HOOFDSTUK IV.

Den geheelen middag had hij geroeid op de rivier.

Nu was de schemering over het bosch gedaald, en hij wilde teruggaan,

naar huis. Juist wilde hij het bootje vastleggen aan den oever, en er

uit stappen, toen hij opeens hevig schrikte.

Want hoor! daar klonk opeens weer het gezang van het vreemde vogeltje,

dat hij al ééns gehoord had, lang geleden, en dat hem zoo wonder had

beroerd. Hoe hij het was gevolgd, het vreemde lied, tot hij ganschelijk

was verdwaald, en vèr aan den horizon het groote licht had zien

schemeren van Leliane’s ziel!

Het wondde hem diep in zijn hart. Wat wàs het dan toch, dat het zoo

pijn deed, en tòch zoo heerlijk was en volzalig, dat hij van angst en

vreugde de adem voelde stokken in zijn keel, en bang zijn hart klopte,

dat het zeer deed in zijn borst?

Hoor! hoor! hoe het vreemde vogeltje daar klaagde in het donker wordend

woud! Moest hij nu weer meêgaan, willoos, doelloos meêgaan, overal waar

het vogeltje maar wou, moê, moê meeloopen tot vèr, vèr het bosch uit,

waar het wondere Licht was, dat hem zoo had doen schrikken met zijn

bleeken gloed? Neen, nú zou hij sterk en dapper zijn. Hij zou in de

boot blijven tot het vogeltje ophield met zingen, en dan stil naar huis

gaan. Vastbesloten, maar toch angstig, bleef hij zitten.

De avond begon nu dieper te vallen over het bosch. In het Westen, waar

de rivier heenstroomde, begon een teeder droomenspel van kleuren. Zacht

roze, en bleek goud, en wazig blauw, en allerlei weifelende, langzaam

vervloeiende tinten schemerden op, van innigheid zalig in elkaar

vergaand bij ’t eerste samenbeven. En onder het geheimzinnig kweelen

van ’t vogeltje bleef Paulus angstig in die verre kleuren staren. Hoe

vreemd werd het nu ineens voor hem!

Want het was juist, of die kleuren hem nu evenzoo pijn deden als het

klagelijk zingen boven zijn hoofd. Opeens was het hem, of hij er iets

in miste, of er iets was, dat al die teêre tinten voor hem verborgen,

en dat toch het heerlijkste van alles zou zijn. O! Dat oude, oude, en

toch nooit gekende gevoel, dat zoo dikwijls in hem opgezwollen was als

hij eenzaam zat te droomen bij de waterlelies, als hij hoog in den top

van een boom naar de sterren opzag, of als hij het aanzag aan zijn open

venster, hoe de stille boomen hun biddende kruinen roerloos omhoog

hielden tot den hemel! Dan kwam die wondere weemoed, die droefenis was

en zaligheid, en de tranen welden naar zijn oogen, en hij wist niet

waarom!

Maar nú was het sterker dan het ooit geweest was. Nú wist hij opeens

dat hij verlangde naar iets, dat nog schooner en volheerlijker was dan

alle mooie en goede dingen in het bosch. Maar wat?.... maar wat?....

Hij staarde in de kleuren daar ginds, ver, die altijd maar vervaagden

en in elkaar verdroomden, het goud, het rood, het roze, het geel, het

blauw. O! Dat teêre, teêre blauw daar! Zóó fijn en transparant was het

nooit geweest, niet in den mooisten lentehemel zóó als het nú was, daar

aan dien verren horizon. En toch, en toch.... Tóch kon het nóg

teederder, nóg zachter zijn dan nú, tóch was het nog niet genoeg om te

stillen dat vreemde verlangen naar iets nóg heerlijkers, dat in zijn

hart aanzwol, en waar het vogeltje van zong. Het vogeltje! Waar was

het?.... Zat het boven zijn hoofd in de boomen?.... of zong het in zijn

eigen hart?.... En had het ook in zijn eigen hart gezongen en hem

rusteloos voortgedreven dien éénen avond, toen hij het vreemde licht

had gezien, daar vèr waar de menschen woonden in de Leliënstad?.... Hoe

vreemd, hoe vreemd het toch zong! Wat wilde het hem dan toch

zeggen?.... En dan die kleuren, die kleuren, die óók zoo wonder zongen

in de verte, die kleuren, die iets zeggen wilden, en die riepen, die

riepen.... Dat blauw, dat bíjna goed was, dat bíjna troostte zijn

verlangen van weemoed, als het maar anders was, maar hoe?.... maar

hoe?....

En het verlangen in hem zwol en zwol, en het werd sterker dan zijn

sterke wil om rustig te blijven, en niet met het gezang mede te gaan.

En het vogeltje riep en riep, vaag-droevig en toch zalig, en hij wist

niet of het in zijn ziel was, en het haar vooruit dreef, of dat zijn

ziel vanzelf voortmoest, achter het vogeltje aan.

En hij voelde zich gaan, zacht, maar onweerstaanbaar voortgestuwd door

iets dat sterker was dan alles, wat hem ooit had bewogen. Maar zijn

hart klopte angstig, alsof het vóórgevoelde en al wist.

De boomen stonden toch als altijd voorheen, de oude, goede kameraden,

en al werd het al donkerder en donkerder, wèl kende hij den weg als

veilig en vertrouwd. Maar toch was er iets vreemds en beklemmends in

die welbekende dingen, als dreigde ergens een vaag gevaar, dat breken

zou het lief-intieme van verstandhouding tusschen het rustige, reine

woud en zijn jonge ziel.

Willoos dwaalde Paulus verder, als in een droom, waarin hij nu en dan

het vreemde vogeltje hoorde zingen, nu van hier, dan van daar, nú

buiten hem, ver, dàn heel dicht bij hem, in zijn eigen binnenste.

Hij liep, en liep en liep....

En nu was hij bij de open plek gekomen onder de purperen beuken.

Plotseling hield het vogeltje op met zingen, en van schrik bleef Paulus

onbeweeglijk staan.

Want daar, in ’t midden van de donker-gouden blaren lag iets wits, iets

innig wits, met een eigen, zachten glans opschijnend in het donker. En

ergens in dat wit een wreede, roode vlek, hel op het matte donkergoud

van de oude blâren.—Het was te donker om goed te onderscheiden, en

Paulus zag nog maar alleen het roerlooze wit, als een groote sneeuwvlek

onbewegelijk over het goud, en pijnlijk de roode plek daar in.

Hij durfde nog altijd niet naderbij te komen, en staarde en staarde,

met duizelig hoofd, voelend het angstige bonzen van zijn hart.

Tot, als een zegen van Boven, opeens een fijne bundel lichte

manestralen neêrzilverde door de takken der boomen, en daar lag, in die

zachte apothéoze van hemelsch licht, slapende, de Prinses.—

Rustig lag ze, een kalm kind in een wit gewaad van fijn, zacht laken,

nauw omsluitend haar ranke, tengere figuur. Haar bleeke gezichtje was

van de stille reinheid der blanke waterlelies, en van even rustige

kalmte genadevol overtogen. Maar onder het transparant bleeke van haar

huid beefde een wondere glans, alsof het reine licht van hare ziel daar

lag te gloeien. Zoo als de fijne nerven in teedere bloemen, droomden

broze aderen hier en daar over het zachte blank van haar hals.—En als

een groote golf goud van de zon, met een glorie van glans opschitterend

in het weeke maanlicht, waren haar lokken uitgestroomd om haar heen,

over de donkerder gouden blâren.

Naast haar, klagelijk en droef, lag een doode, witte ree, de fijne

pootjes stijf uitgestrekt, de gewonde hals pijnlijk gerekt, met een

felle pijl-wonde, waaruit een roode stroom bloed was gegolfd, en waar

langzaam donkerroode bloed-druppelen uit drupten.

Een felle pijn doorschrijnde hem een oogenblik... Hoe kon dit zijn? Dit

uiterst teedere en genadevolle van het Meisje, niets dan liefde en

barmhartigheid.... en daarnaast koud en stijf, de argelooze onschuld

van een ree, met een wreede pijlwonde in de keel. Hoe kon dit naast

elkaar bestaan, dat de liefde hier de onschuld niet beveiligd had, door

de sterkte van haar wezen?

Maar hij zag weer van de doode reê naar het levende Meisje, en in het

aanzien van haar schoonen schijn was het wreede naast haar weêr

vergeten.

Zacht bewoog de borst van de Prinses op de rustige deining van haar

ademhalen, en Paulus voelde dat teedere, kalme bewegen als een wonder

rythme in zijn ziel, dat haar vervulde met een zaligheid, inniger dan

muziek.

Nu was het dan gekomen..., nú was het dan eindelijk, eindelijk gekomen,

waar hij zoo naar verlangd had, waar hij op gewacht had al die jaren

lang, en nooit had hij het geweten.... altijd was zij dus in zijn ziel

geweest, en altijd had hij haar met zich omgedragen, zijn geheele leven

lang, tot het nu, op dezen eindelijken avond, eerst in hem bewust werd,

en hij het aan mocht zien, van aangezicht tot aangezicht, en het voelen

van ziel tot ziel....

Want hij voélde het nu, in wélbewust herkennen: dat roerloos rustige,

dat genadevol kalme, dat reine rythme van haar zacht adem-bewegen, die

stille lijnen van haar sluimerend lichaam, die teêre sfeer van goud- en

leliënglans, die om haar beefde, dáárin openbaarde zich kuischelijk de

ziel van de slapende Prinses, het allerinnigste van haar wezen, zooals

hij de ziel van het woud had gevoeld in den droom van een

maanlicht-stille nacht.

Een wondere zaligheid daalde over hem neer, alsof opeens de eindelooze

Hemel met al zijn eeuwigheid van blauw en diamanten sterren over hem

neder was gedroomd, en hij duizelde in die oneindigheid van pracht. Hij

voelde zijn lijf niet meer, hij voelde zich niet meer staan, maar het

was of hij nu die eindelooze Hemel zelf werd, en grooter en grooter

werd het om hem, wijder en wijder, vèr en vèr, en alles wemelde weg in

zaligheden en helle horizonnen van licht....

Tot het ophield door een geluid, en hij op eens weer terug was. Even

bewoog de Prinses en zeide iets, zwak, in haar slaap. Hij schrikte op,

angstig, als een die wakker schrikt.

Ai! Ging het nu breken?... Stil dan, stil... Dat niets die genadevolle

stilte nu verbrak.... Want hij voelde het, helder in zijn ziel, zonder

het bewust te weten: dit was het allerbeste... het stille aanzien,

roerloos, van der Liefste ziel, als de reine slaap het leven in haar

zacht gedoofd heeft, en haar heilig licht beeft in de sfeer van rust,

die droomende is om haar heen....

Weêr was zij stil, en rustig deinde het ademhalen van haar borst. Hare

blanke, kleine handen, gevouwen in haar schoot, bewogen niet, en

roerloos lagen hare lange, gouden lokken in het donkerder goud van de

blâren, licht als stralen van de zon.

De avond was winde-loos over het woud. Stil stonden de statige stammen

omhoog, en hieven hun breede bladerkruinen onbewegelijk op ten

maanlicht-reinen hemel. Hier en daar flikkerde een ster door de

bladeren heen, hoog en ernstig. En in het ademlooze zwijgen van alle

wereld-dingen om hem heen voelde Paulus in wondere zaligheid zijne ziel

één zijn met die eindelooze rust àlom, met het sluimerende Meisje, met

het stille woud, met de heldere sterren daar Boven, en den eindeloozen

Hemel van blauw, want als kinderen van éénen goeden Vader lagen zij

allen samen gelijkelijk gekoesterd in dien éénen vrede van genade, die

het Wezen is, dat al het zijnde liefderijk houdt omvat....

Daar bewoog de Prinses weêr, en een huivering ging over haar gelaat,

alsof zij het koud had. Eerbiedig kwam hij nader. Zou hij haar

wekken?....

Zou hij durven?.... Zou het misschien niet beter zijn, dat zij rustte

en sliep?.... Hoe was zij hier gekomen?.... Ze zag moe en bleek, al

scheen die wondere glans zoo prachtig onder haar transparante huid....

Zou ze hier, moe van ’t zwerven en dwalen, zijn neêrgevallen, omdat ze

niet meer verder kon?.... Dan zou rust juist noodig zijn. Maar ze had

het koud, ze had gehuiverd zooeven. Dát mocht niet, dat was gevaarlijk.

Hij deed den mantel af dien hij ’s avonds altijd droeg, en legde dien

voorzichtig over haar heen, hem plooiend met eerbiedige vingeren, dat

hij goed haar fijne schoudertjes bedekte. De gouden beukeblâren waren

droog en zacht, en geen vocht was in de late zomer-lucht. Met den

warmen mantel goed over haar gevouwen was het gezond slapen in het

bosch met zulk stil, winde-loos weer.

Zij sliep nu rustig door, en geen zucht kwam meer over hare lippen,

noch beroerde eene huivering de stille vrede van haar rustig-rein

gelaat.

En Paulus stond roerloos bij haar, en waakte over de slapende Prinses,

uren aan uren lang, en er was geen tijd meer voor hem, waar hij in

stille contemplatie staarde in de teêre sfeer van goddelijken vrede,

die beefde om haar heen. Hij voelde niet de moêheid in zijn beenen, en

de koude van den nacht, hij wist haar niet, waar hij in zijn luchte

zomerkleeren wakende stond. Het leek hem, of deze zaligheid altijd zoo

geweest was, en ook altijd zoo moest duren, altijd die plechtige stilte

van het woud, en de zegen van het blanke maanlicht over de wereld en de

rustige schoonheid van de slapende maagd, vredig en vol genade in zijn

ziel.

Zóó droomde Paulus, in groote zaligheid verzonken, waar hij roerloos

waakte, uren en uren, die hij in vrome aandacht niet wist, totdat de

roze Dageraad de bleeke nachtlucht kleurde, en de stilte van het woud

uitbrak in luid vogelen-gerucht.

Toen het eerste vogeltje tjilpte, in een boom vlak boven zijn hoofd,

dacht Paulus: „nu zal zij ontwaken,” en hij schrikte, bang dat het

gebeuren zou. Een vaag voorgevoel waarschuwde hem: „nu zal het breken,

nu zal het breken, nooit komt dit zalige zóó weerom.” Hij voelde niet

de koû die hem omhuiverde, noch de stijfheid in zijn beenen, want in de

hoogste spanning, die zijn ziel ooit had bereikt, rustte hij méde in de

rust, waarin de Prinses lag verzonken. En hij dacht: „kon ik nu maar

die vogeltjes stil laten zijn, kon ik nu maar de winden tegenhouden,

die door de takken komen ruischen.”

In angstige spanning zag hij naar het liefelijke, slapende wezen. De

oogleden waren nog altijd geloken, waarboven de fijne, teêre

wenkbrauwen zachtkens omhoog golfden met het vage, gevoelige gebaar,

dat hij wel eens gezien had van de verre bergen, als hij stond aan den

zoom van het woud.

Toen, eindelijk, ging het gebeuren. Een zucht, een éven bewegen van een

arm, een schuiven van den kleinen voet, ritselend door de blaren.

Opeens gingen de oogleden zachtjes omhoog.

En het was Paulus, of gingen de poorten open van het Rijk des Lichts,

en zijn ziel staarde in zaligheid eindeloos.

Eene wemeling van lichter dan hemelsblauw, met eene verrukking zóó

innig, dat hij er van rilde tot in de diepste geheimenissen van zijn

binnenste, die nú eerst sidderend van genot in hem bewust werden.

Dát was de kleur, de éénige, volheerlijkste kleur, die hij gisteren

avond had vóórgevoeld in de weifelende tinten van de schemering, dat

was het ééne, ontbrekende, waar hij onbewust zoo droef naar had

verlangd. En de vreemde zaligheid, grooter dan alle ontroeringen, die

hij ooit had gevoeld, trilde zóó innig in hem door dat het genot bijna

pijn werd, en een kreet van smart-geluk schreeuwde uit zijn borst.

In een waas van tranen, als door een fijn diamanten nevel, zag hij het

wondere, witte wezen zich oprichten, tot zij vóór hem stond, fier en

trotsch, en toch teêrder dan een bloem, in zachte, edele lijnen die als

een gebed van muziek zongen in zijn ziel. Deemoedig stond hij voor

haar, wachtend tot het wonder van haar spreken begon. En zij sprak,

melodieuzer dan de stem van zangerigsten vogel:

„Wie ben je?”

„Ik ben maar Paulus,” antwoordde hij, wetend dat ze hem niet kende, dat

hij maar een heel nietig schepsel voor haar was.

„Ik ken je niet,” zeide ze, streng en misschien hard, maar voor hém nog

altijd zoeter dan het kweelen van liefsten vogel. „Ik ben verdwaald....

gevallen ben ik van mijn paard, op de jacht.... Wáár is mijn witte

ree?.... Wat doe je hier bij me?”....

Het eerste dacht ze om het wild, waar ze dagen en dagen woest naar had

gejaagd, tot ze alleen, ver van haar gevolg, verdwaald was in het

bosch.

Toén pas zag Paulus weer het doode dier, klagelijk en erbarmelijk, de

bloedende hals pijnlijk uitgerekt, de pooten stijf gestrekt, met de

oogen droeviglijk gebroken.

En met een schok barstte de opgekropte ontroering in hem los.

Snikkend viel hij bij de doode ree op de knieën, en schreide luid uit:

„Hier is de ree, het lieve, mooie, zachte dier... zie je niet het

bloed, dat druipt op haar witte vacht.... zie je niet hoe wit ze is, en

hoe mooi.... Mijn arm, arm hertje.... wie heeft haar doodgemaakt.... en

hoe kon dit wreede, roode bloed bestaan naast je reine, blanke wezen?”

Het Meisje zag hem aan in verbazen, niet begrijpend de smart om een

dood stuk wild, wat verschrikt door de heftigheid van dien vreemden,

hartstochtelijken jongen.

„Weet je wel wie ik ben?” vroeg ze, en trachtte onbevreesd en fier voor

hem te staan.

Hij zag haar aan.

En hij wist het. Hij had het dádelijk geweten toen hij haar gezien had,

al was het toen nog niet bewust. Maar ééne kon zóó lelie-blank zijn,

met het haar zoo gouden.

„Je bent prinses Leliane,” zeide hij zacht.

„Ik ben Hare Koninklijke Hoogheid de Kroonprinses Leliane,” verbeterde

zij. „En je moogt geen „je” tegen mij zeggen, of ik je gelijke was,

maar U. Men spreekt mij slechts aan met „Koninklijke Hoogheid” en

wéldra zal het „Uwe Majesteit” zijn, als ik Koningin ben.”

En door de muziek van hare stem was hij de doode ree en het roode bloed

vergeten. Hij zag nog slechts de verblindende pracht van hare lokken,

het eindeloos teedere blauw van hare oogen, dat over zijn ziel wemelde,

die van verrukking beefde.

„Uw Koninklijke Hoogheid,” prevelde hij eerbiedig, en zonk op eene knie

voor haar. „Uwe Majesteit, ik wil Uw dienaar zijn, tot in den dood.”

Verrast keek zij neer op den knielenden jongeling aan hare voeten. Welk

een ridderlijkheid in dien eenvoudigen jongen uit het volk, hier in dit

bosch! Met welk edel gebaar was hij voor haar neêrgezonken, en hoe vol

gratie neeg hij het hoofd voor haar, of hij een edelman was van het

Hof! En nú pas zag ze dat hij een mooie jongen was, sterk en krachtig,

en toch vol teedere bevalligheid. Nu was zij ook niet bang meer, dat

hij haar kwaad zou kunnen doen.

„Ja, ik ben uw gebiedster,” zeide zij trotsch. „En nu moet je mij den

weg wijzen uit dit bosch, dan zal ik je rijkelijk beloonen.”

Zij wilde verder spreken, maar gaf opeens een gil. Toen zij een stap

vooruit had willen doen, voelde zij, hoe haar voet was gezwollen, die

gewond was bij den val van haar paard. En zij viel van pijn weer neder

op de purpergouden blâren.

Paulus knielde verschrikt bij haar neer.

„Mijn Prinses,” vroeg hij angstig, „mijn Koningin, ben je gewond?”

Hij kon het „U” niet zeggen in zijne emotie, nooit gewoon geweest dat

woord te spreken.

Aan den angst en den eerbied in zijn stem hoorde zij wel, dat het geen

opzet was, als hij de vormen tegenover haar vergat.

„O! Mijn voet doet pijn,” klaagde zij, „nu kan ik niet weg.... wat zal

men aan het Hof wel denken.... waar ben ik hier?.... is hier nergens

hulp?.... kan je me niet ergens brengen, waar ik rusten kan?.... hoe

lang heb ik hier al gelegen?.... ik weet het niet meer, mijn hoofd is

zoo duizelig, en ik herinner mij niet....”

Zooals zij daar neerlag, hulpbehoevend en zwak, durfde hij meer te

zeggen dan toen zij zooeven voor hem stond, fier opgericht.

En hij vertelde haar, hoe hij haar gevonden had, den vorigen avond,

slapend onder de purperen beuken, op het zachte bed van de blaren. Hoe

hij haar niet had durven wekken, en hoe hij het gewaagd had zijn mantel

over haar te plooien, omdat hij haar had zien huiveren van koû. En hij

zeide haar, dat Willebrordus, zijn grootvader, woonde in het bosch, en

dat zijn huis niet zoo heel ver was, een uur loopen maar, den kortsten

weg.

„Mag ik je daar brengen?” vroeg hij nederig. „Ik ben sterk en ik kan je

steunen. Ik kan je ook misschien wel dragen, als je niet meer kunt. Of

wil ik Willebrordus halen, en met hem terugkomen, met een draagbaar?”

Zij trachtte op te staan, en steunde op zijn arm. Een trek van pijn

kwam op haar gezichtje, maar zij bedwong zich en klemde de fijne lipjes

vastberaden op elkaar.

Toen probeerde zij te loopen, maar het ging heel moeilijk.

„Zóó zal het niet gaan,” zeide zij.... „ik zal mijn arm om je hals

slaan... dan heb ik méér steun...”

En zij sloeg haar zachten arm om zijn hals, vertrouwelijk, en steun

zoekend bij zijn jonge, sterke lichaam.

Een vreemd, ongekend gevoel doortrilde hem, en het bloed steeg naar

zijn hoofd, dat gloeide, als duizelig. Het was hem, of hij dit niet

lang zou kunnen dragen, en hij sterven zou van zaligheid.

Maar hij moest sterk zijn... sterk, omdat zij op hem steunde, omdat zij

genezen moest worden van haar pijn, in zijn veilig huis. Hij vermande

zich, en vocht tegen het wild geduizel van geluk, dat door zijn

innigste wezen ging.

En zóó liepen zij voort, langzaam, langzaam, een kwartier. Met moeite

herkende hij den weg, zóó schemerde alles voor zijn oogen. Het was hem

of hij droomde een zaligen droom, of hij met de Prinses Leliane door

heilige paradijzen dwaalde, en of deze wonne altijd zóó zou duren, tot

hij er van zaligheid door sterven zou. Haar zachte lijf ademde dicht

tegen hem aan, haar gouden lokken, schitterend van licht, beroerden

zijn wang.

Totdat zij opeens weer een gil gaf van pijn, en zij zich zacht liet

neerglijden op den grond.

„Ik kán niet meer... ik kán niet meer...” zuchtte zij... „laat me hier

liggen, en ga hulp zoeken... ai! mijn voet!...”

Wanhopig keek Paulus in het rond. En hij zag, dat ze bij den

lelie-vijver waren gekomen.

„Blijf hier rustig liggen, Uwe Koninklijke Hoogheid,” zeide hij, moeite

doende om den vreemden titel te zeggen. „Hier bij dezen vijver is

schaduw, en het is er koel, als straks de zon gaat stijgen. Ik zal hard

loopen, en terugkomen met mijn’ grootvader Willebrordus.—”

Dankbaar zag ze hem aan. Toen keek ze in ’t rond, om goed te weten waar

ze was.—

Het zonlicht begon al helderder en helderder te zeven door het fijne

gebladerte. En vóór haar, aan hare voeten, lag roerloos kalm de klare

vijver, waar op het reine water de witte waterlelies dreven.—Rustig, in

groote eerwaardigheid, hieven zij de blanke hoofden omhoog tot het

licht.

„O! De mooie lelies!” zeide zij, verrukt. „Zóó mooi heb ik ze nog nooit

gezien!”

„Die lelies, zijn het niet je zusteren!” riep hij ineens in geestdrift,

door de extaze de vormen weer vergetend. „Heb je niet in je de ziel van

het lelie-wit, dat opdronk het goud van de zon! Hoe dikwijls heb ik

hier gelegen, en naar die blanke lelies gezien... Toen dacht ik: dit is

nu het allermooiste, dat op de wereld kan bestaan... zóó rein, zóó

rustig, en zóó wit... dikwijls heb ik er van geschreid, om ze zoo heel

stil te zien liggen, die bladen zoo zacht uit-geplooid om toch het

gouden licht kuisch te ontvangen.... Maar nu ik jou gezien heb, weet ik

dat je mooier bent dan deze mooiste lelies ... en de glans van de

blankste bloemen is nu verbleekt, nu ik in je wondere gezicht heb

gezien ... want het is mooier dan de lelies, dan de sterren, dan álles

wat ik weet....”

Verwonderd keek ze hem aan. Zóó, met dàt accent had nog nooit een

hoveling tot haar gesproken. Dit was als uit de oude sproken en de

romans, die zij had gelezen. En dit was zuivere ernst, dát zag zij aan

zijn schitterende oogen, aan den deemoed, waarin hij vóór haar stond,

het hoofd gebogen voor zich uit sprekend, met nederig gebaar, alsof hij

zijn ziel aan haar voeten wilde leggen.

Dat stille bosch ... die kalme, rustige vijver ... die witte bloemen,

roerloos drijvend op het water ... die sterke, eenvoudige jongen met de

heldere bruine oogen, en het glanzende zwarte haar in lokken vrij langs

zijn hals ... die woorden van aanbidding, met een nooit gehoorden klank

van waarheid.... Het was haar of zij droomde, en zij wist niet wat te

zeggen. Sprakeloos zag zij hem aan, niet begrijpend en toch vaag

voorgevoelend, dat hier iets bizonders voor haar gebeurde.

Toen boog hij diep, met eene nobele neiging van zijn slank lichaam

zooals zij aan het Hof nooit had gezien.

En hij snelde voort, op vlugge voeten, om hulp te halen voor zijne

gewonde Prinses.

Willebrordus zat kalm te lezen in een leunstoel voor de deur, toen

Paulus ademloos aan kwam snellen.

„Grootvader!... zij is er!...” riep hij, in extaze... „zij is gekomen,

de prinses Leliane!... en zij is mooier dan de bloemen, dan de

sterren.... dan álles.... maar och! zij is gewond aan haar voet.... zij

kan niet loopen.... gauw, grootvader.... wij moeten haar helpen....”

Met moeite kreeg Willebrordus hem zóó tot bedaren dat hij een geregeld

verhaal kon doen van wat gebeurd was.

Toen lachte hij, droevigjes, en zeide verwijtend:

„Mooier dan de bloemen?.... Dan de sterren, Paulus?.... Foei!.... maar

ik kén het, ik kén het, wat je beroert.... en ik weet dat er niets aan

te doen is.... nu zal je me ook verlaten, Paulus, dat kàn niet

anders....”

Verschrikt keek Paulus hem aan.

En nu eerst kwam er een vaag begrip in hem tot bewustzijn van wat

eigenlijk gebeuren ging in hun beider leven. Maar hij wilde, hij kón

het niet gelooven.

„Jou verlaten grootvader!... jou verlaten!... en mijn bosch, mijn lief,

goed bosch verlaten!... nooit!... nooit!...”

Maar beslist en zonder beven zeide het grootvaders stem, die altijd

waarheid had gesproken:

„Nu zal je gaan, waar zij gaat, mijn jongen.... arm kereltje, je moét

wel, zooals het vlindertje móet naar de vlam... zóó zal je ziel beven

om den schoonen schijn van dat Meisje.... Maar nu is het geen tijd om

te praten.... nu gauw een baar gereed gemaakt om haar te zoeken....”

En een kwartier later waren Willebrordus en Paulus op weg, zoo snel zij

loopen konden, naar den vijver van de witte water-lelies.

Nooit zou Paulus kunnen vergeten, hoe Willebrordus de prinses aanzag,

toen zij bij haar waren gekomen. Hoe die wijze, rustige oogen van den

grijzen oude naar de frêle schoonheid van het Meisje zagen, kalm en

onbewogen! Zij werd een beetje angstig onder dien diepen, in haar

dóór-zienden blik, en probeerde weer in trots daaraan te ontkomen.

„Ik ben de prinses Leliane,” zeide zij fier. „Ik zal eenmaal de

koningin zijn van Leliënland. Met Koninklijke Hoogheid word ik

aangesproken.”

Maar Willebrordus antwoordde kalm. „Er is niemand koninklijk en hoog

dan God, mijn kind, en Hij is de éénige Majesteit.... je bent een kind,

en meer niet, en een kind dat gewond is, en hulp van medemenschen

behoeft.... en ik zal je helpen, als medemensch, maar niet als

onderdaan....”

Toen, zacht, zooals men een kind doet, tilde de grijsaard haar op, en

legde haar op de baar, met eene teedere zachtheid, die van heel uit de

hoogte kwam zijner groote liefde voor alles wat leefde.

„Mijn ree!” riep zij nog, „mijn witte ree! Ik heb haar eerlijk zelf

gejaagd, en niemand kon haar vangen dan ik. Zij moet mede.... Ik wil

haar huid mede-hebben, om den opperjagermeester te toonen!....”

Maar Willebrordus antwoordde, gestreng:

„Dit arme beestje, dat je zoo wreed vermoord hebt zal ik hier komen

begraven. Wat had dit zachtaardige dier misdaan, dat het geslacht moest

worden? Je moest je schamen, zulk een gruwelijken moord te doen!”

En hij streelde liefderijk het kille, stijve lijk van de ree, alsof hij

met nog wat liefde de verschrikking van het onrecht wilde verzachten.

Zij wilde nog wat tegenspreken van trots, maar er was iets in zijn

edel, wijs gezicht, dat haar van onwederstaanbaren eerbied vervulde. En

zij voelde heel goed, dat zij zijn hulp absoluut behoefde, en klagelijk

zou blijven liggen, als zij hem weerstond.

Maar Paulus, voor de eerste maal in zijn leven niet oprecht meer tegen

zijn ouden Meester en grootvader, door zijn op het uiterste gespannen

aanbidding tot haar gedreven, boog zich voorzichtig tot haar neder,

waar hij het hoofdeinde droeg van de baar, en fluisterde haar eerbiedig

toe:

„Uwe Koninklijke Hoogheid.... Uwe Majesteit.... Mijn hooge gebiedster.”

Zij dankte hem met een goedkeurenden, vriendelijke blik.

En zoo droegen Willebrordus en Paulus de prinses Leliane door het woud,

waar hun rustig, rein leven in had gewoond. In hun simpele huis onder

de oude, wijze boomen, in Paulus’ eigen kamer, op zijn hard, eenvoudig

bed legden zij het liefelijk meisjeslichaam te rusten, dat broos en

teêr was als de reine lelie, en schooner van aanschijn dan de pure

sterren aan den trans.

Leliane: een modern sprookje · 第 8 / 21 题