HOOFDSTUK XV.

Het was bijna één uur toen Paulus, na nog wat in een stil café met hem

gepraat te hebben, dien avond van zijn vriend afscheid nam.—Bang voor

zijn eigen gedachten, als hij nu eenzaam in bed ging liggen, liep hij

nog wat door de natte, glibberige straten, met den kouden mistregen

driezelend langs zijn hoofd.

De Koninginnestraat was nu weer de ongure, griezelige nacht-allée, met

de hooge lantaren-pitten gelig-valsch brandend, en de groote

winkel-paleizen zwart en dicht, met ijzeren rol-gordijnen straf

gesloten. Al de weelde was nu weg, veilig achter slot en grendel, nu de

rijke bezitters toch niet meer in de straat kwamen, en de ellende nu

voorbijtrok. En er was iets in dat onmeedoogend, brutaal gesloten zijn,

dat veilig weggeborgene van al de luxe, die hij achter die machtige

sluitingen wist, dat hem opeens woedend irriteerde.

Er waren nu maar weinig menschen op de been, met het gure weêr. Maar

tóch liepen hier en daar nog kerels, het hoofd diep in de kragen van

hunne overjassen gestoken, den hoed stijf ingedrukt voor den wind,

haastig heen en weer om nog wat vrouwen te zoeken.

Wat misère-prostituées van den derden rang,—die het éénigszins konden

doen bleven nu thuis,—slecht gekleed, bibberend onder hun would-be

chicque confectiemantels, de schoenen kletsend in de plassen, de haren

verwaaid en nat van regen, slenterden hier en daar nog langs de

winkels, of stonden te schuilen onder een marquise, de heeren

aanroepend die voorbijgingen. Er was iets ontzettend tragisch in die

donkere, sjofele figuren, daar rondwarend in regen en wind, in de

genadelooze nachtstraat, met al die ijzer-gesloten deuren en vensters,

waarachter millioenen aan weelde lagen opgehoopt.

En weêr voelde Paulus het klagen in zijn ziel, dat maar niet woû

ophouden, en met niets van denken en redeneeren was te sussen:

„Het zijn háár zusteren... háár zusteren... de zusteren van Leliane...”

In de laatste tijden was het als een obsessie geworden. Het liet hem

niet meer los, wáár hij ook was, niet in hel verlichte vreugde-zalen,

niet in de eenzame uren ’s nachts in bed. Wat in Leliane van heilige

essence was, dat moest ook in álle vrouwen zijn, hare zusteren.

En naarmate hij de misère van de prostitutie beter begon te kennen,

werd het leed, waarmede zij hem sloeg, universeeler. Het werden nu niet

enkel meer aparte, uitgestooten wezens, die genadeloos te gronde

gingen, het was iets van Leliane zelve, dat hij zag verkwijnen, avond

aan avond, in de wreede stad van weelde en weedom. Hij had het nu

gezien, van nabij: in al de afgebeulde, besmette, beleedigde meisjes-

en vrouwenlijven, die hij nu gezien had, was toch altijd iets van het

oorspronkelijke mooie en reine behouden gebleven. Hier een altijd

rein-gebleven blankheid van huid, dáár een nobele golving van arm of

been, nú een wonderteêre drooming van lijnen langs borst of buik, dan

het lieve, kinderlijke lachen van in slaap weêr kuischgeworden lippen,

áltijd was nog iets van het maagdelijke mooi bewaard, dat onaantastbaar

was gebleven, en dat het klagelijk óndergaan van al het andere des te

droever maakte. En nú was het hem in de laatste tijden geworden, of het

eigenlijk ook Leliane zelve was, die hij in al die misère zag

verkwijnen, en het deed hem aan met al feller en feller wordende pijn.

Al het lieve en mooie, dat overal te sterven ging, het was eigenlijk

van Leliane zelve, evengoed als van al die ongelukkige schepselen, en

juist waar het, hier en daar, plotseling in de misère opscheen, met een

lachje, met een gebaartje, met een lijn of golving, was het opeens of

hij Leliane daarin herkende, en schrikte hij, iets van háár te zien

waar hij het nooit had verwacht. En het werd ten laatste zoo, dat hij

werkelijk angstig werd voor háár, dat hij zich verwonderde, met een

blijden zucht van verlichting, als hij de prinses weer ergens voorbij

zag rijden, nog even ongeschonden rein als immer, en hij zich afvroeg

in diepe verbazing hoe het toch mogelijk geweest was, dat al het

leelijke en droeve wat hij van zooveel vrouwen, hare zusteren, gezien

had, zoo ganschelijk buiten haar om was gegaan. En eene geheime

intuïtie bleef hem zeggen, al zekerder en zékerder, dat het in innigste

essence toch hetzelfde moest zijn, Leliane, en de stille water-lelies

in den vijver, en het mysterie van de reliquieën in de Cathedraal, en

wat verkwijnde in die droeve, duistere vrouwen en meisjes, die daar nu

klagelijk om hem heen doolden, in de wreede straat van weelde en

gruwzaam onrecht.

Peinzend liep hij door, met al die gedachten over onrecht en ellende

warrelend door zijn hoofd, tot hij opeens op het groote Domplein stond.

Dáar stonden de kolossale gebouwen, het Paleis van Justitie en het

Parlement. Het Paleis van Justitie, waar gesproken moest worden het

Recht! Het Recht!—De Justitie, die de rijke bezitters beschermde, die

het schrikkelijk onrecht hielp handhaven, en die de ongelukkigen en

misdeelden, of andere slachtoffers der gedegenereerde Maatschappij met

wreede straffen strafte, omdat zij daden begingen, die zij, door hun

ellendige omstandigheden daartoe gedreven, wel móesten doen! De

Justitie, wèl blind inderdaad, die niet zag, hoe God de schoone wereld

aan allen gelijkelijk had gegeven, die niet zag welk een hemeltergend

onrecht het was, dat eene kleine minderheid van—zij het voor ’t

meerendeel onbewuste—geweldenaars en farizeeërs rijkelijk en

over-weelderig leefde van de ellende van duizenden! De Justitie, die

zich vermat de drager van het Recht te willen wezen, waar zij in

waarheid de verdedigster was van het onrecht, dat Gods heilig recht met

voeten trad!

En daar stond het Parlement, het luxueuze weelde-gebouw, waar de

vijfhonderd mannen, zoogenaamd uit vrijen wil door het volk gekozen,

over het wèl en wee van het volk moesten beraadslagen en de wetten

formuleeren, die de algemeene welvaart van het land moesten bevorderen.

Nú wist hij het, hoe die vrije keuze een leege logen was, en hoe de

meerderheid van het volk, de getrapten en ellendigen, die ook de armen

waren van geest, waar Jezus van had gesproken, van alle deelneming was

uitgesloten aan het kiezen van hen, die over hun treurig lot moesten

beschikken. O! Elias had hem er van verteld, van de vuile intrigues en

de duivelsche logens, waarmede die kamerleden in het Parlement werden

gekozen, van den fellen partijhaat en het grove eigenbelang, die altijd

vóór het belang van het volk gingen, het gekuip, het gelieg, het

geknoei en de omkooperij, waardoor het verheven idee van eene

vertegenwoordiging van het volk was verkracht, en tot een valsche leus

van schijn en bedrog was gemaakt!

Hoe zwaar van waan en goddeloosheid stonden daar die enorme gebouwen óp

van de aarde, groot-massief, onwankelbaar opgerezen tempels van leugen.

Maar het allerergste nog, daar vóór hem, aan het uiteinde van het

plein, blokte op de immense massa van den Dom, al hooger en hooger

stijgend op zijn zware marmeren pilaren, vierkant en resoluut, met zijn

vier oprondende koepels aan de zijden, en in ’t midden den grootsten

koepel van allen, een ontzaglijk luchtgevaarte, blauw glanzend

opbollend tegen donkeren hemel. Een ontzettende, zwarte reuzen-schaduw

maakte het in de lucht, hoog boven de hoogste daken der omringende

huizingen.

Het breede plein, glinsterend van natten modder en kille plassen, lag

onguur te glimmen, en de wind, door geen muren gestuit, huilde er

klagend overheen.

En ook hier, erbarmelijk en tragisch, waarden nog enkele veege

gestalten van vrouwen in ’t rond. Onder de groote lantaren, op een

rotonde in ’t midden, stonden er een paar onbewegelijk te wachten, de

afgetrapte, natte rokken opgehouden, met sjofele parapluies boven het

hoofd. Somber en doodsch deden die zwarte gestalten in ’t midden van ’t

uitgestrekte, wind en regen doorwaaide plein. Groot en koud stond de

donkere Dom, het huis van God, voor Paulus’ oogen, een dood en

levenloos ding.

En nu zag hij, naderbij komend, hoe onder de hooge, dichte voor-poort

van de kerk nog een paar misère-wezens schuilden, bibberend van de

vochtige koû, loerend met gretige oogen, of nu eindelijk wat heeren het

Plein af zouden komen, die een vrouw zochten. Miserabel en klein,

treurige, nietige schepseltjes, stonden zij klagelijk onder den hoogen,

ontzaglijken Dom van God. En,—bittere ironie,—in vlammen-schrift zag

Paulus, vlak boven zijn hoofd, de machtige spreuk, die ’s avonds

electrisch werd verlicht, en hoog uitschitterde in het donker:

Ziet ik ben bij

U alle dagen tot aan

Der wereld einde.

Toen voelde hij eene groote verlatenheid, en wanhoop aan alles, waaraan

hij tot nu toe nog had vastgehouden, begon op te wellen in zijn

binnenste.

Was dan deze geheele, groote stad, de koninklijke residentie van

prinses Leliane, één afschuwelijke, hemeltergende leugen? Hadden zij

dan misschien niet gelijk, de dolle anarchisten, die nergens meer licht

van hoop zagen in een verrotte wereld als deze, en eerst alles wilden

vernielen, eer aan een betere kon worden begonnen?

Hij wist het, als hij nu nog een klein uur verder liep, kwam hij aan de

groote ellende-wijken, de vunze sloppen en holen, waar duizenden in

afzichtelijke vervuiling en ontaarding een mensch-onwaardig bestaan

doorleden. En hoe koud en bewogen hadden daar die groote

weelde-paleizen gestaan in de Koninginnestraat, waar millioenen van

overtollige luxe werden bewaard! Hoe veilig waren nu de bezitters in

hun prachtige woningen, waar hier die arme uitgeworpenen, vrouwen,

zusteren van Leliane, ellendig ronddoolden door den regen, hun

jammerlijk lichaam aanbiedend voor wat geld! In de groote Boulevards en

de Leliënstraat—wreede ironie van een naam!—waren de groote

nacht-restaurants nu vol van feestende, zwijnende rijken met hun

maîtressen, en de dure champagne vloeide er bij stroomen. Vuile wellust

en de gemeenste, dierlijke hartstochten vierden daar uit, door de macht

van het geld; waar duizend arbeiders in ’t zweet huns aanschijns voor

werkten, werd daar in enkele nachten baldadig verbrast. En in de

groote, grimmige kazernes waren áltijd de met moordtuig gewapende

soldaten gereed—de soldaten van prinses Leliane, dienende in háren

naam—om het onrecht te verdedigen, waar de verdrukten ooit mochten

opstaan, vragend hún deel van wat allen gelijkelijk toekwam.

„Háár zusteren.... háár zusteren,” dacht hij, toen weer een paar

vrouwen hem voorbijgingen, wenkend, en roepend obscene woorden, „haar

zusteren.... en zij slaapt nu gansch onbewogen in een koninklijke zaal,

in koninklijke gewaden gehuld, en over hare oogleden is nu die heilige,

gewijde rust als op dien éénen avond, toen zij sliep onder het reine

maanlicht, neêrzilverend door de stille boomen....”

„Wáár is dan God.... waar is dan God?....” riep hij uit, en schrikte

van zijn stem, daar zoo ineens uitbrekend in de stilte van het plein.

De donkere stad, akelig glimmend van regen, met de blikkerende plassen

en doorwaaid van huilenden wind, was daar siniester en dreigend om hem

heen, van God verlaten.

Hoe eenzaam, wreed en koud stonden daar al die steenen huizengevaarten,

elk apart, wantrouwend allemaal gesloten, ieder wangunstig bergend

eigen, gierig bezit! Daarbinnen hadden ze zich opgesloten, de menschen,

allen bij kleine klompjes apart, in hun veilige, lekkere bedjes

gelegen, met hun kleine lustjes onbespied, muren en deuren stevig om

hen heen, en wat buiten hen gebeurde, het deerde hen niet. ’s Ochtends

kwamen ze er weer uit, als beesten uit hun hol, en ze spraken en

gebaarden in ’t actieve leven, sjouwend soms en knoeiend om wat méér

bezit. Spraken en redeneerden ook over vrijheid, over recht, over God,

over sociale toestanden, en verbetering, en economische maatregelen,

schreven ook wat, over kunst, en literatuur, en de hoogste, goddelijke

dingen. En kropen eindelijk weer weg, in hun eigen hokjes, veilig

vasthoudend elk eigen bezit, weer er bij nemend wat ze gegraaid hadden

naar zich toe, en lagen lekker en lui onder de wol gekoesterd, achter

de stevig gegrendelde muren en deuren, de troepjes weer allemaal apart

die bij elkaar waren gehokt in ’t leven, en wat buiten gebeurde van

kommer en ellende, het stoorde geen enkele ademhaling van hun rust. Al

die wèlbezorgde, goed achter deuren en grendels van eigen bezit levende

menschen, dat waren de vette, vlijtige burgers, loyale onderdanen, de

nuttige leden der Maatschappij. Zij gehoorzaamden de wetten en de

zeden, waren trouw aan vorstenhuis en vaderland, en ’s Zondags galmden

de hooge gewelven van den Dom van hun gezang.

En om hun rustig, ordelijk, fatsoenlijk leven te onderhouden, zwoegden

duizenden aan duizenden in het zweet huns aanschijns en moesten die

vrééselijke wijken van ellende en gruwel bestaan, waar menschen als

beesten leefden in ongedierte en vuil, en werden vrouwen en kinderen

afgebeuld in mijnen en fabrieken, zonder genade, zonder erbarmen. Maar

van den goddeloozen, van onheilig geld gebouwden Dom durfde het met

vlammende letters te lichten:

Ziet ik ben bij

U alle dagen tot aan

Der wereld einde

Die ontzaglijke, machtige woorden, in vlammend schrift uitstralend

boven de van God verlaten stad! En daaronder die poovere, afgebeulde

wezentjes, hulpeloos, erbarmelijk rillende in regen en wind, wachtend

op oneer en schande, om den broode!

Waar was dan God, dat hij zijn kinderen alleen liet in bittersten nood,

en niet strekte hij liefderijk een hand uit om op te beuren die in

diepste ellende waren gebogen in het stof?....

Het lasterlijke praatje van zonde en straf, dat welgekleede,

dik-doorvoede geestelijken durfden verkonden van den kansel, hij wist

hoe ’n lage leugen het was. Een groot deel dier ongelukkige schepsels

was er door diepe misère, buiten haar schuld, toe gekomen, dikwijls

door ellendelingen misleid, wien zij zich eerst in vertrouwen, uit

natuurlijke liefde hadden gegeven, en allen zonder uitzondering waren

zij noodzakelijke slachtoffers van de verdorven inrichting der

maatschappij.

En wat hem wondde met felle pijn, tot in de fijnste weefselen van zijn

ziel, dat was hun uiterste verlatenheid, hun genadeloos aan ellende en

verderf overgegeven zijn, onherroepelijk. Dit was onrecht, hard, wreed

onrecht, en hij voelde, hoe hij den God wilde vervloeken, die dit

onrecht deed voortbestaan, onbewogen.

Ja, hij had Hem gevoeld, dicht aan zijn ziel, in de stilte van het

woud, als de boomen aandachtig hun roerlooze kruinen hieven óp tot den

statigen sterrennacht, als de witte water-lelies kuischelijk

ontplooiden hun heilige harten tot het licht, als het eerste morgenrood

in teederlijk gebed de verre kimmen kleurde. Toen had hij geweten dat

het een God van eindelooze schoonheid en goedertierenheid en wonnevolle

vreugde was.

Maar als Hij het onbewogen aan kon zien, den ondergang van het teêre en

zwakke, de grove besmetting van wat edel was en rein van wezen, dan kon

hij dienzelfden God niet meer aanbidden, en kon het ook geen God van

goedertierenheid zijn!

Wáár hij ook om zich heen zag, in de groote stad, overal tierde welig

het onrecht, brutaal, onbeschaamd. Alles was leugen, schijn, waan,

bedrog. De godsdienst, de kunst, voorál de literatuur, de liefde, de

vrijheid, de vriendschap, álles was leugen. De geheele inrichting der

maatschappij was leugen, en droeg schaamteloos het kleed van godsdienst

en menschenliefde daarover heen. Van alles wat hij nu om zich heen

gezien had in de groote Leliënstad was niets echt, behalve de ellende

der verdrukten. En, het ergste van alles, met bruut geweld van wetten,

waarachter bajonetten en kanonnen, werd dat alles gehandhaafd in naam

van God, en in naam der Koninklijke Prinses. Een God dus van leugen en

onrecht, en van leugen en onrecht de Prinses.

Zoo stond hij, tegen een pilaar van den Dom geleund, eenzaam te

peinzen.

Tot hij werd opgeschrikt door een moede, lievig-zoet gemaakte stem:

„Zoo, lieveling... sta je daar zoo alléén?... kom, ga met me mee naar

huis...”

Een miserabel, mager figuurtje, in een verschoten manteltje, een

verflensten hoed op. Beverig rillend als een moêgezworven, natte hond.

Een bleek, geelachtig gezichtje, met waterige oogen. Piekerig haar, nat

van regen, verwaaid.

Een groot medelijden zwelde op naar zijne oogen. Zoo klein, zoo

hulpeloos, zoo van alles verlaten, dat schepseltje daar voor hem! En

wat ze hem aanbood, hoe erbarmelijk, hoe poovertjes, hoe niets meer

waard dan afschuw en walging! Een verdwaald, afgejakkerd kind van de

ellende, genadeloos, overgelaten aan ’t Lot, en geen goede Vader, die

zich over dat zwervende, droeve kind ooit zou ontfermen.

Hij legde de hand op haar schouder, en zag haar liefdevol aan, door de

tranen, die schemerden in zijn oogen.

„Arm kind!” zeide hij medelijdend, „arm, arm kind! Kon ik je maar

helpen!”

Zijn stem stokte, en hij kon niet voortgaan, van aandoening. Maar zij

begreep hem niet.

„Bah!... ben je dronken!” zei ze.

En ging door, haar kapotte schoenen kletsend door een plas, verder, het

Plein op, loerend, spiedend of niet een ander kwam, die haar schande

even zou willen huren voor wat geld.

Hij voelde, dat de warme tranen over zijn wangen rolden. Een besef van

absolute machteloosheid kwam over hem. Het was alles veel te groot, te

massaal, te star verhard in ’t kwade, om iets uit te kunnen richten met

zijn zwakke krachten, uit enkelen drang van zijn eenzaam pijnend hart.

O! Als hij macht had, macht! Als hij een prins was, of een koning!

Hij wist het wel, hoe weinig er nog maar over was van de macht der

vorsten. Hoe zij maar luttel direct vermochten, gebonden als zij waren

door de wetten en de constitutie, die leugen-wetten, schijnbaar voor

het volk gemaakt, als waarborg tegen de willekeur van den koning, om de

rechten van het volk te beschermen—maar in waarheid om te handhaven een

andere, véél wreeder tirannie dan ooit bestaan had, het geweld der

koude, egoïstische bezitters, die alléén konden bestaan van de ellende

der overgroote meerderheid.

Maar hoeveel kracht zou er toch nog van een koning of eene koningin

kunnen uitgaan alléén door hun invloed en hun moreelen steun, als zij

innerlijk waren bewogen door echte liefde voor het volk, omdat

werkelijk het lijden der ellendigen eens in al zijn ontzetting

geschrijnd had door hun ziel!

Rusteloos liep hij door, altijd maar door, gemarteld door droeve

gedachten, niet wetende waar hij ging, tot hij eindelijk van

uitputting, door enkel dierlijke moeheid, stil stond.

Waar was hij?.... Hij keek om zich heen.

Dit was eene straat die hij niet kende, en die zacht naar boven begon

te stijgen. Waar zou zij heen leiden? Hij keek omhoog.

De regen had opgehouden. Witte wolken dreven af van een groote, heldere

ruimte lucht, diep blauw. En in een zachte zegening van blank maanlicht

zag hij opeens vèr omhoog het witte paleis van prinses Leliane, zoo

fijn en teer als blank porselein, in een eigen sfeer van heiligen

glans. Honderden lichtjes van electrische lampen schenen als sterren op

om het pralende paleis, dat daar lag in de verre hoogte als een

lichtende droom uit een sprookje.

Daar woonde de prinses Leliane, veilig en hoog boven het

verschrikkelijke leed van het volk in ellende, dat de koningen hadden

beloofd te verzorgen als een goede vader zijn kinderen.

Zij woonde maar altijd heerlijk en warm in haar witte pracht, omglansd

van licht en weelde, wijl beneden bitter onrecht en duistere leugen het

volk sloegen met ellenden, onnoembaar wreed en vuil....

Toen voelde hij ineens die verschrikkelijke waarheid in hem bewust

worden, dat daar niet de prinses kon wonen, die zijne ziel aanbad.

Wat zijne ziel gevonden had, op dien wonderen avond in het bosch, toen

zij in de vredig slapende maagd het hoogste schoon aanschouwd had, dat

nóg inniger was dan de stille tinteling der sterren, dat nog heiliger

was dan de wijding der witte lelies tot het licht, en dat de hoogste

openbaring was, door den goeden Vader aller dingen in al Zijn

liefdevolle uitingen hem gedaan, dat kon niet het koude, onbewogene,

onverschillige zijn voor het jammerlijk leed Zijner arme, verdoolde

kinderen....

Maar wie was het dan, die hij gevolgd had uit de lieve eenzaamheid van

zijn stille bosch? Voor wie had hij dan zijn goede, trouwe vrienden, de

boomen en de bloemen en de vogels, verlaten, om in de harde

aangezichten der donkere menschen te zien, die een schaduw wierpen in

zijn ziel?....

Wat wás het dan, dat hem had voortgedreven uit zijn rustig evenwicht,

weg van alles, dat hij liefhad, weg van zijn wijzen, zachten

grootvader, om onder levenlooze, koude dingen te komen, onverwant?

En wat was dan het groot verlangen geweest, dat altijd in hem gedroomd

had, onbewust, als het niet prinses Leliane was, die het stillen kon

met het groote, zachte licht, dat afstraalde van haar koninklijke

schoonheid?....

Toen hij thuis doodmoê op bed lag, snikte hij hartstochtelijk uit in de

kussens. Het was alles voor niets geweest, en voor niets had hij zijn

liefste dingen verlaten om de prinses te volgen naar de groote stad!

Want de Leliane, die daar woonde in het verre paleis van koud marmer,

was niet dezelfde Leliane meer, voor wie zijne ziel het hoogste had

geofferd. Nu was er dus niets meer voor hem, niets, en, als het arme

verdwaalde jongetje, dat zijn vader had verloren, was hij alleen

tusschen de doode huizen-dingen, met de harde menschen-gezichten

hoonend om zich heen.

„O! Willebrordus! Willebrordus!” riep hij... „Neem mij toch weer bij

u!... Nu is álles verloren... ik wil terugkomen in ons stille rustige

huis in ’t bosch... ik kan niet meer, ik kán niet meer... goede

grootvader, wacht mij!... ik kom!... ik kom!...”

Maar in het eerste, teedere licht van den morgen schemerde voor hem op

een heerlijk visioen van zalige troosting.

Hij was ontwaakt uit een zwaren, diepen slaap, en voelde, dat hij nu

niet meer droomde, zooals anders, al hield hij de oogen nog dicht. Hij

wist ook zeker, dat zijn lichaam nog in het warme bed lag, en de

zwaarte van de dekens drukte hem reëel.

Maar toch voelde hij zich tegelijkertijd heel ver weggedragen, en

ineens lag hij onder de ernstige groene boomen van het bosch, aan den

oever van den stillen vijver, waar de water-lelies bloeiden. Het was

alles heel duidelijk, de oude, ruige boomstammen, die hij zoo goed

kende, met het zachte, glinsterende mos, en de roerlooze schaduwen in

het donkere water. En met een mystieken, heiligen glans van blankheid

dreven daar onbewegelijk de witte water-lelies, de bladen kuischelijk

uitgespreid, in gansche oprechtheid de gouden harten blootgelegd voor

het licht.

Het was natuurlijk en vertrouwd als vroeger. Er was niets verloren. En

zonder vreezen, in onbewogen rust zag hij het reine wonder aan, dat

zijne ziel dadelijk herkende.

Was er dan niets gebeurd, wat hem veranderd had, en was het mooie nog

altijd onbesmet?

Zie, naast hem zat Leliane, zooals zij ook dien morgen bij hem gezeten

had, toen zij neer was gezonken bij den vijver. Hare blanke handen

rustten op het mos, teêr als bloemen, hare rustige oogen zagen naar de

lelies, peinzend. Plechtig suisde de stilte door het bosch, en geen

blad bewoog. Alles in het rond was van goddelijken vrede overtogen, en

stond zoo, aandachtig, in hoogste volkomenheid van wezen. Nú was het

hoogste en beste bereikt, zoo was alles goed en tevreden.... Alleen

maar dit, en zoo nu altijd blijven, dit roerlooze, tot aller-innigste

kalmte gekomen, tot in eeuwigheid....

Een groote vrede daalde ook over zijn ziel, waar al zijn angst en

droefheid uit waren gevloden. Hij voelde zich nu rustig en rein als het

bosch, met al zijn rechte, stille stammen, waar geen blad bewoog, en de

schaduwen van breede kruinen roerloos over den blanken vijver-spiegel

lagen.

En dit alles was zóó innig en ontwijfelbaar reëel, dat het hem niet

was, of hij droomde, maar of hij nú eerst uit een droom tot hoogste

werkelijkheid was ontwaakt, en dit ook het eenig mogelijke en stellig

zekere was, waartoe hij ooit had kunnen komen.

Al dat andere, wat hij nu pas beleefd had, het heengaan uit het bosch,

het reizen naar de stad, het doelloos dolen door de sombere

huizen-straten, hoe ongeloofelijk leek het nu ineens, hoe ongerijmd, en

hoe had de schijn hiervan toch voor de hand gelegen!

En dan die vreemde koorts-droom, die vreeselijke hartstocht-storm met

die onverwante vrouw, dat wezen zoo gansch buiten hem, dat hij nooit

gekend had, hoe had hij er ooit onder lijden kunnen, in angst en

pijnen! Zij was toch nooit een lieve vriendin geweest van zijne ziel,

en nooit had haar stem de rust van het stille bosch verstoord....

Want de éénige werkelijkheid, die altijd onvergankelijk in zijn ziel

was blijven leven, was dit reine, rustige woud, waren de blanke lelies,

altijd onbesmet, in groote eerwaardigheid hun gouden kern ontplooiend,

en het witte beeld van de prinses, zooals zij rustig slapende lag, in

onschuld gehuld.

En het éénige genot, dat ooit zijn innigste wezen zalig had gemaakt,

was enkel het rustige aanzien van Leliane, in vrome contemplatie,

verlangeloos zooals de gouden lelie-harten durfden opzien naar het

licht.

Hij herinnerde zich opeens zijn vrees van ééns, in het kamertje waar

Leliane sliep, toen hij het getik-tak hoorde van de klok, en hij bang

was, dat dit heilige oogenblik voorbij zou gaan, en weg wezen, voor

goed. Maar nu voelde hij, dat het niet weg was geweest, dat het ook

nooit weg zou kúnnen gaan, want dat dit heilige was gebeurd aan zijne

ziel in de sfeer van het tijdelooze, die niet van de aarde is. En

zooals onsterfelijk was zijn ziel, zoo moest ook dit allerhoogste

zielsgenot onsterfelijk zijn, van eeuwigen duur, en onvernietigbaar

door de vage dingen van het dra voorbij-vliedende leven....

Wat hij gedroomd had, hoog in de toppen van de boomen, turende naar de

verre sterren, wat hij geweend had aan zijn open venster, waar de

nacht-boomen buiten ruischten stil gebed, wat hij voor heiligs gevoeld

had als de witte lelies hun bladen ontplooiden, er kon niets van

verloren zijn gegaan, omdat niets van God ooit verloren gaat....

Ook niet Leliane...

Leliane!...

Kon dit de prinses zijn, die in haar witte paleis was gebleven,

ongedeerd en ongenaakbaar, waar haar volk in onrecht en leugen

verkwijnde, veilig in kostbare weelde tronend, alsof er geen honger en

armoede bestonden?...

Neen, dat kón niet, dat kón Leliane niet wezen, het moest eene andere

zijn...

Want deze Leliane, enkel genade, enkel goddelijke vrede, die reiner was

dan de witte water-lelies, en van zachter kleuren dan de hemel, en

schooner dan der sterren glans, dat kon niet de koude prinses zijn van

een volk in ellende, ongeroerd in haar hoog paleis... En toch zág hij

dat beeld, dat zoo op haar geleek, het kalme maagde-kind, dáár,

peinzend bij den stillen vijver, in een zóó goddelijken glans, dat zijn

gansche ziel er van bad...

Was er dan een andere sfeer dan de vage werkelijkheid der aarde, waarin

alle dingen, hier maar in droevigen, onvolmaakten staat, een

verheerlijkt, heilig, hooger bestaan leven? En werd hij door zijn jonge

droomen dan somtijds tot die hooge sfeer verheven, waarin de ware

Leliane leefde, die misschien wel de eigenlijke, onsterfelijke ziel was

van die andere in de droeve werkelijkheid, die op haar geleek?...

Want alleen déze had hij lief, die hij nu naast zich zag zitten,

roerloos de handen als teere bloemen in het mos, het lange, gouden haar

als een aureool van licht om haar heen...

O! Wat lagen die stille water-lelies rustigjes, rustigjes op den kalmen

vijver-spiegel, en hielden hun gouden harten oprechtelijk open tot het

licht! Overal om hem heen keken bloemen, zacht als kinderen, uit het

gras, en hoor! de vogelen zongen, zijn lieve vriendjes, hun lied van

blijheid om het leven! De goede, trouwe boomen stonden als oude

vrienden in het rond. Alles, alles was als vroeger, maar nóg mooier,

nóg heerlijker...

En in die opperste extaze van een transcendent visioen voelde Paulus,

hoe de goede Vader aller dingen nog altijd bij hem was, en woonde als

een trouwe hoeder in zijn ziel, die door géén vaag gevaar van

menschen-dingen ooit besmet kon worden, onvernietigbaar en veilig in

eigen, heilige sfeer....

Brussel—Scheveningen.

1901–1902.

Op dit werk zal een vervolg verschijnen getiteld: „Leliënstad.”

*** De spreuk voorkomende op blz. 103 en verder is opzettelijk

letterlijk vertaald, omdat zij in dezen versvorm prijkt op den grooten

Dom te Berlijn.—Vergelijk Matthaeus XVIII: 20: „Ziet, ik ben met

ulieden alle de dagen tot de voleinding der wereld.”

Leliane: een modern sprookje · 第 20 / 21 题