En ineens dacht hij om de Cathedraal.—

O! De Cathedraal, veilig hoog boven de stad van zonde en vooze schande!

Haastig liep hij door, ijlings straat na straat uit, als een die dorst

heeft en zoekt een lavende bron. Daar was de Leliën-Boulevard! Nu

stijgen, stijgen, dat de duistere stad beneden verzinkt! En hij snelde

naar boven, hijgend de steile helling op, in groot verlangen.

Eindelijk, daar was het, eindelijk!

Het reine. Het vrome. Het heilig rijzende omhoog. Roerloos rees de

kalme Cathedraal op tot den blauwen maanlicht-hemel vol sterren.

En zóó als nú in den lichten nacht had hij haar nog nooit gezien. De

adem Gods omdroomde haar, en beefde geruischloos langs haar biddende

bogen, en gleed onzichtbaar langs haar teêre lijnen. In het

zachtjes-zilverende maanlicht was zij blank als een heilige bloem, en

alles wat er van materie aan was werd vergeestelijkt in dien glans. Het

fijne weefsel van haar kanten figuren was als aetherisch gespeel van

sterren-stralen, dat dra vergaan zou in niets bij luchtigste beving van

wind.

Zóó luchtig en ijl was het kanten gedroom omhoog, dat het Paulus was,

als stond de Cathedraal heel vaag te beven in nauw merkbare trilling,

als een spinsel van veeren varens, van eigen lichtheid rillend in de

lucht. De dunste, teederste blâren van boomen die hij gezien had, in

stillen wouden-nacht, waren niet zóó innig en broos. En hoog in die

kanten pracht stonden vrome heiligen met biddende handen, en engelen

met recht-gestrekt zwaard, roerloos, met wijd gespreide vleugelen.

Toen welden de lang opgekropte tranen eindelijk op in Paulus’ oogen.

O! Zóó hoog zijn, zóó statig, en zoo rein! Zóó biddend te mogen

oprijzen boven de duistere wereld, en in uiterste, rechte strekking,

zich uit te rekken naar God, in allerhoogste spanning van innigst

wezen!

Hoe kalm was dit alles, hoe rustig, hoe eenvoudig, zooals een bloem

rijst uit den grond, zoekend het licht! En hoe klein leek nu ineens al

dat groot-verschrikkelijke van zooeven!

Kijk, al die huizen daar beneden, het eene naast het andere, en dit wat

hooger, en dat wat lager, als een stomme kudde, de koppen op elkaar,

die zich in duister verdringt! En hoe triestig en armzalig, al die

rijen lichtjes daar, weifelend en pinkend in den nacht! Hoe nietig

waren ze nu ineens, de leventjes van al die honderdduizenden

saamgehokte menschen daar beneden, die er rondploeterden met hun laffe

lustjes en verlangentjes! Was het wel zoo verschrikkelijk als hij het

daar net gevoeld had, en was het wel waard, zoo fel te beroeren zijn

ziel van louter vrede en rust?

Hier bij die hooge, kalme Cathedraal, opbloeiend als een heilige,

blanke bloem naar den eindeloozen hemel vol sterren, was al dat geknoei

daar ver beneden toch eigenlijk maar als dat van stoute, kleine

kinderen, die morsen en nog geen zindelijkheid hebben geleerd.

En waar al die kleine lustjes van de kleine menschjes daar zouden

verteren, en al die knoeiende stumperts weldra zouden vergaan in het

stof, daar zou die blanke Cathedraal heerlijk blijven staan, door de

eeuwen heen, onvernietigbaar, in goddelijke glorie....

Leliane: een modern sprookje · 第 16 / 21 题