Willebrordus had prinses Leliane’s verstuikten voet onderzocht, en met
gedroogde, geneeskrachtige kruiden uit het bosch had hij de gewonde
plekken zacht gewreven. De opzwelling was niet zoo gevaarlijk geweest
als hij op ’t eerste gezicht gevreesd had, maar tóch moest de prinses
twee geheele dagen rust houden, en te bed blijven, vóór zij weer zou
kunnen loopen.
Twee heerlijke dagen van ongekende zaligheid voor Paulus. Hij mocht in
zijn eigen, vertrouwd kamertje bij haar bed—zijn eigen bed—zitten, en
haar zijn platen en gravures laten zien, om haar afleiding te geven, en
haar voorlezen uit zijn boeken. Hij vertelde haar van het bosch, en van
de boomen, en de bloemen, en de vogels, met welke hij dagelijks omging.
Ook zong hij wel eens een liedje voor haar met zijn jonge stem.
Zij moest aldoor maar heel stil, bewegingloos neder liggen, om den voet
volkomen rust te geven, en in die onbewegelijkheid lag ze, rein en
blank, als een subtiele openbaring van droom, in een allerhoogst moment
van extaze zóó opgeschenen.
En terwijl Paulus woorden na woorden sprak om haar te vermeien, en nu
en dan zijn handen bewogen met reverent gebaar, was het in zijn ziel
roerloos van aanbidding, als in de heilige stilte van een woud, dat met
van aandacht biddende kruinen onbewegelijk ten hemel staat.
Den tweeden avond, in late schemering, toen hij weer een oud, oud
liedje voor haar zong, dat grootvader hem geleerd had, was ze
ongemerkt, moê van het stil-liggen, in slaap gevallen, de handen op het
witte laken gevouwen.
En daar lag zij weder voor hem, de prinses Leliane, zooals zij hem voor
’t eerst was verschenen, sluimerende onder de stille boomen.
Hij durfde van eerbied nauwelijks te ademen.
En vervuld van een wonder-vroom schromen zag zijn ziel het zalig aan.
En wéér voelde hij het als een goddelijke openbaring, in een helder,
klaar licht van binnen: dít is het hoogste, het állerhoogste, en hooger
dan dit wonnevol genot kan géén ontroering stijgen.
Rustig, rein en rustig, werd het in zijn ziel, als in een woud, waar
alle vogelen zwijgen, en geen ritselend takje stoort. Zóó als heel dat
wijde woud den hemel roerloos áánziet, zag zijn ziel naar die
eindelooze rust van maagd.
Blank, van goddelijke genade overtogen, lag haar hoofdje in de peluw,
met de oogen zacht geloken onder dien vromen vrede. Goud golfden haar
lokken het witte kussen langs. Als roze bloemen lagen haar handjes op
het witte laken gevouwen.
En éven, éven bewoog haar borst, ademde zachtjes, op en neer, op een
rustig rythme, dat zijn ziel met een wondere muziek vervulde.
Buiten, door het geopende venster, zag Paulus de groote, zware boomen
in het schemerende licht te droomen staan, en een onbestemde, vreemde
teederheid verzachtte hun donkere vormen, als een vage liefde, die over
het woud was nedergedaald.
Opeens schrikte hij pijnlijk op van het tikken van zijn klokje.
„Tik tik!” zei het, „tik tik, tik tik tik....”
En inééns dacht hij angstig:
„Dit gaat voorbij, dit gaat voorbij....”
O! Het vast te houden, dit heerlijk oogenblik, het innig-onverbrekelijk
vast te houden in zijn leven, dat het nooit, nooit meer weg kon, en
altijd zóó bleef, zóó zalig en zóó stil!...
Het was géén droom. Het was hooge werkelijkheid, heerlijker dan
heerlijkste droom ooit zijn kon. Dáár lag ze, vóór zijn aandachtige
oogen, de prinses Leliane, van wie zijn ziel gedroomd had, jaren lang,
en hij had het niet geweten. Die veilige, rustige vrede, die wijding
van genade, die reine, roerlooze rust, schooner en van goddelijker
wezen dan ál wat ooit zijn oogen en zijn ziel hadden aanschouwd! Kón
dit ooit vlieden in den tijd, kon dit ooit wijken in ’t niet voor het
eentonig klok-getik, dat in zijn ooren pijnde?
Toen legde zich opeens een groote zekerheid in zijn ziel, zooals het
licht dat neerdaalt over nacht:
„Dit wondere schoon kan nooit verloren gaan, en áltijd zal het
onvernietigbaar in mijn wezen blijven, al wisselen van buiten ook vele
verschijningen, die niet van goddelijken oorsprong zijn als deze.”
Hij knielde neder, in diepen ootmoed, en bleef zóó liggen, hij wist
niet hoe lang. Want het was hem in die stille contemplatie, of de tijd
niet meer bestond, of zijn kamertje, en het bosch, en alles weg was, en
hij was heengedroomd in de eeuwigheid, waar dit blanke visioen van
reine schoonheid voor zijn ziel zou blijven stralen, in ondoofbare
pracht...
Zóó leefde Paulus de twee dagen door, met zijn ziel tot op het uiterste
gespannen in aanbidding en stille zaligheid. Hij was zóó ganschelijk in
zijn geluk verzonken, dat hij er in ’t geheel niet aan dacht, hoe deze
wonne nog maar kort kon duren, en de prinses weer heen zou gaan, voor
goed.
Ze had hem er ook niet over gesproken. Ze had maar weinig tegen hem
gezegd, en zich maar laten afleiden door zijn stem, moê en vervelend
als ze moest liggen in haar onbewegelijke houding. Ook wist ze
eigenlijk niet wat ze hem wel zou zeggen. Het was alles zoo wonderlijk
voor haar, dat stille, sobere kamertje, en die vreemde menschen, zonder
hofhouding om haar heen.
Toch was er voor haar een stille charme in zijn stem, en zij raadde uit
intuïtie zijne jonge, sterke, eerbiedige aanbidding, als iets heel
bizonders en aparts, kostbaarder dan alle hulde, die haar ooit gebracht
was.
Ze vond hem mooi en dacht dat hij een goed figuur zou maken aan het
hof. Ééns zelfs dacht ze „hoe jammer dat hij geen koninklijke prins
is.”
Maar Paulus dacht in ’t geheel niet, verloren in zijn extaze, tot
Willebrordus het hem den derden avond zeide:
„Morgen ochtend vroeg zal ik de prinses brengen tot aan den zoom van
het woud, waar je in de verte de blauwe bergen ziet. Daar vind ik wel
houthakkers of bergbewoners, die haar verder den weg kunnen wijzen. En
nú moet je beslissen, mijn jongen, of je met haar mede wilt gaan, of
hier blijven bij mij.”
Paulus schrikte op.
Het leek te onmogelijk dat zij nu weg zou gaan, nu ze eindelijk was
gekomen. En hij keek zijn grootvader aan, als niet begrijpend.
Willebrordus voelde wel, wat er in zijn jonge ziel gebeurde. Het lag
vèr achter hem, deze emotie, maar hij wist nog zéér goed de hevigheid
en het wreede er van.
„Hoor mij goed, mijn jongen, en kijk nu niet of alles onreëel is om je
heen. Want je droom zou breken tegen de werkelijkheid. Morgen ochtend
gaat ze heen, de prinses Leliane, terug naar haar land, naar haar hof.
Dit is de laatste avond, dat je zoo dicht bij haar moogt zijn, en zoo
vertrouwelijk leven in haar omgeving. Aan het hof leeft ze in een
verre, vreemde sfeer voor je. En alleen van heel uit de verte zal je
haar mogen zien. Zij is wat de menschen een prinses noemen, eene
koningin weldra. Het is iets buitengewoons, dat je zóó dicht bij haar
hebt mogen leven, en haar toe hebt mogen spreken. Denk er om, alleen
uit de verte zal je haar voortaan mogen zien. Morgen is ze weg van
hier...”
Toen wendde Paulus zich droevig af, en ging naar zijn kamertje, waar de
prinses te rusten lag. Hij klopte eerbiedig en mocht binnen komen.
En een groot licht glansde over zijn ziel, toen hij haar schoonheid
weder zag. Een sfeer van heiligheid trilde in de kamer, die zij
vervulde van de wondere essence van haar wezen.
Hier was het nog, het geluk... hier was het dan nog, innig, reëel voor
zijn ziel... nóg was het niet vervloden... en o! het kón ook niet, het
kón ook niet weggaan... deze wonne moést eeuwig, altijddurend zijn.
En in zijn opgewondenheid van geluk en angst barstte hij uit:
„O! Prinses, het is niet waar, het kán niet waar zijn.... je zult niet
weggaan van mij.... als je weggaat is al het licht voor mij hene, en
duister zal over alles gaan in mijn ziel.... ik heb zoo op je gewacht,
zooveel jaren en jaren.... ik geloof dat ik áltijd op je gewacht heb,
een eeuwigheid al, door alle tijden heen.... ik wéét het niet meer. En
het bosch heeft op je gewacht, en de water-lelies, en de sterren.... o!
er is altijd iets van je in mijn ziel geweest, en ik heb het niet
geweten.... die avonden, die op je wachtten, als de boomen zoo heel
stil stonden, met hun kruinen eerbiedig tot den hemel vol sterren....
dat diepe, plechtige zwijgen álom, op de aarde en in de luchten, dat
niets dan wachten was.... dat rustige droomen van de witte water-lelies
in den stillen vijver, en ik daarbij zacht verlangende, verlangende,
omdat mijn ziel wel wist dat je komen zoudt.... dat vreemde geluk, als
ik hoog in de boomen te staren zat naar de sterren, en over heel het
woud zag ik heen, en alles werd zoo wijd en zoo ruim en ik weende om al
dat groote, tóen wist ik het niet, maar het was alléén omdat je kómen
zoudt, en ik dat eindeloos geluk niet kon dragen.... al die lieve,
mooie dingen van vroeger zijn nu ineens zoo heerlijk verlicht en nu
weet ik, dat het alles maar voorzichtig voorbereiden was dat je komen
zoudt, en ik anders zou gestorven zijn als het inééns was gekomen....
want het is te groot, te groot.... het is grooter dan dageraad en
weêrlicht en aller sterren glans.... zóó moet misschien de zee zijn,
waarvan ik ééns droomde, en die mijn ziel alleen gezien heeft.... en nu
kán je niet weggaan, nu kán ik niet meer leven zonder je te zien.... nu
zouden het bosch, en de sterren, en de lelies, en alle dingen eenzaam
zijn, omdat ik niet meer op je wachten kon, als ik wist dat je hene was
voor goed.... o! ga niet heen!.... blijf bij me en bij het bosch.... Ik
zal je vertellen van de sterren, die ik allemaal heel goed ken.... ik
geloof dat ze mij ook kennen, zoo zien ze me somtijds aan.... en de
bloemen zullen allemaal voor je bloeien, en je zult de koningin zijn
van het bosch.... dan wil ik mijn geheele leven lang je slaaf zijn en
je dienen en aanbidden tot aan mijn dood.... Maar ga niet heen, ga niet
terug naar de steden en de menschen.... ze zijn slecht, zegt
Willebrordus....”
In sprakelooze verbazing zag de prinses hem aan. Hij was wel een héél
vreemde jongen. Hij praatte altijd maar door als uit oude boeken en
sproken. Dat kwam zeker omdat hij nooit onder menschen was geweest. Zóó
mocht hij ook een zoo hooge prinses als zij niet toespreken, maar dat
scheen hij niet te weten. En tóch was er een groote eerbied in zijn
stem, oprechter dan de trouwste hoveling haar ooit gewijd had. Bij
intuïtie voelde zij, dat hier iets groots aan haar werd gegeven, iets
aparts en bizonders, dat wèl waard was te worden aangenomen. Er was
misschien een loyaal onderdaan uit hem te maken, die trouw zou zijn tot
in den dood, en die groote dingen voor haar zou kunnen doen. Als hij
maar eerst eens wat beschaafd werd en onder de menschen kwam. En hij
was een mooie jongen, met prachtige oogen. Ook voelde zij, maar heel
vaag en onbewust, in het innigste van haar meisje zijn, door het waas
van koninklijke hooghartigheid heen, eene zachte streeling van trots,
dat hij haar zoo hartstochtelijk aanbad.
Hij was nu van aandoening voor haar nedergeknield, het hoofd ootmoedig
gebogen, in algeheele overgave, en herhaalde nog eens, snikkend:
„Ga niet heen!... ga niet heen!... ik kan nu niet meer alleen leven in
het bosch!....”
Vriendelijk, maar tóch van uit hare vorstelijke hoogte zag zij op hem
neer. Hoe fraai was zijn glanzende, kastanjebruine haar! Zij
verwaardigde zich, hare zachte hand beschermend op zijn hoofd te
leggen, en het was hem, of eene zegening van den goeden Vader aller
dingen zelven over hem nederdaalde.
En de muziek van hare stem zong weder diep door in zijn ziel, haar
vervullend met eene wondere harmonie:
„Je moogt hier niet alleen blijven in dit bosch, Paulus, en je kunt een
trouwe onderdaan van mij worden, als je wilt. Maar dan moet je sterk en
flink zijn, en doen wat ik zeg.
„Ik zal je meênemen en morgen ga je in mijn gevolg mede naar
Leliënstad. Je moogt hier niet rond blijven sukkelen in dit bosch. Het
Leven moet je zien, het groote Leven van de menschen in mijn land. Ik
zal je meenemen naar Leliënstad, en je laten leeren. Eigenlijk heb je
me zoowat het leven gered, want als ik in dat eenzame bosch was blijven
rondzwerven, was ik misschien van honger gestorven. Vroeger werd je om
zooiets een edelman, maar nú gaat dat zoo niet meer. Toch zal ik er wel
iets op vinden. Als je dan goed leert en je onderscheidt, maak ik je
een baron of een graaf. En dan mag je als ridder komen in mijn
eere-garde, de „ridders van den Dood”, die hebben gezworen dat zij in
de ure van ’t gevaar voor mij zullen sterven.”
„Dat wil ik nú al zweren,” zeide Paulus, geestdriftig. „Ik wil heel
graag voor u sterven. Nu al dadelijk, als ik dit groote geluk zou
waardig zijn.”
„Morgen ga je mede naar Leliënstad,” ging de prinses door. „Je hebt nog
nooit zoo’n groote, prachtige stad gezien. Het is de mooiste stad van
de wereld, de „goddelijke stad” zooals de vreemdelingen haar noemen. Er
wonen meer dan twee millioen menschen. Mijn paleis staat boven op een
hoogte, en ziet over de geheele Leliënstad heen, die aan mijne voeten
ligt, in eerbied. Mijn stad is het middelpunt van alle kunst en
wetenschap van de wereld. Het leven in mijn stad is het allerhoogste
bestaan, dat op aarde voor een sterveling mogelijk is. De roem van
Leliënstad is over de geheele aarde verspreid, en in het verre Oosten
zegt een spreekwoord: „Eerst Leliënstad zien en dán sterven.” Wat zou
je hier je jonge leven begraven in dit sombere, stille bosch?”
En toen zij zag, dat Paulus spreken wilde om zijn bosch te verdedigen
en te verheffen:
„Je moogt niet tegenspreken, Paulus... ook als je geen verlangen voelt
naar de beschaving van mijn stad, tóch moet je gaan. Want ik ben je
gebiedster, en ik bevéél het je. Het is mijn Wil.”
Toen boog hij het hoofd, ten teeken van onderwerping aan haar wil.
Van af het oogenblik dat zij het wilde en beval, was er geen
tegenwerping voor hem meer mogelijk. Waar Zij hem gelastte te gaan,
moest het goed zijn, en al ware het een oord van verschrikking en
gevaar, toch was het zoet, dáár te wonen door de heiligheid van háár
wil. Wat hem aan haar hechtte was zóó sterk en onverbrekelijk, dat zijn
groote liefde voor het woud en alles wat zijn jeugd omringd had, er
voor zwichten moest. En het deed er ook absoluut niets meer toe, wat er
nu verder met hem gebeuren zou, hem klein, nietig wezentje, indien
slechts Haar koninklijke wil geschiedde.
Zooals zij daar lag op de rustbank, in de kalme gratie van haar
koninklijk maagden-lijf, met zoo wonder-zachte golvingen en lijnen, was
zij voor hem het allerheerlijkste, wat zijne oogen en zijn ziel ooit
hadden gevonden. De glans der sterren verbleekte er bij, en zóó heilig
waren niet de reine water-lelies in het woud. Wel had grootvader hem
geleerd, dat alle levende dingen manifestaties waren van God den Vader,
maar zij moest dan voorzeker zijn uitverkoren, gezegend kind zijn, dat
hij in háár zijn hoogste schoonheid had geopenbaard.
Het beste, wat hij háár kon geven, was toch maar een erg nietig
geschenk voor haar. Maar liet hij voor háár dan toch maar geven het
allerliefste wat hij had, zijn geheele leven van vroeger, zijn mooie
woud, met al de vogelen en de bloemen, en ook dat éénige en groote
gevoel voor een menschelijk wezen dat hij koesterde, de liefde voor
zijn’ grootvader Willebrordus. Het was niet véél bij háár zoo groote
schoonheid van genade, maar het was alles wat hij bezat. Hij zou ze
allen verlaten, alles wat hij liefhad zou hij van zich afdoen, en zich
dan, geheel verlaten en berooid van lief, als een slaaf overgeven aan
haar koninklijken wil, en wat zij over hem beschikken zou was
wèlgedaan. En zacht durfde hij nu spreken:
„Ik zal U volgen, Uwe Koninklijke Hoogheid, tot aan het einde der
wereld, en als het kán tot in den dood.”
Toen ging hij, vastbesloten, terug naar Willebrordus, dien hij bezig
vond met houthakken, dicht bij huis. En vreezeloos, met eerlijken
oogopslag, zag hij zijn’ grootvader aan.
„Vader,” zeide hij, „ik ga.... Niet omdat ik u niet meer liefheb, niet
omdat ik niet gelukkig ben geweest in ons mooie, goede bosch.... maar
omdat ik niet anders kán.... Wat mij mede-voert met de prinses is
sterker dan alles, wat ik ooit gevoeld heb. Het is heerlijker en
zaliger dan de mooiste dageraad, dan de teêrste schemering... het is
heiliger dan de reine water-lelies, die drijven in den kalmen
vijver.... en nooit heb ik met grooter eerbied naar den hoogen hemel
met sterren gestaard, dan zooals ik nú opzie naar de wondere schoonheid
van Leliane.... de wereld, de steden, de menschen, zóó leelijk kunnen
zij niet zijn, dat ik ze schuwen zou voor goed, omdat ik toch alles
immers zien zal door den glans van háre schoonheid heen, waar alles in
verheerlijkt wordt... Vader, als ik heenga moogt ge niet boos op mij
zijn, en zult ge mij vergeven.... want ik voel het niet als slecht wat
ik nu doen ga, en wat mij van u wegvoert is sterker dan mijn wil....”
Willebrordus legde liefderijk de hand op zijn hoofd, en zeide kalm:
„Dit heeft zoo móeten zijn, mijn jongen... ééns had het tóch moeten
komen.... het was mijn eigen zwakheid, die je zoo lang bij me hield,
terwijl ik toch wist, dat je alléén door het leven der menschen heen
tot de groote, volle eenzaamheid van ziel kunt komen, die ik nu, hoop
ik, voor goed heb gevonden.... alles wat je nu beroert heb ik óók
doorgemaakt, mijn jongen, en ik weet hoe zalig het is, schoon zéér
bedriegelijk.... en ik mag het je wel zeggen, al zal je ’t nú nog niet
begrijpen: meen niet dat dit broze uiterlijke schoon van Meisje ooit de
hoogste schoonheid zou kunnen zijn.... want zij is veranderlijk en
eindig, en zal ééns tot stof vergaan, zooals alles.... zie goed uit,
zie goéd uit, mijn brave, wáár de kern is van al de emoties, die je nu
zoo wonderlijk beroeren.... en dan zal het misschien zijn, dat je pas
gevonden hebt wat onbewust je ziel nu zocht, als juist het allerliefste
voor je gaat verloren....”
Maar Paulus begreep den diepen zin zijner woorden nog niet, al voelde
hij den ernst, die doorklonk in zijne stem.—Toen dacht hij er ineens
om, hoe eenzaam Willebrordus zou achterblijven, als hij niet meer bij
hem was.
„Arme grootvader!” zeide hij, „nu moet je alléén achterblijven.... Je
zult je verlaten en eenzaam voelen.”
En een angstig zelfverwijt schrijnde in hem op, dat hij den ouden man
dit leed ging aandoen.
Maar Willebrordus’ gelaat was rustig en van heilige kalmte overtogen,
als de stille maan die eenzaam, maar in grooten vrede aan den
eindeloozen nachthemel staat.
„Wie in een innige vertrouwelijkheid leeft met de natuur en met God,
mijn jongen, kan nooit verlaten zijn. Ik voel mij daarvoor te innig in
het groote Gods-verband van alle levende creaturen en dingen. Ik vrees
alleen, mijn brave, dat jij je eenmaal verlatener zult voelen dan ik
ooit geweest ben. En ik denk met rilling terug aan die duistere tijden,
toen ik nog wist wat verlatenheid was, verlatenheid te midden van een
groote stad vol weelde en ellende, met je eenzame, gevoelige, aparte
ziel tusschen al die duizenden en duizenden in ’t harde versteende,
koude wezens, waaronder je genadeloozer alleen bent dan in een wijde,
dorre woestenij. Verlaten zijn, dat is enkel als je met een echt, innig
gevoel, met een reine gedachte, met een mooi ideaal eenzaam rondloopt
tusschen de donkere drommen van duizenden, die het met hun schel
hoongelach zouden begroeten, en het verstikken onder hun vunzen adem
van smaad, als je eens argeloos dat teedere en fijne in je voor hun
schennende blikken vertoonde. Dát is verlatenheid, om met een kostbaren
schat in je ziel door de tallooze benden der heidenen te gaan, om dien
diep in je te verbergen, maar eindelijk in een krankzinnig élan van
offering dat kostbare aan het grove volk te toonen, en het te zien
vaneenrijten en verscheuren als een bloô, wit lam door de ruige troepen
van wolven. Je zult ééns weten wat ik met deze woorden bedoel. Nu
begrijp je ze nog niet zoo. Maar denk nooit, dat ik in de stille
vertrouwelijkheid van de natuur verlaten zou kunnen zijn, want evenmin
is een kind verlaten, dat rust in moeders schoot. En ik ben hier als
een schip, dat na veel verre, stormachtige reizen, voor goed in veilige
haven ligt geänkerd, tegen wind en weêr beschut.”
Later zou Paulus nog dikwijls om deze woorden denken. Maar nú begreep
hij ze niet, en kon hij ook niet in hun klare wijsheid zien, verblind
als hij was door den schoonen lichtschijn, die van prinses Leliane’s
uiterlijk wezen straalde. Hij wist alléén maar dit ééne ding: waar
prinses Leliane heenging, moest hij ook gaan, onvermijdelijk, omdat het
nu eenmaal niet anders kón.
En hij ging.
Den volgenden morgen, met het aanbreken van den dag, toen het eerste,
jonge licht voorzichtig schemerde door de bladeren, en hier en daar een
enkele, vroege vogel ritselde in het groen, geleidde Willebrordus de
prinses en zijn kleinzoon uit het bosch. Zij namen een weg, dien Paulus
zelden was opgegaan. Zes lange uren liepen zij door, tot zij eindelijk
aankwamen bij een zoom van het bosch, waar een paar hutten van
houthakkers stonden. Dáár rustte de prinses een paar uur uit van de
vermoeienis. De goede, eenvoudige boschbewoners gaven haar melk, brood
en vruchten, en bereidden een bed voor haar van mos en droge blâren.
Paulus zag in de verte blauwe bergen rijzen en dalen, en zijn
grootvader zeide hem, dat dáárachter het Leliënland lag, waarover
Leliane regeerde.
Willebrordus sprak met de houthakkers af, dat zij de prinses langs den
kortsten weg over de bergen zouden brengen naar een dorpje, dichtbij op
de grenzen.
Het was wèl even hard vóór Paulus, toen de oude man afscheid van hem
nam.
Rustig, in groote waardigheid stond Willebrordus voor hem, de hand
zegenend op zijn hoofd gelegd.
„Vaarwel, mijn jongen,” zeide hij, met vaste stem. „Misschien zal je ’t
pas véél later begrijpen, maar onthoudt goed den laatsten raad, dien ik
je medegeef. Laat je toch voorál niet van de wijs brengen door den
schijn der dingen, maar zoek de kern van alles het wezen. Denk voorál
in eenzaamheid na over alles wat je oogen onder de menschen hebben
gezien, en luister dan goed, wat een innerlijke stem in je ziel er over
zeggen zal. Ga voorál te rade met die intuïtie in het diepste van je
wezen. En ga nooit enkel af op menschen-woorden, die sneller als de
wind vergaan. Wil je mij dat beloven?”
Hoe eerbiedwaardig, sterk en oprecht stond zijn grijze grootvader daar
voor hem! En hoe teeder tegelijk was zijn wijs gezicht, waar leed en
gedachten de diepe rimpels in hadden geplooid!
Opeens voelde Paulus hoe vreeselijk het zou wezen, als hij dit veilige,
rustige, liefderijk beschermende niet meer bij zich hebben zou. En een
laatste opwelling om in zijn armen te snellen en hem te beloven, altijd
bij hem te blijven, welde op in het innigste van zijn ziel.
Hij zag nog eens goed naar de boomen, die daar vertrouwelijk naast
elkaar stonden, als goede kameraden, hartelijk en eensgezind. Hij
hoorde hun breede kruinen ruischen en ruischen. En het was of het woud
hem waarschuwend riep.
Een oogenblik weifelde hij.
Toen klonk opeens weer Leliane’s stem, en dat heerlijke geluid
bedwelmde zijn ziel met bevende verrukking.
„Gáán wij nu?” riep zij, „ik ben nu uitgerust. Kom, Paulus!”
Neen, hij kon niet terug, hij kón niet meer, het was sterker dan alles.
De tranen vloeiden uit zijn oogen op Willebrordus’ oude, gerimpelde
hand, die hij eerbiediglijk kuste.
„Ik kán niet, grootvader, ik kán niet anders,” snikte hij. „Vergééf
mij!”
„Ik héb je niets te vergeven, mijn jongen. Ga, mijn brave, en God zij
met je. En weet! als je eenmaal terug wilt komen zal je kamertje altijd
voor je klaar staan, en zal je welkom zijn als altijd. God zegen je!”
Toen wendde Paulus weenend het hoofd af van zijn’ goeden grootvader en
van het stille woud, en aanvaardde hij den zwaren gang naar de menschen
en hunne stedingen, om het groote licht van schoonheid te volgen, dat
de prinses Leliane omstraalde....