HOOFDSTUK IX.

Den volgenden morgen stond hij frisch en verlicht op. In het heldere

daglicht, met de nieuwe, klare ochtend-dingen om zich heen, dacht hij

niet meer om de donkere avond-figuren, die hem ’s avonds zoo angstig

hadden gemaakt.

En Marcelio had hem dien dag zooveel te vertellen, dat hij geen tijd

had hem nog te vragen wat toch die eenzame gestalten in de donkere

straat hadden gezocht.

’s Ochtends was Marcelio in het witte paleis bij de prinses geweest,

die hem had opgedragen, wat er met Paulus moest gedaan worden.

Prinses Leliane was heel dankbaar voor de diensten die Willebrordus en

Paulus haar hadden bewezen, maar zij wilde dat alles strikt geheim zou

blijven en er nooit iets van uitlekte. Paulus moest op zijn eerewoord

beloven, dat hij er nooit, aan wien ook, iets van zeggen zou.

Om hem te bewijzen, hoe erkentelijk zij was, zou de prinses hem op haar

kosten doen studeeren, en kende zij hem een jaargeld toe, dat zij hem,

om ruchtbaarheid te voorkomen, door Marcelio zou doen uitkeeren. Hij

zou lessen krijgen van de professoren die Hare Koninklijke Hoogheid

zelve onderwezen hadden, en, na voldoenden proeftijd, zou hij dan wel

zelf kunnen kiezen, welke studie hem het meeste aantrok. Als hij hard

studeerde, zou hij misschien nog wel toegelaten kunnen worden tot de

Militaire School, waar de garde-officieren werden opgeleid van de

koninklijke lijfwacht, en de beroemde „Ridders van den Dood.”—De

prinses zou zich door de professoren op de hoogte laten houden van

zijne vorderingen.—Ook zou zij inlichtingen laten inwinnen omtrent

Paulus’ afkomst, waarvan hij zelf niets wist. Marcelio kon hem nog

niets zeker er van zeggen, maar het was zeer waarschijnlijk, dat

Willebrordus indertijd een bekende persoonlijkheid geweest was in

Leliënstad.

Toen Marcelio hem vroeg, of hij goedvond wat de prinses over hem

beschikt had, antwoordde Paulus dat hij alles zou doen, wat zij wilde,

omdat alles natuurlijk was welgedaan, wat van háár tot hem kwam. En dit

meende hij, zonder er nader over te denken. Alléén vroeg hij, heel

deemoedig, of hij prinses Leliane nog wel eens zou mogen zien.

Maar dat zou vooreerst heel moeilijk gaan, zeide Marcelio. Alleen de

heeren en dames van de hofhouding mochten Hare Koninklijke Hoogheid

zien, en de hooge edelen en officieren, die op audiëntie gingen, en

genoodigd waren op de hoffeesten. Later misschien, als Paulus officier

was geworden van de garde, en als hij waardig was bevonden, in het

keurkorps te worden opgenomen van de „Ridders van den Dood”, dan zou de

prinses hem zelve beëedigen, en mocht hij ook misschien wel eens dienst

doen als ordonnance aan het hof. Die gunst zou Hare Koninklijke

Hoogheid hem misschien wel bewijzen, omdat hij haar gevonden en

verpleegd had toen zij verdwaald was in ’t bosch.

En Paulus vond het een groote genade, dat hij misschien ééns in haar

tegenwoordigheid zou mogen leven. Het kon ook niet zoo maar inééns

gaan. Hij moest eigenlijk eerst iets doen om zoo groote zaligheid te

verdienen. O! Kon hij toch maar ooit iets groots doen ter harer eere!

En hij nam zich voor te werken, te studeeren met al zijn macht, om dan

later misschien ééns uit te blinken, en haar te toonen, dat hij haar

hooge gunst waardig was.

Marcelio begon hem nu te ondervragen over wat hij alzoo gestudeerd had

met zijn grootvader in het bosch, en hij stond verbaasd, hoeveel Paulus

eigenlijk al wist. Wel stond hij nog erg onbeholpen in het groote

stadsleven, waarin hij nooit gewoond had, maar van de theorie der

dingen wist hij al veel, en er ontbrak nog alleen maar practische

ondervinding aan zijne ontwikkeling.

Marcelio vond het een interessant geval, en begon hoe langer hoe meer

belang te stellen in zijn’ jongen protégé. Hij voelde zich zoo’n beetje

als een oude corps-student, die alles heeft medegemaakt, en een

onervaren groen onder zijn bescherming heeft genomen.

Jong en rijk, in de verte zelfs geparenteerd aan het koninklijke huis,

en zeer gezien bij de prinses, die hem in hare hofhouding had

opgenomen, was graaf Marcelio altijd als een verwend kindje door het

leven gegaan, dat nooit ernst had gekend. Hij had een fijn gevoel voor

kunst, vooral waar die weelderig was, en een nog fijner gevoel voor

contrasten. De moderne strooming der tijden had hem niet hevig

voortgestuwd. Om op de hoogte te blijven, had hij ook aan politiek

gedaan, en eene studie gemaakt van de sociaal-democratische ideeën,

maar van alle toestanden in de maatschappij, en alle beschouwingen er

over, had hij alleen den humor van de contrasten gesavoureerd.

Verstandelijk was hij het met de sociaal-democraten eigenlijk eens, dat

de toestanden in de maatschappij ellendig en onrechtvaardig waren, maar

in zijn ziel was niet het groote sentiment, dat hem partij kon doen

kiezen. Hij leefde nu eenmaal zooals hij leefde, weelderig en

zinnelijk, en gaf toch gelijk aan degenen, die zulk een leven

nietswaardig noemden. Goedhartig en edelmoedig, vol ridderlijke

opwellingen, zat hij te vast in de sleur van zijn door hem zelf,

verstandelijk, inferieur gevonden leven, om zich aan de groote zaak van

het volk te wijden. Hij hield van goed eten, van elegante kleeren, en

van mooie vrouwen, en kon niet leven zonder de fijne emoties van

literatuur, schilderkunst en muziek, die hij als iets geheel buiten de

realiteit beschouwde, welke hij nu eenmaal gewoon dacht, wel met

prettige, streelende ontroeringen, maar toch gewoon. Hooge Liefde, en

reine Godsvereering raadde hij alleen intuïtief uit verzen en muziek,

maar in het leven kende hij enkel het zinnelijke genot, dat lief en

verrukkelijk aandeed, maar nooit zijn innerlijke ziel beroerde. Het was

de bewustheid van het nietige in zijn eigen bestaan, en van het onware

in de menschen en toestanden om hem, die hem in den lichtelijk

spottenden toon deed spreken, dien velen juist de charme in hem vonden.

Alleen als hij sprak over wat hij bewonderde in kunst en literatuur,

was die spot uit zijn stem verdwenen, maar liefst sprak hij er niet

over, en bewaarde dat eenige ernstige en heilige in hem als iets, dat

hij beter deed te verbergen.

Hij zat nu met zijn vreemden beschermeling eigenlijk een beetje in de

war. Er was nog zoo weinig in hem, dat hij als contrast genieten kon.

Hij leek nog zoo’n wezentje van droom en verbeelding, dat nergens steun

aan had, en als zweefde in een ledig. Zóó zou hij toch nooit in het

leven van de werkelijkheid terecht kunnen komen. Hij zou eerst wat

ontgroend moeten worden, dat was duidelijk. Anders kwam hij er nooit.

En zóó voelde hij iets van het medelijden voor Paulus, dat een ervaren

student heeft voor een groentje, die het leven nog niet kent, en nog

„maagd” is. Volkomen te goeder trouw en in allen ernst dacht hij, dat

het goed zou zijn hem te leeren kennen, wat hij „hèt leven” noemde, het

mondaine leven van Leliënstad, dat als het toppunt van westersche

beschaving gold voor de geheele wereld. Daartoe behoorde in de eerste

plaats wat hij met een onbewuste minachting „de vrouwen” noemde.

Hij genoot van de verbazing, die Paulus toonde over alle dingen in het

wereldsche stadsleven, waar híj al geblaseerd van was, en die hem niet

meer ontroerden. Somtijds werd hij ook wel eens werkelijk getroffen

door den angst en den afschuw, die Paulus toonde over zaken, die voor

hém doodgewoon waren, en waar hij het leelijke nooit van had gezien. Er

was eene prikkelende streeling voor hem in, zijn jongen protégé voor

allerlei nieuwe dingen te zetten, en dan te zien, welken indruk zij op

hem maakten. Het meest verbaasde hem zijn groote, ideale vereering voor

prinses Leliane, als voor een wezen, dat eigenlijk niet op de aarde

behoorde, maar in heilige, hemelsche sferen. Hij kende haar van zijne

vroegste jeugd af, kwam door zijn dienst als ordonnance dikwijls aan

het hof, en hij had haar nooit anders gezien dan als de vorstin, die

hij nu eenmaal eerbied betoonde, omdat dit zoo in de orde der dingen

lag, maar een eerbied, die uitsluitend uiterlijk vertoon was, en niet

wortelde in zijn ziel.

Paulus begon langzamerhand te gewennen aan het leven in Leliënstad.

Marcelio had hem den weg gewezen in de voornaamste straten, die hij

doormoest, en met de kaarten van Baedeker wist hij al overal te komen.

Met geld wist hij al heel gauw om te gaan, en Marcelio had hem genoeg

gegeven, om ruim mede rond te komen. Alles ging zoo gemakkelijk en

geleidelijk met dat geld, dat Paulus niet beter wist, of het hoorde nu

eenmaal zoo dat je in een winkel of een restaurant kwam, en dan zóó en

zóóveel muntstukken gaf in ruil voor de dingen, die je hebben wilde.

Maar over de eigenlijke waarde van dat geld, en de manier, waarop het

onder de verschillende menschen verdeeld was, dacht hij nog niet diep

na. Hij vond het nog te onbeduidend en te gewoon, om er kwaad of gevaar

in te zien.

’s Ochtends en ’s middags kreeg hij nu les van erg geleerde

professoren, die alles wisten, of volgde hij een college, of maakte

aanteekeningen bij boeken, die hij bestudeerde in de groote,

koninklijke Bibliotheek. Dat was een heerlijk ding voor hem geweest,

toen hij voor de eerste maal door Marcelio in die bibliotheek was

gebracht, waar al die duizenden boeken waren, waar hij uit mocht kiezen

wat hij wilde. De eerste dagen studeerde hij veel over

staathuishoudkunde en de inrichting van het rijk. Het allereerst wilde

hij weten, wat betrekking had op prinses Leliane.

Toen las hij, dat in Leliënland eene kroonprinses eerst dàn koningin

kon worden, als zij in het huwelijk was getreden, en haar achttiende

jaar had bereikt. Prinses Leliane, eene weeze, was de laatste

afstammelinge van een eeuwenoud geslacht, waarvan alle mannelijke

nakomelingen waren gestorven, en zij voerde nog den titel van prinses,

totdat zij eenmaal getrouwd zou zijn. Een raad van voogdij bestuurde

tot zoolang het land in haren naam, en hare tante, de oude hertogin

Marcelia, die eene verre nicht was van graaf Marcelio, was met de

moederlijke zorgen over haar belast.

Er werd nu al veel geschreven in de couranten over een aanstaand

huwelijk van de kroonprinses, nu zij al ruim zeventien jaar was, wie

alzoo de pretendenten konden zijn, enz.

Paulus dacht over deze dingen niet eens veel na. Hij besefte nog te

weinig, wat een huwelijk eigenlijk was, en zag Leliane nog altijd als

het héél verre schoon dat, hoog boven de stad, troonde in haar witte

paleis, in haar eigen sfeer van heilig licht, buiten het

werkelijkheidsleven van alle dag. Het was of de couranten een geheel

ander wezen bedoelden in hun geschrijf.

Marcelio had hem verteld, wanneer de prinses gewoonlijk uitreed om te

toeren, en dan stond hij, tusschen het volk verscholen, te wachten op

den Leliën-Boulevard, als zij van haar hooge woning nederdaalde naar de

stad.

Dan reed zij hem voorbij, een goddelijke verschijning, in witte kant

gekleed, leunende in de blauwe kussens van de koninklijke victoria,

frêle en bevallig als een fee van louter licht en glans.

Alle ontbloote hoofden bogen eerbiedig, en vriendelijk knikte zij de

menschen toe, die voor haar negen in vereering en groetenis.

En dit éven haar mogen zien was hem een groote, genadevolle zegen, die

hem rust en vrede gaf in het leven onder al die vreemde menschen.

Alleen het denkbeeld, dat hij in hare nabijheid mocht wonen, dat hij

haar morgen, of overmorgen weer éven zou mogen zien, en diep het hoofd

voor haar buigen, maakte hem al gelukkig.

Dikwijls liep hij den Leliën-Boulevard op om, boven bij de Cathedraal

staande, in de verte haar lichte paleis te zien. En als hij dan het

schitterende licht zag, waarin haar koninklijke huis als blank

porselein stond te glanzen, voelde hij den vrede weer terugkomen in

zijn ziel. Dáár ademde haar maagdelijke, lelie-reine leven, dáár woonde

zijne goddelijke gebiedster, die schooner was dan de witte water-lelies

in het bosch, dáár woonde zij, die heerlijker praalde voor zijn ziel

dan de stille sterren.... en dít was genoeg, alléén dit weten, dat het

wonder bestond van haar leven, en niets meer....

Hij raakte nu ook langzamerhand gewoon aan het drukke gewoel van de

straten. Dikwijls ging hij nu ’s avonds ook alleen uit, zonder

Marcelio.

Hij at nu geregeld elken dag in een vegetarisch restaurant, waar de

lucht van vleesch en wild hem niet hinderde, en om aan het ongewone

leven te wennen wandelde hij na het diner de groote Boulevards op en

af.

Het vreemde werd daardoor langzamerhand gewoon, maar toch had hij nog

dikwijls de sensatie van een onbestemden angst en een vaag vermoeden

van onraad, als hij ’s avonds te midden van het luid lawaaien van de

stad liep. Er moest iets in die straten zijn, dat hij nog niet zien

kon, maar dat gevaar was, en verschrikking....

Die jagende herrie, dat áltijd door gejoel en gejacht, kregen iets

tragisch voor hem, dat hij niet kwijt kon worden. Al die menschen, die

daar voortjoegen, of die zoo schijnbaar vroolijk opgepropt zaten in de

cafe’s, zij zagen er niet uit of zij gelukkig waren. Hij had nog géén

gezicht gezien zoo rustig en sereen als het maanlicht-vredige gelaat

van Willebrordus. Allen hadden zij iets zenuwachtigs, iets angstigs,

iets van onrust pijnlijke spanning.

Hij voelde het zóó: die menschen moesten geen lief „home” hebben,

zooals zijn eenvoudige kamertje in het bosch, zij moesten niet rustig

ergens alleen kunnen droomen, in stil verkeer met eigen, mooie

gedachten, dat ze allemaal maar zoo roezemoezig door elkaar woelden

tusschen die koude, doode huizen-gevaarten, of nauw samenhokten aan

tafeltjes met flesschen en glazen, in zoo’n muffe café-zaal vol weeë

menschen-lucht en verstikkenden tabaks-damp. Kende hier dan niemand den

stillen droom van boomen, en het wijze spiegelen van vlakken vijver, en

het vaag gevlied van transparante wolkjes in de lucht? En wat joeg hen

toch zoo angstig door elkaar, met geratel van rammelende wagens, en

triestig getoet van horens, en schel klokkengebel, door die steenen,

troostelooze straten, waar geen bloemen uit bloeiden, en waar alle

dingen koud en gevoelloos strak stonden om hen heen?

Zóó gingen de eerste weken voor Paulus voorbij, in studie van

stil-doorpeinsde uren bij lessen of werken in de bibliotheek, met ’s

avonds het altijd nog vreemde en vaag-beangstigende van ’t drukke

straatleven, waar hij al meer en meer aan wende, maar dat hij tóch nog

niet begreep, en dat hem niet vertrouwd werd.

Een groote troost was hem de Cathedraal, met zijn innig, heilig leven

boven de stad. Dikwijls, als de huizen-straten hem te angstig

benauwden, ging hij zich even veilig voelen bij de Cathedraal. Zij had

een eigen, apart bestaan, als een levend schepsel, en hij kende haar,

zooals zij was op vele uren van den dag.

Hoe het witte, reine Godsgebouw boven de stad opbloeide uit de

duisternis, met het eerste dagen van het licht, als eene groote, blanke

bloem, oprankende ten hemel! En vooral, hoe het ’s avonds ernstig vroom

werd van stille aandacht, met al de pracht van zijn ijle kantwerk

oprechtelijk uitgespreid, fijn als de loovertjes van boomen tegen

donker wordende lucht! Wat werd die wijze, kalme cathedraal een steun

in zijn moeizaam leven daar in de duistere stad! Somtijds, als hij er

langs ging, leunde hij zich vertrouwelijk tegen een harer oude muren,

zooals een kind, dat tegen zijn moeder steunt. En, zooals hij vroeger

wel eens de stammen der boomen in het bosch gestreeld had, ging hij

liefkoozend met zijne handen langs de grijze steen om het beter te

voelen, hoe het heilige wezen bij hem was. Eéns, op een laten avond,

toen hij had staan droomen in een portaal, waar vrome heiligenbeelden

op hem neerzagen, was opeens het machtige klokkenspel uitgeklingeld in

statig-bronzen carrillon, en in zalige verrukking was hij

nedergeknield, denkende dat hij de heilige muziek hoorde der engelen,

jubileerend in de luchten. En de zware, sonoor-gedragen klokkeslagen,

daarna nedergalmend van omhoog, wijd-uit gonzend over de groote,

donkere stad beneden, waren hem als ontzaglijke woorden Gods,

metaal-rein, van rechte gestrengheid...

Leliane: een modern sprookje · 第 13 / 21 题