HOOFDSTUK VII.

De rijkste straat van Leliënstad was de Koninginnestraat. Een groote,

breede luxestraat met aan weerszijden kolossale winkel-paleizen, waarin

de kostbaarste weelde van het geheele rijk was uitgestald. Het

meerendeel er van waren juwelierswinkels met vitrines vol diamanten en

edelgesteenten. Als lumineerende sterren schitterden de brillanten

achter de groote spiegelruiten, en de zeldzaamste robijnen, saffieren

en turkooizen straalden van kleurig licht. Voor honderdduizenden aan

goudswaarde lag daar in één zoo’n winkel geëtaleerd, voor iedereen te

zien die maar langs kwam. Na de juwelierspaleizen waren de winkels van

kant en borduursels de talrijkste. Van oudsher af waren de bewoners van

Leliënstad beroemd om hun kunst in het met de hand werken van kant. Het

was of de kunstenaressen, die het kantwerk maakten, de materie konden

vervluchtigen tot bijna enkel droom, zóó ijl en ragfijn waren hare

creaties geweven. Zakdoekjes, die zich in een propje tusschen twee

vingers lieten verbergen, weefsels fijn als spinneweb, sluiers, die in

een kinderhand konden verdwijnen.

Aan de bruidsjapon van de prinses, waar nú al aan gewerkt werd, waren

honderden maagden bezig, en zij moest lucht en aetherisch worden als de

eerste fijne nevelen, die ’s avonds om de heuvelen droomden. Er waren

al eenige werksters van blind geworden, maar dit gebeurde heel dikwijls

in de kant-industrie. Van de meisjes, die zich aan het allerfijnste

weefsel wijdden, werden bijna de helft zoo goed als blind op hun

dertigste jaar. Maar daarvoor praalden dan ook die prachtige winkels in

de Koninginnestraat, en konden de edele en rijke menschen met hun geld

zooveel luxueuze, in de geheele wereld beroemde artikelen koopen.

De groote meubel-magazijnen etaleerden geheele inrichtingen—iedere

groote vitrine een kamer—van de allergemakkelijkste, kunstigste

meubelen, naar den modernsten smaak, van het weelderigste en elegantste

comfort, dat de hoogst opgevoerde verfijning van decadente artisten

maar kon uitdenken, de groote mode-magazijnen stalden toiletten uit van

voorname, schitterende luxe, als van prinsessen-gewaden uit een

sprookje, de bontwinkels hadden een geheele menagerie van zeldzame

pelsdieren uit Noordelijke poolstreken achter de vitrines; en de eerste

boekhandelaren toonden in rijkgebonden marokijn en gouden banden alleen

het beste wat de uitverkoren denkers en dichters van het land aan

wijsheid en poëzie hadden geschreven.

De Koninginnestraat was als een straat uit eene feeërie of een rijk uit

de Duizend-en-één Nacht, waar alle menschen pacha’s zijn en iederen dag

onuitputtelijke schatten worden aangedragen.

Overdag zag men er alleen rijk aangekleede, voorname menschen uit de

élite van Leliënstad. Wie er niet deftig en goedverzorgd uitzag, kwam

er vanzelf niet, zonder dat een politiereglement er voor noodig was.

Hij zou ook al heel gauw weggekeken zijn door de strenge blikken der

aristocraten en rijke parvenu’s, of dra wegschuilen in een zijstraatje,

van schaamte over zijn eigen nietigheid van arm te durven zijn.

Schitterende equipages, zacht wiegend op elastische veeren, als zonder

zwaarte, getrokken door paarden van het edelste ras, rijk met goud en

zilver gemonteerd, gingen geruischloos vlug op gummi wielbanden over

het zacht houten plaveisel.—Keurig correcte palfreniers hielden met

oude wapens pronkende portieren open, waar prachtig gekleede dames en

heeren deftig uitstapten om van de weelde in de luxe-paleizen te gaan

koopen. Op de trottoirs flaneerden de jongelui uit de hooge

aristocratie en de schatrijke parvenu-kringen, dan dineerend,

zorgeloos, en met een blasé-airtje, slap en lamlendig, maar dit ook wel

wetend, en juist zoo willend, omdat het zoo chic was.

De geheele straat met haar overvloedige duizend-en-één-nacht weelde,

haar zes verdiepingen hooge paleizen, haar altijd propere plaveisel, en

haar exquize bevolking van correct aangekleede dames-en-heeren uit de

allerhoogste en rijkste standen, had iets apart respectabels, iets

exlusiefs, dat haar éénig maakte in de geheele wereld.

De koningen en koninginnen hadden altijd een bijzonder belang in de

straat gesteld, en zij hadden zich het recht voorbehouden, in alle

aangelegenheden die de straat betroffen, te mogen ingrijpen, zelfs

tegen de besluiten van den gemeenteraad in. Niet alleen het volk, maar

vooral de koningen waren altijd trotsch geweest op de Koninginnestraat

van Leliënstad. In geen enkele straat op de wereld waren zóóveel

millioenen uitgestald als achter de vitrines van haar kolossale

winkels. Leliënstad, in de onmiddellijke nabijheid van de goud- en

diamantmijnen, die door den Staat geëxploiteerd werden, met de helft

van de opbrengst voor het Koninklijke huis, was dan ook de rijkste stad

van de wereld.

Paulus zat den eersten morgen na zijn aankomst vol verwondering voor

een venster te kijken in de mooie straat.

Marcelio had met hem thee gedronken, en was daarna voor dienstzaken

uitgegaan, hem belovende weer terug te zijn na een paar uur. En nu zat

hij maar stil, in verbazing, het leven buiten aan te zien. Hij vond wat

hij nu van de stad zag, in den lichten morgen, niet zoo leelijk en

benauwend, als Willebrordus hem altijd verteld had. De groote huizen

vond hij nog altijd levenlooze, koude dingen, maar zij waren schoon en

van lichte, vroolijke kleuren, die blij deden in de zon. De houten

vloer van de straat was rein gewasschen, en de kolossale spiegelruiten

blonken zonder smet. De menschen, die in de straat liepen, hadden

schoone, nette kleeren aan, en alles zag er uit alsof in Leliënstad

geen vuile of onreine dingen bestonden.

Mooi vond hij vooral de paarden van equipages, die voorbijgingen. Hij

voelde vriendschap voor die edele dieren, die de koppen zoo fier omhoog

hielden, en zoo trotsch hun prachtig gelijnde lijven bewogen. De

menschen leken hem nu ook niet meer zoo gejaagd en angstig als gisteren

avond. En het zonlicht lag glanzend en rijk over alle dingen, het oude,

vertrouwde zonlicht van in het bosch.

Paulus voelde zich opgewekt en nieuwsgierig om Leliënstad te zien, toen

Marcelio terugkwam.—Hij bleef nog wat praten met zijn’ nieuwen vriend,

wien hij nog veel moest vertellen van zijn leven in het woud, en was

blij, toen Marcelio hem voorstelde, eene wandeling te gaan doen.

Eerst nam Marcelio hem mede naar een grooten winkel vlak bij, waar hij

zich gewillig in een nieuw pak kleeren liet steken, met een hoogen

boord, en een das, en manchetten, en waar men hem de maat nam voor nog

meer. Toen nog in twee andere winkels, voor een hoed, en een paar

schoenen, en nu was hij eindelijk geschikt, zeide Marcelio, om zich

fatsoenlijk op straat te vertoonen. De kleeren zaten hem vreemd, de

schoenen knelden een beetje, en het hooge boordje schrijnde tegen zijn

kin, maar hij durfde er niets van te zeggen, en liep gehoorzaam met

zijn geleider mee.

In stomme verbazing zag hij naar de winkels. Hoe prachtig waren al die

brillanten en edele steenen! Als sterren schitterden zij, van even

heerlijk, innig vuur. Anderen waren fijn en teer als dauwdroppels, of

hadden het diep-mystieke van donker groene keverschilden, of glansden

als roode oogjes van kapellen. Zij leken te gloeien van een bizonder,

heilig, innerlijk leven. Zóó iets had hij nog nooit gezien.

Na de edele steenen vond hij het kantwerk het mooiste in de winkels.

Dat was als de heel teêre samen-drooming van fijne, verre boom-takjes,

’s avonds als het schemeren gaat, en zij zoo stil gevoelig staan te

doen in late lucht. Sommige waren ijl als herfstdraden, subtiel als

broos spinnerag. Hij voelde er een innige teederheid in, als van heel

fijne varens, die bij de vaagste winden trillen in de lucht. Hij wist

toen nog niet het vreeselijke, gezicht-bedervende werk, dat er voor

gedaan was. Dit was iets heel nieuws in zijn leven, de juweelen en de

kanten weefsels, en hij voelde zich gelukkig, zóó iets fijns en innigs

in Leliënstad te hebben gevonden.

Lang bleef hij ook kijken naar de boekwinkels. Daar lagen zooveel

boeken, die hij nog niet kende, en die hij nu alle zou gaan lezen. Er

waren er ook van goede vrienden bij, met wie hij samen geleefd had in

de eenzaamheid van het woud, al had hij hun gezichten nooit gezien.

Kijk, daar lagen de eerste verzen van Wederich en van Lavelane.

Maar ook nog meer boeken waren er van hen, die hij nog niet kende. Wat

een genot zou het zijn, die allemaal te lezen!

Marcelio had schik in zijne verbazing, en legde hem alles uit, wat hij

wilde weten.

Zóó liepen zij langzaam de Koninginnestraat door, telkens stilstaande

om iets te bekijken, wat nieuw en vreemd was voor Paulus, tot zij

eindelijk uitkwamen in een groote, ronde ruimte.

Aan de Noordzijde liep de straat uit in een enorm plein, het Domplein,

waar het Parlementsgebouw en het Paleis van Justitie ter rechter- en

linkerzijde stonden, en een groote Dom in den achtergrond. De Dom was

een ontzagwekkend groot monster-gebouw van kolossale structuur in

modernen stijl, met een hoogen koepel in het midden, en een kleinere

aan weerszijden, dat alleen door zijn verbazende afmetingen imponeerde.

De menschen, die er onder langs gingen, leken kleine, zwarte stipjes.

Boven elk der zijdeuren aan weerszijden van den hoofdingang stond met

gouden reuzen-letters een spreuk:

Ziet ik ben bij

U alle dagen tot aan

Der wereld einde

en

Ons geloof is

De Overwinning die de wereld

Overwint.

Paulus vond het kolossale, massieve gebouw als dreigend, een ding van

somberheid, zonder leven. Met ontzetting las hij de geweldige spreuken,

die hij uit den bijbel kende. En hij was verbaasd, toen Marcelio hem

zeide, dat dit een kerk was, een huis aan God gewijd.

„Kunnen de menschen dan niets mooiers bouwen voor God den Vader?” vroeg

hij.

Marcelio zeide, met dat spottende weer in zijn stem, dat hem den

vorigen avond al had getroffen:

„Dit is het mooiste, wat de menschen nú kunnen, mijn waarde. Het is een

moderne bouw, die pas vijf jaren geleden is voltooid, en die millioenen

heeft gekost. Van binnen is het allemaal echt practisch, met

ventilatie-toestellen, en centrale verwarming en electrisch licht, en

allemaal nieuwste nieuwigheden. Het had ook een enorm theater of een

opera-gebouw kunnen worden. De meeste menschen vinden het erg mooi. Ik

niet, evenmin als jij. Maar als je eens wilt zien, hoe ze zeshonderd

jaar geleden een kerk bouwden moet je nog een eind verder wezen. Dan

gaan we naar den Leliën-Boulevard, de hoogte in, die hier vlak bij is.

Ik geloof wel, dat ze vroeger wisten hoe een huis er moest uitzien, dat

aan God was gewijd.”

Toen ging hij met Paulus rechts af, een aantal andere, groote straten

door. Paulus was opeens stil geworden. De machtige bijbelspreuken waren

met zware stem over zijn ziel gegaan. Was de groote, goede Vader, dien

hij gevoeld had in het woud, dan óók hier vlak bij hem, in de groote

stad?

Hij schrikte op uit zijn gepeins, toen hij voor een breede, lange laan

stond, met prachtige, hooge boomen aan weerszijden, statige populieren,

recht rijzend met fijne, smalle kruinen in de lucht. De breede

Boulevard steeg langzaam-aan omhoog, als een heilige opgang tot waar

boven een lieflijk wonder praalde, dat als een groote openbaring

opscheen voor Paulus’ verrukte ziel.

En onder het eerbiedig loopen naar boven voelde Paulus zich alsof hij

nu ópging tot eene zaligheid, waarnaar hij onbewust al jaren in

eenzaamheid had gewacht.

Boven de stad, op eene veilige hoogte van al de straten met lawaaiend

leven daar beneden, troonde de cathedraal van de heilige Leliane. Die

groote, stijgende allee, de Leliën-Boulevard, leidde van het centrum

der stad recht naar de kerk. Als te heilig om op den gewonen grond te

staan, rustte zij op een hoog bordes van marmeren trappen, dat haar

geheel in ’t rond omgaf. De blanke cathedraal scheen geheel van kant te

zijn gemaakt, ijl en fijn, als op de grens van geest en materie. Wèl

moest de goddelijke bouw van stof, want van steen, gemaakt zijn, maar

toch leek hij als niet van materie meer, met zijn broze kanteelen, zijn

droomende arkaden, en al het fijne cantillewerk der torenen en nissen.

Twee statige, en toch wonderteêr rijzende torens, verbonden door een

breeden gevel geörneerd met nissen en arkaden, vormden de façade aan de

Leliën-Boulevard. En voor wie beneden aan het einde van dien Boulevard

stond, verrees de cathedraal daar in de hoogte tegen de lucht als een

apothéoze, een stuk uit een hemelsch paradijs, met zijn ragfijne

weefsels en zijn honderden ranke torentjes, met zijn goddelijke

bevolking van engelen en heiligen, biddende in de nissen. Zóó ijl en

teêr was het steenen kantwerk uitgesponnen, dat de kerk wel een wonder

weefsel geleek van bladeren, als een goddelijke, heilige boom uit het

paradijs. Het leek wel of één geweldige windstoot het ranke

droom-gebouw zou kunnen vernietigen, maar dit schijnbaar weêrlooze en

zwakke was van een onvergankelijke sterkte, zooals ook de zachte Liefde

sterker is dan de woedende haat. En gelijk ook de droom krachtiger is

in zijn broosheid dan de hardste realiteit, zóó was deze cathedraal van

steenen kantwerk van af oer-oude tijden overgebleven in de eeuwen,

onwankelbaar in de stormen der oorlogen en revoluties, die alle andere

gebouwen uit die vroegste oorsprongen van het rijk hadden vernietigd.

Zelfs de woeste barbaren uit het Oosten, die ééns het land brandende en

plunderende hadden overweldigd, hadden de goddelijke schoonheid van de

Leliane-kerk gespaard.

En Paulus had het dadelijk gevoeld, hoe deze cathedraal nóg mooier was

dan de mooiste groep van boomen uit het woud. Het was hem werkelijk, of

God zelf hierin woonde. En waar alle andere bouwsels van menschenhanden

in de groote stad, óók de kolossaalste, als het Paleis van Justitie, en

het groote Parlementsgebouw, tóch maar doode dingen waren, leelijker

dan één eenvoudige boom uit het bosch, daar voelde hij, hoe de

cathedraal lééfde, éven waarachtig als het woud, leefde van een

geheimzinnigen, divienen adem, die door de steenen wanden droomde.

Dit was nu het eerste van alle dingen in de stad, dat hij verwant

voelde aan het mooiste uit het bosch, om dadelijk lief te hebben met

zijn geheele ziel.

Hoe wonderlijk vond hij het, dat dit niet van-zelf was opgegroeid uit

de aarde, als de boomen, met hun sterke stammen en teêre loovertjes,

maar dat dit was gebouwd door de handen van menschen, steen voor steen,

uit hard materiaal, van doode stof! Konden dan menschen dezelfde

schoonheid scheppen, die de Vader aller dingen door eigen, onzichtbaren

adem deed ópgroeien uit allerkleinste kiemen en zaden? Dezelfde soort

menschen als die wezens, die daar beneden in de stad zoo

angstig-gejaagd door de straten krioelden?

En waarom waren dan al die huizen en gebouwen, die ze nú maakten, zoo

leelijk en doodsch, waar ze zeshonderd jaren geleden zulke heilige,

levende wonderen konden bouwen als deze statige cathedraal? Hij had

toch altijd gelezen, dat de „beschaving” zoo’n groote vooruitgang was

in alle dingen, en de oude tijden vol ruw en grof geweld waren?....

Boven aan den gevel praalde een groot beeld van den aartsengel Michaël,

die met zijn rechte zwaard van reinheid den zich van angst kronkelenden

duivel der zonde en duisternis verslaat. En vlak onder dat

hoog-wonderlijk gebeuren, waar de heilige geest de aardsche materie

versloeg, troonde het eindeloos reine beeld van de onbevlekte Leliane,

die, van alle hartstocht-smetten vrij, was opgerezen uit den kuischen

kelk der witte lelie, die stille, kalme bloem van wijsheid en

maagdelijke blankheid.

En o! de welvende, vrome bogen van heiligen en oude, vrome koningen

boven het portaal! Hoe zij daar hoog boven de duistere stad, met hun

biddende wenkbrauwen en opgestoken handen ten hemel wezen, starende in

de eindeloosheid, boven de aarde uit!

En hoe al die spitse torentjes, met fijne loovertjes en teêr kantwerk

doorweven, omhooge stegen, met de statig gewiekte engelen, de handen

wijd uitgespreid in kuisch gebaar, als gereed om zoo hun vrome vlucht

te nemen, en op te wieken in het paradijs!

Marcelio vertelde hem van den heiligen schat, die in deze kerk werd

bewaard. Dáár, in die ontzaglijke cathedraal van uiterst broze

teêrheid, die opperst goddelijke kracht was, rustte in een goudenen en

diamanten tresoor, in een crypte van marmer, en jaspis en albast, de

heilige, gewijde reliquie van het rijk, de in wonderbare kruiden en

essences gaaf bewaarde zeven bladen van de witte Lelie, uit welke de

heilige Leliane, de oer-moeder en goddelijke koningin van het volk was

ontstegen. Slechts éénmaal in vele, vele jaren werd die reliquie, in

een gouden schatkistje van eeuwenoud smeedwerk bewaard, uit het tresoor

omhoog gedragen in het licht, als een koningin de bruid was, en hare

maagdelijke lippen eerst het heiligdom moesten kussen, om zóó den

menschelijken hartstocht te verreinen en goddelijk te maken, waaruit

dra een nieuwe telg der Leliën-vorsten zou geboren worden.

De gansche cathedraal van kanten pracht rankte alléén daarom zoo

engelen-teer en godensterk omhoog, om met zijn diviene bogen die

allerheiligste reliquie te overwelven, waarin ééns het groote

Godswonder was gebeurd.

Op dezelfde hoogte van de cathedraal, maar niet te zien van den

Boulevard af, meer naar het Noorden van de stad, met een lange laan van

de kerk er toe leidend, troonde het paleis van de koningin.—In

vlekkelooze pracht van wit marmer praalde het hoog boven de stad, als

een wondere konings-woning, waar enkel reinheid woonde. Breede,

windende bordessen en trappen, die naar het groote Koningsplein leidden

in de stad, daalden diep van het paleis neêr, en van beneden gezien

leek het wel onbereikbaar, zóó hoog was het en zóó wit. Als het in den

laten middag wat nevelig werd op de heuvelen rondom de stad, en vage

sluieren om het paleis waaiden, leek het in zijne weifelende vaagheid

als een hemel-visioen in de wolken, waar enkel engelen en materie-looze

hemelingen konden wonen. Als ’s avonds de witte en gekleurde

electrische lichten waren ontstoken, was het somtijds van beneden niet

goed meer te onderscheiden, wat de sterren waren en wat de lichten van

het paleis. En de arme, kleine kinderen van misère in de donkere

sloppen van de stad, die nooit verder kwamen dan het nauwe, vunzige

steegje waar zij in woonden, zagen het paleis hoog boven de daakjes der

schamele hut-huisjes, en dachten dat de koningin daar, vér in die

glorie, samenwoonde met de engelen, waar ze in hun ellende nog aan

geloofden.

Het paleis was gebouwd tegen een wand van witten rotsberg en als

achtergrond was de rots nog gaaf behouden, waar grillige struiken en

bloemen aan ontsproten en waar fonteintjes zilverhelder water uit

wegklaterden in marmeren bassins. Het witste en edelste marmer uit alle

deelen van de wereld was voor den bouw bijeengebracht, en, uit de verte

van de donkerder stad gezien, leek het wel van heel fijn porselein

blanc de Chine, of van lelie-lichte sneeuw, of wel ijl als blinkend

wolken-wit, waar maanlicht achter glanst. Wèl was het een waardig

paleis om een heilige vorstin te omgeven, die de essence in zich

omdroeg van de witte water-lelie en het gouden licht van de zon.

Paulus staarde lang in bewondering naar het witte paleis. Dáár woonde

dus Leliane, met het lawaaiende leven laág beneden, hoog boven de stad,

even hoog als de kuische Cathedraal, in een andere, reiner sfeer dan de

gewone menschen, die niet als zij waren heilig. Wat was dat paleis

heerlijk blank om haar blanke onschuld gebouwd! En wat was het hier

plechtig stil! Het gedruisch van de stad kwam maar van heel ver, een

flauw gerucht, somtijds even opzuchten, waar zij, in hooge stilte,

binnen het blanke marmer, in eigen sfeer ongenaakbaar troonde. Hij liet

zich door Marcelio vertellen van al de heerlijkheden daar binnen, van

de beroemde albasten troonzaal, van de oostersche prachtzalen voor

recepties, van al de pracht, die hare koninklijke schoonheid daar

omgaf.

Het waren zeker enkel heel nobele en goede menschen, edelen van

onbesmetten naam en vorstelijke deugden, die waardig waren, dat blanke

paleis te betreden, en tot de heilige tegenwoordigheid van prinses

Leliane te worden toegelaten!

En hij vond het al grooter en grooter wonder, een Godsgenade van

uiterste goedertierenheid, dat zulk een machtige en lelie-reine prinses

ééns had gerust in zijn eenvoudig kamertje in het bosch, en zíj

gesteund had op zijn arm, voor wie de edelsten uit het land deemoedig

de knie bogen, om als hoogste gunst de toppen harer blanke vingeren te

mogen beroeren. Hij voelde zich sterker en geruster, toen hij weer met

Marcelio onder de hooge populieren van den Leliën-Boulevard afdaalde

naar de stad. Het harde leven en het druk gewoel der menschen daar

beneden zouden hem nu niet zoo angstig meer maken, nu hij wist dat hoog

daarboven, veilig en onbesmet van alles, de prinses Leliane woonde, in

haar witte paleis, waar niets haar rustige kalmte kon verstoren. En

vlak bij haar, in dezelfde sfeer van stille waardigheid, wist hij nu

wakende de Cathedraal, opgerezen als een mystieke bloem rankend van de

aarde naar den Hemel, het heilige huis van God naast de blanke woning

van het reinste Zijner kinderen, in wie Zijn schoonheid zich het

heerlijkste had geöpenbaard.

Leliane: een modern sprookje · 第 11 / 21 题