HOOFDSTUK XI.

Van dien dag af aan waren Paulus’ oogen opengegaan en zag hij duidelijk

vóór zich, wat vóór dien tijd vreemd en onbegrijpelijk voor hem was

geweest.

Hij wist nu, wat het lachen der mooi gekleede vrouwen beduidde op

straat, hij wist wat de drijfveer was van dat zenuwachtige, onrustige

leven op de Boulevards, en hij voelde wat de verschrikkelijke tragedie

uitmaakte van de sombere nacht-figuren, dolende in de Koninginnestraat.

O! De grove, wreede Lust, die al die mannen voortdreef in de straten,

loerend naar vrouwen, als honden die aan ’t snuffelen zijn, die Lust,

die rondwaarde in de theaters, in de café’s, zelfs in de kerken, nooit

verzadigd, verterend wat lief en teeder was, die Lust, die hij nu ook

in zich zelf wist, en die somtijds inééns in hem opstond, als een wild,

begeerig beest, azend op een prooi. Die gedachte aan het warme lijf van

Rosita, plotseling rood in hem opbliksemend, waar zijn ziel dit toch

hevig haatte, die enkel het witte, rustige, reine wilde van stille

contemplatie! Die verschrikkelijke angst, dat hij het wilde beest

misschien ééns niet meer zou kunnen temmen, en het hem weer terug zou

drijven naar die roode kamer, waar hij rillend uit was gevlucht!

En het ontzettende, dat al deze dingen zoo gewoon en gansch natuurlijk

waren voor de menschen!

Marcelio had hartelijk gelachen, toen hij hem, half schreiend, van zijn

nacht bij Rosita had verteld.

„Het was héél aardig van Rosita,” had Marcelio gezegd. „Ze vond je

zoo’n lieven, mooien, frisschen jongen, en was heusch gecharmeerd van

je, anders had ze je niet gevraagd... Er zijn er honderden, wien ze

voor véél geweigerd heeft, wat jij voor niets van haar hebt gekregen...

Ze heeft een rijken, vreemden prins, die haar geeft wat ze wil... Je

mag haar niet zóó maar laten staan, en moet haar gaan bedanken of haar

een hartelijke attentie sturen... je bent te benijden, mijn beste...”

Toen had Paulus gezwegen, voelend dat Marcelio hem toch niet begrijpen

zou. Maar hij was niet terug geweest, wetend hoe zwak hij misschien zou

zijn, als zij hem weer kuste. En als het felle, kwaadaardige verlangen

opeens in hem opbrandde, zonder dat hij er iets aan kon doen, zengend

en schroeiend door zijn lijf, dacht hij met al de kracht, die hij kon

concentreeren, aan de witte water-lelies in het bosch, en aan de

rustige genade van Leliane’s heilige maagde-lichaam, in het

neerzilverende maanlicht zoo rustig neergelegen onder de stille

boomen....

Maar overal zág hij nu het duistere, het venijnige, altijddoor

dreigende, wat zijn ziel van licht haatte. Het was overal waar menschen

waren, en het loerde in alle straten en wegen. En nu wist hij, met

schaamte en droefenis, dat het óók loerde in donkere schuilhoeken van

zijn binnenste. Dan vroeg hij zich af met ontzetting, of dat dan altijd

bij hem was geweest, diep in hem weggedoken, toen hij zijn jonge leven

had geleefd in het bosch, en droomde van de sterren en van Leliane.

En de dagen, die hij nu doorging, waren vol van zwaarmoed en bangen

strijd. Hij ging door met zijne studie als vroeger, kreeg zijne lessen

van de professoren, en werkte ijverig in de bibliotheek, maar de

dingen, die hij leerde, waren zonder vreugde, en de angst week niet van

zijn ziel.

Hoe heerlijk, als hij dan ’s middags éven de prinses kon zien. Ééns was

hij heel alleen geweest in een stille straat, toen hij haar victoria

zag aankomen, met de witte, gepluimde paarden en de blinkende

voorrijders in blauw-en-goud. Hij had eerbiedig het hoofd ontbloot, en

diep gebogen. En zij had hem herkend, hier, waar niemand anders was, en

hem vriendelijk toegeknikt, éven wuivend met haar hand. Toen was het

hem ineens, of al het droeve maar een booze droom was geweest, en er

niets reëel kon zijn dan de lichte zonneschijn van haar lach.

Maar ’s avonds, toen overal de lantaarns weer aangingen, en de donkere

menschen-drommen zwart daaronder wemelden, was het angstige weer in hem

teruggekomen. Dat was altijd een vreeselijk oogenblik voor hem, als de

straten zoo donker werden, en opeens al de lantaren-lichten opschenen,

ver weg-rijend boven de breede, eindeloos uitloopende Boulevards.

En naarmate hij inzag, hoe Marcelio zijn innigste gevoelens toch nooit

kon begrijpen, kropte hij zijn angst benauwd in zich op, en hield zich

tegenover hem, of hij hoe langer hoe meer aan alles begon te gewennen.

Toen vond hij, in die allerdroefste dagen, een nieuwen vriend.

Hij had al dikwijls in de Bibliotheek den grooten, bleeken jongen man

opgemerkt, die naast hem aan de algemeene schrijftafel zat te werken,

met dikke folianten van bekende schrijvers over socialisme naast zich.

Er was iets fiers, en toch iets diep weemoedigs in zijn donkere oogen,

waar Paulus sympathie voor voelde. Zijn ziel raadde intuïtief het aan

haar verwante in dien somberen jongeling.

Door eene kleinigheid, het aangeven van een inktkoker, geraakten zij in

kennis, en ééns op een avond gingen zij om vijf uur samen denzelfden

weg.

Elias, zoo heette de jonge student, was dadelijk heel verrast, toen

Paulus hem toevertrouwde, dat hij altijd in een eenzaam bosch had

geleefd, en door toevallige omstandigheden, die hij niet kon vertellen,

pas sedert kort in het groote stadsleven was gekomen.

„En hoe was je eerste indruk wel van Leliënstad?” vroeg hij.

Paulus, nog niet gewend voorzichtig en terughoudend te zijn, vertelde

hem toen eerlijk van de onrust, die hem zoo bang had gemaakt, van het

gevaar, dat hij geraden had in de straten, zonder het te kennen, en van

de verschrikking, die hij gezien had, toen hij bewust was geworden wat

al die menschen eigenlijk dreef.

„En wie is je leidsman geweest?” vroeg Elias.

„Graaf Marcelio,” had Paulus bekend.

Toen was Elias even wantrouwend geworden.

„Graaf Marcelio?”.... zeide hij. „Die adjudant is van de prinses?....

Ah zoo! Ben je onder aristocraten terecht gekomen?.... Dat wist ik

niet.... Dan zal je zeker wel niets dan moois hebben gezien.... Wat een

weelde hè, hièr in Leliënstad.... Wat rijk en goed en edel allemaal,

hè?....”

Maar Paulus antwoordde zóó, dat Elias al heel gauw voelde, hoe hij zich

vergiste. Want hij vertelde, hoe verschrikkelijk hij den tweeden avond

van zijn leven in de stad de droevige nacht-figuren had gevonden, die

ronddoolden in de Koninginnestraat, en hoe hij eerst niet had begrepen,

wat toch wel dat verschrikkelijke zijn kon, dat hij toén nog niet

kende. Hoe hij toen inééns geweten had, en hoe toen altijddoor die

schrijnende pijn in hem was geweest over de droeve schande van die

vrouwen, die toch het heiligste mysterie van de menschheid in zich

hadden....

Toen had Elias hem goed aangekeken, en hem gevraagd, hem eens flink in

het gezicht te kijken, en had toen de tranen van echte menschelijkheid

gezien, die blonken in zijn oogen.

En toen Paulus hem zeide: „Ik kán het mooie niet meer genieten nu ik

dít gezien heb,” wist Elias dat hij waarheid sprak.

In eene opwelling van vriendschap gaf hij hem de hand en vroeg hem

ernstig: „Mag ik je nu óók eens Leliënstad laten zien? Maar niet het

mooie alleen, ook het triestige, het droeve, het afzichtelijke. Ik zie

dat graaf Marcelio je enkel de weelde er van heeft laten zien. Mag ik

je nu óók eens bij de afschuwelijke ellende brengen, waar de groote

meerderheid van de menschen in vuil en jammer leeft? Want dán pas kan

je weten wat de weelde eigenlijk is, als je de misère hebt gezien

waardoor zij alleen bestaan kan.”

Paulus had zijn hand krachtig gedrukt, en had ineens zijn bleek gezicht

met de sombere oogen zacht en lief gevonden, vol droefheid van

mededoogen.

Dien avond hadden zij samen gegeten, en veel met elkander gepraat. Ook

over verzen en dichters was Paulus begonnen, en het eerst van allen,

die hij vereerde, had hij Wederich genoemd. Toen had Elias even

smartelijk geglimlacht, en verder gezwegen, zonder in te stemmen met

Paulus’ geestdriftige woorden. En Paulus had gedacht, dat er misschien

iets droevigs tusschen Wederich en hem gebeurd was, en niet durven

vragen, waarom hij zoo droevig gelachen had. Maar toen zij waren

begonnen over het jammervolle van het ellende-leven der uitgestootenen

en verworpenen voelden zij dadelijk samen, als twee verwante zielen. En

weêr was Paulus uitgebarsten in verontwaardiging over de misère, ’s

avonds in de Koninginnestraat, waar de vrouwen hun schande moesten

verhuren om te kunnen leven.

„Ja, dát is de allerergste verschrikking nog van onze maatschappij,”

zeide Elias. „Je moet eens meêgaan van avond, tegen twaalf uur. Dan

zullen wij haar samen eens aanzien, de prostitutie in onze mooie stad

van beschaving. Ik zal je eens brengen bij Felix, waar ze in haar

weelderigsten vorm te zien is, en dán in de bovenstad, waar zij op haar

minst is, al is zij in beide uitingen hetzelfde. En dan moet je me eens

vertellen, wie je gemeener vindt, die vrouwen, óf die mannen, die van

hun ellende profiteeren, door de macht van hun geld.”

Om twaalf uur traden zij het groote nacht-restaurant van Félix binnen.

Vóóraan, bij den ingang, was een Amerikaansche Bar, waarvoor op lange,

hooge tabouretten chic gekleede heeren met opzichtig uitgedoste vrouwen

whiskey-soda’s en likeur zaten te drinken. De vies-schitterende

mannen-oogen zagen heet-begeerig naar de blanke vrouwen-borsten, die

onbeschaamd uit lage corsages opbolden. De vrouwen lachten en lonkten,

keken hen aan met languissante blikken, dandineerend als poezen,

vleierig.

Hier en daar, door schmink en poeder heen, kwam toch wel eens wat echt

lief van vrouwen-mooi heenkijken, dat nog niet heelemaal vergaan was.

Er was een valsche schijn van vreugde om die Bar met fonkelend kristal

en hel electrisch licht, met die menschen die elkaar toedronken,

luidruchtig door elkaar schreeuwend, en breed gebarend. Maar Paulus zag

alleen het triestige, het tragische van dat verdwaalde, verloren lieve

en schoone, dat zijn ziel aanbad, hier besmet en bevuild, veil voor

brute, grove ploerten, als ze maar geld hadden om het te koopen.

„Zie je het harde en goddelooze in de tronies van die kerels?” zeide

Elias bitter. „Niemand onder hen die deernis voelt voor die arme

schepsels, van wie ze misbruik maken, omdat ze maatschappelijk

minderwaardig zijn. Géén van hen, die er om denkt, dat die prostituées

óók vrouwen zijn, als hun moeders en zusters, en het heiligst

vrouwelijke nog altijd in zich hebben. Neen, zij hebben het geld in hun

zak, en dáárom hebben zij macht over die vrouwen, die het niet hebben,

en hebben zij het recht, haar te bevuilen en te besmetten. En dan

zeggen ze nog, dat er geen slavernij meer bestaat!”

Paulus zweeg, en klemde de lippen op elkaar om niet uit te barsten. Hij

dacht om Leliane, veilig en hoog in haar witte paleis, wijl haar

zusteren hier kwijnden, in afzichtelijke slavernij....

De Bar voorbijgaande kwamen zij nu in een groote, rijke zaal, rood met

goud, schitterend door electrische lichtkelken verlicht.

Een ongezien orchest, verborgen achter groene palmen, speelde

langoureuze, slepende muziek voor de heeren en dames, die aan

tafeltjes, weelderig gedekt met damast en kristal, zaten te soupeeren.

Alles aan die heeren leek correct en voornaam. De zorgvuldig

gefrizeerde haren, het vlekkeloos glanzende wit van overhemden, de

deftige zwarte rokken. Alleen wat arme, verdwaalde bloemen in het

knoopsgat deden triestig aan. En naast hen de elegante, gracieuze

cocottes, schitterend van juweelen, in fijne zijde en satijn, de

groote, breed gerande hoeden met witte struisveeren, en boa’s van

kostbaar dons. Een weeë geur van fijne parfums zweefde door de zaal,

prikkelend, en toch weerzinwekkend. Sommige dier vrouwen hadden groote

poppen in den arm, prachtig aangekleed met dure kant en kostbare

juweelen, en wiegden die liefkoozend heen en weer, als baby’s. Er was

iets afschuwelijk onheiligs in die imitatie van moederschap bij

vrouwen, die altijd onvruchtbaar moeten blijven, voor hun métier. [1]

„Waartoe dienen nu die poppen?” vroeg Paulus.

En Elias, bitter:

„Dat is een duivelsche verfijning, en de nieuwste mode, moet je weten.

Het schijnt opwekkend te zijn, vooral voor oude heeren. Een soort

bevuiling van het moederschap, ook misschien een soort symbool dat die

arme, verdoolde vrouwen, die het mooie van de liefde niet kunnen

genieten, slechts doode poppen kunnen hebben, en geen kinderen.”

Er was iets diep tragisch in dat wiegen van die levenlooze poppen in de

armen van die geverfde, onvruchtbare vrouwen, maar niemand van de

feestende mannen scheen er iets van te zien.

Deftige kellners brachten uitgezochte gerechten aan en zeldzame merken

champagne, en bedienden eerbiedig de zwart-gerokte wellustelingen, die

voor hun geld al die eet-en-drinkwaren, en die vrouwen er bij, konden

koopen. En dit alles ging heel gewoon, zonder dat iemand het onrecht

voelde, alsof het nu eenmaal zoo in de natuurlijke orde der dingen lag.

Hier en daar slenterden een paar vrouwen door de zaal, die nog geen

mannen hadden gevonden, lonkend en gichelend tegen losloopende heeren,

die eerst eens wilden uitkijken, en nog geen keus hadden gedaan. Elias

wees er Paulus nog eens met nadruk op, hoe leeg en voos dit alles was,

omdat het toch maar alleen het vuile geld was, dat alles hier in

beweging zette. Zonder geld kon geen van die mannen een van die vrouwen

krijgen, die zich schijnbaar van zelf aanboden, uit louter behagen.

Maar hij had hem dit niet behoeven te zeggen. Paulus zag wel aan het

eigenlijk treurige en tragische van die lachjes en leege lonken, hoe

weinig echt ze waren.

„En nu is dit nog met een beetje schijn van mooiheid,” zeide Elias.

„Het lijkt tenminste nog een beetje op vreugde en geluk, en er is een

zekere glans over. Hier zijn dan ook de zoogenaamde chicque vrouwen en

het gaat hier allemaal rijk toe, met luxe en verfijning. Maar nu moet

je eens meegaan naar het andere einde van de stad, waar de mindere

gelegenheden zijn.”

En hij nam Paulus mede in een rijtuig naar straten in het Zuiden der

stad, waar hij nog niet was geweest. Er waren hier veel goedkoope

bal-zalen en derderangs theaters in de buurt, en overal waren

nacht-cafés, waar de bezoekers van die amusementen heengingen, als

alles was afgeloopen. Maar dit waren de koffiehuizen, waar geen fijne

gerechten te krijgen waren, te duur voor de menschen die hier kwamen.

Kleine, bedompte zaaltjes vol rook van slechte sigaren, waar de borden

en koppen zóó maar op het bevuilde imitatie-marmer van de tafeltjes

werden gezet, en de bezoekers schouder aan schouder, tegen elkaar

aangepropt, zaten te eten.

Hier wemelde het van jammerlijke ellende-vrouwen, die voor de laagste

prijzen dezelfde schande moesten verkoopen als de rijken uit het

restaurant Félix, en waaronder er waren die ’s middags niet gegeten

hadden, en nu aasden op een oudbakken broodje met uitgedroogd vleesch,

of een stinkend stukje worst met een kop lauwe, slappe koffie.

De straten waren hier slecht verlicht, en de huizen armoedig en oud.

Elias ging met Paulus een onaanzienlijk café binnen.

Hier zaten derderangs artiesten uit kleine theatertjes, bohémiens

zonder veine, studenten die het net even konden doen om rond te komen,

poovere klerkjes, en slecht betaalde muzikanten. Maar op die schamele

bezoekers aasden toch nog vrouwen, armoedig gekleede, sjofele vrouwen,

in schijnbaar nog elegante mantels uit inferieure confectie-magazijnen

op afbetaling, met magere, bleeke misère-gezichten, die tragisch

grijnsden als zij probeerden te lachen. Met de schimmen van wat ééns

misschien charmes in haar geweest waren, probeerden zij de mannen daar

te verleiden, een stukje bloot van een verlepte, slappe borst, een

opgevulde, schijnbaar wellustige heup, een nog wat dikke kuit van een

toevallig vooruitgestoken been.

Hier en daar zat zoo’n vrouw alleen tusschen een dichte rij mannen,

zonder consumptie voor zich, leeg-glimlachend om zich heen, om iemand

over te halen iets voor haar te bestellen. Paulus zag er een die

klappertandde, en misschien wel honger had. Ook hier scheen geen van de

mannen de ellende goed te voelen, en mededoogen te hebben met die

vrouwen. Somtijds snauwden zij haar ruw af, of voegden haar grove,

obscene woorden toe, waar dan iedereen uitbundig om lachte.

Maar de vrouwen schenen hieraan gewoon te zijn, en gaven den moed niet

op, tot zij eindelijk iemand vonden die wat voor haar bestelde, en die

ze eindelijk medenam, het café uit.

„Kijk, daar gaat er weer een, die haar coup gedaan heeft,” zeide Elias.

„Dit is nu de goedkoope prostitutie, zie je. Voor weinig geld, vijf

francs bijvoorbeeld, of nog minder, mag die man nu mee naar haar

triestig kamertje, waar een armoedig bed staat, met vuil linnengoed en

kapotte dekens. Maar toch is ’t hetzelfde als wat de rijken in ’t

weelderige doen. Een man, die geld bezit, heeft macht over een vrouw

die het niet heeft, en huurt haar lichaam. Dit is nu de groote

beschaving van Leliënstad....”

„Hare zusteren... háre zusteren,” dacht Paulus àl maar door, en pijnend

ging die idee door zijn hoofd, „de zusteren van Leliane... van de

kalme, de goddelijk reine, die rustte bij de waterlelies in het

bosch...”

„Maar dit is nog niet ééns het allerergste,” ging Elias door, „het kan

nóg minder, nóg afzichtelijker... er is hier niets zóó afschuwelijk, of

het kan nóg beestachtiger naarmate er minder geld voor is... het geld

regelt alles...”

En hij nam hem mede, een aantal ongure, slecht verlichte straten door,

met armoedige huisjes, tot zij eindelijk in de Ursulastraat kwamen, een

nauwe, duistere steeg, die er louche en verdacht uitzag. Huis aan huis

was een kroeg van ’t minste allooi, waar wijven in witte jakken voor

het open venster zaten, met bloemen in het vuile, verlepte haar, en

zingende uit schorre, rauwe kelen. Haar oude, van jenever roode

gezichten loerden als die van wilde dieren naar een prooi, en zij

riepen gemeene woorden naar de voorbijgangers, meest dronken soldaten

en matrozen. Van binnen uit de kroegen klonk valsche muziek van

harmonica’s en orgels. In de nauwe steeg hing een weeë stank van

faecaliën en lekkende riolen.

Een afzichtelijk wijf kwam een kroeg uit, en pakte Paulus brutaal bij

een arm, een liefkoozend woord roepend, dat op een vloek geleek.

Met een schreeuw van afgrijzen rukte hij zich los, en holde de straat

uit.

Elias had hem spoedig ingehaald.

„Dat was zwak van je,” zeide hij. „Je moet eerst goed alles van de

misère zien vóór je het goddelooze onrecht heelemaal kunt beseffen...

dit is nu een zoogenaamd genot voor den arme... waar hij met een

ellendig beetje geld toch óók nog altijd macht kan hebben over

vrouwen... Zoodrá de proletariër maar even wat geld bezit is hij óók,

op zijn beurt, even de baas over een ander, die het niet heeft... en

die afschuwelijke beesten van wijven zouden heusch niet zóó geworden

zijn als ze in eene maatschappij waren geboren, waarin de

productiemiddelen rechtvaardig waren verdeeld... Niet zij zijn de

schuld van haar verdierlijking... In onze lichte, mooie Leliënstad,

rijken en armen onder haar medegerekend, wonen veertig duizend van die

vrouwen, die van hun schande moeten leven... vergeet dit niet, veertig

duizend... In het centrum van de beschaving...”

Nadat Elias afscheid van hem had genomen wandelde Paulus nog wat door.

Het pas geziene onrecht schrijnde brandend in zijn borst. Hoe was het

mogelijk, dat de menschen wreeder waren dan verscheurende dieren! Dat

zij rustigjes en kalm in hun wèl gesloten huizen sliepen onder warme

dekens, zonder dat al die ellende buiten hen ook maar éven op deed

schrikken. Veertig duizend vrouwen overgeleverd aan schande en

bezoedeling, en tóch bleef ieder ongeroerd in zijn leventje doorgaan,

zonder zich bezorgd te maken of er niet iets verrot moest zijn in de

maatschappij!

Hij voelde een walging, als een die onpasselijk is van vieze reuken en

afzichtelijke smaken. Het leek hier wel een hel, in deze groote

Leliënstad, die het centrum was van beschaving. Geen stap kon je doen

op de groote Boulevards of je werd herinnerd aan iets gemeens.

Omgekochte kerels drukten je aanbevelingen en adressen in je hand van

ontuchtige gelegenheden, camelots kwamen bij je met vieze prentjes of

doorzichtige kaarten, geverfde vrouwen lachten je liederlijk toe. Als

je niet meer onnoozel was, en je wist het eenmaal, zag je overal de

laagste vuilheid, die je tegengrijnsde. De liederlijkheid stroomde met

vlagen door de straten.

O! Nu ergens iets reins te zien, iets van troost, om al die ellende

even te vergeten! Even een gezicht van goedheid, een ding van

kuischheid, om weer te gelooven!

Leliane: een modern sprookje · 第 15 / 21 题