Langzaam daalden zij den Boulevard weer af.
Maar beneden, in een drukke winkelstraat, kwam opeens iets
afschuwelijks Paulus’ vredige vreugde over Leliane’s hooge veiligheid
verstoren.
Hij liep in druk gesprek met zijn geleider, toen hij plotseling ontzet
bleef stilstaan, met angstige oogen.
„Wat is er?” riep Marcelio. „Waar schrik je zoo van?”
„Dáár, dáár,” riep Paulus, en wees ontsteld naar een oude vrouw die
voor hem stond, met een mand. Want in de mand lagen, dicht
opeengehoopt, bloederig en jammerlijk, de lijkjes van lijsters, die zij
te koop ventte, de lijkjes van zijn lieve zang-vriendjes uit het bosch.
Ze waren gruwelijk om aan te zien, met de fijne pootjes ruw
saamgebonden, met geloken, blinde oogjes, en de halsjes bebloed.
Treurig hingen de doode kopjes uitgestrekt, verstard van pijn.
De tranen stonden Paulus in de oogen.
„Mijn lievelingen... mijn lievelingen,” zeide hij.
„Kom,” zeide Marcelio, een beetje ruw. „Je moet niet zoo week zijn,
kereltje. Dat zijn doode lijsters, anders niets. Ga nu door... De
menschen kijken...”
Werkelijk stonden een paar voorbijgangers stil. Een loopjongen riep
wat, spottend.
Paulus zag harde, roode gezichten. Daar wás het weer ineens terug, het
angstige, vijandige, van gisteren avond.
„Je moet je nu maar goed houden,” zeide Marcelio. „We zijn hier in de
Wild-straat, en hier wonen veel poeliers. Nu asjeblieft niet wéék
zijn... doorloopen hoor... geen gekheid...”
En Paulus liep door. Maar tóch zag hij het, en hij beet zich op de
lippen om niet uit te barsten in snikken en wild wraakgeroep.
Want daar lagen ze—uitgestald als het goud, en de diamanten, en de
kanten weefsels—de slappe, bleeke lijkjes van zijn lievelingen,
vinkjes, bij lange rissen aan touw gebonden, lijsters, snippen,
patrijzen, vermoord bij honderden, in wreede, laffe slachting. Overal
lag bloed in gore, sombere vlekken, zooals het eerste bloed dat hij
gezien had op de doode witte ree, bij Leliane.
En dit alles als heel gewoon. Alsof er niets gebeurd was, en dit zoo
hoorde. De menschen op straat keken er niet naar. Het was voor hen als
al die dingen, die achter winkelramen te koop lagen. Zij zagen niet den
jammer in al die blinde oogjes, de pijn in dat uitgestrekte van hals en
pooten, het teêre en lieve in die zachte, bebloede keeltjes, dié ééns
vroolijk hadden gezongen zoo mooi lied.
En het was „week” had Marcelio gezegd, om dit droef te vinden.
Maar o! als die menschen dàt doen konden, als die menschen, die daar om
hem heen liepen met strakke, onverschillige gezichten, dit zonder
mededoogen konden aanzien, dan konden zij ook ál het teedere en lieve
vermoorden, dat in hem zelf was.
En opeens, met een fellen steek in hem door, de gedachte:
„Maar God, die aller schepselen Vader is, maar God, zonder Wiens wil
geen muschje sterft? Gedoogt Hij dit?...”
En vlak naast hem zag hij opeens het lijk van een zachte, lichtbruine
ree, ruw opgehangen aan de achterpooten, het fijne, vertrouwelijke
kopje klagelijk hangend naar beneden, de bleeke tong ver uitgerekt,
waar bloed langs drupte. Op straat lag een kleine, ronde plas van dat
afgedroppelde bloed. En het was hem, of hij nog pijn zag in de groote,
angstig gebroken oogen.
Hij kón het niet langer uithouden, en bleef even ontzet staan, de oogen
vol tranen.
„Arme lieveling,” zeide hij, en streelde medelijdend met zijn hand de
zachte, verstijfde haren, en kuste den dooden bloederigen kop.
Maar Marcelio greep hem stijf bij de hand, en trok hem met zich mede.
„Ben je nu gek?” zeide hij. „Wat moeten de menschen denken? Kom, ga nu
mee....”
En hij ging mede, gewillig, liep hard door, met groote stappen, om niet
langer dat verschrikkelijke te zien van al zijn lieve, zachtaardige
vriendjes uit het bosch, die daar jammerlijk waren uitgestald als
koopwaar, lafhartig vermoord, als bloederige lijkjes, door niemand
betreurd....
Toen, in een breede, rijke straat, nam Marcelio hem opeens mede in een
groot, aanzienlijk huis.
Door een glazen deur, met prachtige figuren, in zachte kleuren
geschilderd, kwamen zij in een roode zaal van weelde. Het zachte
tapijt, waar de voeten onhoorbaar in wegdonsden, was donker-rood, en
langs de groote ruiten hingen donker-roode gordijnen. Het plafond was
van dezelfde kleur, met gouden arabesken, en goud praalde ook op de
donker-gemarmerde pilaren. Hel-wit plekten de lakens van gedekte
tafeltjes, waar kristal en zilver op blonk.
Een voornaam heer in ’t zwart, met glanzend wit overhemd, kwam op hun
af, buigend, onderdanig, en noodigde hen vriendelijk uit, te gaan
zitten. Zoo hartelijk als een vriend, die een ander iets goeds wil
aandoen, dacht Paulus. En toch was er iets vreemds bij, iets kouds, dat
hij niet kon thuis brengen.
„Dit is nu een restaurant,” zeide Marcelio, „en een goed ook. Zelfs als
je bang bent om vleesch te eten, zoo als jij, is er hier nog heel wat
lekkers te krijgen. En om je pleizier te doen zullen we nu eens als
echte vegetariërs het menu opmaken.”
Er kwam nu weer een andere deftige heer aan, wien Marcelio opgaf, wat
hij hebben wilde, en die toen weer eerbiedig boog, en heenging, om
alles te halen.
Paulus verwonderde zich een beetje, en vond het zoo vreemd, dat de eene
mensch maar commandeerde, en er dan anderen klaarstonden om voor hem te
zorgen. Maar hij durfde nog niet dadelijk alles te vragen, bang dat het
weer „week” zou worden gevonden.
Er zaten nog méér menschen aan zulke mooie tafeltjes, als waar hij nu
aan zat. En telkens kwamen van die zwart gerokte heeren hen bedienen,
eerbiedig en voorkomend. Wat vreemd, dat er zoo waren, die maar
behoefden te gaan zitten, om van de anderen alles te krijgen!
Marcelio zag zijne verwondering, en lachte.
„Dat zijn nu kellners,” zeide hij, „die luitjes in die mooie rokken.
Kijk ze maar eens goed aan, het zijn hier goede typen.... de
voorkomendheid zelve, als je gewoon bent ze een goede fooi te
geven....”
Nú herinnerde Paulus zich iets. O ja... kellners en restaurants... in
die en die boeken er immers van gelezen....
Maar toch bleef het begrip nog vaag, nu hij er zoo ineens in de
werkelijkheid voor stond.
Hij vond het erg voornaam, zoo’n zaal. Al dat rood en dat goud. En dat
alleen om even te eten! Deden de menschen dat altijd in zoo’n praal?
De gerechten werden nu voor hem aangedragen, plechtig, met groote zorg,
of het heilige dingen waren.
Hoe gracieus bood zoo’n kellner-heer een schotel aan, bijna of hij het
zelf een groot pleizier vond, hun zoo iets te mogen geven!
En hoe geurig waren al die spijzen, hoe prachtig opgedischt, met groen
en bloemen! Hij durfde er bijna niet van te nemen, bang om de mooie
harmonie van den schotel te bederven.
„Neem maar gerust!” zeide Marcelio bemoedigend. „Er is niets van
vleesch of wild bij, hoor!”
Paulus had honger, en liet zich alles goed smaken, de fijne
eierschotels, de crême-zachte asperges, de malsche salade. Zóó heerlijk
had hij nog nooit gegeten. En met blijdschap zag hij aan het dessert de
sappige, lekkere vruchten komen, perziken, en peren, en druiven.
Hij liet zich ook door Marcelio een zoeten wijn inschenken. Enkel van
druiven, werd hem gezegd, dat kon toch heusch geen kwaad. En hij genoot
van den streelenden, vleienden smaak van de goudgele Haut-Sauternes op
zijn tong, dronk nog eens en nog eens.
Zijn angst van zooeven dreef er onmerkbaar door weg, en een lichte,
ongekende vreugde voelde hij er van in hem opstijgen. Een gevoel van
voldaanheid, van zacht bien-être, kwam over hem heen.
Deze mooie, kleurenrijke zaal, die witte, heldere tafeltjes met bloemen
en kristal, die vroolijk pratende menschen om hem heen, die wèlbekende,
heerlijke vruchten met den ouden, vertrouwden geur, het was toch wèl
aangenaam zoo te eten, en dan die lichte vreugde in je hoofd te
voelen... Het was misschien niet zoo verschrikkelijk in de stad...
Maar toch was hij een beetje moe. Hij zou nu eigenlijk wel wat willen
liggen, heel rustig en niet praten. En hij zeide het ook maar aan
Marcelio, dat hij nu wel weer wat naar huis wilde.
Marcelio riep den kellner en vroeg om de rekening, die op een lang blad
glanzend papier werd gebracht. Paulus zag, hoe hij groote geldstukken
uit zijn portemonnaie nam. De kellner bedankte, en boog weer diep. Een
andere kellner bracht hun hoeden en jassen, en geleidde hen naar de
deur, die hij buigend opende.
Marcelio riep een koetsier, die met een leeg open rijtuig voorbijging,
en hen naar de Koninginnestraat reed.
Weer dacht Paulus even, hoe vreemd het was dat alles dadelijk voor
Marcelio klaarstond, die maar had te commandeeren, om door andere
menschen bediend te worden, die alles voor hem deden. Maar daar zou hij
later liever eens over vragen.
Toen hij weer op zijn kamer was voelde hij pas hoe moê hij was van al
dat nieuwe, in de drukte van de stad. En Marcelio begreep dat ook.
„Je blijft nu maar wat kalm hier op een canapé liggen,” zeide hij. „Als
je je verveelt, in deze kast zijn boeken hoor, en je neemt er maar uit,
wat je áánstaat. Ik ga weer uit, ook nog naar ’t paleis even. Om zes
uur kom ik je weer halen en zal ik je nog meer van Leliënstad laten
zien. Nu eerst maar eens wat goed uitrusten.”
En Paulus was weer alleen.
Zijn hoofd duizelde nog wat. Het gedruisch van de stad en het ratelen
van de wagens dreunde nog vaag om zijn ooren. Hier in de stilte van de
kamer was het nóg niet weg. Hij leunde met het hoofd op het kussen van
de canapé en hield de handen tegen zijn ooren, om niet meer te hooren
dat suizende leven.
Toen sliep hij in, en alles zonk weg in rustige stilte....
Toen hij wakker werd, was het bijna vijf uur. Hij voelde zich weer
geheel frisch, toen hij zich flink gewasschen had, en schoon linnen had
aangedaan. Nog een heel uur, dan zou Marcelio pas komen. Als hij
zoolang eens wat ging lezen?
Kijk, daar stonden juist zijn lievelingsverzen op de eerste plank van
de boekenkast: Wederich, Gedichten. Hoe dikwijls had hij ze in het
Bosch niet gelezen, op zijn lievelingsplekje bij de witte waterlelies!
Hij kende ze al zoolang, maar nooit had hij ze zoo innig gevoeld als
nu, nu hij het groote stadsleven had gezien. Want zij vertelden van
Wederich’s eenzaam leven te midden van die honderdduizenden, die hem
vreemd waren, van zijn trotsche, bittere armoede in de weelde-stad,
waarin hij zich toch rijker voelde dan allen door de groote, mooie
liefde, die bloeide in zijn hart, en die hij met zich meedroeg als een
heiligen, kostbaren schat, dien niemand zien mocht. Het waren verzen
van stille gepeinzen in afgelegen parken, van vroom doorgeleden uren
onder Liefste’s venster, van trotsche verachting voor ’s werelds roem
en faam, van sober, arm, onbekend leven nú, in de heerlijke zekerheid
van ééns onsterfelijk te zijn.
Hij had ze altijd prachtig gevonden van trots en grooten eenvoud, maar
nu hij zelf de donkere drommen van koude menschen om zich gezien had,
besefte hij pas, wat Wederich bedoeld had met het stille ronddragen van
zijn kostbaren ziele-schat te midden der duistere duizenden.
O! Dat die groote dichter leefde in diezelfde stad waarin hij nu ook
woonde, dat hij misschien kans had, hem ééns te zien, van aangezicht
tot aangezicht, wat was dat opeens een heerlijk denkbeeld voor hem! Hij
zou hem natuurlijk van-zelf herkennen, zonder dat iémand het hem zeide.
Dadelijk zou hij het zien, aan zijn donkere Christus-oogen, aan zijn
hoog, bleek voorhoofd, verheerlijkt door zooveel heilige gedachten!
En als hij hem ééns kennen mocht, dan zou hij hem geven het liefste,
dat in zijn ziel was, en hem vertellen van het bosch, en de vogels, en
de bloemen, en van de rustige schoonheid van de witte water-lelies, en
van de rustige schoonheid van Leliane....
Marcelio’s binnenkomen schrikte hem wakker uit zijn gepeins over den
geliefden dichter.
Hij was in het paleis geweest, bij de prinses, die genadiglijk naar
Paulus gevraagd had. En hij moest Paulus vertellen, hoe zij er had
uitgezien, en hoe het toch wel was in haar koninklijke vertrekken, en
ieder woord, dat zij gezegd had.
„Maar nu neem ik je weer mee uit,” zeide Marcelio. „De eerste dagen zal
ik je zoo’n beetje den weg wijzen, en dán moet je zelf maar je heil
zoeken. Je zult het leven hier gauw genoeg kennen. Dat wént wel. Dan
begrijp je niet, hoe je ooit buiten Leliënstad hebt kunnen leven.”
En weêr gingen zij de drukke Koninginnestraat door, waar de lantarens
al werden ontstoken, en de weelderige winkels al schitterden van licht.
Rijtuigen ratelden, omnibussen rolden voorbij, en angstig klonk het
getoet van automobielen. Op de trottoirs schuifelden honderden
menschen, zenuwachtig-bewegelijk, roezemoezend. Jongens met couranten
schreeuwden nieuws uit, doordringend, hoog van toon, als kreten van
angst. En een oogenblik beving het Paulus weer met schrik, en voelde
hij lust om terug te gaan naar zijn kamer, om stil in Wederich’s verzen
te lezen.
„Het is of al die menschen bang voor iets zijn, of heel gejaagd naar
iets vreeselijks moeten,” zeide hij tegen zijn geleider. „Ik zie nog
altijd zoo iets angstigs in een straat. Net of er iets ergs moet
gebeuren.”
Marcelio lachte even.
„Maar dat is juist het mooie van Leliënstad, mijn beste kerel! Dat
nerveuze, dat heerlijk gejaagde! Nu komt de avond, weet je, en den
nacht. Dan beginnen de echte lui hier pas te leven, en worden de
zenuwen pas geprikkeld. Overdag is het hier je ware nog niet, dat is
eigenlijk maar zoo’n soort voorspel, maar ’s nachts is het leven hier
op zijn hevigst. Je moet eerst nog een beetje wennen. Dan zal ik je
later eens het groote nachtleven laten zien. En de Leliënstadsche
vrouwen vooral, de mooiste, de elegantste, de geestigste van de
wereld....”
Paulus begreep nog niet, wat Marcelio hier eigenlijk mede bedoelde.
Door zijn eenzaam leven in het bosch, en door zijn lezen van verzen en
romans, buiten het realiteits-leven om, had hij van vrouwen nog het
vage, romantische idee, dat zij iets veel beters waren dan mannen, iets
bijna heiligs, zooals bijvoorbeeld engelen of feeën.
Hij zag heel goed de vrouwen, die hem voorbijgingen op de straat, en
hij zag haar zooals hij altijd bloemen had gezien, met blijdschap over
haar mooie kleuren en lijnen. Er liepen rijk-gekleede vrouwen in de
Koninginnestraat, die gracieus den rok ophielden voor het stof van ’t
trottoir, en wiegend gingen, alsof een zachte muziek binnen in haar
ziel haar begeleidde. Bewonderend keek Paulus ze aan. Somtijds lachte
een vrouw hem lief toe, en dat vond hij dan erg vriendelijk.—Hij zag
ook, hoe andere heeren die mooie vrouwen nakeken, bewonderend. Zonder
erg zeide hij het aan zijn leidsman, hoe mooi hij een vrouw vond, die
voorbijging, en dan lachte Marcelio schalks geheimzinnig.
Na wat rond-geflaneer, met nu en dan wat kijken voor mooie winkels, nam
Marcelio hem mede naar een Boulevard, waar veel restaurants en café’s
waren. En nu gebeurde weer hetzelfde als dien middag. Een groote zaal,
nú lichtgroen, met veel goud en marmer, en de wit-gedekte tafeltjes, en
de kellners in rok en witte das. Alleen at Marcelio nu vleesch, groote,
roode stukken, die hij fijn sneed, met een scherp mes. Paulus vond dat
het wee en akelig rook, en het idee dat het stukjes lijk waren van een
koe vond hij verschrikkelijk. Hij had moeite, zelf zijn eigen
vegetarische spijzen op te eten, met dat vleesch van een vermoord dier
onder zijn oogen. Maar hij hield zich goed, om toch vooral niet week te
schijnen. En alle andere menschen in het volle restaurant deden als
Marcelio, en aten vleesch van doode runderen, en schapen, en vogels.
Het scheen iets heel natuurlijks te zijn hier in de stad, dat nu
eenmaal zoo hoorde, en zonder de verschrikking was, die hij er in vond.
Na het diner, dat bijna een uur duurde, kwam de koffie, fijne
Mocca-essence, in heel kleine kopjes, geserveerd in broos servies, op
zilveren schaal, met groote zorg, of het heilige dingen betrof. En
Paulus verwonderde zich weer over het gewicht, dat hier in de stad aan
het eten werd gehecht, en aan die plechtigheid er bij, of het een
godsdienstige ceremonie gold. Het scheen heel natuurlijk te zijn, dat
al die mooi gekleede heeren en dames daar in die weelde-zaal kwamen
zitten, en dat dan vanzelf al die heerlijke gerechten voor hen klaar
stonden, en met praal voor hen werden opgediend. Maar het was hem toch
niet recht duidelijk, hoe het allemaal precies in elkaar zat, en waarom
de een bediend moest worden en de ander hem bedienen moest. Het was
toch wel erg gemakkelijk, vond hij, dat leven van Marcelio.
Na het diner liepen zij weer over groote Boulevards, waar hij nog nooit
geweest was, en waar het zoo vol was, dat zij maar langzaam voort
konden gaan. In het midden de rij-weg met lange files rijtuigen achter
elkaar, aan weerszijden de trottoirs met wandelaars, die langs hel
verlichte winkels liepen. Veel van die winkels waren café’s, waar
menschen aan tafeltjes zaten te drinken. Hij begon nu langzamerhand te
gewennen aan het lawaai en de herrie, maar toch bleef hij alles heel
vreemd vinden. Waarom waren al die duizenden saamgehokt in die groote
stad, tusschen die hooge, steenen huizen, die toch doode dingen waren?
Buiten was het toch veel mooier, met de boomen, en de luchten, en de
horizonnen...
Somtijds kwam hem een meisje voorbij die bloemen te koop had. Verlepte,
half-doode viooltjes, ruw in een mand gepakt. En het deed hem pijn, als
de arme vogelen-lijkjes, die hij ’s middags gezien had, die teere,
lieve bloempjes van buiten, hier rondgedragen in de benauwing, waar ze
in moesten sterven. Zag dan niemand hoe wreed dit was?
Zóó liep hij met Marcelio rond, die hem de groote Boulevards wilde
toonen, met het avond-leven, dat lawaaiend op en neer ging, en die nu
en dan even in een groote café met hem ging zitten, om hem te gewennen
aan de drukte.
Tegen tien uur ging hij een groot gebouw met hem binnen, waar in helle,
roode gas-letters vlammend het opschrift: „Théâtre des Variétés” boven
de deur prijkte.
„Nu moet ik je toch eens even een groot Café-Chantant laten zien,”
zeide Marcelio. „Het ballet van Rosita zal nu wel zoowat beginnen.”
En het was als een apothéoze voor zijn jonge, onervaren oogen.
Eerst een groote Hall, in moorschen stijl, schitterend van goud en
zilver, en arabesken, en mozaiek. Zijne voeten gingen zachter dan in
gras, op donzig, oostersch tapijt, en zijne oogen pinkten heftig voor
het helle verblindende licht overal, eer zij er aan wenden. Deftige
heeren liepen er heen en weer, en dames in prachtige, rijk-ruischende
robes van zijde en kant, met lange slepen, statig glijdend achter haar
aan. Haar blanke borsten en armen deden hem aan als dingen van mooi,
die hem verrukten. Haar oogen glinsterden als sterren, en zij lachten
lief in het rond. Dat waren erg mooie, lieve vrouwen, vond Paulus. De
menschen waren toch niet zoo leelijk als hij gevreesd had. Zij deden
lief en vriendelijk tegen elkaar.
Een vage geur van bloemen droomde nu en dan langs hem heen, waar eene
vrouw voorbijging.
Marcelio lachte somtijds tegen een mooi gekleede vrouw, die hij scheen
te kennen. Zeker eene goede vriendin, dacht Paulus.
Door een zwaar fluweelen gordijn kwamen zij nu in de groote theaterzaal
van het Variété.—De eerste indruk was teêr licht-groen en goud. Goud
van zware lichtkronen en ornamenten, licht-groen van boiserieën en
lambrizeering. Ook het zachte tapijt op den grond was licht-groen.
Het plafond, hoog boven hem, leek wel een teer-groene Hemel met vreemde
sterren. Honderden lichtjes van allerlei kleuren, blauwe, roode,
paarsche, gele, schenen in zachte bloem-kelken, die uit dien lichten
hemel neerbloeiden.
Hier en daar, achter in de zaal, waren kleine grotten met palmen, en
met murmelende water-fonteintjes, en groene priëeltjes van latwerk en
klimop, waar heeren en dames vriendelijk lachend met elkaar zaten te
praten en te drinken.
Marcelio leidde Paulus mede naar voren, waar de menschen in breede
rijen groen-met-gouden fauteuils aandachtig zaten te kijken naar wat
heel vooraan zou gebeuren, waar een zwaar, breed groenfluweelen gordijn
nog dicht hing.
Het orchest begon juist een langzame, slepende wals, en een vreemde
siddering ging er van door Paulus’ ziel.
Zwijgend van aandoening ging hij naast Marcelio in een fauteuil zitten.
Hij keek rechts en links, een beetje bang voor al die menschen.—Aan
beide zijden zag hij nu groene loges, intiem als kamertjes, met deuren.
Daar zaten rijk gekleede menschen in, vrouwen met roze-en-blanke
bloemengezichten, met fijn, glanzend haar, waar diamanten in
schitterden, als zon-befonkelde dauwdroppelen. Het zachte blank van
haar halzen en armen was inniger dan van witte lelies, en haar oogen
glansden licht als sterren. Zij lachten hartelijk en lief, en hij
voelde een ongekende vreugde, dat al die menschen zoo blij waren en zoo
vriendelijk. Neen, zij waren toch zoo leelijk en zoo slecht niet, als
hij wel gevreesd had. Alles om hem heen was welwillend en meende het
goed.
En dan die vreemde, slapende wals-muziek, die zijn ziel deed beven! Zij
was om zacht van te huilen, en toch heel gelukkig om te zijn. Het was
hem of er iets in hem ging bewegen wat altijd roerloos was geweest, en
nu ineens zacht, zacht te wiegen begon.
Daar ging ineens de zware draperie geruischloos uit elkaar, door
onzichtbare handen bewogen, en hij zag een wonderen bloemen-tuin op het
tooneel, een feeërie, alsof hij opeens een nieuwe, nooit gevonden plek
had ontdekt in het Bosch.
Langzaam begon nu de muziek een vreemden, betooverenden dans, en het
was of die tokkelende tonen geheime sferen opentikten in zijn ziel,
waar zalige ontroeringen aanbewogen.
Toen... waren het bloemen?... waren het blank-en-roze vlinders?...
zweefden, in wolkjes van witte tulle en gaas, zachtekens broze,
fee-achtige wezentjes door den tuin. Hun lichte, slanke lijven
wiegelden en balanceerden als roze lelies in lichte winden, en zonder
zwaarte droomden zij langzaam, op vage rythmen vooruit, éven maar den
grond beroerend, met de punten der spitse voeten.
Als bovenaardsche wezens, uit manestralen en lichte veder-wolkjes
geboren, zag Paulus ze naderen, materieloos, zooals de elfen en feeën
moesten zijn. Een huivering van eerbied ging door zijn ziel, als toen
hij voor het eerst Leliane had gezien, slapende in de zilveren
mane-stralen. Er was iets van Leliane zelve in die wondere, lichte
wezens van gratie en droom.
Ademloos, zooals hij wel eens stil naar vreemde vogels en onbekende
vlinders had gezien, bang ze te verschrikken, zag hij de luchte feeën
in hun wuivende wolkjes van tulle heen-en-weder zweven, nu hier en dan
daar tusschen de bloemen, hun vlugge voeten maar even rakend den grond,
als zouden zij straks ópvliegen, verdwijnend in ijle sferen.
Totdat zij opeens stil bleven staan, de handen gracieus wenkend naar
boven uitgestrekt, wachtend op iets heerlijks, iets goddelijks, dat
komen ging.
En als een roze vogel, zacht-neerstrijkend tusschen niets dan witte,
zweefde opeens Rosita aan, neêrdalend uit de lucht, op groote,
trillende vleugels van transparant gaas.
Dit moest een engel zijn, dacht Paulus.
Want, luchtig wiegend in de lucht, zonder steun, niet rakend den grond,
door eigen fijne ijlheid gedragen, danste zij op vage rythmen langzaam
door het ledig, als een roze droom-verschijning boven de witte feeën,
die de armen biddend naar haar hielden uitgestrekt. Zij scheen een
ziel, zwevend in reine sferen van aether, broos als de roze wolkjes van
het eerste morgenrood, op eigen glans van schoonheid gedragen, boven de
werkelijkheid van materie, dra vervagend in het niet...
Totdat zij genadiglijk nederdaalde op de aarde, maar enkel haar met de
punten der voeten éven vluchtig bezwevend, en, altijd zacht
door-wiegelend, de roze rozen plukte uit den tuin.
Luchtigjes voortgestuwd op rythmen van de heel zachte muziek, droomde
zij heen en weder, ijl als een roze zeepbel op vage trillingen van
lucht.
Toen voelde Paulus eene wondere ontroering opwellen in zijn borst, en
het was hem, of iets van het schoone van Leliane weer voor zijne oogen
was verschenen, goddelijk en genadig. De tranen schitterden in zijn
oogen. O! Hier was het dan terug, zijn liefste ziele-mooi, dat niet had
durven opbloeien in de benauwing van de stad. Want dit was van het mooi
der blanke-en-roze vlinders, der teeder-kleurige bloemen, der
zacht-veerige vogels, dit was transparant als vage nevelen boven het
water, en broos als de witte wolkjes in de lucht, dit was in de sfeer
van droom, waar enkel ijle ziele-dingen kunnen wonen....
Hij was de zaal en al de menschen om hem heen vergeten, en het weten
van de werkelijkheid was in hem weg.
Onschuldig en argeloos, zooals een kind naar mooie kleuren ziet, en
strekt de armpjes verlangend uit, zoo staarde Paulus in verrukking naar
die broze verschijning van vrouw, die maar áldoor zachtkens
voortwiegelde door de rozen, en dán weer ópzweefde in de lucht, zonder
zwaarte, in edele golvingen en soepele lijnen, als een engel,
spelemeiend van louter zaligheid, die haar eigen liefelijkheid luchtig
uitdanst op lichte cadanzen....
De vlinderachtige feeën trachtten het hemelsche wezen te naderen, en
wilden haar liefkoozend omvatten, maar telkens ontglipte zij haar, met
bevallige zwenking, en het was als een charmant gespeel van witte
kapellen, waartusschen een ijle, roze libel wijkend zweefde, en in
luchtigste luchtheid hooger ópdroomde, in sferen, waartoe zij niet
konden rijzen.
Totdat eindelijk het roze lucht-wezen met wijd-gespreide vleugels in
rechte rijzing omhoog wiekte, en de witte feeën droef-ontmoedigd bleven
staan, de blanke armen verlangend uitgestrekt naar die hooger sferen,
waarin de hemelsche verschijning als een liefelijk wonder van glans en
droom was verdwenen....
Toen viel het zware gordijn voor het kleurige visioen, en ’t
stormachtig handgeklap van het publiek riep Paulus tot de werkelijkheid
terug.
„Nu?” hoorde hij Marcelio zeggen.
„Is Rosita een elf?.... een fee?....” vroeg Paulus, verrukt. „Ze is een
hemelsch wezen!”
„Vin-je!.... Zou je haar wel eens willen kennen?” antwoordde Marcelio,
met een fijn lachje. „Ze is een vriendinnetje van mij. Ik zal je eens
aan haar voorstellen bij gelegenheid.”
„Ja! breng mij bij haar!....” riep Paulus. „Ze is zoo mooi, zoo mooi
als een lichte engel....”
En zijn argelooze ziel wilde met een heel kuisch en rein verlangen naar
dit mooi van vrouw, zonder vreeze, zooals een wit vlindertje, dat een
groot licht gezien heeft, en trillende van zaligheid de vleugels
spreidt om naar dat verre schoon te wiegelen, dat het zoo wonder
ontroerde.
Moe van al de emoties kwam hij ’s nachts thuis. Marcelio ging dadelijk
weer uit, toen hij hem op zijn kamer had gebracht.
Vóór Paulus naar bed ging schoof hij nog even een gordijn open, en keek
naar buiten.
De straat was nu ineens heel anders dan overdag. De groote
winkel-paleizen waren nu allen donker, lichte-loos, met hun blinkende
spiegelruiten blind, door ijzeren luiken er voor. Ook de ramen boven,
in de hooge verdiepingen, waren dicht. Zwijgend, koud en donker stonden
nu de groote huizen-gevaarten, met al hun schitterende weelde geniepig
verstopt achter het zwarte, geslotene.
Alleen de straatlantarens brandden wat licht, telkens één uitgedoofd na
één die vlamde. Dat gaf wel wat licht op straat en beneden aan de
huizen, maar boven waren het duistere dingen, die met een zware
nachtschaduw dreigden. De houten vloer glom van regen, en de geheele
straat lag nat en triestig in het donker.
Kon dit dezelfde weelde-straat zijn van enkele uren geleden, stralend
van heerlijke, wondere luxe-dingen, achter schitterend verlichte
glazen?
Kijk, er liepen toch nog menschen. Hoe klein en zwart beneden onder die
hooge, duistere huizen. Nu zag hij pas hoe hoog die huizen waren. Wat
deden die menschen hier nu nog buiten, zoo laat, in den regen? Waarom
waren ze nu niet veilig thuis?
Hij zag, dat het meest vrouwen waren. Ze liepen nu niet, of ze haast
hadden. Ze slenterden op en neer, of ze op iets wachtten, dat wel eens
komen zou, dat misschien ook niet komen zou.
„Waar wachten ze op?” dacht hij.
Het moest toch niet prettig zijn, in zoo’n koude, duistere straat, met
die dreigende, hooge schaduwen boven je in den regen te loopen, zonder
bladerendak dat beschutte.
Er liepen ook wel mannen, maar niet zoo veel. Zij keken naar die
vrouwen. Somtijds bleef er een staan. Dan keken de vrouwen naar hem. Er
kwam er wel eens een die hem aansprak. Die kende hij zeker. Ze praatten
even.... Wat zouden ze elkaar wel zeggen?.... Dan ging de man weer
door. De vrouw keek hem na. Ging dan weer verder, langzaam. Wachtte
weer.
Hij begreep het niet.
Waar wachtten ze dan op?....
De zwarte gedaanten, zoo klein en nietig daar beneden, tegen die hooge
nacht-gevaarten, zij draalden ál maar door.
Hier en daar stond er een tegen een kozijn geleund, of stil, onder een
pui. Stond maar aldoor stil te wachten, te wachten. Strekte nu en dan
den hals uit, keek, en keek. Waar keek ze naar?....
Ze zochten iets, dat begreep hij. Maar wat zochten ze dan?....
Somtijds sprak er een een man weer aan, die voorbijkwam, en dan gingen
ze wel eens samen weg, gearmd. Die hadden dan zeker afgesproken elkaar
daar te vinden. Ze had dan op hém gewacht zeker, nu begreep hij het.
Maar dan die anderen? Die maar alleen bleven en niemand vonden?
Hoe triestig, die donkere figuren, slenterend in den regen, hoe
vreemd....
En ineens voelde hij intuïtief het tragische in dat sombere dwalen daar
van al die donkere vrouwen in den nacht. Een vaag voorgevoel van angst
bekroop hem, voor een onbestemd gevaar. Hij voelde onraad. Er moest
ergens iets niet in orde zijn. Er wàs daar iets, er wàs iets....
Dat dwalen, dat dwalen, hopeloos, gelaten, van al die vrouwen daar, dat
wachten en wachten op wat niet kwam....
Bij een lantaarn onder zijn venster zag hij een jonge vrouw staan.
Zoo heel anders dan de mooi aangekleede, vroolijke menschen van ’s
middags in de straat, en van dien avond in het theater.
Ze scheen het koud te hebben, want ze rilde. Haar kleeren leken oud en
dun. Een bleek, moê gezicht had ze, onvriendelijk, hard. En toch zag
hij er iets erg treurigs in, iets als van een hond, die geslagen is en
nu alles wantrouwt. Iets brutaals, en toch iets erg schuws ook.
Wat moest die vrouw daar nu?... Waarom bleef ze daar bij die lantaren
staan, in dien regen... Zou ze ziek zijn? Zou hij haar kunnen helpen?
Naar beneden gaan, en haar aanspreken?
Maar een geheime angst weerhield hem.
Nog lang bleef hij staren naar het vreemd gedwaal daar beneden, niet
begrijpend. De zwarte gestalten werden nu al minder, er waren er al
heen gegaan, maar de enkelen, die over waren, kwamen nu nog somberder
uit.
Die bleven maar langzaam doorloopen, op en neer, in den regen, zoekend
en speurend wat ze niet vonden, of bleven roerloos geleund tegen een
raamkozijn, wachtend, almaar wachtend op wat niet kwam.
En ’t bleeke vrouwtje, met het harde, schuwe gezicht stond nog altijd
beneden, hangerig tegen de lantaren gesteund...
Eindelijk ging hij naar bed, moê-op van al het geziene dien dag. Hij
kon in ’t eerst niet inslapen. Hij zag nóg aldoor die donkere
vrouwengestalten, triestig en somber, dwalende zonder doel... Wat
zochten ze toch, wat zochten ze?...
Er wás iets, er wàs iets, iets vreeselijks, iets van bang gevaar en
gruwzame verschrikking... Maar wat?....
Morgen zou hij het Marcelio vragen. Het was maar beter er nu niet meer
over te denken. Er waren toch nog zooveel andere dingen. De groote
Cathedraal bijvoorbeeld. De Cathedraal van de heilige Leliane.
En ineens zag hij het ranke Godshuis weer voor zich oprijzen, in al
zijn teedere, kanten pracht van fijne figuren, hij zag de twee hooge
torenen als bloemen omhoog gaan, en de fijne spitsen zich verliezen in
de lucht... En ziet! Daar hoog boven, tusschen witte wolkjes, zweefde
de roze-figuur van Rosita, engelen-zacht....
Toen begon alles te vervagen, en sloot een rustige slaap
voorzichtiglijk zijn moede oogen.