HOOFDSTUK V.

Willebrordus had prinses Leliane’s verstuikten voet onderzocht, en met

gedroogde, geneeskrachtige kruiden uit het bosch had hij de gewonde

plekken zacht gewreven. De opzwelling was niet zoo gevaarlijk geweest

als hij op ’t eerste gezicht gevreesd had, maar tóch moest de prinses

twee geheele dagen rust houden, en te bed blijven, vóór zij weer zou

kunnen loopen.

Twee heerlijke dagen van ongekende zaligheid voor Paulus. Hij mocht in

zijn eigen, vertrouwd kamertje bij haar bed—zijn eigen bed—zitten, en

haar zijn platen en gravures laten zien, om haar afleiding te geven, en

haar voorlezen uit zijn boeken. Hij vertelde haar van het bosch, en van

de boomen, en de bloemen, en de vogels, met welke hij dagelijks omging.

Ook zong hij wel eens een liedje voor haar met zijn jonge stem.

Zij moest aldoor maar heel stil, bewegingloos neder liggen, om den voet

volkomen rust te geven, en in die onbewegelijkheid lag ze, rein en

blank, als een subtiele openbaring van droom, in een allerhoogst moment

van extaze zóó opgeschenen.

En terwijl Paulus woorden na woorden sprak om haar te vermeien, en nu

en dan zijn handen bewogen met reverent gebaar, was het in zijn ziel

roerloos van aanbidding, als in de heilige stilte van een woud, dat met

van aandacht biddende kruinen onbewegelijk ten hemel staat.

Den tweeden avond, in late schemering, toen hij weer een oud, oud

liedje voor haar zong, dat grootvader hem geleerd had, was ze

ongemerkt, moê van het stil-liggen, in slaap gevallen, de handen op het

witte laken gevouwen.

En daar lag zij weder voor hem, de prinses Leliane, zooals zij hem voor

’t eerst was verschenen, sluimerende onder de stille boomen.

Hij durfde van eerbied nauwelijks te ademen.

En vervuld van een wonder-vroom schromen zag zijn ziel het zalig aan.

En wéér voelde hij het als een goddelijke openbaring, in een helder,

klaar licht van binnen: dít is het hoogste, het állerhoogste, en hooger

dan dit wonnevol genot kan géén ontroering stijgen.

Rustig, rein en rustig, werd het in zijn ziel, als in een woud, waar

alle vogelen zwijgen, en geen ritselend takje stoort. Zóó als heel dat

wijde woud den hemel roerloos áánziet, zag zijn ziel naar die

eindelooze rust van maagd.

Blank, van goddelijke genade overtogen, lag haar hoofdje in de peluw,

met de oogen zacht geloken onder dien vromen vrede. Goud golfden haar

lokken het witte kussen langs. Als roze bloemen lagen haar handjes op

het witte laken gevouwen.

En éven, éven bewoog haar borst, ademde zachtjes, op en neer, op een

rustig rythme, dat zijn ziel met een wondere muziek vervulde.

Buiten, door het geopende venster, zag Paulus de groote, zware boomen

in het schemerende licht te droomen staan, en een onbestemde, vreemde

teederheid verzachtte hun donkere vormen, als een vage liefde, die over

het woud was nedergedaald.

Opeens schrikte hij pijnlijk op van het tikken van zijn klokje.

„Tik tik!” zei het, „tik tik, tik tik tik....”

En inééns dacht hij angstig:

„Dit gaat voorbij, dit gaat voorbij....”

O! Het vast te houden, dit heerlijk oogenblik, het innig-onverbrekelijk

vast te houden in zijn leven, dat het nooit, nooit meer weg kon, en

altijd zóó bleef, zóó zalig en zóó stil!...

Het was géén droom. Het was hooge werkelijkheid, heerlijker dan

heerlijkste droom ooit zijn kon. Dáár lag ze, vóór zijn aandachtige

oogen, de prinses Leliane, van wie zijn ziel gedroomd had, jaren lang,

en hij had het niet geweten. Die veilige, rustige vrede, die wijding

van genade, die reine, roerlooze rust, schooner en van goddelijker

wezen dan ál wat ooit zijn oogen en zijn ziel hadden aanschouwd! Kón

dit ooit vlieden in den tijd, kon dit ooit wijken in ’t niet voor het

eentonig klok-getik, dat in zijn ooren pijnde?

Toen legde zich opeens een groote zekerheid in zijn ziel, zooals het

licht dat neerdaalt over nacht:

„Dit wondere schoon kan nooit verloren gaan, en áltijd zal het

onvernietigbaar in mijn wezen blijven, al wisselen van buiten ook vele

verschijningen, die niet van goddelijken oorsprong zijn als deze.”

Hij knielde neder, in diepen ootmoed, en bleef zóó liggen, hij wist

niet hoe lang. Want het was hem in die stille contemplatie, of de tijd

niet meer bestond, of zijn kamertje, en het bosch, en alles weg was, en

hij was heengedroomd in de eeuwigheid, waar dit blanke visioen van

reine schoonheid voor zijn ziel zou blijven stralen, in ondoofbare

pracht...

Zóó leefde Paulus de twee dagen door, met zijn ziel tot op het uiterste

gespannen in aanbidding en stille zaligheid. Hij was zóó ganschelijk in

zijn geluk verzonken, dat hij er in ’t geheel niet aan dacht, hoe deze

wonne nog maar kort kon duren, en de prinses weer heen zou gaan, voor

goed.

Ze had hem er ook niet over gesproken. Ze had maar weinig tegen hem

gezegd, en zich maar laten afleiden door zijn stem, moê en vervelend

als ze moest liggen in haar onbewegelijke houding. Ook wist ze

eigenlijk niet wat ze hem wel zou zeggen. Het was alles zoo wonderlijk

voor haar, dat stille, sobere kamertje, en die vreemde menschen, zonder

hofhouding om haar heen.

Toch was er voor haar een stille charme in zijn stem, en zij raadde uit

intuïtie zijne jonge, sterke, eerbiedige aanbidding, als iets heel

bizonders en aparts, kostbaarder dan alle hulde, die haar ooit gebracht

was.

Ze vond hem mooi en dacht dat hij een goed figuur zou maken aan het

hof. Ééns zelfs dacht ze „hoe jammer dat hij geen koninklijke prins

is.”

Maar Paulus dacht in ’t geheel niet, verloren in zijn extaze, tot

Willebrordus het hem den derden avond zeide:

„Morgen ochtend vroeg zal ik de prinses brengen tot aan den zoom van

het woud, waar je in de verte de blauwe bergen ziet. Daar vind ik wel

houthakkers of bergbewoners, die haar verder den weg kunnen wijzen. En

nú moet je beslissen, mijn jongen, of je met haar mede wilt gaan, of

hier blijven bij mij.”

Paulus schrikte op.

Het leek te onmogelijk dat zij nu weg zou gaan, nu ze eindelijk was

gekomen. En hij keek zijn grootvader aan, als niet begrijpend.

Willebrordus voelde wel, wat er in zijn jonge ziel gebeurde. Het lag

vèr achter hem, deze emotie, maar hij wist nog zéér goed de hevigheid

en het wreede er van.

„Hoor mij goed, mijn jongen, en kijk nu niet of alles onreëel is om je

heen. Want je droom zou breken tegen de werkelijkheid. Morgen ochtend

gaat ze heen, de prinses Leliane, terug naar haar land, naar haar hof.

Dit is de laatste avond, dat je zoo dicht bij haar moogt zijn, en zoo

vertrouwelijk leven in haar omgeving. Aan het hof leeft ze in een

verre, vreemde sfeer voor je. En alleen van heel uit de verte zal je

haar mogen zien. Zij is wat de menschen een prinses noemen, eene

koningin weldra. Het is iets buitengewoons, dat je zóó dicht bij haar

hebt mogen leven, en haar toe hebt mogen spreken. Denk er om, alleen

uit de verte zal je haar voortaan mogen zien. Morgen is ze weg van

hier...”

Toen wendde Paulus zich droevig af, en ging naar zijn kamertje, waar de

prinses te rusten lag. Hij klopte eerbiedig en mocht binnen komen.

En een groot licht glansde over zijn ziel, toen hij haar schoonheid

weder zag. Een sfeer van heiligheid trilde in de kamer, die zij

vervulde van de wondere essence van haar wezen.

Hier was het nog, het geluk... hier was het dan nog, innig, reëel voor

zijn ziel... nóg was het niet vervloden... en o! het kón ook niet, het

kón ook niet weggaan... deze wonne moést eeuwig, altijddurend zijn.

En in zijn opgewondenheid van geluk en angst barstte hij uit:

„O! Prinses, het is niet waar, het kán niet waar zijn.... je zult niet

weggaan van mij.... als je weggaat is al het licht voor mij hene, en

duister zal over alles gaan in mijn ziel.... ik heb zoo op je gewacht,

zooveel jaren en jaren.... ik geloof dat ik áltijd op je gewacht heb,

een eeuwigheid al, door alle tijden heen.... ik wéét het niet meer. En

het bosch heeft op je gewacht, en de water-lelies, en de sterren.... o!

er is altijd iets van je in mijn ziel geweest, en ik heb het niet

geweten.... die avonden, die op je wachtten, als de boomen zoo heel

stil stonden, met hun kruinen eerbiedig tot den hemel vol sterren....

dat diepe, plechtige zwijgen álom, op de aarde en in de luchten, dat

niets dan wachten was.... dat rustige droomen van de witte water-lelies

in den stillen vijver, en ik daarbij zacht verlangende, verlangende,

omdat mijn ziel wel wist dat je komen zoudt.... dat vreemde geluk, als

ik hoog in de boomen te staren zat naar de sterren, en over heel het

woud zag ik heen, en alles werd zoo wijd en zoo ruim en ik weende om al

dat groote, tóen wist ik het niet, maar het was alléén omdat je kómen

zoudt, en ik dat eindeloos geluk niet kon dragen.... al die lieve,

mooie dingen van vroeger zijn nu ineens zoo heerlijk verlicht en nu

weet ik, dat het alles maar voorzichtig voorbereiden was dat je komen

zoudt, en ik anders zou gestorven zijn als het inééns was gekomen....

want het is te groot, te groot.... het is grooter dan dageraad en

weêrlicht en aller sterren glans.... zóó moet misschien de zee zijn,

waarvan ik ééns droomde, en die mijn ziel alleen gezien heeft.... en nu

kán je niet weggaan, nu kán ik niet meer leven zonder je te zien.... nu

zouden het bosch, en de sterren, en de lelies, en alle dingen eenzaam

zijn, omdat ik niet meer op je wachten kon, als ik wist dat je hene was

voor goed.... o! ga niet heen!.... blijf bij me en bij het bosch.... Ik

zal je vertellen van de sterren, die ik allemaal heel goed ken.... ik

geloof dat ze mij ook kennen, zoo zien ze me somtijds aan.... en de

bloemen zullen allemaal voor je bloeien, en je zult de koningin zijn

van het bosch.... dan wil ik mijn geheele leven lang je slaaf zijn en

je dienen en aanbidden tot aan mijn dood.... Maar ga niet heen, ga niet

terug naar de steden en de menschen.... ze zijn slecht, zegt

Willebrordus....”

In sprakelooze verbazing zag de prinses hem aan. Hij was wel een héél

vreemde jongen. Hij praatte altijd maar door als uit oude boeken en

sproken. Dat kwam zeker omdat hij nooit onder menschen was geweest. Zóó

mocht hij ook een zoo hooge prinses als zij niet toespreken, maar dat

scheen hij niet te weten. En tóch was er een groote eerbied in zijn

stem, oprechter dan de trouwste hoveling haar ooit gewijd had. Bij

intuïtie voelde zij, dat hier iets groots aan haar werd gegeven, iets

aparts en bizonders, dat wèl waard was te worden aangenomen. Er was

misschien een loyaal onderdaan uit hem te maken, die trouw zou zijn tot

in den dood, en die groote dingen voor haar zou kunnen doen. Als hij

maar eerst eens wat beschaafd werd en onder de menschen kwam. En hij

was een mooie jongen, met prachtige oogen. Ook voelde zij, maar heel

vaag en onbewust, in het innigste van haar meisje zijn, door het waas

van koninklijke hooghartigheid heen, eene zachte streeling van trots,

dat hij haar zoo hartstochtelijk aanbad.

Hij was nu van aandoening voor haar nedergeknield, het hoofd ootmoedig

gebogen, in algeheele overgave, en herhaalde nog eens, snikkend:

„Ga niet heen!... ga niet heen!... ik kan nu niet meer alleen leven in

het bosch!....”

Vriendelijk, maar tóch van uit hare vorstelijke hoogte zag zij op hem

neer. Hoe fraai was zijn glanzende, kastanjebruine haar! Zij

verwaardigde zich, hare zachte hand beschermend op zijn hoofd te

leggen, en het was hem, of eene zegening van den goeden Vader aller

dingen zelven over hem nederdaalde.

En de muziek van hare stem zong weder diep door in zijn ziel, haar

vervullend met eene wondere harmonie:

„Je moogt hier niet alleen blijven in dit bosch, Paulus, en je kunt een

trouwe onderdaan van mij worden, als je wilt. Maar dan moet je sterk en

flink zijn, en doen wat ik zeg.

„Ik zal je meênemen en morgen ga je in mijn gevolg mede naar

Leliënstad. Je moogt hier niet rond blijven sukkelen in dit bosch. Het

Leven moet je zien, het groote Leven van de menschen in mijn land. Ik

zal je meenemen naar Leliënstad, en je laten leeren. Eigenlijk heb je

me zoowat het leven gered, want als ik in dat eenzame bosch was blijven

rondzwerven, was ik misschien van honger gestorven. Vroeger werd je om

zooiets een edelman, maar nú gaat dat zoo niet meer. Toch zal ik er wel

iets op vinden. Als je dan goed leert en je onderscheidt, maak ik je

een baron of een graaf. En dan mag je als ridder komen in mijn

eere-garde, de „ridders van den Dood”, die hebben gezworen dat zij in

de ure van ’t gevaar voor mij zullen sterven.”

„Dat wil ik nú al zweren,” zeide Paulus, geestdriftig. „Ik wil heel

graag voor u sterven. Nu al dadelijk, als ik dit groote geluk zou

waardig zijn.”

„Morgen ga je mede naar Leliënstad,” ging de prinses door. „Je hebt nog

nooit zoo’n groote, prachtige stad gezien. Het is de mooiste stad van

de wereld, de „goddelijke stad” zooals de vreemdelingen haar noemen. Er

wonen meer dan twee millioen menschen. Mijn paleis staat boven op een

hoogte, en ziet over de geheele Leliënstad heen, die aan mijne voeten

ligt, in eerbied. Mijn stad is het middelpunt van alle kunst en

wetenschap van de wereld. Het leven in mijn stad is het allerhoogste

bestaan, dat op aarde voor een sterveling mogelijk is. De roem van

Leliënstad is over de geheele aarde verspreid, en in het verre Oosten

zegt een spreekwoord: „Eerst Leliënstad zien en dán sterven.” Wat zou

je hier je jonge leven begraven in dit sombere, stille bosch?”

En toen zij zag, dat Paulus spreken wilde om zijn bosch te verdedigen

en te verheffen:

„Je moogt niet tegenspreken, Paulus... ook als je geen verlangen voelt

naar de beschaving van mijn stad, tóch moet je gaan. Want ik ben je

gebiedster, en ik bevéél het je. Het is mijn Wil.”

Toen boog hij het hoofd, ten teeken van onderwerping aan haar wil.

Van af het oogenblik dat zij het wilde en beval, was er geen

tegenwerping voor hem meer mogelijk. Waar Zij hem gelastte te gaan,

moest het goed zijn, en al ware het een oord van verschrikking en

gevaar, toch was het zoet, dáár te wonen door de heiligheid van háár

wil. Wat hem aan haar hechtte was zóó sterk en onverbrekelijk, dat zijn

groote liefde voor het woud en alles wat zijn jeugd omringd had, er

voor zwichten moest. En het deed er ook absoluut niets meer toe, wat er

nu verder met hem gebeuren zou, hem klein, nietig wezentje, indien

slechts Haar koninklijke wil geschiedde.

Zooals zij daar lag op de rustbank, in de kalme gratie van haar

koninklijk maagden-lijf, met zoo wonder-zachte golvingen en lijnen, was

zij voor hem het allerheerlijkste, wat zijne oogen en zijn ziel ooit

hadden gevonden. De glans der sterren verbleekte er bij, en zóó heilig

waren niet de reine water-lelies in het woud. Wel had grootvader hem

geleerd, dat alle levende dingen manifestaties waren van God den Vader,

maar zij moest dan voorzeker zijn uitverkoren, gezegend kind zijn, dat

hij in háár zijn hoogste schoonheid had geopenbaard.

Het beste, wat hij háár kon geven, was toch maar een erg nietig

geschenk voor haar. Maar liet hij voor háár dan toch maar geven het

allerliefste wat hij had, zijn geheele leven van vroeger, zijn mooie

woud, met al de vogelen en de bloemen, en ook dat éénige en groote

gevoel voor een menschelijk wezen dat hij koesterde, de liefde voor

zijn’ grootvader Willebrordus. Het was niet véél bij háár zoo groote

schoonheid van genade, maar het was alles wat hij bezat. Hij zou ze

allen verlaten, alles wat hij liefhad zou hij van zich afdoen, en zich

dan, geheel verlaten en berooid van lief, als een slaaf overgeven aan

haar koninklijken wil, en wat zij over hem beschikken zou was

wèlgedaan. En zacht durfde hij nu spreken:

„Ik zal U volgen, Uwe Koninklijke Hoogheid, tot aan het einde der

wereld, en als het kán tot in den dood.”

Toen ging hij, vastbesloten, terug naar Willebrordus, dien hij bezig

vond met houthakken, dicht bij huis. En vreezeloos, met eerlijken

oogopslag, zag hij zijn’ grootvader aan.

„Vader,” zeide hij, „ik ga.... Niet omdat ik u niet meer liefheb, niet

omdat ik niet gelukkig ben geweest in ons mooie, goede bosch.... maar

omdat ik niet anders kán.... Wat mij mede-voert met de prinses is

sterker dan alles, wat ik ooit gevoeld heb. Het is heerlijker en

zaliger dan de mooiste dageraad, dan de teêrste schemering... het is

heiliger dan de reine water-lelies, die drijven in den kalmen

vijver.... en nooit heb ik met grooter eerbied naar den hoogen hemel

met sterren gestaard, dan zooals ik nú opzie naar de wondere schoonheid

van Leliane.... de wereld, de steden, de menschen, zóó leelijk kunnen

zij niet zijn, dat ik ze schuwen zou voor goed, omdat ik toch alles

immers zien zal door den glans van háre schoonheid heen, waar alles in

verheerlijkt wordt... Vader, als ik heenga moogt ge niet boos op mij

zijn, en zult ge mij vergeven.... want ik voel het niet als slecht wat

ik nu doen ga, en wat mij van u wegvoert is sterker dan mijn wil....”

Willebrordus legde liefderijk de hand op zijn hoofd, en zeide kalm:

„Dit heeft zoo móeten zijn, mijn jongen... ééns had het tóch moeten

komen.... het was mijn eigen zwakheid, die je zoo lang bij me hield,

terwijl ik toch wist, dat je alléén door het leven der menschen heen

tot de groote, volle eenzaamheid van ziel kunt komen, die ik nu, hoop

ik, voor goed heb gevonden.... alles wat je nu beroert heb ik óók

doorgemaakt, mijn jongen, en ik weet hoe zalig het is, schoon zéér

bedriegelijk.... en ik mag het je wel zeggen, al zal je ’t nú nog niet

begrijpen: meen niet dat dit broze uiterlijke schoon van Meisje ooit de

hoogste schoonheid zou kunnen zijn.... want zij is veranderlijk en

eindig, en zal ééns tot stof vergaan, zooals alles.... zie goed uit,

zie goéd uit, mijn brave, wáár de kern is van al de emoties, die je nu

zoo wonderlijk beroeren.... en dan zal het misschien zijn, dat je pas

gevonden hebt wat onbewust je ziel nu zocht, als juist het allerliefste

voor je gaat verloren....”

Maar Paulus begreep den diepen zin zijner woorden nog niet, al voelde

hij den ernst, die doorklonk in zijne stem.—Toen dacht hij er ineens

om, hoe eenzaam Willebrordus zou achterblijven, als hij niet meer bij

hem was.

„Arme grootvader!” zeide hij, „nu moet je alléén achterblijven.... Je

zult je verlaten en eenzaam voelen.”

En een angstig zelfverwijt schrijnde in hem op, dat hij den ouden man

dit leed ging aandoen.

Maar Willebrordus’ gelaat was rustig en van heilige kalmte overtogen,

als de stille maan die eenzaam, maar in grooten vrede aan den

eindeloozen nachthemel staat.

„Wie in een innige vertrouwelijkheid leeft met de natuur en met God,

mijn jongen, kan nooit verlaten zijn. Ik voel mij daarvoor te innig in

het groote Gods-verband van alle levende creaturen en dingen. Ik vrees

alleen, mijn brave, dat jij je eenmaal verlatener zult voelen dan ik

ooit geweest ben. En ik denk met rilling terug aan die duistere tijden,

toen ik nog wist wat verlatenheid was, verlatenheid te midden van een

groote stad vol weelde en ellende, met je eenzame, gevoelige, aparte

ziel tusschen al die duizenden en duizenden in ’t harde versteende,

koude wezens, waaronder je genadeloozer alleen bent dan in een wijde,

dorre woestenij. Verlaten zijn, dat is enkel als je met een echt, innig

gevoel, met een reine gedachte, met een mooi ideaal eenzaam rondloopt

tusschen de donkere drommen van duizenden, die het met hun schel

hoongelach zouden begroeten, en het verstikken onder hun vunzen adem

van smaad, als je eens argeloos dat teedere en fijne in je voor hun

schennende blikken vertoonde. Dát is verlatenheid, om met een kostbaren

schat in je ziel door de tallooze benden der heidenen te gaan, om dien

diep in je te verbergen, maar eindelijk in een krankzinnig élan van

offering dat kostbare aan het grove volk te toonen, en het te zien

vaneenrijten en verscheuren als een bloô, wit lam door de ruige troepen

van wolven. Je zult ééns weten wat ik met deze woorden bedoel. Nu

begrijp je ze nog niet zoo. Maar denk nooit, dat ik in de stille

vertrouwelijkheid van de natuur verlaten zou kunnen zijn, want evenmin

is een kind verlaten, dat rust in moeders schoot. En ik ben hier als

een schip, dat na veel verre, stormachtige reizen, voor goed in veilige

haven ligt geänkerd, tegen wind en weêr beschut.”

Later zou Paulus nog dikwijls om deze woorden denken. Maar nú begreep

hij ze niet, en kon hij ook niet in hun klare wijsheid zien, verblind

als hij was door den schoonen lichtschijn, die van prinses Leliane’s

uiterlijk wezen straalde. Hij wist alléén maar dit ééne ding: waar

prinses Leliane heenging, moest hij ook gaan, onvermijdelijk, omdat het

nu eenmaal niet anders kón.

En hij ging.

Den volgenden morgen, met het aanbreken van den dag, toen het eerste,

jonge licht voorzichtig schemerde door de bladeren, en hier en daar een

enkele, vroege vogel ritselde in het groen, geleidde Willebrordus de

prinses en zijn kleinzoon uit het bosch. Zij namen een weg, dien Paulus

zelden was opgegaan. Zes lange uren liepen zij door, tot zij eindelijk

aankwamen bij een zoom van het bosch, waar een paar hutten van

houthakkers stonden. Dáár rustte de prinses een paar uur uit van de

vermoeienis. De goede, eenvoudige boschbewoners gaven haar melk, brood

en vruchten, en bereidden een bed voor haar van mos en droge blâren.

Paulus zag in de verte blauwe bergen rijzen en dalen, en zijn

grootvader zeide hem, dat dáárachter het Leliënland lag, waarover

Leliane regeerde.

Willebrordus sprak met de houthakkers af, dat zij de prinses langs den

kortsten weg over de bergen zouden brengen naar een dorpje, dichtbij op

de grenzen.

Het was wèl even hard vóór Paulus, toen de oude man afscheid van hem

nam.

Rustig, in groote waardigheid stond Willebrordus voor hem, de hand

zegenend op zijn hoofd gelegd.

„Vaarwel, mijn jongen,” zeide hij, met vaste stem. „Misschien zal je ’t

pas véél later begrijpen, maar onthoudt goed den laatsten raad, dien ik

je medegeef. Laat je toch voorál niet van de wijs brengen door den

schijn der dingen, maar zoek de kern van alles het wezen. Denk voorál

in eenzaamheid na over alles wat je oogen onder de menschen hebben

gezien, en luister dan goed, wat een innerlijke stem in je ziel er over

zeggen zal. Ga voorál te rade met die intuïtie in het diepste van je

wezen. En ga nooit enkel af op menschen-woorden, die sneller als de

wind vergaan. Wil je mij dat beloven?”

Hoe eerbiedwaardig, sterk en oprecht stond zijn grijze grootvader daar

voor hem! En hoe teeder tegelijk was zijn wijs gezicht, waar leed en

gedachten de diepe rimpels in hadden geplooid!

Opeens voelde Paulus hoe vreeselijk het zou wezen, als hij dit veilige,

rustige, liefderijk beschermende niet meer bij zich hebben zou. En een

laatste opwelling om in zijn armen te snellen en hem te beloven, altijd

bij hem te blijven, welde op in het innigste van zijn ziel.

Hij zag nog eens goed naar de boomen, die daar vertrouwelijk naast

elkaar stonden, als goede kameraden, hartelijk en eensgezind. Hij

hoorde hun breede kruinen ruischen en ruischen. En het was of het woud

hem waarschuwend riep.

Een oogenblik weifelde hij.

Toen klonk opeens weer Leliane’s stem, en dat heerlijke geluid

bedwelmde zijn ziel met bevende verrukking.

„Gáán wij nu?” riep zij, „ik ben nu uitgerust. Kom, Paulus!”

Neen, hij kon niet terug, hij kón niet meer, het was sterker dan alles.

De tranen vloeiden uit zijn oogen op Willebrordus’ oude, gerimpelde

hand, die hij eerbiediglijk kuste.

„Ik kán niet, grootvader, ik kán niet anders,” snikte hij. „Vergééf

mij!”

„Ik héb je niets te vergeven, mijn jongen. Ga, mijn brave, en God zij

met je. En weet! als je eenmaal terug wilt komen zal je kamertje altijd

voor je klaar staan, en zal je welkom zijn als altijd. God zegen je!”

Toen wendde Paulus weenend het hoofd af van zijn’ goeden grootvader en

van het stille woud, en aanvaardde hij den zwaren gang naar de menschen

en hunne stedingen, om het groote licht van schoonheid te volgen, dat

de prinses Leliane omstraalde....

Leliane: een modern sprookje · 第 9 / 21 题