Zóó werd de vijver van de waterlelies het allermooiste uit zijn leven.
Hij durfde er maar zelden heen te wandelen. Niet alle dagen waren daar
goed voor. Het moest zacht, stil weer zijn, en hij moest zich erg
rustig en sterk voelen om het te kunnen doen. Als hij moê was of
opgewonden van veel lezen durfde hij het niet. Want van alle mooie
dingen in de natuur om hem heen, waarin de groote, goede Geest zich
openbaarde, dien Willebrordus hem God had leeren noemen, was er géén,
waarin hij Zijn heilige tegenwoordigheid zóó voelde als in de
waterlelie. Uit haar smettelooze blankheid, roerloos op het reine water
gedragen, straalde Zijn kalme glorie hem tegen, van aangezicht tot
aangezicht.
„Kijk goed en aandachtig naar die lelies,” had Willebrordus eens
gezegd, „en zie ze altijd vóór je, mijn jongen, je gehééle leven, dat
je tracht te worden zooals zij, zóó rein, en zóó rustig, en zóó wáár.”
En toen heeft Paulus dikwijls verlangd om geen mensch meer te wezen,
maar zoo’n blanke, kalme bloem, en altijd zóó rustig op het water te
liggen, zonder bewegen, opziende naar het Licht, in wijs vertrouwen.
Vooral als hij slapen ging dacht hij dikwijls om de lelies. Die
behoefden niet op te staan, en te loopen, en te bewegen als hij; die
waren niet altijd ergens anders, nu hier en dan daar, maar altijd lagen
ze rustig drijvende in den vijver, en hadden niets te doen dan zacht
hun blanke bladen te ontvouwen, en hun gouden harten omhoog te houden
tot het licht. O! Altijd zóó stil te liggen droomen in de schaduw van
roerlooze boomen, zich zóó uit te kunnen spreiden in bloote blankheid,
dat het heilige licht diep doorstraalt in je hart!
En dan dacht hij, met huiverenden eerbied en vage ontzetting aan een
wonder wezen, vèr, vèr over de bosschen, en de rivieren, en de bergen,
dáár waar de menschen woonden in de Leliënstad, aan de prinses Leliane,
die het kind van de witte waterlelie moest zijn.
In de oude legende had hij het gelezen, hoe ééns, eeuwen en eeuwen
geleden, in een oer-oud bosch, een groote, wondere lelie had gebloeid,
waaruit het heilige zonnelicht zelve, door een vroom mirakel, een kind
had verwekt. Dat kind was door de priesteren en wijzen van het land tot
koning uitverkoren, en uit dat ras van leliën-menschen, uit het licht
van de heilige Zon zelve, stamde in rechte lijn af de kroonprinses
Leliane, die eenmaal koningin zou zijn van de Leliënstad. De koningen
en koninginnen van dat roemrijke ras waren menschen geweest van vleesch
en bloed, als de anderen, maar in hunne aderen was de essence gevloeid
van het licht der Zon, de bron van alle leven en warmte, en daarom
waren ze heilig en onaantastbaar als God zelf. Hun fijne, blanke
koningshuid was veel witter en teêrder dan die der gewone stervelingen,
en de telgen van het edele leliën-ras waren dadelijk te herkennen aan
het eigenaardige, vreemde licht, dat schemerde met een zachten toover
onder transparante huid. En hun lange, zijdezachte lokken straalden van
een verblindenden glans, omdat de essence er in gloeide van het gouden
licht van de zon.
Nu waren ze allen uitgestorven, die het heilige licht in zich hadden
geäbsorbeerd, en alleen de prinses Leliane was over, als de
allerlaatste van het blanke bloemenras.
Paulus had dikwijls aan Willebrordus over de prinses gevraagd, maar de
oude man had hem gezegd, liever niet over haar en haar volk van
Leliënstad te willen spreken. Zij was heerscheres over de wreede
stadsmenschen, die in de groote, afschuwelijke opeenhoopingen van
steenen woonden, die leefden van elkanders ellende, en hun
mede-schepselen doodden tot eigen genot. En hij wilde haar daarom niet
erkennen en vèr leven van haar af, zooals hij vèr bleef van de menschen
en hun stad.
Maar toch moest Paulus dikwijls denken aan dat wondere wezen, zoo vaag
en vèr voor zijne verbeelding, die in haar aderen het vlekkeloos blank
moest hebben van de witte waterlelie, en het stralende goud van de zon.
Zij moest wel even roerloos-rustig en genadevol kalm zijn als die
vredige bloemen, drijvende in den vijver.
Hoe blank moest haar menschen-lichaam wezen, als het de blankheid had
van de wijd-uitgespreide bladen op het water! En zou zij haar hart even
oprechtelijk in de wereld openhouden, in zoo gansche, goddelijke
gulheid, als het heilige bloemenhart opziende naar het licht?
Zij woonde in een paleis van wit marmer en goud, in witte gewaden van
reinheid ging ze, en op haar blonde haren blonk de gouden
konings-diadeem. Als zij aanschreed bogen de hoofden van duizenden, en
beefde de lucht van het gejubel der saamgestroomde scharen. Het moest
wel zijn zooals in het woud, als de zon opging aan de kim, en langzaam
nader steeg. Dan ruischten de boomen heinde en ver haar tegemoet, en al
de vogels jubelden haar toe met hun gezang.
Honderdduizenden-en-duizenden moesten hare onderdanen wezen. En over
die allen gebood zij, de prinses Leliane, die weldra koninginne zou
zijn, over die allen was zij de souvereine heerscheres, bij de gratie
Gods, die het mirakel had doen gebeuren van de onbevlekte
menschengeboorte uit een witte waterlelie van het heilige bosch.
En dikwijls kwam over het hart van den jongen Paulus een stil, vaag
verlangen om de prinses te zien. Zij moest mooier nog zijn dan de
bloemen, dan de vlinders, dan de vogels, dan de sterren, dacht hij.
Misschien zou je wel dood gaan van zaligheid en ontzetting als je haar
inééns voor je zag, of van haar groote schoonheids-schittering blind
worden, alsof je te diep in de zon keek.
Ééns was hij verdwaald geweest, toen hij te ver geloopen was, om
een vreemd vogeltje te hooren, dat hij nog niet kende. Dat was heel
angstig en tóch verrukkelijk geweest. In de schemering van een’ stillen
avond had hij opeens een wonder, wonder gezang gehoord boven zijn
hoofd, zoo vreemd, en zóó innig, dat de tranen er hem van in de oogen
sprongen. Hij had in de boomen om zich al gekeken en gekeken, maar er
was geen vogeltje te zien. Toen zweeg het zingen een poos, maar later
begon het weer, nu véél verder. Hij was het nageloopen en keek al maar
in de boomen, zonder iets te zien, totdat het telkens vérder weer
begon. Zóó was hij, doodmoe, twee dagen het vreemde vogeltje gevolgd,
totdat hij eindelijk aan een onbekende grens van het bosch kwam, waar
hij nog nooit was geweest. Het was een donkere avond, met maar heel
even wat maanlicht tusschen zwarte wolken. Vóór hem lag een wijde,
open vlakte. Hij was toen in een hoogen boom geklommen om uit te zien
waar hij was.
Toen had hij, vèr, héél ver aan den horizon een vreemd, bevend licht
gezien, wonderteêr en aetherisch in den nacht. Bleek waren de donkere
hemelen van dien glans.
En Paulus dacht dat het de weerschijn was van Leliane’s ziel, die daar
lichtte aan den horizon, en was van ontzetting bijna uit den boom
gevallen.
Later, toen hij, na dagen zwerven, eindelijk door goede houthakkers den
weg gewezen, weer bij zijn grootvader terecht was gekomen, had
Willebrordus hem verteld, dat het de weerschijn was van de duizenden
lichten in een stad, die hij gezien had. Maar heimelijk had Paulus het
toch niet willen gelooven, en altijd verbeeldde hij zich dat hij de
ziel van de prinses gezien had in dat wondere licht, zoo vreemd bevende
aan verren horizon.