Toen leerde Elias hem de ware inrichting van de groote
menschen-maatschappij in Leliënland, en hoe schoon haar schijn was, met
de leugens van wetten en rechten, die enkel de rijken, de bezitters ten
goede kwamen, maar de armen onderdrukt hielden in brood-slavernij,
erger dan die van de slaven onder wilde negerstammen. Hoe heerlijk
schoon waren die leuzen van vrijheid, gelijkheid en broederschap, hoe
edel leek dat beginsel, het volk geregeerd door het volk, door de
vijfhonderd mannen uit het Parlement, die zij zelf kozen, en de koning
of koningin genadiglijk bekrachtigend wat het volk wilde! Die vrijheid,
waar honderdduizenden moesten zwoegen en bloedig zweeten voor een
hongerloon, omdat zij anders als honden zouden sterven, die gelijkheid,
waar de eerste de beste poen met geld in weelde zwelgde, en de arme
arbeider wegkwijnde in honger en gebrek, die broederschap, waar ieder
koud zijn eigen weg ging, ongeroerd door anderer ellende en verdriet!
Die volks-regeering, waar juist de meerderheid, de arme stakkers, niet
konden kiezen, omdat zij waren uitgesloten van de stemming, en de
bezitters, liberalen of clericalen, enkel die mannen kozen die hun
bezit zouden verzekeren ten koste van de jammerlijke stumperts, die
daarvoor verdrukt moesten blijven!
En Elias overstelpte Paulus met boeken en brochures, waarin het onrecht
der huidige maatschappij werd aan den dag gelegd. Hij trachtte ze met
aandacht te lezen, maar al de daarin neergelegde theorieën, ze
warrelden door zijn hoofd, zonder tot klaarheid te komen. Die
diepzinnige beschouwingen omtrent den oorsprong van het kapitaal, de
overproductie, de rente, de meer-waarde, de sociale evolutie, de
loonen, zij deden zijn hoofd duizelen.
Maar dat was niets, zeide Elias. Er was ook eerst jarenlange studie
voor noodig, en als hij maar een paar jaar ijverig studeerde, zou hij
wel goed op de hoogte komen.
Nú voelde Paulus vast alleen heel helder en klaar dat ééne, eenvoudige
feit, dat de kleinere helft van de menschen in weelde en overdaad
leefde, en dat de overgroote helft moest zwoegen in gebrek en kommer,
om dien toestand van onrecht te doen voortduren.
Daar waren geen dikke, geleerde boeken vol theorieën en beschouwingen
voor noodig, dat zag je van zelf, als je maar éven je oogen gebruikte
en je verstand liet werken.
Maar juist dit ééne, eenvoudige feit, waar toch alles op neerkwam,
schenen de menschen niet te zien of niet te willen zien.
Ook begreep Paulus zonder studie die tweede, voorname waarheid, dat de
aarde voor allen gelijkelijk was bedoeld, en ieder mensch dezelfde
rechten had op alles wat uit de aarde voortkwam, zooals de vogels
gelijke, natuurlijke rechten hadden in het bosch.
Zeker, hij zou leeren, hij nam zich voor alles met aandacht te lezen,
wat Elias hem geven zou, maar déze twee simpele, groote waarheden droeg
hij alvast als kostbare, maar droeve schatten in zich om.
En langzamerhand begon hij ook de vreeselijke, verdoemenswaardige macht
in te zien van het geld.
In ’t eerst, toen hij pas de goud- en zilverstukken in zijn bezit had
gekregen, leken ze zulke onschadelijke, gemakkelijke dingen, meer
goedig dan gevaarlijk.
Maar nú begon hij hoe langer hoe duidelijker te voelen de laffe kracht,
die in die blinkende stukken metaal lag. Want geld, oorspronkelijk als
eenvoudig ruilmiddel bedoeld, dat was enkel de macht die de bezitter er
van heeft over een medemensch, die het niet bezit, had Elias hem
geleerd, en bij een weinig nadenken had hij ingezien, hoe juist dit
was. Voor geld was alles te krijg. Voor geld kon een man zelfs een
vrouw koopen, haar lichaam huren, om het te bevuilen met zijn lust, als
de vrouw het geld niet bezat. Hij had zich geschaamd, toen hij zag, hoe
de beeltenis van Leliane op al die geldstukken was gegraveerd, en hij
voelde opeens de gedachte in zich opkomen, dat hij, indien hij zoo
bleef dóórvoelen, zou moeten eindigen met géén geld meer te mogen
aannemen, zelfs niet van Háár.
En alles in de groote maatschappij werd door dat geld beheerscht,
zonder uitzondering. Al de conventies, al de instellingen, het gezin,
het fatsoen, het huwelijk, zij stonden allen onder den invloed van het
geld. Er was geen diepe studie noodig om dit te zien, enkel het
eenvoudige, oprechte voelen van een kind.
Ook veel schoone dingen liet Elias hem zien in Leliënstad. Hij leerde
hem te waardeeren wat de groote schilders van het land hadden
voortgebracht. Hij nam hem mede naar concerten, waar Paulus uren van
verrukking doorleefde, zooals hij ze in het Bosch zelfs niet had
gekend. Beethoven en Bach begon hij te vereeren als heiligen, en hij
vergat al zijn verdriet als hun heerlijke harmonieën hem omruischten.
Dan leek het hem, of hij nú eerst de mooie werkelijkheid van het
menschenleven voelde, en al het andere maar booze schijn van droom was
geweest. En het was hem dan ineens, of Leliane weer heel dicht bij hem
was, en nooit eigenlijk weg was geweest.
„O! Niets te hooren dan dit!” had hij tegen Elias gezegd. „Zou je zóó
niet kunnen leven? Al het leelijke uit den weg gaan, en enkel maar met
idealen leven? Niets bij je willen hebben dan mooie schilderijen, en
verzen, en muziek?”
En Elias had gezegd:
„Zeker kán dat. De meesten van die verfijnde menschen doen dat, die
zich tegenwoordig „artiesten” noemen. Maar vergeet niet, dat al die
mooie dingen weer alleen voor die kleíne minderheid van de menschen
zijn, die er met de macht van het geld bij kunnen komen. Voor de
tobbende stakkerts zijn die mooie dingen niet. Ze zouden ze ook niet
begrijpen, zoolang ze in de verstomping leven van beestachtig werk en
hongerig gebrek. En zou je al dat mooie kunnen genieten als je weet dat
honderdduizenden van je medemenschen in ontbering hun deel er niet van
krijgen?”
Toen was er iets in Paulus gekomen, dat het hoogste genot voor hem
bedierf.
In zoo’n concertzaal zitten, en dan in eens te denken aan al het
onrecht en de leugen daarbuiten! ’s Avonds na afloop op straat komen,
en de sombere figuren van zoekende prostituées te zien ronddolen in
regen en kou! Dan vond hij zich wel eens een onwaardige, dat hij had
kunnen genieten, wijl het weten van de ellende zijner medemenschen
bewust in zijn ziel was.
Het groote stads-leven werd nu opeens voor hem als een booze droom, nu
hij de verschrikkelijke motieven had gezien, die al die droeve drommen
van menschen bewogen in dat warrelende gewoel. Zoo op het eerste
gezicht leken al die menschen eer belachelijk dan gevaarlijk, in hun
smakelooze kleeren, met hun onbevallige, hoekige gebaren, maar nu hij
beter wist wat ze wilden, verschrikten ze hem als wilde dieren, die
enkel op de bevrediging van hun vraatzucht zijn belust.
Het zenuwachtige gejaag op de breede, rijke boulevards, het gejoel in
theaters en groote restaurants, al het gedoe en gescharrel was toch
maar op één ding gericht: den dierlijken hartstocht, van allen
schoonheidsglans ontdaan.
En het getob en gezwoeg in ’t dagelijksche leven van zaken en
bezigheden, het geknoei op de beurzen, het gewoeker met effecten en
papieren, het gegraai naar meer en meer bezit, het was toch eigenlijk
allemaal maar om dat ééne genot te hebben van vrouwen, en vrouwen, en
nóg eens vrouwen, enkel haar lijven, en anders niets. Dáárvoor alleen
waren de leugen en het geweld van de rijken, dáárvoor alleen leden de
misdeelden armoede en honger, en werden zij afgebeuld tot het laatste
zweet van hun uitgemergelde lichamen.
En, het ergste, tóch waren die bevoorrechte menschen, die dan alles
hadden wat weelde en geld hun konden geven, niet gelukkig. Dat zag hij
wel aan hun harde, expressie-looze gezichten. Het genot dat zij
voorgaven te hebben, was een leugen. En de lach van de vrouwen, die met
diamanten en zijden gewaden prijkten, was geen lach van vreugde. In
allen was de onrust, die hen altijd maar voortdreef naar nieuwe
genieting, die nooit voldeed, en hij wist niet wie meer te beklagen
waren, de slaven der maatschappij, afgebeuld door hard werken, of de
rijke meesters, afgejakkerd door hun altijd onbevredigde begeerten,
zonder één oogenblik van kalme rust, zooals een hert dan tenminste nog
heeft, dat stil ligt te droomen in het bosch, zonder zorgen.
Of zoo iets mensch-onteerends als de Zondagsche pantoffel-parade in het
Koningspark, ’s middags tusschen twee en vier.
Dan vierde de afschuwelijke bourgeoisie haar hoogtijd, en kwam zij tot
haar opperste moment van leelijk zijn.
Het onuitstaanbare van een combinatie mama-papa-en-de-kinderen,
allemaal in Zondagsche pakken gestoken, papa met een hoogen hoed op,
mama in een zwarten mantel met gitten, de kinderen met de vingers
stijf, wijd-uit in de ongewone handschoenen. Het nadoen van de echte
aristocratie, die tenminste nog iets van gratie had, door kruideniers
en kappers en winkelbedienden, dezelfde menschen, die socialistische
neigingen hadden en praatten over veredeling der maatschappij!
Het schijnbaar zedige en niet-mogen-kijken van damesachtige meisjes,
die de oogen moesten neerslaan als een man ze aanzag, maar toch
dadelijk heelemaal te krijgen waren voor den eersten den besten lomperd
met een „positie” die een vrouw, of ’t een beest was, kon
„onderhouden!”
En, het ergste van alles, dat welgestelde van die Zondagsche
Park-wandelaars in hun goedkoope heeren-en-dames-plunje, dat
egoïstische van met-je-vrouw-en-je-kinderen-goed-te-eten-hebben, en
„fatsoenlijk” te kunnen leven als „nette menschen,” zonder een aasje
idee van de ellende der anderen, die niet in dat Park kwamen wandelen,
omdat zij honger leden en koû! Juist die aparte groepjes van familie
onder elkaar lieten zoo duidelijk zien hun absoluut egoïsme, hun totale
onverschilligheid voor alles, wat niet tot het troepje behoorde.
Eigenlijk wandelden al die Zondagsmenschen daar schaamteloos hun
egoïsme rond. Maar ’s ochtends waren zij naar de kerk geweest en hadden
gebeden met den priester of den dominé, en een paar koperen duiten in
het groene zakje gegooid. O! Al dat leelijke te zien, dat grove, dat
schijnheilige van Zondagsmenschen op de wandeling, en dán nog te
gelooven aan de machtige woorden van Christus, dat dit zijn broederen
en zusteren waren! Dikwijls kwam er onwillekeurig een bittere spotlach
om Paulus’ lippen als hij hierom dacht.
De leugen van alles drukte hem nu zoo zwaar, dat hij soms moeilijk
ademhaalde als hij onder veel menschen was, en zich wel eens moest
bedwingen om niet uit te huilen van pijn, of hoog uit te schreeuwen
zijn gloeiende verontwaardiging.
Bizonder sterk was het op den Zondag, als al de menschen met een
Zondagsch gelegenheidsgezicht in andere kleederen dan door de week over
straat gingen. Het verschrikkelijke, van die menschen ’s ochtends
kerkwaarts te zien gaan, hun gezangboek onder den arm, den leelijken,
monsterachtigen Dom in, om een heel gewoon mannetje in leelijke, zwarte
toga rhetorica te hooren galmen over wat hij wel durfde te noemen God!
Of, nog erger, als hij ze in hun leelijke, stijllooze kleeren de
wondermooie Cathedraal zag binnentreden, wetende de goddeloosheid en
het egoïsme in hun harten!—
Heel erg kon de benauwing ook voor hem worden in een concertzaal. Te
hooren de wondervolle extaze van Tristan en Isolde, en dan al die
fatsoenlijke, correcte menschen te zien, met uitgestreken gezichten,
die net deden of ze zoo iets mooi vonden, en barbaarsch lawaai maakten
met hun handen als het uit was, als een troep wilden! De leugen, dat
zij die extaze werkelijk mooi zouden vinden, en dus diep in zich
voelen, terwijl zij zelf opgepropt waren met berekening en egoïsme, en
hun zoogenaamde liefde borneerden door dwang-ideeën van stand en
fatsoen, die alle heiligheid verstikten! Die menschen, die de eersten
zouden zijn om al hun laster en kwaadaardigheid uit te storten, waar
ergens eens eene liefde dorst op te bloeien als die van Tristan en
Isolde, die hun dochters opvoedden tot duffe marktwaar, te verkwanselen
op bals en dinertjes, waar ze uitgestald werden als nuchtere kalveren,
die huwelijken sloten uit listige speculatie, en zich dan toch niet
schaamden, Gods zegen te komen halen over hun miezerig gedoe! En dat
zat dan in opgeschroefde extaze zich aan te stellen bij zulke
wonder-heerlijke muziek als van Tristan en Isolde!