Van dien dag af aan waren Paulus’ oogen opengegaan en zag hij duidelijk
vóór zich, wat vóór dien tijd vreemd en onbegrijpelijk voor hem was
geweest.
Hij wist nu, wat het lachen der mooi gekleede vrouwen beduidde op
straat, hij wist wat de drijfveer was van dat zenuwachtige, onrustige
leven op de Boulevards, en hij voelde wat de verschrikkelijke tragedie
uitmaakte van de sombere nacht-figuren, dolende in de Koninginnestraat.
O! De grove, wreede Lust, die al die mannen voortdreef in de straten,
loerend naar vrouwen, als honden die aan ’t snuffelen zijn, die Lust,
die rondwaarde in de theaters, in de café’s, zelfs in de kerken, nooit
verzadigd, verterend wat lief en teeder was, die Lust, die hij nu ook
in zich zelf wist, en die somtijds inééns in hem opstond, als een wild,
begeerig beest, azend op een prooi. Die gedachte aan het warme lijf van
Rosita, plotseling rood in hem opbliksemend, waar zijn ziel dit toch
hevig haatte, die enkel het witte, rustige, reine wilde van stille
contemplatie! Die verschrikkelijke angst, dat hij het wilde beest
misschien ééns niet meer zou kunnen temmen, en het hem weer terug zou
drijven naar die roode kamer, waar hij rillend uit was gevlucht!
En het ontzettende, dat al deze dingen zoo gewoon en gansch natuurlijk
waren voor de menschen!
Marcelio had hartelijk gelachen, toen hij hem, half schreiend, van zijn
nacht bij Rosita had verteld.
„Het was héél aardig van Rosita,” had Marcelio gezegd. „Ze vond je
zoo’n lieven, mooien, frisschen jongen, en was heusch gecharmeerd van
je, anders had ze je niet gevraagd... Er zijn er honderden, wien ze
voor véél geweigerd heeft, wat jij voor niets van haar hebt gekregen...
Ze heeft een rijken, vreemden prins, die haar geeft wat ze wil... Je
mag haar niet zóó maar laten staan, en moet haar gaan bedanken of haar
een hartelijke attentie sturen... je bent te benijden, mijn beste...”
Toen had Paulus gezwegen, voelend dat Marcelio hem toch niet begrijpen
zou. Maar hij was niet terug geweest, wetend hoe zwak hij misschien zou
zijn, als zij hem weer kuste. En als het felle, kwaadaardige verlangen
opeens in hem opbrandde, zonder dat hij er iets aan kon doen, zengend
en schroeiend door zijn lijf, dacht hij met al de kracht, die hij kon
concentreeren, aan de witte water-lelies in het bosch, en aan de
rustige genade van Leliane’s heilige maagde-lichaam, in het
neerzilverende maanlicht zoo rustig neergelegen onder de stille
boomen....
Maar overal zág hij nu het duistere, het venijnige, altijddoor
dreigende, wat zijn ziel van licht haatte. Het was overal waar menschen
waren, en het loerde in alle straten en wegen. En nu wist hij, met
schaamte en droefenis, dat het óók loerde in donkere schuilhoeken van
zijn binnenste. Dan vroeg hij zich af met ontzetting, of dat dan altijd
bij hem was geweest, diep in hem weggedoken, toen hij zijn jonge leven
had geleefd in het bosch, en droomde van de sterren en van Leliane.
En de dagen, die hij nu doorging, waren vol van zwaarmoed en bangen
strijd. Hij ging door met zijne studie als vroeger, kreeg zijne lessen
van de professoren, en werkte ijverig in de bibliotheek, maar de
dingen, die hij leerde, waren zonder vreugde, en de angst week niet van
zijn ziel.
Hoe heerlijk, als hij dan ’s middags éven de prinses kon zien. Ééns was
hij heel alleen geweest in een stille straat, toen hij haar victoria
zag aankomen, met de witte, gepluimde paarden en de blinkende
voorrijders in blauw-en-goud. Hij had eerbiedig het hoofd ontbloot, en
diep gebogen. En zij had hem herkend, hier, waar niemand anders was, en
hem vriendelijk toegeknikt, éven wuivend met haar hand. Toen was het
hem ineens, of al het droeve maar een booze droom was geweest, en er
niets reëel kon zijn dan de lichte zonneschijn van haar lach.
Maar ’s avonds, toen overal de lantaarns weer aangingen, en de donkere
menschen-drommen zwart daaronder wemelden, was het angstige weer in hem
teruggekomen. Dat was altijd een vreeselijk oogenblik voor hem, als de
straten zoo donker werden, en opeens al de lantaren-lichten opschenen,
ver weg-rijend boven de breede, eindeloos uitloopende Boulevards.
En naarmate hij inzag, hoe Marcelio zijn innigste gevoelens toch nooit
kon begrijpen, kropte hij zijn angst benauwd in zich op, en hield zich
tegenover hem, of hij hoe langer hoe meer aan alles begon te gewennen.
Toen vond hij, in die allerdroefste dagen, een nieuwen vriend.
Hij had al dikwijls in de Bibliotheek den grooten, bleeken jongen man
opgemerkt, die naast hem aan de algemeene schrijftafel zat te werken,
met dikke folianten van bekende schrijvers over socialisme naast zich.
Er was iets fiers, en toch iets diep weemoedigs in zijn donkere oogen,
waar Paulus sympathie voor voelde. Zijn ziel raadde intuïtief het aan
haar verwante in dien somberen jongeling.
Door eene kleinigheid, het aangeven van een inktkoker, geraakten zij in
kennis, en ééns op een avond gingen zij om vijf uur samen denzelfden
weg.
Elias, zoo heette de jonge student, was dadelijk heel verrast, toen
Paulus hem toevertrouwde, dat hij altijd in een eenzaam bosch had
geleefd, en door toevallige omstandigheden, die hij niet kon vertellen,
pas sedert kort in het groote stadsleven was gekomen.
„En hoe was je eerste indruk wel van Leliënstad?” vroeg hij.
Paulus, nog niet gewend voorzichtig en terughoudend te zijn, vertelde
hem toen eerlijk van de onrust, die hem zoo bang had gemaakt, van het
gevaar, dat hij geraden had in de straten, zonder het te kennen, en van
de verschrikking, die hij gezien had, toen hij bewust was geworden wat
al die menschen eigenlijk dreef.
„En wie is je leidsman geweest?” vroeg Elias.
„Graaf Marcelio,” had Paulus bekend.
Toen was Elias even wantrouwend geworden.
„Graaf Marcelio?”.... zeide hij. „Die adjudant is van de prinses?....
Ah zoo! Ben je onder aristocraten terecht gekomen?.... Dat wist ik
niet.... Dan zal je zeker wel niets dan moois hebben gezien.... Wat een
weelde hè, hièr in Leliënstad.... Wat rijk en goed en edel allemaal,
hè?....”
Maar Paulus antwoordde zóó, dat Elias al heel gauw voelde, hoe hij zich
vergiste. Want hij vertelde, hoe verschrikkelijk hij den tweeden avond
van zijn leven in de stad de droevige nacht-figuren had gevonden, die
ronddoolden in de Koninginnestraat, en hoe hij eerst niet had begrepen,
wat toch wel dat verschrikkelijke zijn kon, dat hij toén nog niet
kende. Hoe hij toen inééns geweten had, en hoe toen altijddoor die
schrijnende pijn in hem was geweest over de droeve schande van die
vrouwen, die toch het heiligste mysterie van de menschheid in zich
hadden....
Toen had Elias hem goed aangekeken, en hem gevraagd, hem eens flink in
het gezicht te kijken, en had toen de tranen van echte menschelijkheid
gezien, die blonken in zijn oogen.
En toen Paulus hem zeide: „Ik kán het mooie niet meer genieten nu ik
dít gezien heb,” wist Elias dat hij waarheid sprak.
In eene opwelling van vriendschap gaf hij hem de hand en vroeg hem
ernstig: „Mag ik je nu óók eens Leliënstad laten zien? Maar niet het
mooie alleen, ook het triestige, het droeve, het afzichtelijke. Ik zie
dat graaf Marcelio je enkel de weelde er van heeft laten zien. Mag ik
je nu óók eens bij de afschuwelijke ellende brengen, waar de groote
meerderheid van de menschen in vuil en jammer leeft? Want dán pas kan
je weten wat de weelde eigenlijk is, als je de misère hebt gezien
waardoor zij alleen bestaan kan.”
Paulus had zijn hand krachtig gedrukt, en had ineens zijn bleek gezicht
met de sombere oogen zacht en lief gevonden, vol droefheid van
mededoogen.
Dien avond hadden zij samen gegeten, en veel met elkander gepraat. Ook
over verzen en dichters was Paulus begonnen, en het eerst van allen,
die hij vereerde, had hij Wederich genoemd. Toen had Elias even
smartelijk geglimlacht, en verder gezwegen, zonder in te stemmen met
Paulus’ geestdriftige woorden. En Paulus had gedacht, dat er misschien
iets droevigs tusschen Wederich en hem gebeurd was, en niet durven
vragen, waarom hij zoo droevig gelachen had. Maar toen zij waren
begonnen over het jammervolle van het ellende-leven der uitgestootenen
en verworpenen voelden zij dadelijk samen, als twee verwante zielen. En
weêr was Paulus uitgebarsten in verontwaardiging over de misère, ’s
avonds in de Koninginnestraat, waar de vrouwen hun schande moesten
verhuren om te kunnen leven.
„Ja, dát is de allerergste verschrikking nog van onze maatschappij,”
zeide Elias. „Je moet eens meêgaan van avond, tegen twaalf uur. Dan
zullen wij haar samen eens aanzien, de prostitutie in onze mooie stad
van beschaving. Ik zal je eens brengen bij Felix, waar ze in haar
weelderigsten vorm te zien is, en dán in de bovenstad, waar zij op haar
minst is, al is zij in beide uitingen hetzelfde. En dan moet je me eens
vertellen, wie je gemeener vindt, die vrouwen, óf die mannen, die van
hun ellende profiteeren, door de macht van hun geld.”
Om twaalf uur traden zij het groote nacht-restaurant van Félix binnen.
Vóóraan, bij den ingang, was een Amerikaansche Bar, waarvoor op lange,
hooge tabouretten chic gekleede heeren met opzichtig uitgedoste vrouwen
whiskey-soda’s en likeur zaten te drinken. De vies-schitterende
mannen-oogen zagen heet-begeerig naar de blanke vrouwen-borsten, die
onbeschaamd uit lage corsages opbolden. De vrouwen lachten en lonkten,
keken hen aan met languissante blikken, dandineerend als poezen,
vleierig.
Hier en daar, door schmink en poeder heen, kwam toch wel eens wat echt
lief van vrouwen-mooi heenkijken, dat nog niet heelemaal vergaan was.
Er was een valsche schijn van vreugde om die Bar met fonkelend kristal
en hel electrisch licht, met die menschen die elkaar toedronken,
luidruchtig door elkaar schreeuwend, en breed gebarend. Maar Paulus zag
alleen het triestige, het tragische van dat verdwaalde, verloren lieve
en schoone, dat zijn ziel aanbad, hier besmet en bevuild, veil voor
brute, grove ploerten, als ze maar geld hadden om het te koopen.
„Zie je het harde en goddelooze in de tronies van die kerels?” zeide
Elias bitter. „Niemand onder hen die deernis voelt voor die arme
schepsels, van wie ze misbruik maken, omdat ze maatschappelijk
minderwaardig zijn. Géén van hen, die er om denkt, dat die prostituées
óók vrouwen zijn, als hun moeders en zusters, en het heiligst
vrouwelijke nog altijd in zich hebben. Neen, zij hebben het geld in hun
zak, en dáárom hebben zij macht over die vrouwen, die het niet hebben,
en hebben zij het recht, haar te bevuilen en te besmetten. En dan
zeggen ze nog, dat er geen slavernij meer bestaat!”
Paulus zweeg, en klemde de lippen op elkaar om niet uit te barsten. Hij
dacht om Leliane, veilig en hoog in haar witte paleis, wijl haar
zusteren hier kwijnden, in afzichtelijke slavernij....
De Bar voorbijgaande kwamen zij nu in een groote, rijke zaal, rood met
goud, schitterend door electrische lichtkelken verlicht.
Een ongezien orchest, verborgen achter groene palmen, speelde
langoureuze, slepende muziek voor de heeren en dames, die aan
tafeltjes, weelderig gedekt met damast en kristal, zaten te soupeeren.
Alles aan die heeren leek correct en voornaam. De zorgvuldig
gefrizeerde haren, het vlekkeloos glanzende wit van overhemden, de
deftige zwarte rokken. Alleen wat arme, verdwaalde bloemen in het
knoopsgat deden triestig aan. En naast hen de elegante, gracieuze
cocottes, schitterend van juweelen, in fijne zijde en satijn, de
groote, breed gerande hoeden met witte struisveeren, en boa’s van
kostbaar dons. Een weeë geur van fijne parfums zweefde door de zaal,
prikkelend, en toch weerzinwekkend. Sommige dier vrouwen hadden groote
poppen in den arm, prachtig aangekleed met dure kant en kostbare
juweelen, en wiegden die liefkoozend heen en weer, als baby’s. Er was
iets afschuwelijk onheiligs in die imitatie van moederschap bij
vrouwen, die altijd onvruchtbaar moeten blijven, voor hun métier. [1]
„Waartoe dienen nu die poppen?” vroeg Paulus.
En Elias, bitter:
„Dat is een duivelsche verfijning, en de nieuwste mode, moet je weten.
Het schijnt opwekkend te zijn, vooral voor oude heeren. Een soort
bevuiling van het moederschap, ook misschien een soort symbool dat die
arme, verdoolde vrouwen, die het mooie van de liefde niet kunnen
genieten, slechts doode poppen kunnen hebben, en geen kinderen.”
Er was iets diep tragisch in dat wiegen van die levenlooze poppen in de
armen van die geverfde, onvruchtbare vrouwen, maar niemand van de
feestende mannen scheen er iets van te zien.
Deftige kellners brachten uitgezochte gerechten aan en zeldzame merken
champagne, en bedienden eerbiedig de zwart-gerokte wellustelingen, die
voor hun geld al die eet-en-drinkwaren, en die vrouwen er bij, konden
koopen. En dit alles ging heel gewoon, zonder dat iemand het onrecht
voelde, alsof het nu eenmaal zoo in de natuurlijke orde der dingen lag.
Hier en daar slenterden een paar vrouwen door de zaal, die nog geen
mannen hadden gevonden, lonkend en gichelend tegen losloopende heeren,
die eerst eens wilden uitkijken, en nog geen keus hadden gedaan. Elias
wees er Paulus nog eens met nadruk op, hoe leeg en voos dit alles was,
omdat het toch maar alleen het vuile geld was, dat alles hier in
beweging zette. Zonder geld kon geen van die mannen een van die vrouwen
krijgen, die zich schijnbaar van zelf aanboden, uit louter behagen.
Maar hij had hem dit niet behoeven te zeggen. Paulus zag wel aan het
eigenlijk treurige en tragische van die lachjes en leege lonken, hoe
weinig echt ze waren.
„En nu is dit nog met een beetje schijn van mooiheid,” zeide Elias.
„Het lijkt tenminste nog een beetje op vreugde en geluk, en er is een
zekere glans over. Hier zijn dan ook de zoogenaamde chicque vrouwen en
het gaat hier allemaal rijk toe, met luxe en verfijning. Maar nu moet
je eens meegaan naar het andere einde van de stad, waar de mindere
gelegenheden zijn.”
En hij nam Paulus mede in een rijtuig naar straten in het Zuiden der
stad, waar hij nog niet was geweest. Er waren hier veel goedkoope
bal-zalen en derderangs theaters in de buurt, en overal waren
nacht-cafés, waar de bezoekers van die amusementen heengingen, als
alles was afgeloopen. Maar dit waren de koffiehuizen, waar geen fijne
gerechten te krijgen waren, te duur voor de menschen die hier kwamen.
Kleine, bedompte zaaltjes vol rook van slechte sigaren, waar de borden
en koppen zóó maar op het bevuilde imitatie-marmer van de tafeltjes
werden gezet, en de bezoekers schouder aan schouder, tegen elkaar
aangepropt, zaten te eten.
Hier wemelde het van jammerlijke ellende-vrouwen, die voor de laagste
prijzen dezelfde schande moesten verkoopen als de rijken uit het
restaurant Félix, en waaronder er waren die ’s middags niet gegeten
hadden, en nu aasden op een oudbakken broodje met uitgedroogd vleesch,
of een stinkend stukje worst met een kop lauwe, slappe koffie.
De straten waren hier slecht verlicht, en de huizen armoedig en oud.
Elias ging met Paulus een onaanzienlijk café binnen.
Hier zaten derderangs artiesten uit kleine theatertjes, bohémiens
zonder veine, studenten die het net even konden doen om rond te komen,
poovere klerkjes, en slecht betaalde muzikanten. Maar op die schamele
bezoekers aasden toch nog vrouwen, armoedig gekleede, sjofele vrouwen,
in schijnbaar nog elegante mantels uit inferieure confectie-magazijnen
op afbetaling, met magere, bleeke misère-gezichten, die tragisch
grijnsden als zij probeerden te lachen. Met de schimmen van wat ééns
misschien charmes in haar geweest waren, probeerden zij de mannen daar
te verleiden, een stukje bloot van een verlepte, slappe borst, een
opgevulde, schijnbaar wellustige heup, een nog wat dikke kuit van een
toevallig vooruitgestoken been.
Hier en daar zat zoo’n vrouw alleen tusschen een dichte rij mannen,
zonder consumptie voor zich, leeg-glimlachend om zich heen, om iemand
over te halen iets voor haar te bestellen. Paulus zag er een die
klappertandde, en misschien wel honger had. Ook hier scheen geen van de
mannen de ellende goed te voelen, en mededoogen te hebben met die
vrouwen. Somtijds snauwden zij haar ruw af, of voegden haar grove,
obscene woorden toe, waar dan iedereen uitbundig om lachte.
Maar de vrouwen schenen hieraan gewoon te zijn, en gaven den moed niet
op, tot zij eindelijk iemand vonden die wat voor haar bestelde, en die
ze eindelijk medenam, het café uit.
„Kijk, daar gaat er weer een, die haar coup gedaan heeft,” zeide Elias.
„Dit is nu de goedkoope prostitutie, zie je. Voor weinig geld, vijf
francs bijvoorbeeld, of nog minder, mag die man nu mee naar haar
triestig kamertje, waar een armoedig bed staat, met vuil linnengoed en
kapotte dekens. Maar toch is ’t hetzelfde als wat de rijken in ’t
weelderige doen. Een man, die geld bezit, heeft macht over een vrouw
die het niet heeft, en huurt haar lichaam. Dit is nu de groote
beschaving van Leliënstad....”
„Hare zusteren... háre zusteren,” dacht Paulus àl maar door, en pijnend
ging die idee door zijn hoofd, „de zusteren van Leliane... van de
kalme, de goddelijk reine, die rustte bij de waterlelies in het
bosch...”
„Maar dit is nog niet ééns het allerergste,” ging Elias door, „het kan
nóg minder, nóg afzichtelijker... er is hier niets zóó afschuwelijk, of
het kan nóg beestachtiger naarmate er minder geld voor is... het geld
regelt alles...”
En hij nam hem mede, een aantal ongure, slecht verlichte straten door,
met armoedige huisjes, tot zij eindelijk in de Ursulastraat kwamen, een
nauwe, duistere steeg, die er louche en verdacht uitzag. Huis aan huis
was een kroeg van ’t minste allooi, waar wijven in witte jakken voor
het open venster zaten, met bloemen in het vuile, verlepte haar, en
zingende uit schorre, rauwe kelen. Haar oude, van jenever roode
gezichten loerden als die van wilde dieren naar een prooi, en zij
riepen gemeene woorden naar de voorbijgangers, meest dronken soldaten
en matrozen. Van binnen uit de kroegen klonk valsche muziek van
harmonica’s en orgels. In de nauwe steeg hing een weeë stank van
faecaliën en lekkende riolen.
Een afzichtelijk wijf kwam een kroeg uit, en pakte Paulus brutaal bij
een arm, een liefkoozend woord roepend, dat op een vloek geleek.
Met een schreeuw van afgrijzen rukte hij zich los, en holde de straat
uit.
Elias had hem spoedig ingehaald.
„Dat was zwak van je,” zeide hij. „Je moet eerst goed alles van de
misère zien vóór je het goddelooze onrecht heelemaal kunt beseffen...
dit is nu een zoogenaamd genot voor den arme... waar hij met een
ellendig beetje geld toch óók nog altijd macht kan hebben over
vrouwen... Zoodrá de proletariër maar even wat geld bezit is hij óók,
op zijn beurt, even de baas over een ander, die het niet heeft... en
die afschuwelijke beesten van wijven zouden heusch niet zóó geworden
zijn als ze in eene maatschappij waren geboren, waarin de
productiemiddelen rechtvaardig waren verdeeld... Niet zij zijn de
schuld van haar verdierlijking... In onze lichte, mooie Leliënstad,
rijken en armen onder haar medegerekend, wonen veertig duizend van die
vrouwen, die van hun schande moeten leven... vergeet dit niet, veertig
duizend... In het centrum van de beschaving...”
Nadat Elias afscheid van hem had genomen wandelde Paulus nog wat door.
Het pas geziene onrecht schrijnde brandend in zijn borst. Hoe was het
mogelijk, dat de menschen wreeder waren dan verscheurende dieren! Dat
zij rustigjes en kalm in hun wèl gesloten huizen sliepen onder warme
dekens, zonder dat al die ellende buiten hen ook maar éven op deed
schrikken. Veertig duizend vrouwen overgeleverd aan schande en
bezoedeling, en tóch bleef ieder ongeroerd in zijn leventje doorgaan,
zonder zich bezorgd te maken of er niet iets verrot moest zijn in de
maatschappij!
Hij voelde een walging, als een die onpasselijk is van vieze reuken en
afzichtelijke smaken. Het leek hier wel een hel, in deze groote
Leliënstad, die het centrum was van beschaving. Geen stap kon je doen
op de groote Boulevards of je werd herinnerd aan iets gemeens.
Omgekochte kerels drukten je aanbevelingen en adressen in je hand van
ontuchtige gelegenheden, camelots kwamen bij je met vieze prentjes of
doorzichtige kaarten, geverfde vrouwen lachten je liederlijk toe. Als
je niet meer onnoozel was, en je wist het eenmaal, zag je overal de
laagste vuilheid, die je tegengrijnsde. De liederlijkheid stroomde met
vlagen door de straten.
O! Nu ergens iets reins te zien, iets van troost, om al die ellende
even te vergeten! Even een gezicht van goedheid, een ding van
kuischheid, om weer te gelooven!