er een paar onbewegelijk te wachten, de
afgetrapte, natte rokken opgehouden, met sjofele parapluies boven het
hoofd. Somber en doodsch deden die zwarte gestalten in ’t midden van ’t
uitgestrekte, wind en regen doorwaaide plein. Groot en koud stond de
donkere Dom, het huis van God, voor Paulus’ oogen, een dood en
levenloos ding.
En nu zag hij, naderbij komend, hoe onder de hooge, dichte voor-poort
van de kerk nog een paar misère-wezens schuilden, bibberend van de
vochtige koû, loerend met gretige oogen, of nu eindelijk wat heeren het
Plein af zouden komen, die een vrouw zochten. Miserabel en klein,
treurige, nietige schepseltjes, stonden zij klagelijk onder den hoogen,
ontzaglijken Dom van God. En,—bittere ironie,—in vlammen-schrift zag
Paulus, vlak boven zijn hoofd, de machtige spreuk, die ’s avonds
electrisch werd verlicht, en hoog uitschitterde in het donker:
Ziet ik ben bij
U alle dagen tot aan
Der wereld einde.
Toen voelde hij eene groote verlatenheid, en wanhoop aan alles, waaraan
hij tot nu toe nog had vastgehouden, begon op te wellen in zijn
binnenste.
Was dan deze geheele, groote stad, de koninklijke residentie van
prinses Leliane, één afschuwelijke, hemeltergende leugen? Hadden zij
dan misschien niet gelijk, de dolle anarchisten, die nergens meer licht
van hoop zagen in een verrotte wereld als deze, en eerst alles wilden
vernielen, eer aan een betere kon worden begonnen?
Hij wist het, als hij nu nog een klein uur verder liep, kwam hij aan de
groote ellende-wijken, de vunze sloppen en holen, waar duizenden in
afzichtelijke vervuiling en ontaarding een mensch-onwaardig bestaan
doorleden. En hoe koud en bewogen hadden daar die groote
weelde-paleizen gestaan in de Koninginnestraat, waar millioenen van
overtollige luxe werden bewaard! Hoe veilig waren nu de bezitters in
hun prachtige woningen, waar hier die arme uitgeworpenen, vrouwen,
zusteren van Leliane, ellendig ronddoolden door den regen, hun
jammerlijk lichaam aanbiedend voor wat geld! In de groote Boulevards en
de Leliënstraat—wreede ironie van een naam!—waren de groote
nacht-restaurants nu vol van feestende, zwijnende rijken met hun
maîtressen, en de dure champagne vloeide er bij stroomen. Vuile wellust
en de gemeenste, dierlijke hartstochten vierden daar uit, door de macht
van het geld; waar duizend arbeiders in ’t zweet huns aanschijns voor
werkten, werd daar in enkele nachten baldadig verbrast. En in de
groote, grimmige kazernes waren áltijd de met moordtuig gewapende
soldaten gereed—de soldaten van prinses Leliane, dienende in háren
naam—om het onrecht te verdedigen, waar de verdrukten ooit mochten
opstaan, vragend hún deel van wat allen gelijkelijk toekwam.
„Háár zusteren.... háár zusteren,” dacht hij, toen weer een paar
vrouwen hem voorbijgingen, wenkend, en roepend obscene woorden, „haar
zusteren.... en zij slaapt nu gansch onbewogen in een koninklijke zaal,
in koninklijke gewaden gehuld, en over hare oogleden is nu die heilige,
gewijde rust als op dien éénen avond, toen zij sliep onder het reine
maanlicht, neêrzilverend door de stille boomen....”
„Wáár is dan God.... waar is dan God?....” riep hij uit, en schrikte
van zijn stem, daar zoo ineens uitbrekend in de stilte van het plein.
De donkere stad, akelig glimmend van regen, met de blikkerende plassen
en doorwaaid van huilenden wind, was daar siniester en dreigend om hem
heen, van God verlaten.
Hoe eenzaam, wreed en koud stonden daar al die steenen huizengevaarten,
elk apart, wantrouwend allemaal gesloten, ieder wangunstig bergend
eigen, gierig bezit! Daarbinnen hadden ze zich opgesloten, de menschen,
allen bij kleine klompjes apart, in hun veilige, lekkere bedjes
gelegen, met hun kleine lustjes onbespied, muren en deuren stevig om
hen heen, en wat buiten hen gebeurde, het deerde hen niet. ’s Ochtends
kwamen ze er weer uit, als beesten uit hun hol, en ze spraken en
gebaarden in ’t actieve leven, sjouwend soms en knoeiend om wat méér
bezit. Spraken en redeneerden ook over vrijheid, over recht, over God,
over sociale toestanden, en verbetering, en economische maatregelen,
schreven ook wat, over kunst, en literatuur, en de hoogste, goddelijke
dingen. En kropen eindelijk weer weg, in hun eigen hokjes, veilig
vasthoudend elk eigen bezit, weer er bij nemend wat ze gegraaid hadden
naar zich toe, en lagen lekker en lui onder de wol gekoesterd, achter
de stevig gegrendelde muren en deuren, de troepjes weer allemaal apart
die bij elkaar waren gehokt in ’t leven, en wat buiten gebeurde van
kommer en ellende, het stoorde geen enkele ademhaling van hun rust. Al
die wèlbezorgde, goed achter deuren en grendels van eigen bezit levende
menschen, dat waren de vette, vlijtige burgers, loyale onderdanen, de
nuttige leden der Maatschappij. Zij gehoorzaamden de wetten en de
zeden, waren trouw aan vorstenhuis en vaderland, en ’s Zondags galmden
de hooge gewelven van den Dom van hun gezang.
En om hun rustig, ordelijk, fatsoenlijk leven te onderhouden, zwoegden
duizenden aan duizenden in het zweet huns aanschijns en moesten die
vrééselijke wijken van ellende en gruwel bestaan, waar menschen als
beesten leefden in ongedierte en vuil, en werden vrouwen en kinderen
afgebeuld in mijnen en fabrieken, zonder genade, zonder erbarmen. Maar
van den goddeloozen, van onheilig geld gebouwden Dom durfde het met
vlammende letters te lichten:
Ziet ik ben bij
U alle dagen tot aan
Der wereld einde
Die ontzaglijke, machtige woorden, in vlammend schrift uitstralend
boven de van God verlaten stad! En daaronder die poovere, afgebeulde
wezentjes, hulpeloos, erbarmelijk rillende in regen en wind, wachtend
op oneer en schande, om den broode!
Waar was dan God, dat hij zijn kinderen alleen liet in bittersten nood,
en niet strekte hij liefderijk een hand uit om op te beuren die in
diepste ellende waren gebogen in het stof?....
Het lasterlijke praatje van zonde en straf, dat welgekleede,
dik-doorvoede geestelijken durfden verkonden van den kansel, hij wist
hoe ’n lage leugen het was. Een groot deel dier ongelukkige schepsels
was er door diepe misère, buiten haar schuld, toe gekomen, dikwijls
door ellendelingen misleid, wien zij zich eerst in vertrouwen, uit
natuurlijke liefde hadden gegeven, en allen zonder uitzondering waren
zij noodzakelijke slachtoffers van de verdorven inrichting der
maatschappij.
En wat hem wondde met felle pijn, tot in de fijnste weefselen van zijn
ziel, dat was hun uiterste verlatenheid, hun genadeloos aan ellende en
verderf overgegeven zijn, onherroepelijk. Dit was onrecht, hard, wreed
onrecht, en hij voelde, hoe hij den God wilde vervloeken, die dit
onrecht deed voortbestaan, onbewogen.
Ja, hij had Hem gevoeld, dicht aan zijn ziel, in de stilte van het
woud, als de boomen aandachtig hun roerlooze kruinen hieven óp tot den
statigen sterrennacht, als de witte water-lelies kuischelijk
ontplooiden hun heilige harten tot het licht, als het eerste morgenrood
in teederlijk gebed de verre kimmen kleurde. Toen had hij geweten dat
het een God van eindelooze schoonheid en goedertierenheid en wonnevolle
vreugde was.
Maar als Hij het onbewogen aan kon zien, den ondergang van het teêre en
zwakke, de grove besmetting van wat edel was en rein van wezen, dan kon
hij dienzelfden God niet meer aanbidden, en kon het ook geen God van
goedertierenheid zijn!
Wáár hij ook om zich heen zag, in de groote stad, overal tierde welig
het onrecht, brutaal, onbeschaamd. Alles was leugen, schijn, waan,
bedrog. De godsdienst, de kunst, voorál de literatuur, de liefde, de
vrijheid, de vriendschap, álles was leugen. De geheele inrichting der
maatschappij was leugen, en droeg schaamteloos het kleed van godsdienst
en menschenliefde daarover heen. Van alles wat hij nu om zich heen
gezien had in de groote Leliënstad was niets echt, behalve de ellende
der verdrukten. En, het ergste van alles, met bruut geweld van wetten,
waarachter bajonetten en kanonnen, werd dat alles gehandhaafd in naam
van God, en in naam der Koninklijke Prinses. Een God dus van leugen en
onrecht, en van leugen en onrecht de Prinses.
Zoo stond hij, tegen een pilaar van den Dom geleund, eenzaam te
peinzen.
Tot hij werd opgeschrikt door een moede, lievig-zoet gemaakte stem:
„Zoo, lieveling... sta je daar zoo alléén?... kom, ga met me mee naar
huis...”
Een miserabel, mager figuurtje, in een verschoten manteltje, een
verflensten hoed op. Beverig rillend als een moêgezworven, natte hond.
Een bleek, geelachtig gezichtje, met waterige oogen. Piekerig haar, nat
van regen, verwaaid.
Een groot medelijden zwelde op naar zijne oogen. Zoo klein, zoo
hulpeloos, zoo van alles verlaten, dat schepseltje daar voor hem! En
wat ze hem aanbood, hoe erbarmelijk, hoe poovertjes, hoe niets meer
waard dan afschuw en walging! Een verdwaald, afgejakkerd kind van de
ellende, genadeloos, overgelaten aan ’t Lot, en geen goede Vader, die
zich over dat zwervende, droeve kind ooit zou ontfermen.
Hij legde de hand op haar schouder, en zag haar liefdevol aan, door de
tranen, die schemerden in zijn oogen.
„Arm kind!” zeide hij medelijdend, „arm, arm kind! Kon ik je maar
helpen!”
Zijn stem stokte, en hij kon niet voortgaan, van aandoening. Maar zij
begreep hem niet.
„Bah!... ben je dronken!” zei ze.
En ging door, haar kapotte schoenen kletsend door een plas, verder, het
Plein op, loerend, spiedend of niet een ander kwam, die haar schande
even zou willen huren voor wat geld.
Hij voelde, dat de warme tranen over zijn wangen rolden. Een besef van
absolute machteloosheid kwam over hem. Het was alles veel te groot, te
massaal, te star verhard in ’t kwade, om iets uit te kunnen richten met
zijn zwakke krachten, uit enkelen drang van zijn eenzaam pijnend hart.
O! Als hij macht had, macht! Als hij een prins was, of een koning!
Hij wist het wel, hoe weinig er nog maar over was van de macht der
vorsten. Hoe zij maar luttel direct vermochten, gebonden als zij waren
door de wetten en de constitutie, die leugen-wetten, schijnbaar voor
het volk gemaakt, als waarborg tegen de willekeur van den koning, om de
rechten van het volk te beschermen—maar in waarheid om te handhaven een
andere, véél wreeder tirannie dan ooit bestaan had, het geweld der
koude, egoïstische bezitters, die alléén konden bestaan van de ellende
der overgroote meerderheid.
Maar hoeveel kracht zou er toch nog van een koning of eene koningin
kunnen uitgaan alléén door hun invloed en hun moreelen steun, als zij
innerlijk waren bewogen door echte liefde voor het volk, omdat
werkelijk het lijden der ellendigen eens in al zijn ontzetting
geschrijnd had door hun ziel!
Rusteloos liep hij door, altijd maar door, gemarteld door droeve
gedachten, niet wetende waar hij ging, tot hij eindelijk van
uitputting, door enkel dierlijke moeheid, stil stond.
Waar was hij?.... Hij keek om zich heen.
Dit was eene straat die hij niet kende, en die zacht naar boven begon
te stijgen. Waar zou zij heen leiden? Hij keek omhoog.
De regen had opgehouden. Witte wolken dreven af van een groote, heldere
ruimte lucht, diep blauw. En in een zachte zegening van blank maanlicht
zag hij opeens vèr omhoog het witte paleis van prinses Leliane, zoo
fijn en teer als blank porselein, in een eigen sfeer van heiligen
glans. Honderden lichtjes van electrische lampen schenen als sterren op
om het pralende paleis, dat daar lag in de verre hoogte als een
lichtende droom uit een sprookje.
Daar woonde de prinses Leliane, veilig en hoog boven het
verschrikkelijke leed van het volk in ellende, dat de koningen hadden
beloofd te verzorgen als een goede vader zijn kinderen.
Zij woonde maar altijd heerlijk en warm in haar witte pracht, omglansd
van licht en weelde, wijl beneden bitter onrecht en duistere leugen het
volk sloegen met ellenden, onnoembaar wreed en vuil....
Toen voelde hij ineens die verschrikkelijke waarheid in hem bewust
worden, dat daar niet de prinses kon wonen, die zijne ziel aanbad.
Wat zijne ziel gevonden had, op dien wonderen avond in het bosch, toen
zij in de vredig slapende maagd het hoogste schoon aanschouwd had, dat
nóg inniger was dan de stille tinteling der sterren, dat nog heiliger
was dan de wijding der witte lelies tot het licht, en dat de hoogste
openbaring was, door den goeden Vader aller dingen in al Zijn
liefdevolle uitingen hem gedaan, dat kon niet het koude, onbewogene,
onverschillige zijn voor het jammerlijk leed Zijner arme, verdoolde
kinderen....
Maar wie was het dan, die hij gevolgd had uit de lieve eenzaamheid van
zijn stille bosch? Voor wie had hij dan zijn goede, trouwe vrienden, de
boomen en de bloemen en de vogels, verlaten, om in de harde
aangezichten der donkere menschen te zien, die een schaduw wierpen in
zijn ziel?....
Wat wás het dan, dat hem had voortgedreven uit zijn rustig evenwicht,
weg van alles, dat hij liefhad, weg van zijn wijzen, zachten
grootvader, om onder levenlooze, koude dingen te komen, onverwant?
En wat was dan het groot verlangen geweest, dat altijd in hem gedroomd
had, onbewust, als het niet prinses Leliane was, die het stillen kon
met het groote, zachte licht, dat afstraalde van haar koninklijke
schoonheid?....
Toen hij thuis doodmoê op bed lag, snikte hij hartstochtelijk uit in de
kussens. Het was alles voor niets geweest, en voor niets had hij zijn
liefste dingen verlaten om de prinses te volgen naar de groote stad!
Want de Leliane, die daar woonde in het verre paleis van koud marmer,
was niet dezelfde Leliane meer, voor wie zijne ziel het hoogste had
geofferd. Nu was er dus niets meer voor hem, niets, en, als het arme
verdwaalde jongetje, dat zijn vader had verloren, was hij alleen
tusschen de doode huizen-dingen, met de harde menschen-gezichten
hoonend om zich heen.
„O! Willebrordus! Willebrordus!” riep hij... „Neem mij toch weer bij
u!... Nu is álles verloren... ik wil terugkomen in ons stille rustige
huis in ’t bosch... ik kan niet meer, ik kán niet meer... goede
grootvader, wacht mij!... ik kom!... ik kom!...”
Maar in het eerste, teedere licht van den morgen schemerde voor hem op
een heerlijk visioen van zalige troosting.
Hij was ontwaakt uit een zwaren, diepen slaap, en voelde, dat hij nu
niet meer droomde, zooals anders, al hield hij de oogen nog dicht. Hij
wist ook zeker, dat zijn lichaam nog in het warme bed lag, en de
zwaarte van de dekens drukte hem reëel.
Maar toch voelde hij zich tegelijkertijd heel ver weggedragen, en
ineens lag hij onder de ernstige groene boomen van het bosch, aan den
oever van den stillen vijver, waar de water-lelies bloeiden. Het was
alles heel duidelijk, de oude, ruige boomstammen, die hij zoo goed
kende, met het zachte, glinsterende mos, en de roerlooze schaduwen in
het donkere water. En met een mystieken, heiligen glans van blankheid
dreven daar onbewegelijk de witte water-lelies, de bladen kuischelijk
uitgespreid, in gansche oprechtheid de gouden harten blootgelegd voor
het licht.
Het was natuurlijk en vertrouwd als vroeger. Er was niets verloren. En
zonder vreezen, in onbewogen rust zag hij het reine wonder aan, dat
zijne ziel dadelijk herkende.
Was er dan niets gebeurd, wat hem veranderd had, en was het mooie nog
altijd onbesmet?
Zie, naast hem zat Leliane, zooals zij ook dien morgen bij hem gezeten
had, toen zij neer was gezonken bij den vijver. Hare blanke handen
rustten op het mos, teêr als bloemen, hare rustige oogen zagen naar de
lelies, peinzend. Plechtig suisde de stilte door het bosch, en geen
blad bewoog. Alles in het rond was van goddelijken vrede overtogen, en
stond zoo, aandachtig, in hoogste volkomenheid van wezen. Nú was het
hoogste en beste bereikt, zoo was alles goed en tevreden.... Alleen
maar dit, en zoo nu altijd blijven, dit roerlooze, tot aller-innigste
kalmte gekomen, tot in eeuwigheid....
Een groote vrede daalde ook over zijn ziel, waar al zijn angst en
droefheid uit waren gevloden. Hij voelde zich nu rustig en rein als het
bosch, met al zijn rechte, stille stammen, waar geen blad bewoog, en de
schaduwen van breede kruinen roerloos over den blanken vijver-spiegel
lagen.
En dit alles was zóó innig en ontwijfelbaar reëel, dat het hem niet
was, of hij droomde, maar of hij nú eerst uit een droom tot hoogste
werkelijkheid was ontwaakt, en dit ook het eenig mogelijke en stellig
zekere was, waartoe hij ooit had kunnen komen.
Al dat andere, wat hij nu pas beleefd had, het heengaan uit het bosch,
het reizen naar de stad, het doelloos dolen door de sombere
huizen-straten, hoe ongeloofelijk leek het nu ineens, hoe ongerijmd, en
hoe had de schijn hiervan toch voor de hand gelegen!
En dan die vreemde koorts-droom, die vreeselijke hartstocht-storm met
die onverwante vrouw, dat wezen zoo gansch buiten hem, dat hij nooit
gekend had, hoe had hij er ooit onder lijden kunnen, in angst en
pijnen! Zij was toch nooit een lieve vriendin geweest van zijne ziel,
en nooit had haar stem de rust van het stille bosch verstoord....
Want de éénige werkelijkheid, die altijd onvergankelijk in zijn ziel
was blijven leven, was dit reine, rustige woud, waren de blanke lelies,
altijd onbesmet, in groote eerwaardigheid hun gouden kern ontplooiend,
en het witte beeld van de prinses, zooals zij rustig slapende lag, in
onschuld gehuld.
En het éénige genot, dat ooit zijn innigste wezen zalig had gemaakt,
was enkel het rustige aanzien van Leliane, in vrome contemplatie,
verlangeloos zooals de gouden lelie-harten durfden opzien naar het
licht.
Hij herinnerde zich opeens zijn vrees van ééns, in het kamertje waar
Leliane sliep, toen hij het getik-tak hoorde van de klok, en hij bang
was, dat dit heilige oogenblik voorbij zou gaan, en weg wezen, voor
goed. Maar nu voelde hij, dat het niet weg was geweest, dat het ook
nooit weg zou kúnnen gaan, want dat dit heilige was gebeurd aan zijne
ziel in de sfeer van het tijdelooze, die niet van de aarde is. En
zooals onsterfelijk was zijn ziel, zoo moest ook dit allerhoogste
zielsgenot onsterfelijk zijn, van eeuwigen duur, en onvernietigbaar
door de vage dingen van het dra voorbij-vliedende leven....
Wat hij gedroomd had, hoog in de toppen van de boomen, turende naar de
verre sterren, wat hij geweend had aan zijn open venster, waar de
nacht-boomen buiten ruischten stil gebed, wat hij voor heiligs gevoeld
had als de witte lelies hun bladen ontplooiden, er kon niets van
verloren zijn gegaan, omdat niets van God ooit verloren gaat....
Ook niet Leliane...
Leliane!...
Kon dit de prinses zijn, die in haar witte paleis was gebleven,
ongedeerd en ongenaakbaar, waar haar volk in onrecht en leugen
verkwijnde, veilig in kostbare weelde tronend, alsof er geen honger en
armoede bestonden?...
Neen, dat kón niet, dat kón Leliane niet wezen, het moest eene andere
zijn...
Want deze Leliane, enkel genade, enkel goddelijke vrede, die reiner was
dan de witte water-lelies, en van zachter kleuren dan de hemel, en
schooner dan der sterren glans, dat kon niet de koude prinses zijn van
een volk in ellende, ongeroerd in haar hoog paleis... En toch zág hij
dat beeld, dat zoo op haar geleek, het kalme maagde-kind, dáár,
peinzend bij den stillen vijver, in een zóó goddelijken glans, dat zijn
gansche ziel er van bad...
Was er dan een andere sfeer dan de vage werkelijkheid der aarde, waarin
alle dingen, hier maar in droevigen, onvolmaakten staat, een
verheerlijkt, heilig, hooger bestaan leven? En werd hij door zijn jonge
droomen dan somtijds tot die hooge sfeer verheven, waarin de ware
Leliane leefde, die misschien wel de eigenlijke, onsterfelijke ziel was
van die andere in de droeve werkelijkheid, die op haar geleek?...
Want alleen déze had hij lief, die hij nu naast zich zag zitten,
roerloos de handen als teere bloemen in het mos, het lange, gouden haar
als een aureool van licht om haar heen...
O! Wat lagen die stille water-lelies rustigjes, rustigjes op den kalmen
vijver-spiegel, en hielden hun gouden harten oprechtelijk open tot het
licht! Overal om hem heen keken bloemen, zacht als kinderen, uit het
gras, en hoor! de vogelen zongen, zijn lieve vriendjes, hun lied van
blijheid om het leven! De goede, trouwe boomen stonden als oude
vrienden in het rond. Alles, alles was als vroeger, maar nóg mooier,
nóg heerlijker...
En in die opperste extaze van een transcendent visioen voelde Paulus,
hoe de goede Vader aller dingen nog altijd bij hem was, en woonde als
een trouwe hoeder in zijn ziel, die door géén vaag gevaar van
menschen-dingen ooit besmet kon worden, onvernietigbaar en veilig in
eigen, heilige sfeer....
Brussel—Scheveningen.
1901–1902.
Op dit werk zal een vervolg verschijnen getiteld: „Leliënstad.”
*** De spreuk voorkomende op blz. 103 en verder is opzettelijk
letterlijk vertaald, omdat zij in dezen versvorm prijkt op den grooten
Dom te Berlijn.—Vergelijk Matthaeus XVIII: 20: „Ziet, ik ben met
ulieden alle de dagen tot de voleinding der wereld.”