Paulus had een klein kamertje, boven, onder de balken van het dak. Er
stond niets in dan een houten bed, een tafel, een kleerenkast, een
boekenrek en een paar stoelen, maar het was er toch erg gezellig, omdat
het zoo licht en proper was. Er was maar een dun, hagelwit gordijntje
voor het raam, zoodat ’s morgens het licht al heel vroeg binnenkwam en
hem wakker maakte. Dan stond hij dadelijk op, en schoof het raam open.
En al de goede, groote boomen ruischten hem dan vriendelijk goeden dag.
De vogelen waren dan druk bezig aan hun morgenlied, en de bloemen
zonden hun jonge, frissche geuren op. Het was hem altijd zoo licht en
wonder wèl te moede ’s ochtends, en hij aanvaardde elken nieuwen dag
als een kostbaar, heerlijk geschenk dat hij had gekregen. Als alles zoo
vroolijk ruischte om hem heen, waar hij versterkt opstond van een
gezonden slaap, en hij hoorde dat vogelen-gejubel overal, en die
krachtige geur van jong hout en pas wakker geworden bloemen kwam naar
hem op, dan was het hem, of hem dat alles persoonlijk werd gegeven, in
eindelooze mildheid.
Ja, er moest een goede Vader zijn, die voor al het schoone om hem heen
liefderijk zorgde, en wiens Geest die groote, groote wereld van schoone
wonderen doordrong. En dan kwam een groot gevoel van dankbaarheid in
hem op voor al die goede gaven, en wenschte hij vurig, dat hij dien
goeden Vader toch éénmaal zien mocht van aangezicht tot aangezicht, en
hem knielend danken voor het lichte geluk van te leven.
Boven zijn bed hing een schilderij van de heilige Leliane. Uit de
roerloos-uitgespreide, blanke bladen van een groote, wondere waterlelie
rees de koninklijke Maagd, de oogen biddend omhoog geheven, de handen
gevouwen, in de kuische plooien van een wuivend, wit gewaad gehuld. Om
haar heen zweefden kleine, kinderlijke engelen, met de wieken hoog-óp
gestoken, recht stijgende naar een groot, roze hemellicht omhoog.
Naar die uit een blanke bloem geboren maagd kon Paulus lang, lang
blijven staren. Zachter en van véél teerder kleur was haar aangezicht
dan de mooiste bloem, die hij kende, witter dan de lelie, zachter roze
dan de reinste roos. Het geleek nog het meest op heel vage, witte
wolkjes, die hij wel eens ver aan de hemelen had zien drijven, verlicht
door de laatste glanzen van de ondergaande zon. Zóó broos en zóó ijl,
dat één luchte winde-adem ze dra zou breken. En het vreemde er van was,
dat hij wel zag, hoe dit kuische aetherische lichaam van vleesch moest
wezen als het zijne, en het aanschijn hebben moest van een mensch, maar
toch zoo héél anders, als een lichaam, dat door goddelijken geest
ontvluchtigd is aan de materie. Zóó als bloemen wel eens konden zijn,
in late schemering, als ze met bleeke, vervagende kleuren nog éven
opschijnen, of zoo als heel fijne, teêre takjes nog éven, nauw
zichtbaar, gevoelig staan te doen tegen late lucht. Dan is er inééns in
de stille schemering als eene vergeestelijking, een allerteederste
apothéoze, weifelend en voorzichtig, als de ziel der dingen éven
kuischelijk ópdroomt in de vage, veilige sfeer van den vallenden avond.
Ja, wèl was de morgen schoon, als het goede licht zich wijd uitbreidde
boven de wereld, maar in de schemering van den avond voelde Paulus zich
altijd het beste, als die groote, teedere zachtheid over alle dingen
ging, die ze nóg schooner en inniger maakte dan overdag. Hij durfde dan
zoo veilig denken aan de Maagd Leliane, die uit de witte waterlelie was
geboren, en aan de prinses, daar, vèr over de bosschen en de vlakten en
de bergen, die uit háár heilige zonne- en bloemen-essence was
ontsproten. Als dan het donker met zachte schaduwen begon te dalen over
het woud, zat hij peinzend aan het open venster van zijn kamertje.
Hoe het dan ineens stil werd! Hoe die statige stammen der boomen nu
duidelijk en zacht uitstonden in de atmosfeer! Hoe al die duizenden
teere takjes en blaadjes uitkwamen tegen de lucht, roerloos bleven
uitgespreid, van rust en genade overtogen. Het gezang der vogelen was
verstomd. Somtijds zuchtte er nog ergens een zwak stemmetje, en
ritselde er iets boven in een boom. Dan was alles weer stil, en suisde
het ernstige zwijgen plechtig-monotoon door het donkere, slapende
bosch.
Door het gebladerte, hier en daar, zag Paulus langzaam de zilveren
sterren opdagen. Rustig flikkerden zij daar met hun lichtjes in het
diepe blauw, zoo ver, zoo veilig, en zoo ver. O! Hoog in die
eindelooze, blauwe hemelen daar boven! Daar moest het nog
volheerlijker, nóg wonderbaarlijker schoon zijn dan op de wereld hier
beneden.
En als dan de maan opkwam, en haar bleeke nachtgezicht, stralende van
goddelijke rust en genade boven de aarde ophief, dat de zilveren,
aetherische vrede-stralen zacht-biddend neerzegenden over het bosch, en
alles in den slaap ópklaarde tot een apothéoze van heilig-verheerlijkt
zijn, dan voelde Paulus opeens een groot verlangen opwellen naar zijne
oogen, wijd breidde hij de armen uit, om die eindelooze Liefde te
omvatten, die wemelde in de hemelen en over de aarde, en hij weende
zacht, zacht van zaligheid en heerlijk onbewusten weemoed in den nacht.
Somtijds schreef hij ook wel eens verzen. Heel korte, eenvoudige verzen
maar, van acht of twaalf regels, enkel maar zijn onvermooide gevoel, en
niets meer dan dat, op het rythmusje, waarop zijn hart klopte. Hij
dichtte er in van het vreemde, onbewuste verlangen, dat hem somtijds
vervulde, van het inééns diep bedroefd zijn, en weenen moeten, en niet
weten om wàt, over het ineens vólzalig zijn van geluk, en het luid
willen uitschreeuwen van vreugde, en evenmin weten waarom.
Hij durfde die verzen niet eens aan zijn grootvader te laten lezen,
wien hij toch alles van zijn leven toevertrouwde. Er was iets, dat hem
er van weerhield. Het was of hij ze nog moest bewaren voor iemand, die
er nog niet was, maar misschien ééns, ééns komen zou, en wien hij het
dan van zelf zou geven.
Paulus had een kleine, maar uitverkoren verzameling van gedichten in
zijn boekenkastje. En hoewel hij van het groote leven der menschen nog
eigenlijk niets had meêgeleefd voelde hij toch intuïtief de meeste
dingen uit de verzen, waarvan de emotie hem nog nooit had beroerd. En
dikwijls zat hij stil te weenen om verdriet of geluk, dat enkel zijn
ziel maar intuïtief vóórgevoelde. Het liefste van allen had hij de
dichters van den Lotus-krans, eene jonge generatie van kunstenaars uit
Leliënstad, die de sinds eeuwen in verval geraakte dichtkunst uit een
slaap van rhetorica en conventie hadden gewekt, en, tegen hoon en
vervolging in, de groote revolutie in de literatuur hadden tot stand
gebracht. Als hij van hun gloeiende, geestdriftige verzen las, voelde
hij dikwijls een verlangen om hen éénmaal te zien, en te danken voor al
het geluk, dat zij hem hadden gegeven. Hij stelde zich hen voor als
uitverkoren, gezegende menschen, wien het bij het eerste gezicht was
aan te zien, dat zij van God begenadigd waren met het reinste en
edelste wat Hij aan stervelingen had bedeeld. O! hen éénmaal te zien,
zijn geliefde dichters, hun te kunnen vertellen van de stille tranen,
die hij hun had gewijd in de plechtige stonden bij den vijver, waar de
witte waterlelies woonden!
Willebrordus had hem véél geleerd van de menschen en de maatschappij,
maar alles alleen in theorie, en van het practische leven had hij
natuurlijk niets gezien, omdat hij was gebleven in de eenzaamheid van
het woud. Zijn grootvader had hem enkel verteld, dat alles in het
werkelijke leven niet dát was, waar het den schijn van aannam en den
naam, maar ook de logen en het onrecht hiervan had hij enkel in theorie
gevoeld, en nog niet brandend voelen gloeien in zijn ziel. Alleen
vóórgevoelde hij de wereld en het leven van de menschen als iets
vaag-vijandigs aan het liefste en beste in zijn ziel, waarvoor
Willebrordus en hij zich ver verborgen hielden, diep in de veiligheid
van het bosch. Met eene fijne intuïtie voelde hij in de uitdrukking van
Willebrordus’ gezicht, in de breede, grievende rimpels van zijn
voorhoofd, in de ernstige trekken om neus en mond, in het pijnlijk
strakke kijken van zijn oogen, dat hem oneindig groot leed was
aangedaan, leed van de menschen en de wereld, waarin hij ééns had
geleefd, en hij begreep wel, dat Willebrordus nu zoo eenzaam met hem
woonde in het stille bosch, om hem te bewaren voor het kwaad, dat zij
hem zeker zouden doen, als hij óók onder hen moest leven. En hij was
zóó tevreden en vertrouwd met de woud-eenzaamheid en zijn rustige,
eenvoudige leven, dat hij er nooit over dacht, wat met hem gebeuren
zou, als grootvader eens stierf, of als hij eens op de een of andere
wijze, geheel onvoorbereid in het groote leven der menschen zou komen
te staan. Zijn bestaan was onbezorgd en blijde als dat der vogelen en
bloemen, die niet kunnen denken om den dag van morgen, maar zich
koesteren in het zonlicht van den dag van heden, en onbevreesd de
hoofdjes neigen als de avond komt. Hij nam het leven aan, zooals het nú
was, onbewust en zonder denken, omdat het vreugde was en zegen, hem
door iets heel goeds en heiligs gegeven, dat hij niet kende, maar waar
hij zich toch het dankbare, welverzorgde kind van wist. Hij noemde het
zijn’ Vader, en wist dat het ook de Vader was van de sterren, en de
bloemen, en de boomen en de dieren, en van alles wat bestond door Zijne
goedertierenheid.
Wèl had hij tusschenbeide eens gedacht, waarom dan niet de geheele
wereld vertrouwd was als het woud, waarom niet alle menschen in vrede
konden leven als Willebrordus en Mareta en hij, waarom er dan die verre
landen en die steden waren, waaruit zijn grootvader was gevlucht, en
hoe het kwam, dat die Vader de wereld niet had bewaard in dezelfde
verdraagzaamheid en dezelfde oprechtheid van het woud. Maar uit die
gedachten was hij nooit tot een rijpe klaarheid kunnen komen, en hij
was ze gaan schuwen, en drong ze terug, achter in zijn binnenste, als
hij ze op voelde komen. Door het altijd om zich heen zien van mooie
boomen en bloemen, in vrede bloeiende naast elkaar, door het altijd
midden in de groote, oprechte waarheid leven van de natuur, was in zijn
ziel bijna voortdurend een rustige, weldadige harmonie, die geen
donkere gedachten lang konden verstoren.
Zijn eenvoudige voedsel bestond uit brood en vruchten, boonen en
groenten, zijn drinken uit melk en water. Nooit was één bete vleesch of
een alkohol houdende drank over zijne lippen gekomen. Hij kon zich niet
begrijpen, hoe de menschen in de steden levende beesten konden slachten
en zich voeden konden met de lijken van zoo zachtaardige dieren als
koeien en schapen, kippen en duiven. In zijn naieve voorstelling was
dit even wreed en bloeddorstig als het menscheneten van de wilden. Hij
had twee koeien in een klein grasveld dicht bij de hut, die hij zelf
mocht verzorgen. Hoe gewillig en vertrouwelijk gingen die met hem om,
en hoe goedig konden die hem aanzien met hun groote oogen. Hoe
droomerig konden die soms den kop geheven houden, als ze roerloos stil
stonden in de stilte van een vallenden avond! Dan voelde hij, dat er in
die stomme, hulpelooze dieren, die niet konden spreken, onbewust iets
was, dat met iets van hém was verwant. Hoe kón het ooit bestaan, dat de
menschen zoo’n goedig dier den hals afsneden, en zich voedden met het
vleesch en het bloed van zijn lijk? Liepen zij dan een ganschen dag
rond met in hun lijven verterend stukken lijk van beesten die om
hunnentwille in gruwel en jammer waren geslacht?