Door de houthakkers geleid liepen zij nu nog twee uren langs een goed
gebaanden weg door het gebergte.—Paulus hield met sterken greep het
wilde bergpaardje bij den teugel, dat Leliane, gewend aan goed
gedresseerde raspaarden, niet kon besturen. Zijn licht geschoeide
voeten, gewend aan zacht zand en mos, deden pijn op het harde, steenige
pad vol scherpe punten, maar hij had zóó wel uren willen voortloopen,
als Leliane maar bij hem bleef.
Aldoor dacht hij, angstig:
„Nu zal het uit zijn... nu komt het einde... als wij bij de menschen
komen mag ik niet bij haar blijven.”
Eindelijk kwamen zij aan de grens van de bergen, waar de weg afdwaalde
naar een groote, verre vlakte. Hij had, gewend aan boomen overal om hem
heen, nog nooit zoo’n wijde vlakte gezien, eindeloos uit, zonder
belemmering, met horizonnen wijd en ver. En toen zijne oogen gewend
waren aan het ruime perspectief zag hij het eerst kleurige stippen,
dolende hier en daar. Hij wees er naar met de vingers. Toen zagen de
houthakkers het ook. Zij legden de vingers in den mond, en lieten een
scherp, doordringend gefluit hooren, door de bergen wijd en zijd
weerkaatst.
De prinses had zich hoog in den zadel opgericht, en keek, de hand voor
de oogen in groote spanning uit.
De stippen kwamen al nader en nader naarmate zij daalden, al sneller en
sneller... er schitterde hier en daar al iets van zilver en goud... en
nu werden zij rood tegen het witte van den grond... al nader en nader
kwamen zij...
Totdat de prinses het blijde uitriep, de handen wenkend bewegend:
„Mijn huzaren!... mijn huzaren!...”
De stippen werden zwarte paarden, waarop roode mannen waren gezeten.
Zilver en goud van sjabrakken en passementen schitterden in de zon, en
stalen wapenen blonken. Één ruiter hief een donderend „hoera!” aan en
rende opeens van al de andere hollende cavaleristen weg, de sabel
omhoog, flikkerend in de zon. Het was of zijn paard, zonder zwaarte,
voort-vloog door de ruimte.
„Dat kan alleen Marcelio zijn,” riep de prinses Leliane verheugd uit.
„Het is graaf Marcelio!”
Een paar minuten later zag Paulus een jongen, donkeruitzienden man op
een met wit schuim bedekt gitzwart paard uit vollen galop op eens
onbewegelijk stil houden voor de prinses. Hij hield de rechterhand met
uitgestrekte vingers aan den kolbak, zwijgend tot de prinses hem
aansprak.
„Hier zijn wij, graaf Marcelio... veilig en ongedeerd, dank zij dit
jonge mensch hier, dat ons geholpen heeft... Wij zijn verdwaald geweest
op de jacht, de witte ree, ge weet wel, wij wenschen deze vreemde
geschiedenis zoo geheim mogelijk te houden, en ophef te vermijden... er
zal niet zoo heel ver van hier wel een station zijn... wij hebben ons
rijkleed aan en kunnen tot zoo ver rijden... laat de huzaren ons maar
op een afstand volgen, en beloon deze goede mannen met wat geld... dit
jonge mensch hier beveel ik aan uwe speciale zorgen aan, ik zal u later
wel mijne nadere beschikking omtrent hem geven... en dit alles voorál
zonder ophef, hebt gij mij begrepen, graaf Marcelio?”
Paulus was verbaasd over de hooge waardigheid van waaruit deze woorden
bevelend werden gesproken. Was dit het Meisje, dat Willebrordus „kind”
had genoemd, en dat klagelijk en hulpeloos in het mos had gelegen bij
de water-lelies, steunend van pijn? Wat was er dan opeens in haar
gekomen, dat zij nu zoo gebiedend sprak, en de sterke, groote jonge man
vóór haar, eerbiedig het hoofd boog, de hand nog steeds eerbiedig ten
groetenis geheven? Wat was er in haar, dat nu opeens de aangekomen
ruiters als standbeelden voor haar stilstonden, de stalen wapenen
onbewegelijk voor de borst houdend, in reverent gebaar?
En een vage vrees beving hem voor dat geheimzinnig vreemde in haar, dat
een sfeer van eerbied en ontzag om haar heen deed gaan, waarin de
handen der menschen ten groetenis werden bewogen.
Hij voelde zich of hij droomde, en was niet meer zeker van wat hij de
laatste dagen beleefd had.
Was het dan wáár, of was het gedroomd, dat hij tot dat wondere wezen
had durven spreken, waar die groote, van goud en zilver schitterende
officier van eerbied voor was blijven zwijgen, deemoediglijk wachtend
op een bevel van hare lippen? Had hij werkelijk als een vriend aan haar
bed gezeten, had zij vertrouwelijk en steunend op zijn arm geleund, als
een gewoon kind, die nu in die fiere, gebiedende houding heerschend
tegenover die sterke, met moordtuig gewapende mannen stond? Was er dan
iets bovenmenschelijks aan haar, iets misschien van God zelf, dat
Willebrordus niet aan haar gezien had, en had hij dan misschien haar
hooge majesteit geschonden, door tot haar te durven spreken als een
gewoon menschenkind?
Angstig, van stomme ontzetting vervuld, keek hij om zich heen. Hij
voelde, hoe de jonge officier, die graaf Marcelio heette, hem aanzag.
Twee donkere, vreemde menschen-oogen opeens in de eenzaamheid van zijn
ziel. Maar ze waren niet vijandig. Hij raadde ze intuïtief als iets
vriendelijks, dat hem wilde bemoedigen.
Dit was dus een van de menschen uit de groote stad, waar Willebrordus
voor was gevlucht. Het blinkende staal, dat hij in de hand hield, was
een sabel. Dat wist Paulus van de platen in zijn boeken. En al die
andere mannen op die zwarte paarden hadden sabels in de hand. Toch
waren ze mooi. Gekleed in heldere kleuren, met roode figuren, en
geflikker van metaal. En mooi was hun rechte, flinke zitten in het
zadel. Dit waren nu de soldaten van prinses Leliane, en zoo waren er
nog duizenden en duizenden, die gehoorzaamden aan haar bevel. Duizenden
en duizenden groote, sterke mannen, en op één wenk van haar teedere,
blanke hand zouden zij voor haar voort-stormen in den dood. Dat wist
hij uit de boeken.
Zij leek hem nu opeens onbereikbaar ver, verder dan de sterren, die hij
gezien had in de stilte van den nacht. Hoe klein en nietig moest hij
voor haar zijn! Hoe’n onbeduidend, armzalig wezentje moest hij haar
lijken! En hoe nutteloos was al zijn spreken tot haar geweest, die zoo
oneindig ver van hem was gebleven, al had zij vlak voor hem gestaan!
Zijn denken werd in raadselen verward. Vèr was ze nu, onbereikbaar ver.
Maar toch lag haar beeld van slapende maagd, in reine rust, zacht in
zijn eigen ziel. En dat beeld, zoo veilig en vertrouwd, het leek nu van
heel ander wezen dan die jonge vorstin daar op het zwarte paard, die
hem opeens bijna vreemd was. De arme Paulus begreep niet meer wat in
hem gebeurde, en hij voelde het duizelen in zijn hoofd. Niet voor die
vreemde vorstin daar had hij zijn grootvader en het mooie bosch
verlaten. Zij leek nu een vreemde, een geheel andere, die eigenlijk
niet dezelfde kon zijn, die hij in vredigen slaap had zien rusten onder
de groene boomen. En tóch moest zij het zijn....
Moê en angstig liet hij zich nu gewillig leiden. Graaf Marcelio hielp
hem op een mak huzarenpaard, en wees hem hoe hij de teugels moest
houden. Het beest liep vanzelf achter dat van Marcelio aan.
Na een langen tijd rijden kwamen nog meer ruiters hun te gemoet. Er was
een heel oud man bij, met langen, grijzen baard, in een van goud
schitterende uniform die óók eerbiedig, diep neigend voor de koningin
stilhield.
Met dezen ouden man reed opeens prinses Leliane in vollen galop
vooruit, de andere ruiters achterlatend.
Paulus hitste zijn paard aan, en wilde haar volgen, maar graaf Marcelio
hield hem tegen.
„Hare Koninklijke Hoogheid wenscht onopgemerkt, alleen in den trein te
gaan,” zeide hij. „Wij moeten achterblijven, en je bent aan mijn hoede
toevertrouwd. Haar Koninklijke Hoogheid wil dat je bij mij blijft. Daar
in de verte zie je al een paar huizen, en de groote kap van het
station. Kijk.... dáár.... Daar moeten we heen. De huzaren gaan nu al
terug.... Maar wij moeten daar samen in den trein, die ook hare
Hoogheid naar Leliënstad zal brengen. Alleen mijn oppasser volgt ons
nu.”
Paulus zag in de verte de roode daken van huizen, vriendelijk en blij.
Déze woningen van menschen leken niet benauwd, zooals grootvader
verteld had. Het dorpje lag omgeven van dichte bosschen, en het leek
hem wel heerlijk daar te wandelen. Maar links, iets verder, zag hij
groote, zwarte gebouwen, somber-leelijk, met grove vormen in de lucht,
dreigend.
„Dáár is het station,” zeide Marcelio. „Als die bosschen er niet waren
zou je treinen kunnen zien.”
Toen zij bij het dorp waren gekomen—een kleine plaats met lage,
eenvoudige huizen—stapte graaf Marcelio af, en hielp ook Paulus van het
paard. Toen nam hij hem bij de hand, en ging met hem een groot,
monsterachtig gebouw binnen, waar een donderend leven lawaaide. Gegil,
gefluit, gedaver, rollend geratel. Paulus wist niet wat hij hoorde, en
angstig voelde hij zijn hart kloppen.
Heel stil, heel klein liep hij naast graaf Marcelio, bang om van hem te
verdwalen, en alleen te zijn onder al die vreemde, onvertrouwde
menschen. O! Het benauwde van dat zwarte, donkere dak boven zijn hoofd!
Waar was de Hemel?—En die duistere, nauwe doozen op rollen, waar hij
straks in zou moeten! En die groote, gillende monsters, sissend en
stoomend van kwaadaardigheid, met vlammend vuur in hun lijven! Ja, hij
wist wel wat het was, van platen en uit boeken, het was een station,
met treinen en locomotieven, maar tóch sloeg het hem met een vage
ontzetting, het gedaver en het lawaai. Een groote onrust huiverde
overal om hem heen, en het was of al de menschen hier een vreeselijk
verdriet hadden of angstig waren voor iets, dat ze allen weg wilden met
die vervaarlijke monsters, die als opgerezen schenen uit een
onderwereld van helsche verschrikking. Het gesteun en gebriesch van de
locomotieven deed zijn hart bang kloppen van schrik, alsof ze hem kwaad
wilden, en er iets verschrikkelijks hem wachtte.
„Het is hier wat druk,” zeide Marcelio vriendelijk. „Een grensstation
met douanen moet je denken. Alles moet hier uitstappen. Een beetje
vreemd voor je, natuurlijk. Maar daar wen je wel aan. Ha! daar is onze
trein.”
Paulus stoof verschrikt achteruit.
Donderend-lawaaiend daverde een sneltrein aan, wolken blinkenden stoom
voor zich uitstootend. Een wind van lucht stroomde langs zijn ooren, en
heel de grond trilde. Bellen klingelden, fluitjes trillerden, mannen
schreeuwden. Brieschend stond de locomotief stil.
Uit de donkere wagens kwamen menschen, haastig, als op de vlucht voor
iets, ijlden weg, als bang. Anderen stormden er in, zenuwachtig, als
vliedend voor een gevaar.
Wat was er dan toch, dat al die menschen zoo voortdreef? Paulus voelde
een vreemde benauwing bij al dat haastige, gejaagde om hem heen. Het
was of een verschrikkelijk noodlot al die menschen dreigde, dat ze zoo
hals over kop vluchtten onder het gebel en gesis en gestoom alom.
Maar reeds had Marcelio hem bij den arm gegrepen, en met zich
voortgeduwd. En vóór hij goed tot besef was gekomen wat er gebeurde,
zat hij op zeer zachte, rood fluweelen kussens in een nauw, laag
kamertje.
„Dit is nu een eerste klasse-wagen,” zeide Marcelio. „Behoorlijk zacht,
hè, maar een beetje nauw. Het is een vóór-coupétje voor twee plaatsen
maar. Juist geschikt voor de gelegenheid.”
„Klets!” ging het portier dicht, dat Paulus met een schok opsprong.
Door het raampje zag hij de menschen op het perron haast je rep je!
door elkaar woelen. Het was als zochten ze allen iets angstig. Wat
zochten ze?
Vragend zag hij Marcelio aan. De jonge officier lachte, en had schik in
zijne verwondering.
„Al die menschen.... wat doen ze?...” vroeg hij. „Wat zoeken ze
toch?.... of vluchten ze.... zijn ze bang?”
„—Wel neen, mijn beste jongen.... die menschen hebben haast.... aan een
station heeft iedereen haast.... meestal lui van zaken.... dat leer je
later wel.... tijd is geld, moet je weten.... dat leer je óók wel....
wat een drukte hé.... en eigenlijk allemaal voor niets.... zóó haasten
ze zich jachtend hun leven door tot ze dood zijn, en dan is ’t uit....
allemaal voor niets geweest....”
Paulus voelde opeens een vage pijn. Er was iets in graaf Marcelio’s
stem, dat schrijnde. Zoo heel anders dan het rustige, gedragen geluid
van Willebrordus.
Hij zag hem eens goed, aandachtig aan.
Een mooi, fijnbesneden gezicht. Schitterende, zwarte oogen. Een zwarte,
zachte snor, met spitse punten. Gezonde, roode wangen. Het donkere,
glanzende haar gekruld. Een slanke, rijzige gestalte in de
nauwsluitende uniform. Zijn blik was vriendelijk en beschermend. Maar
met iets lichtelijk spottends, iets vreemds, dat misschien wel
droefheid was, en dat Paulus onrustig maakte en aan het vriendelijke
tegelijk iets schrijnends gaf.
Opeens een hoog gegil.... een stoot.... en Paulus voelde zijn wagon
bewegen, eerst langzaam, dan sneller, sneller en sneller... alles langs
het raampje ijlde weg, menschen en dingen... hij voelde zich vooruit
vliegen in de ruimte....
En hij riep, angstig:
„De prinses!.... waar is de prinses?....”
Marcelio stelde hem gerust.
„Haar Koninklijke Hoogheid zit veilig in een salonwagen.... zij rust nu
op een goed bed van de vermoeienissen uit. Haar wagen is vlak achter de
onze, en als zij op een knopje drukt gaat hier een schelletje af en kan
ik door dit deurtje in de koninklijke appartementen komen. Wij gaan nu
rechtdoor naar Leliënstad, waar wij tegen den avond aankomen. Er is
behoorlijk getelegrafeerd, en men zal Haar Koninklijke Hoogheid aan het
station ontvangen. Maar vertel me nu eens goed, wat er toch met Haar
Koninklijke Hoogheid gebeurd is. Wij hebben haar verloren op de jacht,
daar bij de blauwe bergen. Wij jaagden een witte ree, die alleen met
een pijl mag worden gewond, en in de opwinding van de jacht was Haar
Koninklijke Hoogheid ineens verdwenen.”
Toen vertelde Paulus, eenvoudig, zonder iets achter te houden, hoe hij
de prinses had gevonden. Hij had nog niet geleerd zijn gevoel te
verbergen, en zeide alles zooals het hem opwelde uit zijn jong,
geest-driftig hart. Zijne oogen schitterden daarbij, zijne wangen
gloeiden, toen hij het uitzegde, hoe de schoonheid van de prinses zijne
ziel had beroerd.
Met welgevallen zag Marcelio hem daarbij aan. Wat een vreemde, aardige
jongen! Zóó waren er niet meer op dien leeftijd in Leliënstad.
Zeventien jaar kon hij wezen, misschien achttien. En wat een naïeveteit
nog om zóó je gevoelens aan den eerste den beste te vertellen!
„Maar je bent een dichter, Paulus!” zeide hij vriendelijk. „Waarachtig,
een dichter! We kunnen misschien nog plezier van je beleven! Heb je wel
eens verzen gemaakt?”
„Ja,” zeide Paulus, eenvoudig.
„Wat een trouvaille! Een jonge dichter, zóó maar uit de eenzaamheid van
een bosch! Wat zouden Wederich en Lavelane wel zeggen! Dat wordt een
evenement! Een dagteekening! Maar nu iets anders. Haar Koninklijke
Hoogheid wenscht, dat het gebeurde strikt geheim blijve. De bladen
hadden al bevel gekregen om niets van het verdwijnen der koningin te
reppen. Je moogt niemand, wien ook, iets vertellen van het gebeurde. We
zullen er wel wat op vinden om de couranten officieel een of ander
verhaal te doen. Haar Koninklijke Hoogheid mag niet de heldin van een
roman worden. Het zou anders een kapitaal sensatie-verhaal voor de pers
zijn. Je moogt dus niets, absoluut niets ooit reppen van hoe je de
prinses hebt gevonden. Begrepen? Het is Haar Koninklijke Wil.”
Paulus knikte van ja en beloofde. Maar hij begréép het niet. Waarom
mocht niet iedereen het weten, hoe hij de prinses had gevonden? Zou het
volk niet blij zijn, dat zij veilig behouden was? En waarom moest het
nu misleid worden door eene voorstelling, die niet waar was? Neen, hij
begreep het absoluut niet. Maar het was Haar Koninklijke Wil, had
Marcelio gezegd. Dus zou hij zwijgen.
Hij keek door het raampje naar de nieuwe wereld, waarin hij nu kwam. En
hij was verrast. Niets meer van groote klompen steenen en massieve
gevaarten. Wijde landen met wuivend graan gleden vierkantend weg in de
snelheid van den trein. Rijen mooie boompjes bewogen zachtjes in de
verte. Hier en daar, rustig, een landelijk huisje, met rood pannen dak.
De hemel een wijde blauwe ruimte met blinkend witte wolken. Alles
rustig en tevreden, alleen als weg-deinzend door de vliegende vaart van
de trein.
Marcelio zag zijne verrassing, en zeide:
„Ja, het zijn niet allemaal steden, hier in Leliënland, dát moet je nu
niet denken. Dít is nu het land. Zonder het land zouden de steden niet
kunnen bestaan. Want van het land, dáár moet alles vandaan komen om de
steden te voeden. Het graan, de tarwe, de runderen, de melk, de boter,
de groenten, dat komt allemaal van het land. Je begrijpt hoeveel land
en hoeveel boeren er noodig zijn om iederen dag zoo’n stad van twee
millioen menschen aan eten te helpen. Met groote, vliegende treinen
wordt dat zelfs van verre landen in Leliënstad aangevoerd.”
De avond begon te vallen.
Een dunne, ijle mist was opgedroomd boven de landen, die er zachtjes in
verwaasden. Huisjes en boomen vervaagden, en stonden als onzekere,
weifelende vormen in het grijze. Hier en daar somtijds, moeilijk, een
lichtje.
En de trein daverde, daverde voort, een paar uur.
Paulus was ingesoesd, moê van al het ongewone, toen een schel, hoog
gefluit hem wakker maakte. Het deed hem pijn, dat felle ineens, zoo
onverwacht.
„Leliënstad!” zeide Marcelio, „eindelijk! We komen nu bij de
voorsteden.”
Paulus keek uit het portiervenster.
En door den vagen mist, wijd-uit, zagen duizenden lichtjes, mat en
flauw door den nevel pinkend, hem aan. Het was als een groot,
vervaarlijk monster, met duizenden oogen loerend.
Een onbestemde angst legde zich over zijn hart. Hij tuurde, angstig, en
tuurde.
Nu zag hij groote, donkere vormen zich oprichten uit het vage. Met
dreigende, donkere schaduwen stonden zij in den schemer.
„Huizen,” wist hij, „dit moeten huizen zijn, naast elkaar, in een
straat.”
Het waren doode, gevoellooze dingen. Niet als de boomen van zijn bosch,
die leefden, en vertrouwd waren aan zijn ziel. Maar dit waren duistere,
koude gevaartes van steen, onbewogen, massief, van roerlooze hardheid.
Het leken hooge, zwarte graven, opgerezen in de lucht.
Marcelio zag zijn schrik.
„Wat donker hier, hè, die hooge huizen, bijna zonder licht. Maar je
bent hier in de buitenwijken. Dit zijn de arme buurten. Maar straks
wordt het wel beter.”
De trein reed nu op een viaduct. En overal zag Paulus vreemde, gebogen
monsterdingen, als armen met sombere gebaren uitgestoken in de lucht.
Het was of ze dreigden, en er was iets siniesters in dat uitgestrekte
van kromme, zwarte pijpen, uit die donkere huizen gestoken. Zoo ver hij
zien kon waren er nu overal van die zwarte vuile steenen huizenklompen,
met die kromme armen wanhopig grijpend omhoog.
„Schoorsteenen,” zeide Marcelio, glimlachend.
Hij lachte over Paulus’ verwondering.
En hij wist niet, hoe bang het was in dat jonge hart naast hem. Die
zware, donkere gevaarten wierpen bange schaduwen in Paulus’ aan licht
en zonneschijn en wuivend groen gewende ziel. Konden hier menschen
wonen? Waren er heusch levende wezens in die genadelooze, steenen
graven?
Hier en daar was al een eenzaam petroleumlichtje op, in een nauw,
vunzig hol. Door armoedige, gebroken ruiten, spookachtig voorbij door
de vaart van den trein, zag Paulus dan éven vreemde gezichten van
havelooze menschen, stukken vuil goed aan touwen, onoogelijke, donkere
dingen. Het leek hem een booze droom.
Langzamerhand werd het beter. Hier en daar, perspectief, inééns een
lang, nauw ópen, met véél lichtjes, en benéden honderden zwarte
stipjes: een straat, die wègdeinsde. Nu werd het al lichter en lichter.
Breede pleinen gingen open, met groote bollen wit licht in ’t midden,
licht, dat hij nog nooit gezien had, bleek als van de maan. De huizen
hadden hier vensters, blinkend van licht. Beneden kon hij drommen
menschen zien loopen, duidelijk, of het dag was. Zij liepen allen
haastig, alsof zij iets zochten. Hij zag nu ook wagens en rijtuigen met
paarden. En ineens, met sterren licht pinkend er boven, een groote
wagen met glazen wanden, van zelf vooruit ijlend in vliegende vaart.
Binnen een rij zwarte menschen, dicht tegen elkaar. Alles warrelde en
wemelde dooreen. Het was onrustig, of een vaag gevaar door die pleinen
en straten waarde, waar al die menschen angstig voor vluchtten.
De trein daverde en daverde altijd maar door, boven al dat gedwarrel
uit, en Paulus verwonderde zich, dat de menschen beneden niet staan
bleven en angstig opkeken, of het stoomende gevaarte niet op hen zou
vallen.
De nevel, die uit de landen buiten was opgestegen, hing nu niet meer
over de steenen straten. Daar was nu alles helder licht. En Paulus vond
het vreemd dat de menschen hier in de stad den nacht met dat kunstlicht
hadden verjaagd, den nacht, die hem altijd zoo vertrouwd was geweest in
het bosch, vol mooi geheim. Zouden de menschen dan bang zijn voor den
nacht? Waarom waren ze nog niet te ruste gegaan, of wat stil in hun
kamer? Wat dreef hen dan toch allen zoo voort?....
De stad scheen eindeloos. Want de trein daverde altijd maar door, in
vliegende vaart, telkens deinsden nieuwe straten en pleinen voorbij, en
overal liepen nieuwe drommen menschen, wriemelend klein en zwart daar
beneden, nietig tegen het hooge van de huizen, waarlangs ze gingen.
Opeens zag hij in de verte, hoog in de lucht opgerezen, een wonderen,
vreemden bouw. Het was vaag en onzeker door den afstand, maar het leek
hem fijn en gevoelig als boomen van het bosch. Teêre, luchtige vormen,
ijl cantille-werk als van bladeren, met twee ranke torens in de lucht.
Er was iets heiligs aan van gewijd leven. Innig, een levende schepping,
fijn als bladeren van verre boomen, rees het zachtkens op in de donkere
lucht, hoog boven de doode, starre huizingen.
Vragend zag hij Marcelio aan, en wees met de hand naar het wonder.
„De Cathedraal,” zeide Marcelio. „Hier worden de bladeren bewaard van
de heilige Water-lelie, waaruit het koninklijk geslacht van prinses
Leliane werd geboren.”
De trein daverde altijd door....
En nu zag Paulus, hoog boven de stad, evenals de cathedraal, op een
heuvel, een wit paleis. Honderden witte ballons, gloeiend van zilver
maanlicht bloeiden daar heilig blank op in het duister van den avond,
en het paleis was er duidelijk door te zien, van eene verblindende,
sneeuwen blankheid, met een transparanten, reinen glans, als van fijn
porselein.
Toen hoorde hij Marcelio eerbiedig zeggen, maar met toch nog iets van
vagen spot in zijn stem:
„Het paleis van Hare Koninklijke Hoogheid prinses Leliane.”
En hij voelde eene blijde verlichting, dat het paleis zoo hoog boven de
stad stond, in zoo’n heerlijke sfeer van lucht. Zóó behoorde Leliane
ook te wezen, dacht hij, hoog en ver boven de menschen, in een eigen
glorie van reinheid, zooals de sterren pralende zijn boven de aarde.
Wèg was opeens het paleis, toen de trein een bocht om ijlde, altijd
maar verder en verder, daverend en lawaaiend.
Toen, eindelijk, verminderde zijn vaart, remmen knarsten, kettingen
rammelden, en Paulus voelde de wagon om hem schudden en beven, tot hij
eindelijk met een schok stilstond.
Weêr een station als dien middag op de grens, maar veel grooter. Toen
Paulus uit de wagen was gestapt en op het perron stond duizelde hij
even. Want naast hem, vóór hem, overal daverden snuivende, stoomende
locomotieven-monsters aan, dreigend lichtende uit roode oogen. Zwarte
menschen drongen en holden schreeuwend om hem heen, of ze hem kwaad
wilden doen, als vijandig.
Stijf hield hij Marcelio’s hand vast. Wagens rolden donderend over den
houten vloer, locomotieven gilden snijdend, zware schellen klingelden.
Tusschen een saamgestroomde bende van menschen, dicht tegen hen
aangedrongen, voelde Paulus zich voort worden geloopen. Eerst trappen
af, naar beneden, toen een donkere gang, en weer trappen af, steeds
voortgestuwd door de menschen.
En dán ineens buiten, op een groot plein, stralende van lichte
maan-ballonnen, met ratelend rumoer van wagens, en schrijnend lawaai
van stemmen. Mannen in lange jassen met gouden knoopen gilden namen
uit, die hij niet begreep. Jongens met couranten schreeuwden klagelijk
uit, als noodgeschrei. Alles dreunde en schetterde en gonsde om hem
heen, pijnlijk, grof, vijandig. Stijf omklemde hij Marcelio’s hand.
„De prinses.... de prinses.... waar is zij?....” vroeg hij angstig,
allereerst denkend om haar, in dat gevaar.
„De prinses gaat heel stil naar het paleis,” antwoordde Marcelio
geruststellend. „Zij is hier afgehaald door vertrouwde dienaren, die
getelegrafeerd zijn. Om geen opzien te wekken gaat zij heel eenvoudig
in een gewoon rijtuig naar het paleis.”
„Wat willen hier al die menschen?” vroeg Paulus nog. „Wat zoeken
ze?.... waarom schreeuwen ze zoo?....”
Marcelio lachte.
„Wat ze zoeken?.... Ja, als ze dát maar wisten, dan was alles in
orde.... En waarom ze schreeuwen?.... Dat weten ze misschien zelf
niet... Maar zoo is het altijd aan een station, mijn jongen, en overal
op straat is het lawaai. Daar moet je aan wennen.”
Hij wenkte een koetsier, en liet Paulus in een coupé stijgen.
„Koninginnestraat,” hoorde Paulus hem zeggen.
En voort! voelde hij zich rijden, het breede plein over, waar overal
andere rijtuigen weg ratelden, haastig, als door angst en onrust
gedreven.
Hoe dat alles ijlde en draafde en heen-holde! Waar moesten die menschen
dan allemaal heen? Wat dreef hen dan allemaal zoo vooruit in zoo
zenuwachtige haast?
Hij keek uit het portierraampje, sprakeloos, in altijd stijgende
verbazing, zonder begrijpen. Dat leven, dat lawaai, dat gedreun, en
gedaver, en geschreeuw! Al die menschen, rusteloos voorbijdravend,
elkaar verdringend, waar gingen ze dan toch heen, wat zochten ze dan
toch? En die groote, hooge, steenen huizen, wat waren ze koud en hoe
strak keken ze hem aan! Doode, onbewegelijke dingen. De menschen
leefden hier tusschen starre, steenen gevaarten, die hoog en koud om
hen heen stonden, onbewogen. En tusschen al dat doode en steenen gingen
ze rusteloos voort, ál maar voort, bij duizenden en duizenden. Zoo bij
tweeën of drieën schenen ze elkaar vertrouwd, praatten ze met elkaar.
Maar de anderen leken zij niet te kennen. En allen gingen een eigen
gang, haastig, of ze voor iets vluchtten, of iets hen voort-jaagde.
Winkels met groote uitstalramen, blinkend van licht, praalden met
allerlei schitterende dingen, veilig achter glas bewaard. Groote
restaurants en cafés hadden tafeltjes op straat, waar menschen zaten te
eten en te drinken, midden in de drukte van ’t voorbijloopend publiek.
Krantenjongens schreeuwden met een monotoon, klagend geluid. Rechts en
links gingen andere rijtuigen voorbij, en groote vrachtwagens met
kisten, en omnibussen met zwarte menschen er boven, de koetsier op den
hoogen bok, ingebakerd. Dat hoste en ratelde en lawaaide alles door
elkaar. Hier en daar, op den hoogsten nokrand der kolossale huizen,
vlammende annonces in electrisch licht, die ineens uitdoofden en dan
plotseling weer opschenen. Paulus’ oogen traanden van ’t zien in al dat
scherpe licht, en zijn hoofd begon te duizelen van ’t rumoer. Het was
hem of hij er straks nog onder zou bezwijken.
Somtijds hield het rijtuig opeens stil. Dan kon het niet verder, omdat
de straat versperd was, zeide Marcelio. Een groote, dikke kop van een
omnibus-paard was ééns vlak bij ’t portierraam, dreigende het te
breken. Links en rechts knellend geklap van zweepen, geschreeuw en
gevloek van koetsiers. Tot het rijtuig eindlijk, langzaam weer
doorreed.
Nu en dan zag Paulus een lange zijstraat opengaan, en weêr hetzelfde:
files van rijtuigen in ’t midden, gewemel van lichten door elkaar,
zwarte rijen menschen op de trottoirs, geschitter van vlammen-annonces
in de lucht. Hij begreep niet, hoe alles elkaar op ’t laatst niet
vertrapte, tegen elkaar inreed, elkaar verpletterde in uiterste
verwarring.
Zóó ging het een half uur door, langzaam, langzaam door propvolle
straten. Het was nog erger dan in den trein. Hij zag somtijds alles
voor zich draaien, in warrelenden dans. De wagens ratelden nu in zijn
hoofd, dat pijnlijk aanvoelde, met felle steken. Een angstige
beklemming drukte op zijn borst, en hij haalde moeilijk adem. Het leek
hem, of alles straks inééns zwaar over hem heen zou gaan, waar hij
hulpeloos neér zou vallen, en verpletterd worden door al dat zware,
genadelooze, groote.
Hij voelde moede loomheid zijn oogleden drukken, en wilde het liefste
maar de oogen sluiten om niets meer te zien, en zich voor al dat leven
te verschuilen in den slaap. En werkelijk sliep hij een oogenblik in,
met het hoofd achterover in het gecapitonneerde kussen geleund.
Een groot licht zengde zijn oogen opeens pijnlijk weer open. Hij
schrikte op.
Rechts en links van het portiervenster, waar het rijtuig geruischloos
over houten straatvloer gleed, straalden helle ballonnen schitterend
wit licht hem tegen. Alles fonkelde en tintelde in het rond, en het
leek hem, of het bliksemlicht van den hemel hier overal getemd lag te
gloeien.
Achter glinsterende spiegelruiten lagen kostbare luxe-dingen weelderig
te pralen. In de groote juwelierswinkels lagen diamanten en brillanten
als kleine sterren te lumineeren. De winkels waren hier paleizen,
ruischende van licht, en de straat was er lichter van dan overdag. Het
leek iets uit de sprookjes van 1001 Nacht, die grootvader hem eens had
gegeven.
„De Koninginnestraat,” zeide graaf Marcelio. „Dit is de rijkste
winkelstraat van de wereld. Hier heb ik mijn appartementen, boven een
juwelier. En vannacht moet je maar zoolang bij mij logeeren.”
Het rijtuig hield stil.
Paulus bleef stevig de hand van Marcelio vasthouden toen zij op het
trottoir vóór een grooten juwelierswinkel stonden.
Al die menschen ineens om hem heen! Vreemd, onverschillig, bijna
vijandig.
Ze liepen maar áldoor iets te zoeken, of vluchtten misschien wel voor
iets. Een groote onrust, als van gevaar, joeg door de groote straat
heen.
Marcelio nam hem mee, een lange gang in, ging twee trappen met hem op,
en deed de deur van een kamer open, die nog geheel donker was. Toen hij
even op een knop drukte bij de deur, bloeiden opeens in ’t midden van
de kamer bloemen op van licht en kleur. Ook aan de wanden waren er
enkelen opgeschenen.
Marcelio zag hoe Paulus verwonderd opkeek.
„Dit is nu electrisch licht,” zeide hij lachend. „Hetzelfde licht dat
in den bliksem flitst. Dat hebben we gevangen en getemd, en hier gloeit
het nu in mijn kleurige bloemen-ballonnetjes, heel onschadelijk. Dat is
nu de beschaving, weet je.”
Paulus kon er eerst niet goed in kijken. Zijn oogen traanden er van. En
hij vond het leelijk. Hij voelde dat het valsch was, nagemaakt. Het
licht van den bliksem was toch véél mooier.
Toen hij er wat aan gewend was, begon hij de groote kamer pas te zien.
Er stonden dingen van weelde in, die hij nog niet kende. Kostbare
perzische tapijten, chineesche en japansche lappen aan den muur,
porseleinen vazen, kasten van fijn lakwerk, beelden van porselein en
ivoor. Het was weêr als in een sprookje.
Marcelio was een man van echten, fijnen smaak, en al de dingen in zijn
kamer waren in volledige harmonie, van nobele vormen en kleuren. Hij
was gewoon te leven in eene voortdurende streeling van exquize
kunst-weelde.
En toch, ondanks zijn groote verbazing, en de overweldiging van al dat
uitgezochte schoon, voelde Paulus intuïtief, dat het rustige, sobere
wouden-mooi echter was, dat zijn heel gewone kamertje thuis met het
uitzicht op de groote, eenvoudige boomen buiten hem altijd liever zou
blijven.
Maar hij was te moe om er lang over te denken. Hij voelde het nog
altijd warrelen en duizelen in zijn hoofd, en moest zich goed houden om
niet neer te vallen.
Marcelio zag hem wankelen, en begreep dadelijk, dat hij nu vóór alles
rust behoefde. Vriendelijk zeide hij, hem bij een hand nemend:
„Arme kerel, je moet wel moê zijn.... al die emoties ineens, na die
eenzaamheid van je.... en dan die lange tocht van vanochtend vroeg af,
en die trein.... ik zal je even naar je slaapkamer brengen.... dan ga
je maar dadelijk in bed liggen, zonder om iets te denken, hoor. Je doet
je oogen maar toe, en denkt dat je thuis bent, dan slaap je vanzelf wel
in.... Ik zal je morgen ochtend wel wakker komen maken, dan is het tijd
genoeg om te praten....”
Paulus liet zich gewillig leiden, een gang door, naar een kleinere
kamer achter.
Hij hield zich nog goed, maar zag alles om zich draaien en duizelen.
Toen voelde hij nog hoe Marcelio hem met een arm ondersteunde, en hem
hielp bij ’t uitkleeden. Hij hoorde nog wat vriendelijke, bemoedigende
woorden, en kreeg opeens de sensatie van rust, van heerlijk lekker
uitgestrekt liggen op een veilig, zacht bed.
Toen verzonk alles in vergetelheid, en voor de eerste maal in zijn
leven sliep Paulus in de groote stad van weelde en ellende, die
Leliënstad heet, nog onbewust van het leven der millioenen, dat nu
woelde als een wilde zee om zijn eigen, eenzaam bestaan.