De rijkste straat van Leliënstad was de Koninginnestraat. Een groote,
breede luxestraat met aan weerszijden kolossale winkel-paleizen, waarin
de kostbaarste weelde van het geheele rijk was uitgestald. Het
meerendeel er van waren juwelierswinkels met vitrines vol diamanten en
edelgesteenten. Als lumineerende sterren schitterden de brillanten
achter de groote spiegelruiten, en de zeldzaamste robijnen, saffieren
en turkooizen straalden van kleurig licht. Voor honderdduizenden aan
goudswaarde lag daar in één zoo’n winkel geëtaleerd, voor iedereen te
zien die maar langs kwam. Na de juwelierspaleizen waren de winkels van
kant en borduursels de talrijkste. Van oudsher af waren de bewoners van
Leliënstad beroemd om hun kunst in het met de hand werken van kant. Het
was of de kunstenaressen, die het kantwerk maakten, de materie konden
vervluchtigen tot bijna enkel droom, zóó ijl en ragfijn waren hare
creaties geweven. Zakdoekjes, die zich in een propje tusschen twee
vingers lieten verbergen, weefsels fijn als spinneweb, sluiers, die in
een kinderhand konden verdwijnen.
Aan de bruidsjapon van de prinses, waar nú al aan gewerkt werd, waren
honderden maagden bezig, en zij moest lucht en aetherisch worden als de
eerste fijne nevelen, die ’s avonds om de heuvelen droomden. Er waren
al eenige werksters van blind geworden, maar dit gebeurde heel dikwijls
in de kant-industrie. Van de meisjes, die zich aan het allerfijnste
weefsel wijdden, werden bijna de helft zoo goed als blind op hun
dertigste jaar. Maar daarvoor praalden dan ook die prachtige winkels in
de Koninginnestraat, en konden de edele en rijke menschen met hun geld
zooveel luxueuze, in de geheele wereld beroemde artikelen koopen.
De groote meubel-magazijnen etaleerden geheele inrichtingen—iedere
groote vitrine een kamer—van de allergemakkelijkste, kunstigste
meubelen, naar den modernsten smaak, van het weelderigste en elegantste
comfort, dat de hoogst opgevoerde verfijning van decadente artisten
maar kon uitdenken, de groote mode-magazijnen stalden toiletten uit van
voorname, schitterende luxe, als van prinsessen-gewaden uit een
sprookje, de bontwinkels hadden een geheele menagerie van zeldzame
pelsdieren uit Noordelijke poolstreken achter de vitrines; en de eerste
boekhandelaren toonden in rijkgebonden marokijn en gouden banden alleen
het beste wat de uitverkoren denkers en dichters van het land aan
wijsheid en poëzie hadden geschreven.
De Koninginnestraat was als een straat uit eene feeërie of een rijk uit
de Duizend-en-één Nacht, waar alle menschen pacha’s zijn en iederen dag
onuitputtelijke schatten worden aangedragen.
Overdag zag men er alleen rijk aangekleede, voorname menschen uit de
élite van Leliënstad. Wie er niet deftig en goedverzorgd uitzag, kwam
er vanzelf niet, zonder dat een politiereglement er voor noodig was.
Hij zou ook al heel gauw weggekeken zijn door de strenge blikken der
aristocraten en rijke parvenu’s, of dra wegschuilen in een zijstraatje,
van schaamte over zijn eigen nietigheid van arm te durven zijn.
Schitterende equipages, zacht wiegend op elastische veeren, als zonder
zwaarte, getrokken door paarden van het edelste ras, rijk met goud en
zilver gemonteerd, gingen geruischloos vlug op gummi wielbanden over
het zacht houten plaveisel.—Keurig correcte palfreniers hielden met
oude wapens pronkende portieren open, waar prachtig gekleede dames en
heeren deftig uitstapten om van de weelde in de luxe-paleizen te gaan
koopen. Op de trottoirs flaneerden de jongelui uit de hooge
aristocratie en de schatrijke parvenu-kringen, dan dineerend,
zorgeloos, en met een blasé-airtje, slap en lamlendig, maar dit ook wel
wetend, en juist zoo willend, omdat het zoo chic was.
De geheele straat met haar overvloedige duizend-en-één-nacht weelde,
haar zes verdiepingen hooge paleizen, haar altijd propere plaveisel, en
haar exquize bevolking van correct aangekleede dames-en-heeren uit de
allerhoogste en rijkste standen, had iets apart respectabels, iets
exlusiefs, dat haar éénig maakte in de geheele wereld.
De koningen en koninginnen hadden altijd een bijzonder belang in de
straat gesteld, en zij hadden zich het recht voorbehouden, in alle
aangelegenheden die de straat betroffen, te mogen ingrijpen, zelfs
tegen de besluiten van den gemeenteraad in. Niet alleen het volk, maar
vooral de koningen waren altijd trotsch geweest op de Koninginnestraat
van Leliënstad. In geen enkele straat op de wereld waren zóóveel
millioenen uitgestald als achter de vitrines van haar kolossale
winkels. Leliënstad, in de onmiddellijke nabijheid van de goud- en
diamantmijnen, die door den Staat geëxploiteerd werden, met de helft
van de opbrengst voor het Koninklijke huis, was dan ook de rijkste stad
van de wereld.
Paulus zat den eersten morgen na zijn aankomst vol verwondering voor
een venster te kijken in de mooie straat.
Marcelio had met hem thee gedronken, en was daarna voor dienstzaken
uitgegaan, hem belovende weer terug te zijn na een paar uur. En nu zat
hij maar stil, in verbazing, het leven buiten aan te zien. Hij vond wat
hij nu van de stad zag, in den lichten morgen, niet zoo leelijk en
benauwend, als Willebrordus hem altijd verteld had. De groote huizen
vond hij nog altijd levenlooze, koude dingen, maar zij waren schoon en
van lichte, vroolijke kleuren, die blij deden in de zon. De houten
vloer van de straat was rein gewasschen, en de kolossale spiegelruiten
blonken zonder smet. De menschen, die in de straat liepen, hadden
schoone, nette kleeren aan, en alles zag er uit alsof in Leliënstad
geen vuile of onreine dingen bestonden.
Mooi vond hij vooral de paarden van equipages, die voorbijgingen. Hij
voelde vriendschap voor die edele dieren, die de koppen zoo fier omhoog
hielden, en zoo trotsch hun prachtig gelijnde lijven bewogen. De
menschen leken hem nu ook niet meer zoo gejaagd en angstig als gisteren
avond. En het zonlicht lag glanzend en rijk over alle dingen, het oude,
vertrouwde zonlicht van in het bosch.
Paulus voelde zich opgewekt en nieuwsgierig om Leliënstad te zien, toen
Marcelio terugkwam.—Hij bleef nog wat praten met zijn’ nieuwen vriend,
wien hij nog veel moest vertellen van zijn leven in het woud, en was
blij, toen Marcelio hem voorstelde, eene wandeling te gaan doen.
Eerst nam Marcelio hem mede naar een grooten winkel vlak bij, waar hij
zich gewillig in een nieuw pak kleeren liet steken, met een hoogen
boord, en een das, en manchetten, en waar men hem de maat nam voor nog
meer. Toen nog in twee andere winkels, voor een hoed, en een paar
schoenen, en nu was hij eindelijk geschikt, zeide Marcelio, om zich
fatsoenlijk op straat te vertoonen. De kleeren zaten hem vreemd, de
schoenen knelden een beetje, en het hooge boordje schrijnde tegen zijn
kin, maar hij durfde er niets van te zeggen, en liep gehoorzaam met
zijn geleider mee.
In stomme verbazing zag hij naar de winkels. Hoe prachtig waren al die
brillanten en edele steenen! Als sterren schitterden zij, van even
heerlijk, innig vuur. Anderen waren fijn en teer als dauwdroppels, of
hadden het diep-mystieke van donker groene keverschilden, of glansden
als roode oogjes van kapellen. Zij leken te gloeien van een bizonder,
heilig, innerlijk leven. Zóó iets had hij nog nooit gezien.
Na de edele steenen vond hij het kantwerk het mooiste in de winkels.
Dat was als de heel teêre samen-drooming van fijne, verre boom-takjes,
’s avonds als het schemeren gaat, en zij zoo stil gevoelig staan te
doen in late lucht. Sommige waren ijl als herfstdraden, subtiel als
broos spinnerag. Hij voelde er een innige teederheid in, als van heel
fijne varens, die bij de vaagste winden trillen in de lucht. Hij wist
toen nog niet het vreeselijke, gezicht-bedervende werk, dat er voor
gedaan was. Dit was iets heel nieuws in zijn leven, de juweelen en de
kanten weefsels, en hij voelde zich gelukkig, zóó iets fijns en innigs
in Leliënstad te hebben gevonden.
Lang bleef hij ook kijken naar de boekwinkels. Daar lagen zooveel
boeken, die hij nog niet kende, en die hij nu alle zou gaan lezen. Er
waren er ook van goede vrienden bij, met wie hij samen geleefd had in
de eenzaamheid van het woud, al had hij hun gezichten nooit gezien.
Kijk, daar lagen de eerste verzen van Wederich en van Lavelane.
Maar ook nog meer boeken waren er van hen, die hij nog niet kende. Wat
een genot zou het zijn, die allemaal te lezen!
Marcelio had schik in zijne verbazing, en legde hem alles uit, wat hij
wilde weten.
Zóó liepen zij langzaam de Koninginnestraat door, telkens stilstaande
om iets te bekijken, wat nieuw en vreemd was voor Paulus, tot zij
eindelijk uitkwamen in een groote, ronde ruimte.
Aan de Noordzijde liep de straat uit in een enorm plein, het Domplein,
waar het Parlementsgebouw en het Paleis van Justitie ter rechter- en
linkerzijde stonden, en een groote Dom in den achtergrond. De Dom was
een ontzagwekkend groot monster-gebouw van kolossale structuur in
modernen stijl, met een hoogen koepel in het midden, en een kleinere
aan weerszijden, dat alleen door zijn verbazende afmetingen imponeerde.
De menschen, die er onder langs gingen, leken kleine, zwarte stipjes.
Boven elk der zijdeuren aan weerszijden van den hoofdingang stond met
gouden reuzen-letters een spreuk:
Ziet ik ben bij
U alle dagen tot aan
Der wereld einde
en
Ons geloof is
De Overwinning die de wereld
Overwint.
Paulus vond het kolossale, massieve gebouw als dreigend, een ding van
somberheid, zonder leven. Met ontzetting las hij de geweldige spreuken,
die hij uit den bijbel kende. En hij was verbaasd, toen Marcelio hem
zeide, dat dit een kerk was, een huis aan God gewijd.
„Kunnen de menschen dan niets mooiers bouwen voor God den Vader?” vroeg
hij.
Marcelio zeide, met dat spottende weer in zijn stem, dat hem den
vorigen avond al had getroffen:
„Dit is het mooiste, wat de menschen nú kunnen, mijn waarde. Het is een
moderne bouw, die pas vijf jaren geleden is voltooid, en die millioenen
heeft gekost. Van binnen is het allemaal echt practisch, met
ventilatie-toestellen, en centrale verwarming en electrisch licht, en
allemaal nieuwste nieuwigheden. Het had ook een enorm theater of een
opera-gebouw kunnen worden. De meeste menschen vinden het erg mooi. Ik
niet, evenmin als jij. Maar als je eens wilt zien, hoe ze zeshonderd
jaar geleden een kerk bouwden moet je nog een eind verder wezen. Dan
gaan we naar den Leliën-Boulevard, de hoogte in, die hier vlak bij is.
Ik geloof wel, dat ze vroeger wisten hoe een huis er moest uitzien, dat
aan God was gewijd.”
Toen ging hij met Paulus rechts af, een aantal andere, groote straten
door. Paulus was opeens stil geworden. De machtige bijbelspreuken waren
met zware stem over zijn ziel gegaan. Was de groote, goede Vader, dien
hij gevoeld had in het woud, dan óók hier vlak bij hem, in de groote
stad?
Hij schrikte op uit zijn gepeins, toen hij voor een breede, lange laan
stond, met prachtige, hooge boomen aan weerszijden, statige populieren,
recht rijzend met fijne, smalle kruinen in de lucht. De breede
Boulevard steeg langzaam-aan omhoog, als een heilige opgang tot waar
boven een lieflijk wonder praalde, dat als een groote openbaring
opscheen voor Paulus’ verrukte ziel.
En onder het eerbiedig loopen naar boven voelde Paulus zich alsof hij
nu ópging tot eene zaligheid, waarnaar hij onbewust al jaren in
eenzaamheid had gewacht.
Boven de stad, op eene veilige hoogte van al de straten met lawaaiend
leven daar beneden, troonde de cathedraal van de heilige Leliane. Die
groote, stijgende allee, de Leliën-Boulevard, leidde van het centrum
der stad recht naar de kerk. Als te heilig om op den gewonen grond te
staan, rustte zij op een hoog bordes van marmeren trappen, dat haar
geheel in ’t rond omgaf. De blanke cathedraal scheen geheel van kant te
zijn gemaakt, ijl en fijn, als op de grens van geest en materie. Wèl
moest de goddelijke bouw van stof, want van steen, gemaakt zijn, maar
toch leek hij als niet van materie meer, met zijn broze kanteelen, zijn
droomende arkaden, en al het fijne cantillewerk der torenen en nissen.
Twee statige, en toch wonderteêr rijzende torens, verbonden door een
breeden gevel geörneerd met nissen en arkaden, vormden de façade aan de
Leliën-Boulevard. En voor wie beneden aan het einde van dien Boulevard
stond, verrees de cathedraal daar in de hoogte tegen de lucht als een
apothéoze, een stuk uit een hemelsch paradijs, met zijn ragfijne
weefsels en zijn honderden ranke torentjes, met zijn goddelijke
bevolking van engelen en heiligen, biddende in de nissen. Zóó ijl en
teêr was het steenen kantwerk uitgesponnen, dat de kerk wel een wonder
weefsel geleek van bladeren, als een goddelijke, heilige boom uit het
paradijs. Het leek wel of één geweldige windstoot het ranke
droom-gebouw zou kunnen vernietigen, maar dit schijnbaar weêrlooze en
zwakke was van een onvergankelijke sterkte, zooals ook de zachte Liefde
sterker is dan de woedende haat. En gelijk ook de droom krachtiger is
in zijn broosheid dan de hardste realiteit, zóó was deze cathedraal van
steenen kantwerk van af oer-oude tijden overgebleven in de eeuwen,
onwankelbaar in de stormen der oorlogen en revoluties, die alle andere
gebouwen uit die vroegste oorsprongen van het rijk hadden vernietigd.
Zelfs de woeste barbaren uit het Oosten, die ééns het land brandende en
plunderende hadden overweldigd, hadden de goddelijke schoonheid van de
Leliane-kerk gespaard.
En Paulus had het dadelijk gevoeld, hoe deze cathedraal nóg mooier was
dan de mooiste groep van boomen uit het woud. Het was hem werkelijk, of
God zelf hierin woonde. En waar alle andere bouwsels van menschenhanden
in de groote stad, óók de kolossaalste, als het Paleis van Justitie, en
het groote Parlementsgebouw, tóch maar doode dingen waren, leelijker
dan één eenvoudige boom uit het bosch, daar voelde hij, hoe de
cathedraal lééfde, éven waarachtig als het woud, leefde van een
geheimzinnigen, divienen adem, die door de steenen wanden droomde.
Dit was nu het eerste van alle dingen in de stad, dat hij verwant
voelde aan het mooiste uit het bosch, om dadelijk lief te hebben met
zijn geheele ziel.
Hoe wonderlijk vond hij het, dat dit niet van-zelf was opgegroeid uit
de aarde, als de boomen, met hun sterke stammen en teêre loovertjes,
maar dat dit was gebouwd door de handen van menschen, steen voor steen,
uit hard materiaal, van doode stof! Konden dan menschen dezelfde
schoonheid scheppen, die de Vader aller dingen door eigen, onzichtbaren
adem deed ópgroeien uit allerkleinste kiemen en zaden? Dezelfde soort
menschen als die wezens, die daar beneden in de stad zoo
angstig-gejaagd door de straten krioelden?
En waarom waren dan al die huizen en gebouwen, die ze nú maakten, zoo
leelijk en doodsch, waar ze zeshonderd jaren geleden zulke heilige,
levende wonderen konden bouwen als deze statige cathedraal? Hij had
toch altijd gelezen, dat de „beschaving” zoo’n groote vooruitgang was
in alle dingen, en de oude tijden vol ruw en grof geweld waren?....
Boven aan den gevel praalde een groot beeld van den aartsengel Michaël,
die met zijn rechte zwaard van reinheid den zich van angst kronkelenden
duivel der zonde en duisternis verslaat. En vlak onder dat
hoog-wonderlijk gebeuren, waar de heilige geest de aardsche materie
versloeg, troonde het eindeloos reine beeld van de onbevlekte Leliane,
die, van alle hartstocht-smetten vrij, was opgerezen uit den kuischen
kelk der witte lelie, die stille, kalme bloem van wijsheid en
maagdelijke blankheid.
En o! de welvende, vrome bogen van heiligen en oude, vrome koningen
boven het portaal! Hoe zij daar hoog boven de duistere stad, met hun
biddende wenkbrauwen en opgestoken handen ten hemel wezen, starende in
de eindeloosheid, boven de aarde uit!
En hoe al die spitse torentjes, met fijne loovertjes en teêr kantwerk
doorweven, omhooge stegen, met de statig gewiekte engelen, de handen
wijd uitgespreid in kuisch gebaar, als gereed om zoo hun vrome vlucht
te nemen, en op te wieken in het paradijs!
Marcelio vertelde hem van den heiligen schat, die in deze kerk werd
bewaard. Dáár, in die ontzaglijke cathedraal van uiterst broze
teêrheid, die opperst goddelijke kracht was, rustte in een goudenen en
diamanten tresoor, in een crypte van marmer, en jaspis en albast, de
heilige, gewijde reliquie van het rijk, de in wonderbare kruiden en
essences gaaf bewaarde zeven bladen van de witte Lelie, uit welke de
heilige Leliane, de oer-moeder en goddelijke koningin van het volk was
ontstegen. Slechts éénmaal in vele, vele jaren werd die reliquie, in
een gouden schatkistje van eeuwenoud smeedwerk bewaard, uit het tresoor
omhoog gedragen in het licht, als een koningin de bruid was, en hare
maagdelijke lippen eerst het heiligdom moesten kussen, om zóó den
menschelijken hartstocht te verreinen en goddelijk te maken, waaruit
dra een nieuwe telg der Leliën-vorsten zou geboren worden.
De gansche cathedraal van kanten pracht rankte alléén daarom zoo
engelen-teer en godensterk omhoog, om met zijn diviene bogen die
allerheiligste reliquie te overwelven, waarin ééns het groote
Godswonder was gebeurd.
Op dezelfde hoogte van de cathedraal, maar niet te zien van den
Boulevard af, meer naar het Noorden van de stad, met een lange laan van
de kerk er toe leidend, troonde het paleis van de koningin.—In
vlekkelooze pracht van wit marmer praalde het hoog boven de stad, als
een wondere konings-woning, waar enkel reinheid woonde. Breede,
windende bordessen en trappen, die naar het groote Koningsplein leidden
in de stad, daalden diep van het paleis neêr, en van beneden gezien
leek het wel onbereikbaar, zóó hoog was het en zóó wit. Als het in den
laten middag wat nevelig werd op de heuvelen rondom de stad, en vage
sluieren om het paleis waaiden, leek het in zijne weifelende vaagheid
als een hemel-visioen in de wolken, waar enkel engelen en materie-looze
hemelingen konden wonen. Als ’s avonds de witte en gekleurde
electrische lichten waren ontstoken, was het somtijds van beneden niet
goed meer te onderscheiden, wat de sterren waren en wat de lichten van
het paleis. En de arme, kleine kinderen van misère in de donkere
sloppen van de stad, die nooit verder kwamen dan het nauwe, vunzige
steegje waar zij in woonden, zagen het paleis hoog boven de daakjes der
schamele hut-huisjes, en dachten dat de koningin daar, vér in die
glorie, samenwoonde met de engelen, waar ze in hun ellende nog aan
geloofden.
Het paleis was gebouwd tegen een wand van witten rotsberg en als
achtergrond was de rots nog gaaf behouden, waar grillige struiken en
bloemen aan ontsproten en waar fonteintjes zilverhelder water uit
wegklaterden in marmeren bassins. Het witste en edelste marmer uit alle
deelen van de wereld was voor den bouw bijeengebracht, en, uit de verte
van de donkerder stad gezien, leek het wel van heel fijn porselein
blanc de Chine, of van lelie-lichte sneeuw, of wel ijl als blinkend
wolken-wit, waar maanlicht achter glanst. Wèl was het een waardig
paleis om een heilige vorstin te omgeven, die de essence in zich
omdroeg van de witte water-lelie en het gouden licht van de zon.
Paulus staarde lang in bewondering naar het witte paleis. Dáár woonde
dus Leliane, met het lawaaiende leven laág beneden, hoog boven de stad,
even hoog als de kuische Cathedraal, in een andere, reiner sfeer dan de
gewone menschen, die niet als zij waren heilig. Wat was dat paleis
heerlijk blank om haar blanke onschuld gebouwd! En wat was het hier
plechtig stil! Het gedruisch van de stad kwam maar van heel ver, een
flauw gerucht, somtijds even opzuchten, waar zij, in hooge stilte,
binnen het blanke marmer, in eigen sfeer ongenaakbaar troonde. Hij liet
zich door Marcelio vertellen van al de heerlijkheden daar binnen, van
de beroemde albasten troonzaal, van de oostersche prachtzalen voor
recepties, van al de pracht, die hare koninklijke schoonheid daar
omgaf.
Het waren zeker enkel heel nobele en goede menschen, edelen van
onbesmetten naam en vorstelijke deugden, die waardig waren, dat blanke
paleis te betreden, en tot de heilige tegenwoordigheid van prinses
Leliane te worden toegelaten!
En hij vond het al grooter en grooter wonder, een Godsgenade van
uiterste goedertierenheid, dat zulk een machtige en lelie-reine prinses
ééns had gerust in zijn eenvoudig kamertje in het bosch, en zíj
gesteund had op zijn arm, voor wie de edelsten uit het land deemoedig
de knie bogen, om als hoogste gunst de toppen harer blanke vingeren te
mogen beroeren. Hij voelde zich sterker en geruster, toen hij weer met
Marcelio onder de hooge populieren van den Leliën-Boulevard afdaalde
naar de stad. Het harde leven en het druk gewoel der menschen daar
beneden zouden hem nu niet zoo angstig meer maken, nu hij wist dat hoog
daarboven, veilig en onbesmet van alles, de prinses Leliane woonde, in
haar witte paleis, waar niets haar rustige kalmte kon verstoren. En
vlak bij haar, in dezelfde sfeer van stille waardigheid, wist hij nu
wakende de Cathedraal, opgerezen als een mystieke bloem rankend van de
aarde naar den Hemel, het heilige huis van God naast de blanke woning
van het reinste Zijner kinderen, in wie Zijn schoonheid zich het
heerlijkste had geöpenbaard.