HOOFDSTUK X.

De luchtige feeën-gratie van Rosita was al die dagen niet van hem

weggeweest, en als een kleurige vlinder, telkens weer terug-fladderend,

was zij door zijn ernstige gedachten heengewiegeld.

Avond aan avond was hij teruggekomen in het Variété, op de voorste rij

van de stalles d’orchestre, om haar voor hem te zien verschijnen als

een licht visioen, zwevend met haar roze droom-lijfje in de witte

wolkjes van kant en tulle, ijl in het ledig, als een broze, kleurige

vogel, zonder den grond te raken, een liefelijk licht-wezen van enkel

droom en glans.

Zij verscheen hem na het drukkende, moeitevolle bestaan van den dag

tusschen de kille huizen en de vreemde menschen, als het mooiste en

teerste uit zijn vroegere, jonge leven, met al de bekoring van zijn

boomen uit het bosch, met de fijne transparantheid der morgen-nevelen

over het gras, met de weifelende kleur-nuances van avond-schemering,

met de pure schittering van de sterren.

Maar een vage droefheid kwam weleens in hem opgeweld, door al zijne

verrukking heen, hoe het zijn kon, dat dit schoon zoo bedriegelijk op

Leliane geleek, en toch Leliane niet zijn kon, omdat het Rosita was.

Ook kwam er somtijds een ongekende, vreemde ontroering in hem, die hij

nooit bij het biddend aanschouwen van Leliane gevoeld had, een

onbestemde angstigheid, wee en huiverig, die pijn deed, en zijn ziel

deed sidderen....

Hij had Marcelio verteld, hoe hij dikwijls naar het Variété werd

toegedreven door een zenuwachtig gevoel, dat sterker was dan zijn wil,

en hoe hij somtijds niet kalm kon zitten studeeren, omdat hij dan

altijd die vlinderachtige roze vrouwen-figuur vóór zich zag zweven. Het

liet hem geen rust, telkens kwam het terug, en dikwijls was zijn leven

een onbewust wachten op het uur, dat hij haar zou zien verschijnen. En

hoe meer hij haar nu al gezien had, des te sterker kwam het terug....

Dan lachte Marcelio guitig-geheimzinnig, zooals hij wel meer gedaan

had. Hij raadde Paulus aan, haar eens wat bloemen te sturen, zooals de

gewoonte was, als iemand haar erg mooi vond, en haar dat wilde zeggen.

En Paulus vond dat heerlijk. Ja, spreken was eigenlijk te gewoon tegen

zoo’n luchtig droom-wezen, dat in het ijle zweefde. Veel mooier was

het, haar met bloemen te zeggen, hoe zij zijn ziel verrukte.

Zijn liefste bloemen moesten het zijn, die het innigste waren, en

teeder als de dingen, die hij haar toch niet zou durven zeggen. En hij

kocht nu elken avond een corbeille met enkel viooltjes voor haar, die

haar op het tooneel werd gebracht.

Hoe heerlijk, als zij dan, lachende, op de toppen der fijne voetjes

zwevend, terugkwam voor het voetlicht, en genadiglijk de bloemen tot

zich nam! Dan was het Paulus, of zij de liefste gedachten van innigheid

had medegenomen uit zijn binnenste. Zoo ging het avond na avond, en

nooit dacht Paulus er aan, haar dichter te durven naderen dan met die

simpele viooltjes uit zijn hart, tot eindelijk Marcelio hem kwam

vertellen, dat hij haar gesproken had, en zij naar zijn jongen vriend

gevraagd had, die altijd zoo galant voor bloemen zorgde als zij optrad.

„Ze vindt het zóó aardig van je,” zeide hij, „dat ze je door me laat

vragen, of je eens met haar wilt soupeeren, en met haar in haar rijtuig

naar huis gaan, na de voorstelling. Ze wil absoluut eens kennis met je

maken.”

Paulus schrikte.

Het leek hem zoo onmogelijk.

Dat wezentje van glans en droom, dat luchtig zweefde in de luchten, dat

hij altijd had gezien in een verre, aparte sfeer, buiten het reëele,

hoe zou zij ooit tegen hem spreken kunnen, gewoon als ieder ander, hoe

zou hij naast haar kunnen zitten in een rijtuig, ratelend door de

straten?

En hij begreep het niet.

„Hoe kán dat?....” zeide hij, verwonderd. „Marcelio, dat kán toch

niet....”

En weer lachte Marcelio geheimzinnig.

Hij had niet aan Paulus verteld, hoe goed hij Rosita kende, die eene

oude vriendin van hem was, en hoe dikwijls hij haar van zijn jong,

onervaren vriendje verteld had, die de vrouwen nog niet kende, en

ontgroend moest worden. En hoe Rosita nieuwsgierig geprikkeld, en ook

vereerd door zulk een simpele aanbidding, zich door Marcelio had laten

overhalen, om het jonge droomertje eens te vragen.

Dien avond zat Paulus in angstige spanning in het Variété. Hij had met

Marcelio gedineerd, die hem had overgehaald, weer wat champagne te

drinken.

Toen hij Rosita weer zag aanzweven boven de bloemen, als een

lucht-wezen van niets dan droom en liefelijkheid, kon hij zich

onmogelijk voorstellen, dat zij straks in de heel gewone werkelijkheid

als een vrouw voor hem zou staan, en tegen hem zou spreken. En

heimelijk hoopte hij eigenlijk, dat het ook niet zou kunnen gebeuren,

al verlangde hij er tegelijkertijd tóch naar.

Toen zij ná het ballet weer omhoog zweefde tusschen de witte wolken,

dacht hij stellig, „nu is ze ook heen in hooger sferen, nu kan ik haar

ook niet meer zien.” Maar Marcelio schrikte hem weldra wakker.

„Kom nu mee,” zeide hij, „ze gaat zich kleeden, en haar rijtuig staat

te wachten in het zijstraatje links naast het gebouw. Maar drink eerst

nog een gobelet goede champagne. Dat wekt je wat op.”

Een beetje bang, half onwillig ging Paulus mede, en liep toen met

Marcelio wat op en neer in de zijstraat buiten.

Tot een deur openging, en een luchte gestalte met zilverachtig geruisch

van zijde aan kwam wuiven.

Nu gebeurde verder alles aan Paulus als in een roes. Zachte, melodieuze

woorden dreven als muziek over zijn ziel. Hij voelde zich buigen,

hoorde zich wat beleefdheidswoorden prevelen, en zag opeens, dat hij in

een rijtuig zat, met een vreemd, zacht vrouwenlichaam naast zich. Er

kwam zoete, bedwelmende geur van haar, als van een bloem.

Hij kon haar niet goed zien in het donker van den coupé. Nu en dan, als

zij voorbij een lantaarn reden, schemerde haar lief, lachend gezicht

even voor hem op, om dan weer te vervagen, als iets dat even oplicht in

een droom, en dra weer in het niet verdwijnt.

Hij wilde even voorzichtig met zijne hand haar aanraken, om te weten of

hij niet droomde, maar voelde niets dan weg-ritselende kant en donzen

veeren.

Eindelijk hield het rijtuig stil. Hij voelde een zachte hand die hem

medenam, hem voortleidde, een trap op, naar boven.

En opeens stond hij in de werkelijkheid, in een lichte kamer.

Zij stond voor hem, lachend, met al de betoovering van haar luchte

gratie naar hem toe. Ook zij, evenals Leliane, was mooier dan een

vlinder of een bloem, vond hij. Een zachte, vreemde geur van viooltjes

droomde van haar af; zijn al van de champagne lichtelijk dronken hoofd

duizelde er van. Zij had een lichtroze lijfje aan van glanzende zijde,

en toen zij een donzige sortie van witte veeren afdeed was haar blanke

hals en decolleté open. De voorzichtige, zachte opwelving van haar

borst was van een groote teederheid, en zij deed hem aan als een gebaar

van haar ziel. Haar volle, witte armen kwamen nu en dan uit het veeren

dons, als vreemde, betooverende verschijningen.

Aan hare gestalte was iets luchtigs, iets van trilling en ruisching,

als van een vogel, die straks zou opvliegen in de lucht. Zóó zou zij

ieder oogenblik kunnen opspringen, en dansen dien luchtigen, zwevenden

dans, waarin hij haar zooeven als een vlinder zwevend had zien

wiegelen.

Haar zijden rok ruischte, en aan haar arm ritselde zacht-zilveren

geluid van schuivende edelsteenen. Zij zag hem aan, nieuwsgierig hoe

haar nieuwe aanbidder er van dichtbij uitzag. Een aardig, jong

kereltje, vond zij. Die nog niet goed durfde. Die zeker nog erg

verlegen zou zijn. Zij hield wel van zulke maagd-jongelingen.

En ze lachte.

Hij vond het erg vriendelijk van haar, en hij was er heel blij mee. Hoe

zacht en glanzend was alles aan haar! Al die zijde, en dat dons, en die

schitterende steenen, waar heilig vuur en licht in leefden! Hoe fijn en

ijl waren die gouden haren van haar kapsel, als uit zonnestralen

geweven! Ja, het was toch waar. Een vrouw was mooier nog dan bloemen.

Dit liefelijke en lachende daar voór hem was van inniger uitdrukking

nog dan een lichte lente-roos. Maar vooral dat even, vage opwelven van

haar blanke, zachte borst deed hem aan met eene wonderlijke ontroering,

blijde en toch om van te weenen, heilig, en toch met een bijna

pijnlijke schrijning van lust, die hij voor den eersten keer in zich

voelde opwellen uit verre onbewustheden van zijn wezen.

En,—vreemd! dit leek op Leliane, dit had zéér bedriegelijk iets van

Leliane in zich, en kon tóch Leliane niet zijn. Bij het eerbiedig

aanschouwen van de slapende prinses, met haar blanken boezem zachtekens

deinend op het teere rythme van hare ademing, had hij iets anders

gevoeld, niet dit schrijnende in hem, dat bijna pijn deed. Éven

weifelde hij, hoorde hij als eene vage waarschuwing in zich fluisteren,

nu op zijn hoede te zijn...

Maar Rosita had al gesproken met een melodieuze, vleiende stem, die hem

zachtelijk bedwelmde, even zeer als de weeë bloemenlucht die van haar

afdroomde, en die iets van viooltjesgeur had, maar toch niet hetzelfde

zijn kon. Dat zoete parfum, die weeke stem, dat duizelen van

champagne-opwinding in zijn hoofd, maakten dat hij zich als een willoos

kind overgaf aan de bekoring.

„Wou je met me soupeeren?” vroeg ze, en keek hem guitig-lachend aan,

met haar gezicht vlak bij het zijne. „Waarom zag je me altijd zoo aan

en stuurde je me bloemen?”

En hij zeide het, eerlijk:

„Ik heb je immers zien dansen! Je was zoo mooi en zoo licht. Mooier dan

een bloem was je. Je wiegde liefelijker dan een wit-en-roze vlinder. Ik

moest er van lachen en schreien tegelijk. Ik heb nog nooit zoo iets

gezien. Altijd zou ik je zoo willen zien, in dat schitterende licht,

met je ranke, luchtige lijf bewegend in wuivende tulle rokjes, die als

witte wolkjes om je zijn. Je kleine voeten doen dan zoo heel vreemde

dingen. Het is of ze me allerlei sprookjes vertellen, die ik lang

vergeten was, en dán ineens weer weet. Maar als je ophoudt met dansen

ben ik ze ook weer vergeten. Zóó wuiven de fijnste varens niet in het

bosch, op zóó zachten adem, als toen je zooeven je lijf liet voort

droomen op dat bevende Adagio van de violen.... Je bent zoo mooi, zoo

mooi, zoo mooi,... je lijkt wel uit de bladen van roze rozen, en de

gouden stralen van de zon, en de witte wolkjes in de lucht geboren te

zijn, en je vervult mijn ziel met lieve, zachte muziek...”

Bewonderend, met schitterende oogen zag hij haar aan, in argelooze

overgave, en geen gevaar meer voorgevoelend in den glans van het enkel

maar mooie, dat óók op Leliane geleek. Hij zeide nu zelfs ook veel van

de woorden uit zijn ziel, die hij eens tot Leliane had durven spreken.

Rosita zag hem verrast aan. Toch wel aardig, zoo’n jong mannetje nog.

Wat een heerlijke kleur op zijn wangen! Die hadden haar aanbidders

gewoonlijk niet meer, met hun bleeke, verveelde blasé-gezichten! En zóó

spraken ze ook niet tegen haar.

„Ik dank je nog wèl voor je mooie bloemen,” zeide zij, lief. „Ik houd

veel van bloemen. Vooral van viooltjes, die krijg ik bijna nooit. Het

zijn altijd rozen. Niemand die ooit om viooltjes denkt. En die zijn

juist mijn lievelingen. Mijn parfum is ook altijd violettes de Parme.

Ruik je het niet? Ik sprenkel het altijd op mijn schouders en mijn

hals.”

Ze boog zich nu tot hem over, met haar verblindend blanke hals dicht

bij zijn hoofd.

Hij rook den geur van zijn liefste bloemen uit het bosch, maar

scherper, doordringender dan ooit, met een bedwelmende, weeë innigheid,

die weer den ongekenden, brandenden gloed met een golf door zijn

rillend lijf deed gaan. Zóó hevig had hij nooit een bloemengeur

gevoeld, die bijna pijnlijk was, en toch lief deed met warme streeling.

„Je bent eigenlijk zélf een bloem,” zeide hij, met zijne oogen aldoor

bewonderend opgeslagen tot de hare. „Je ruikt zelf als een bloem van

wonderen geur. Maar je bent nóg zachter en teêrder. En je bedwelmt me

nog, als je zoo dicht bij me bent. Mijn hoofd wordt er moê van en loom.

Maar toch is het heerlijk, al doet het bijna pijn. Ik ben ook een

beetje bang van je, geloof ik.”

„Malle jongen!” zei ze lachend. „Bang? Ik zal je niet opeten, hoor, al

heb je wangen als roode belle-fleurs! Ik zal je misschien alleen een

zoen geven. Heb je wel eens goed gezoend? Wil je me wel eens een kus

geven, zeg?”

Ze sloeg haar zachte armen om zijn hals, en zoende hem op zijn wang.

Het was zóó innig, en kwam zóó onverwacht voor hem, dat hij een zachten

gil gaf, en het hoofd tegen haar borst liet zinken van duizeling. En

hij dacht er niet aan, haar terug te kussen.

Éven voelde hij nog héél achter in ziel, flauw en vaag, als een zachte

stem, waarschuwend en bang. Maar door de duizeling van zijn hoofd zonk

het weg, verdoofd, kwam niet meer tot bewustzijn.

En hoe langer hoe meer begon het mooie van haar op Leliane te gelijken.

Later, als hij om deze emoties dacht, wist hij nog zeker, dat hij

alleen het mooie van haar zag, en niets anders wist dat hem zoo

verrukte....

„En nu gaan we eens gezellig wat soupeeren,” zeide zij, hem meetronend

naar het canapétje voor een sierlijk gedekt tafeltje.

Daar lagen zijne welbekende, vertrouwde vruchten, zachte, blozende

perziken, roze, fluweelige peren, innig blauwe druiven, in frisch,

dauw-bepareld groen. Het leek alles intiem, zonder slechtheid.

Zij had, op Marcelio’s raad, geen wild doen klaarzetten, alleen zacht,

wit luxebrood, en honig, en gebak. Maar champagne moest hij toch

drinken. En het edele vocht zag zoo nobel, met goud-gelen glans, dat

hij het met vreugde opdronk, toen zij hem den fijn geslepen kelk

toereikte, met vriendelijken lach. Er was stille vertrouwelijkheid in

het rustige, roode boudoirtje, met het mollige tapijt, en de

schitterende Venetiaansche spiegels, de étagèretjes met broze bibelots,

de gezellige poufs, en de roze gloei-kelkjes electrisch licht op tafel.

Bloemen lagen hier en daar op het witte damast, en zagen vriendelijk

uit ranke vaasjes. Zij zelve had lichte rozen in het blonde haar. Het

was hem als beleefde hij nu iets uit een sprookje, niets dan

vriendelijkheid en liefelijkheid, en enkel mooie dingen. Nog zag hij

enkel het mooie er van, en hij genoot het in blij verbazen, zooals een

kind dat, met schitterende oogen, de handjes uitstrekt naar dingen die

licht zijn en kleurig.

De champagne benevelde hem. Een zacht suizen ging door zijn hoofd. Hij

hoorde somtijds het melodieuze klinken van haar lieve stem als van

verre, en voelde neiging, om nu ergens neer te liggen en in te slapen

onder dat gezang, zooals hij in het bosch wel eens gesluimerd had onder

het zingen van een vogel. Dán voelde hij ineens weer dien vreemden

gloed in zich, of om zijn ziel iets begon te branden, een gloed, die

opsteeg van zijn voeten naar zijn hoofd, met lange, rekkende rillingen

over zijn lijf.

Dán was het even angstig, tot het weer zacht vervloeide in loomheid,

vaag zalig.

Die zoete geur, die om haar was, die teere rondingen van haar borst,

die blankheid van haar armen, die vochtig-warme blik van hare oogen!

Hij voelde zich langzamerhand als bezwijmen onder het warme, innige,

dat van haar uitging als van eene exotische bloem, die verdooven doet.

Zijne wangen gloeiden, hoogrood, en zijne oogen schitterden als van

koorts. En telkens steeg de vreemde gloed weer in hem op, met

ontstuimiger golving.

Tot zij hem opeens in haar armen nam, met haar warme, geurige lijf op

zijn schoot, en hem hartstochtelijk kuste op zijn mond.

Toen sloeg de roode vlam eindelijk omhoog, uit den gloed waarin zijn

ziel nu zou verteren, en hij voelde het felle vuur iets van de liefste

en teerste dingen verschroeien, die in hem waren geweest. Met een kreet

van pijn en lust gaf hij zijn jongenslichaam over aan den ongekenden

hartstocht-storm, en zijn ziel van droom en mijmering duisterde angstig

weg, waar zijn armen het schoone vrouwenbeeld van ideaal nu

krampachtig, bijna vijandig omklemden, om met haar samen heerlijk in

dat heete vuur te vergaan.

Hij voelde nog vaag, hoe hij, dicht tegen haar aangedrongen, door een

roode ruimte liep, een andere kamer in, waar alles brandde, hoe hij

toen met haar neerzonk, duizelend, in een verre, roode diepte, en

overal waren vlammen, en alles was rood voor zijn oogen, tot hij bang

en tóch zalig, wegzwijmde in het felle vuur, verschroeid, als dood....

Het bleeke, triestige schemerlicht van een donkeren regenmorgen,

druilend door zware, geel-kanten gordijnen, maakte hem wakker uit een

loomen droom van diep, zwart niets.

Hij wreef zich de oogen, rekte langzaam uit zijn leden, die slap waren

en lam. Dat bleeke, gele licht.... Hoe vreemd.... Hoe vreemd.... Waar

wàs hij?....

En opeens staarde hij angstig in het rond, een gil ópkroppend in zijn

keel, die van schrik niet uit kon schreeuwen.

Wat was dat, daar naast hem?.... Het leefde, het bewoog....

Rillend kroop hij terug in het groote bed, om het niet aan te raken....

Toen kwam opeens het bewustzijn in hem terug van wat gebeurd was.

O God! O God!... Het was Rosita, neen, Leliane... Neen, dat kon niet,

dat mócht niet.... niet Leliane, niet Leliane.... Rosita was het,

Rosita.... Neen, óók Rosita kon het niet zijn.

Maar het was toch een vrouw.... Een vrouw, een mensch.... Een

menschenlichaam was het, dat sliep, en zwaar ademhaalde... Ja, het leek

wel op Rosita... en tóch kon het Rosita niet zijn, die zweefde in de

lucht, een wiegelende ziel, zonder materie....

Een vrouwengezicht, moê, bleek, de blonde haren verward, slordig langs

het kussen.... er waren vegen rood op, ineen geloopen, als gesmolten

verf, die los gelaten had.... daaronder was de huid geel bleek, zonder

kleur.... onder de dichte oogen diepe, blauwe kringen.... de mond was

half open, niet teeder meer, met een groven trek van lust....

De fijne kanten van haar hemd waren verfrommeld, geknakt als

bloemen.... haar borst was onbedekt, blank, mollig vleesch, dat op en

neer ging, bij iedere ademhaling, en leefde.... maar zonder wijding nu,

als gewoon....

Op het hoofdkussen lagen gescheurde, verlepte blaadjes van rozen, uit

haar los-geraakte coiffure....

Een weeë, doode geur van viooltjes kwam van dat slapende lichaam,

benauwd, zonder innigheid....

Wie was dit?.... Een vrouw, die op Rosita leek, maar niet Rosita... Een

vreemde, die hij niet kende... Een vreemd, apart, warm-ademend leven,

heelemaal buiten hem, waar hij niet bij hoorde....

Toen kwam de herinnering aan den afgeloopen nacht al meer en meer in

hem tot klaarheid.... Met ontzetting zag hij het ineens helder voor

zich terug, wat in een roes, bijna onbewust, gebeurd was.

Eerst was het een droom, een lieve verschijning van fee, licht en

luchtig, als een wolk.... Toen was het al dichter en dichterbij

gekomen.... al zwaarder en zwaarder was het geworden, levend en

warm.... En hij had gegrepen, met bevende handen gegrepen naar het

mooie, dat eerst zijne oogen enkel durfden aanbidden.... het mooie, dat

óók op Leliane geleek, en daarom heilig was....

En toen... die gloed, die helle vlam, die roode hartstocht-storm, en

dat woedend kloppen van zijn driftig hart!... Hoe het brandde, hoe het

brandde tegen hem aan!... Hoe zijn mond het heet gedronken had van haar

brandende lippen!.. Hoe hij het had omklemd, hoe hij het tegen zich aan

had durven prangen, hard, bijna vijandig, of hij dat broze breken wou,

uit woede, hoe het teedere eerst had uitgeschreid en toen een heete

vlam was geworden, die verteerde!..

O! Hij wist het opeens weer, die armen om zijn hals, het warme, zachte,

schreiend tegen hem aan, de gloeiende kussen, dóórbrandend in zijn

lijf... En het moede, loome neerzinken, gebroken, en dan het hoog

oplaaien van vlammen, telkens en telkens weer opnieuw... Zóó woedt niet

een storm in stille boomen...

En nú dit, en anders niet... Die bleeke, moede vrouw... die doode, weeë

geur, de oogen gloedloos, zonder pracht, en het weeke vleesch zoo mat,

zoo lam, zoo vreemd... zoo heel apart dat zwaar-ademende lichaam daar

naast hem, hij kende het niet, hij had het nooit gezien... het kon ook

nooit Rosita zijn geweest...

En al het teêre, lieve, vriendelijke nu henen, om nooit weerom te

komen....

Voorzichtig stapte hij uit het bed, bang om haar wakker te maken.

Gelukkig, op het dikke, donzige tapijt was zijn voetstap onhoorbaar.

Zij ademde rustig door, zwaar, met een piepend geluid.—

Nu zich maar gauw aankleeden, zachtjes. Straks thuis zou hij zich wel

wasschen. Het water zou te veel plassen in de kom, en haar misschien

wekken. Wacht, toch even voorhoofd en wangen nat maken met een

handdoek! Ha! hoe heerlijk koel was dat op zijn brandend gezicht! Hoe

gloeide hij! Als de muur van een uitgebrand huis voelde zijn lichaam

aan van buiten. Het vuur was nu verteerd, maar toch gloeide zijn huid

nog na. O! Het blusschende, koele, stillende water, wat deed het goed!

Nu allereerst hier weg, uit deze ondragelijke bedompte

slaapkamer-atmosfeer. Hij zou hier anders nog stikken.

Zenuwachtig trok hij zijn kleeren aan, schrikkend bij ieder geluid, dat

hij maakte. Wat was het benauwd!... O! Lucht, lucht, het was niet uit

te houden... Voorzichtig deed hij de gordijnen op zijde, en trok het

venster wat open.

Gelukkig, het liep goed in de rollen, in elkaar gezet door bekwame

handen, en het schoof geruischloos op. Een frissche stroom lucht waaide

hem tegemoet.

Buiten druilde het eerste schemerig morgenlicht door grauwe wolken over

de dingen.

Paulus zag een klein binnenplaatsje, ongure, verweerde, oude muren, en

leelijke daken van huizen. Alles stond triestig en doodsch te drenzen

in lamme verveling. Alleen in het kleine tuintje achter Rosita’s woning

stond een dunne, hooge populier, eenzaam en vervreemd. Een vogeltje

begon er zacht in te tjilpen. En een groote weemoed kwam er van in

Paulus’ ziel. Hij dacht om den morgen in het bosch. Hoe kwam dit lieve

vogeltje hier zoo verdwaald in dien eenzamen boom?...

In de verte hoorde hij gerommel van een wagen, en een vaag gedruisch

ruischte aan, onbestemd. De groote stad begon te bewegen, zachtjes,

voorzichtig nog. Nú een rijtuig, ratelend over een straat, een geklets

van paardehoeven.

Hoor! Een haan kraaide, schel, hoog geluid.

Het grijze geschemer werd al lichter, en achter de donkere wolken begon

iets te glanzen. De nieuwe dag brak aan over de wereld.

Toen stroomden de tranen wild uit zijne oogen, en snikken kropten op

uit zijn borst.

Hij viel op een zachte divan neer, en verborg het hoofd in een kussen,

dat die vreemde vrouw daar zijn snikken niet zou hooren.

„Leliane!... Leliane!...” fluisterde het in zijn ziel. „Mag ik haar nu

nog aanbidden, Leliane?...”

Totdat de wilde tranenvloed eindelijk bedaarde, en hij angstig de kamer

uit kon sluipen, zachtjes op de punten der teenen, de trap af naar de

voordeur, heimelijk, als een dief....

Leliane: een modern sprookje · 第 14 / 21 题