Den volgenden morgen stond hij frisch en verlicht op. In het heldere
daglicht, met de nieuwe, klare ochtend-dingen om zich heen, dacht hij
niet meer om de donkere avond-figuren, die hem ’s avonds zoo angstig
hadden gemaakt.
En Marcelio had hem dien dag zooveel te vertellen, dat hij geen tijd
had hem nog te vragen wat toch die eenzame gestalten in de donkere
straat hadden gezocht.
’s Ochtends was Marcelio in het witte paleis bij de prinses geweest,
die hem had opgedragen, wat er met Paulus moest gedaan worden.
Prinses Leliane was heel dankbaar voor de diensten die Willebrordus en
Paulus haar hadden bewezen, maar zij wilde dat alles strikt geheim zou
blijven en er nooit iets van uitlekte. Paulus moest op zijn eerewoord
beloven, dat hij er nooit, aan wien ook, iets van zeggen zou.
Om hem te bewijzen, hoe erkentelijk zij was, zou de prinses hem op haar
kosten doen studeeren, en kende zij hem een jaargeld toe, dat zij hem,
om ruchtbaarheid te voorkomen, door Marcelio zou doen uitkeeren. Hij
zou lessen krijgen van de professoren die Hare Koninklijke Hoogheid
zelve onderwezen hadden, en, na voldoenden proeftijd, zou hij dan wel
zelf kunnen kiezen, welke studie hem het meeste aantrok. Als hij hard
studeerde, zou hij misschien nog wel toegelaten kunnen worden tot de
Militaire School, waar de garde-officieren werden opgeleid van de
koninklijke lijfwacht, en de beroemde „Ridders van den Dood.”—De
prinses zou zich door de professoren op de hoogte laten houden van
zijne vorderingen.—Ook zou zij inlichtingen laten inwinnen omtrent
Paulus’ afkomst, waarvan hij zelf niets wist. Marcelio kon hem nog
niets zeker er van zeggen, maar het was zeer waarschijnlijk, dat
Willebrordus indertijd een bekende persoonlijkheid geweest was in
Leliënstad.
Toen Marcelio hem vroeg, of hij goedvond wat de prinses over hem
beschikt had, antwoordde Paulus dat hij alles zou doen, wat zij wilde,
omdat alles natuurlijk was welgedaan, wat van háár tot hem kwam. En dit
meende hij, zonder er nader over te denken. Alléén vroeg hij, heel
deemoedig, of hij prinses Leliane nog wel eens zou mogen zien.
Maar dat zou vooreerst heel moeilijk gaan, zeide Marcelio. Alleen de
heeren en dames van de hofhouding mochten Hare Koninklijke Hoogheid
zien, en de hooge edelen en officieren, die op audiëntie gingen, en
genoodigd waren op de hoffeesten. Later misschien, als Paulus officier
was geworden van de garde, en als hij waardig was bevonden, in het
keurkorps te worden opgenomen van de „Ridders van den Dood”, dan zou de
prinses hem zelve beëedigen, en mocht hij ook misschien wel eens dienst
doen als ordonnance aan het hof. Die gunst zou Hare Koninklijke
Hoogheid hem misschien wel bewijzen, omdat hij haar gevonden en
verpleegd had toen zij verdwaald was in ’t bosch.
En Paulus vond het een groote genade, dat hij misschien ééns in haar
tegenwoordigheid zou mogen leven. Het kon ook niet zoo maar inééns
gaan. Hij moest eigenlijk eerst iets doen om zoo groote zaligheid te
verdienen. O! Kon hij toch maar ooit iets groots doen ter harer eere!
En hij nam zich voor te werken, te studeeren met al zijn macht, om dan
later misschien ééns uit te blinken, en haar te toonen, dat hij haar
hooge gunst waardig was.
Marcelio begon hem nu te ondervragen over wat hij alzoo gestudeerd had
met zijn grootvader in het bosch, en hij stond verbaasd, hoeveel Paulus
eigenlijk al wist. Wel stond hij nog erg onbeholpen in het groote
stadsleven, waarin hij nooit gewoond had, maar van de theorie der
dingen wist hij al veel, en er ontbrak nog alleen maar practische
ondervinding aan zijne ontwikkeling.
Marcelio vond het een interessant geval, en begon hoe langer hoe meer
belang te stellen in zijn’ jongen protégé. Hij voelde zich zoo’n beetje
als een oude corps-student, die alles heeft medegemaakt, en een
onervaren groen onder zijn bescherming heeft genomen.
Jong en rijk, in de verte zelfs geparenteerd aan het koninklijke huis,
en zeer gezien bij de prinses, die hem in hare hofhouding had
opgenomen, was graaf Marcelio altijd als een verwend kindje door het
leven gegaan, dat nooit ernst had gekend. Hij had een fijn gevoel voor
kunst, vooral waar die weelderig was, en een nog fijner gevoel voor
contrasten. De moderne strooming der tijden had hem niet hevig
voortgestuwd. Om op de hoogte te blijven, had hij ook aan politiek
gedaan, en eene studie gemaakt van de sociaal-democratische ideeën,
maar van alle toestanden in de maatschappij, en alle beschouwingen er
over, had hij alleen den humor van de contrasten gesavoureerd.
Verstandelijk was hij het met de sociaal-democraten eigenlijk eens, dat
de toestanden in de maatschappij ellendig en onrechtvaardig waren, maar
in zijn ziel was niet het groote sentiment, dat hem partij kon doen
kiezen. Hij leefde nu eenmaal zooals hij leefde, weelderig en
zinnelijk, en gaf toch gelijk aan degenen, die zulk een leven
nietswaardig noemden. Goedhartig en edelmoedig, vol ridderlijke
opwellingen, zat hij te vast in de sleur van zijn door hem zelf,
verstandelijk, inferieur gevonden leven, om zich aan de groote zaak van
het volk te wijden. Hij hield van goed eten, van elegante kleeren, en
van mooie vrouwen, en kon niet leven zonder de fijne emoties van
literatuur, schilderkunst en muziek, die hij als iets geheel buiten de
realiteit beschouwde, welke hij nu eenmaal gewoon dacht, wel met
prettige, streelende ontroeringen, maar toch gewoon. Hooge Liefde, en
reine Godsvereering raadde hij alleen intuïtief uit verzen en muziek,
maar in het leven kende hij enkel het zinnelijke genot, dat lief en
verrukkelijk aandeed, maar nooit zijn innerlijke ziel beroerde. Het was
de bewustheid van het nietige in zijn eigen bestaan, en van het onware
in de menschen en toestanden om hem, die hem in den lichtelijk
spottenden toon deed spreken, dien velen juist de charme in hem vonden.
Alleen als hij sprak over wat hij bewonderde in kunst en literatuur,
was die spot uit zijn stem verdwenen, maar liefst sprak hij er niet
over, en bewaarde dat eenige ernstige en heilige in hem als iets, dat
hij beter deed te verbergen.
Hij zat nu met zijn vreemden beschermeling eigenlijk een beetje in de
war. Er was nog zoo weinig in hem, dat hij als contrast genieten kon.
Hij leek nog zoo’n wezentje van droom en verbeelding, dat nergens steun
aan had, en als zweefde in een ledig. Zóó zou hij toch nooit in het
leven van de werkelijkheid terecht kunnen komen. Hij zou eerst wat
ontgroend moeten worden, dat was duidelijk. Anders kwam hij er nooit.
En zóó voelde hij iets van het medelijden voor Paulus, dat een ervaren
student heeft voor een groentje, die het leven nog niet kent, en nog
„maagd” is. Volkomen te goeder trouw en in allen ernst dacht hij, dat
het goed zou zijn hem te leeren kennen, wat hij „hèt leven” noemde, het
mondaine leven van Leliënstad, dat als het toppunt van westersche
beschaving gold voor de geheele wereld. Daartoe behoorde in de eerste
plaats wat hij met een onbewuste minachting „de vrouwen” noemde.
Hij genoot van de verbazing, die Paulus toonde over alle dingen in het
wereldsche stadsleven, waar híj al geblaseerd van was, en die hem niet
meer ontroerden. Somtijds werd hij ook wel eens werkelijk getroffen
door den angst en den afschuw, die Paulus toonde over zaken, die voor
hém doodgewoon waren, en waar hij het leelijke nooit van had gezien. Er
was eene prikkelende streeling voor hem in, zijn jongen protégé voor
allerlei nieuwe dingen te zetten, en dan te zien, welken indruk zij op
hem maakten. Het meest verbaasde hem zijn groote, ideale vereering voor
prinses Leliane, als voor een wezen, dat eigenlijk niet op de aarde
behoorde, maar in heilige, hemelsche sferen. Hij kende haar van zijne
vroegste jeugd af, kwam door zijn dienst als ordonnance dikwijls aan
het hof, en hij had haar nooit anders gezien dan als de vorstin, die
hij nu eenmaal eerbied betoonde, omdat dit zoo in de orde der dingen
lag, maar een eerbied, die uitsluitend uiterlijk vertoon was, en niet
wortelde in zijn ziel.
Paulus begon langzamerhand te gewennen aan het leven in Leliënstad.
Marcelio had hem den weg gewezen in de voornaamste straten, die hij
doormoest, en met de kaarten van Baedeker wist hij al overal te komen.
Met geld wist hij al heel gauw om te gaan, en Marcelio had hem genoeg
gegeven, om ruim mede rond te komen. Alles ging zoo gemakkelijk en
geleidelijk met dat geld, dat Paulus niet beter wist, of het hoorde nu
eenmaal zoo dat je in een winkel of een restaurant kwam, en dan zóó en
zóóveel muntstukken gaf in ruil voor de dingen, die je hebben wilde.
Maar over de eigenlijke waarde van dat geld, en de manier, waarop het
onder de verschillende menschen verdeeld was, dacht hij nog niet diep
na. Hij vond het nog te onbeduidend en te gewoon, om er kwaad of gevaar
in te zien.
’s Ochtends en ’s middags kreeg hij nu les van erg geleerde
professoren, die alles wisten, of volgde hij een college, of maakte
aanteekeningen bij boeken, die hij bestudeerde in de groote,
koninklijke Bibliotheek. Dat was een heerlijk ding voor hem geweest,
toen hij voor de eerste maal door Marcelio in die bibliotheek was
gebracht, waar al die duizenden boeken waren, waar hij uit mocht kiezen
wat hij wilde. De eerste dagen studeerde hij veel over
staathuishoudkunde en de inrichting van het rijk. Het allereerst wilde
hij weten, wat betrekking had op prinses Leliane.
Toen las hij, dat in Leliënland eene kroonprinses eerst dàn koningin
kon worden, als zij in het huwelijk was getreden, en haar achttiende
jaar had bereikt. Prinses Leliane, eene weeze, was de laatste
afstammelinge van een eeuwenoud geslacht, waarvan alle mannelijke
nakomelingen waren gestorven, en zij voerde nog den titel van prinses,
totdat zij eenmaal getrouwd zou zijn. Een raad van voogdij bestuurde
tot zoolang het land in haren naam, en hare tante, de oude hertogin
Marcelia, die eene verre nicht was van graaf Marcelio, was met de
moederlijke zorgen over haar belast.
Er werd nu al veel geschreven in de couranten over een aanstaand
huwelijk van de kroonprinses, nu zij al ruim zeventien jaar was, wie
alzoo de pretendenten konden zijn, enz.
Paulus dacht over deze dingen niet eens veel na. Hij besefte nog te
weinig, wat een huwelijk eigenlijk was, en zag Leliane nog altijd als
het héél verre schoon dat, hoog boven de stad, troonde in haar witte
paleis, in haar eigen sfeer van heilig licht, buiten het
werkelijkheidsleven van alle dag. Het was of de couranten een geheel
ander wezen bedoelden in hun geschrijf.
Marcelio had hem verteld, wanneer de prinses gewoonlijk uitreed om te
toeren, en dan stond hij, tusschen het volk verscholen, te wachten op
den Leliën-Boulevard, als zij van haar hooge woning nederdaalde naar de
stad.
Dan reed zij hem voorbij, een goddelijke verschijning, in witte kant
gekleed, leunende in de blauwe kussens van de koninklijke victoria,
frêle en bevallig als een fee van louter licht en glans.
Alle ontbloote hoofden bogen eerbiedig, en vriendelijk knikte zij de
menschen toe, die voor haar negen in vereering en groetenis.
En dit éven haar mogen zien was hem een groote, genadevolle zegen, die
hem rust en vrede gaf in het leven onder al die vreemde menschen.
Alleen het denkbeeld, dat hij in hare nabijheid mocht wonen, dat hij
haar morgen, of overmorgen weer éven zou mogen zien, en diep het hoofd
voor haar buigen, maakte hem al gelukkig.
Dikwijls liep hij den Leliën-Boulevard op om, boven bij de Cathedraal
staande, in de verte haar lichte paleis te zien. En als hij dan het
schitterende licht zag, waarin haar koninklijke huis als blank
porselein stond te glanzen, voelde hij den vrede weer terugkomen in
zijn ziel. Dáár ademde haar maagdelijke, lelie-reine leven, dáár woonde
zijne goddelijke gebiedster, die schooner was dan de witte water-lelies
in het bosch, dáár woonde zij, die heerlijker praalde voor zijn ziel
dan de stille sterren.... en dít was genoeg, alléén dit weten, dat het
wonder bestond van haar leven, en niets meer....
Hij raakte nu ook langzamerhand gewoon aan het drukke gewoel van de
straten. Dikwijls ging hij nu ’s avonds ook alleen uit, zonder
Marcelio.
Hij at nu geregeld elken dag in een vegetarisch restaurant, waar de
lucht van vleesch en wild hem niet hinderde, en om aan het ongewone
leven te wennen wandelde hij na het diner de groote Boulevards op en
af.
Het vreemde werd daardoor langzamerhand gewoon, maar toch had hij nog
dikwijls de sensatie van een onbestemden angst en een vaag vermoeden
van onraad, als hij ’s avonds te midden van het luid lawaaien van de
stad liep. Er moest iets in die straten zijn, dat hij nog niet zien
kon, maar dat gevaar was, en verschrikking....
Die jagende herrie, dat áltijd door gejoel en gejacht, kregen iets
tragisch voor hem, dat hij niet kwijt kon worden. Al die menschen, die
daar voortjoegen, of die zoo schijnbaar vroolijk opgepropt zaten in de
cafe’s, zij zagen er niet uit of zij gelukkig waren. Hij had nog géén
gezicht gezien zoo rustig en sereen als het maanlicht-vredige gelaat
van Willebrordus. Allen hadden zij iets zenuwachtigs, iets angstigs,
iets van onrust pijnlijke spanning.
Hij voelde het zóó: die menschen moesten geen lief „home” hebben,
zooals zijn eenvoudige kamertje in het bosch, zij moesten niet rustig
ergens alleen kunnen droomen, in stil verkeer met eigen, mooie
gedachten, dat ze allemaal maar zoo roezemoezig door elkaar woelden
tusschen die koude, doode huizen-gevaarten, of nauw samenhokten aan
tafeltjes met flesschen en glazen, in zoo’n muffe café-zaal vol weeë
menschen-lucht en verstikkenden tabaks-damp. Kende hier dan niemand den
stillen droom van boomen, en het wijze spiegelen van vlakken vijver, en
het vaag gevlied van transparante wolkjes in de lucht? En wat joeg hen
toch zoo angstig door elkaar, met geratel van rammelende wagens, en
triestig getoet van horens, en schel klokkengebel, door die steenen,
troostelooze straten, waar geen bloemen uit bloeiden, en waar alle
dingen koud en gevoelloos strak stonden om hen heen?
Zóó gingen de eerste weken voor Paulus voorbij, in studie van
stil-doorpeinsde uren bij lessen of werken in de bibliotheek, met ’s
avonds het altijd nog vreemde en vaag-beangstigende van ’t drukke
straatleven, waar hij al meer en meer aan wende, maar dat hij tóch nog
niet begreep, en dat hem niet vertrouwd werd.
Een groote troost was hem de Cathedraal, met zijn innig, heilig leven
boven de stad. Dikwijls, als de huizen-straten hem te angstig
benauwden, ging hij zich even veilig voelen bij de Cathedraal. Zij had
een eigen, apart bestaan, als een levend schepsel, en hij kende haar,
zooals zij was op vele uren van den dag.
Hoe het witte, reine Godsgebouw boven de stad opbloeide uit de
duisternis, met het eerste dagen van het licht, als eene groote, blanke
bloem, oprankende ten hemel! En vooral, hoe het ’s avonds ernstig vroom
werd van stille aandacht, met al de pracht van zijn ijle kantwerk
oprechtelijk uitgespreid, fijn als de loovertjes van boomen tegen
donker wordende lucht! Wat werd die wijze, kalme cathedraal een steun
in zijn moeizaam leven daar in de duistere stad! Somtijds, als hij er
langs ging, leunde hij zich vertrouwelijk tegen een harer oude muren,
zooals een kind, dat tegen zijn moeder steunt. En, zooals hij vroeger
wel eens de stammen der boomen in het bosch gestreeld had, ging hij
liefkoozend met zijne handen langs de grijze steen om het beter te
voelen, hoe het heilige wezen bij hem was. Eéns, op een laten avond,
toen hij had staan droomen in een portaal, waar vrome heiligenbeelden
op hem neerzagen, was opeens het machtige klokkenspel uitgeklingeld in
statig-bronzen carrillon, en in zalige verrukking was hij
nedergeknield, denkende dat hij de heilige muziek hoorde der engelen,
jubileerend in de luchten. En de zware, sonoor-gedragen klokkeslagen,
daarna nedergalmend van omhoog, wijd-uit gonzend over de groote,
donkere stad beneden, waren hem als ontzaglijke woorden Gods,
metaal-rein, van rechte gestrengheid...