HOOFDSTUK I.

Paulus heette hij, en hij woonde met zijn grootvader in een oer-oud

bosch, ver van de beschaafde wereld.

Het kleine huis, van riet en hout, stond wèlbeschut onder ernstige,

hooge boomen. Die gaven schaduw voor de zon en vingen den wind op met

hun breede, sterke ruggen, dat hij het huisje niet zou deren. Hoe kende

Paulus ze allemaal, die rond zijn woning stonden! Hoe waren ze hem

vertrouwd, en wist hij van elk de eigenaardigheden! ’s Ochtends zeide

hij ze goeden dag, en dan zongen ze met hun bladeren een morgenlied in

de lucht. Dat was dan de muziek, die hij daar, ver van de wereld,

hoorde. En ’s avonds, als ze, op hun ruige, massieve stammen geleund,

moê van al het dagleven stonden te slapen, zwaar en zwijgend, dan

wenkte Paulus ze goênacht, vóór hij het venster sloot van zijn

kamertje. En dan ritselde er wel eens wat in de blaren, of een boom hem

nog even bedankte in zijn slaap. Zijn goede, sterke, groote broeders

waren het, die boomen.

Zijn grootvader was Willebrordus, een oud, oud man.—Zooals een heel

oude boom leek hij wel, nog altijd groot en sterk, maar al wat gebogen,

met diepe, donkere rimpels, en, zooals bossen oude luchtwortels, hing

een ruige, grijze baard golvend neder van zijn kin. Hij liep erg

langzaam, met de rechterhand gesteund op een gaanstok. Maar zijn oogen

waren nog helder als sterren in den nacht, en zijn stem was duidelijk

en klaar. Hoe zijn grootvader daar zoo in het bosch was komen te wonen,

wist Paulus niet. En hij herinnerde zich ook niet, ooit iets anders te

hebben gezien dan zijn grootvader, en het huisje, waarin hij woonde, en

de hooge boomen, en de sterren, die flikkerden door de bladeren, en de

bloemen en de vogels in het bosch. Dan nog het trouwe gezicht van

Mareta, een oud vrouwtje, dat kookte en schoonmaakte, thuis, en aan den

grijzen Willebrordus gehecht was als een goed, trouw dier. Andere

gezichten waren er niet in het leven van Paulus.

Maar tóch was het heel vol en heerlijk, dat leven, en ge moet niet

denken, dat het zoo erg was voor dat jongetje, om daar zoo ver weg in

een bosch te wonen.

Want zooals andere kinderen met kinderen en menschen omgaan, zoo ging

hij om met de boomen en de bloemen. En nu zeggen ze wel dat die niet

leven, en geen ziel hebben als de menschen, maar dan weten ze er niets

van. Dat hadden ze eens aan Paulus moeten vertellen! Hoe zou hij

gelachen hebben! Alsof die boomen en die bloemen niet ieder hun eigen

leven en hun eigen karakteristieke dingen hadden, net als de menschen!

Praten konden ze niet. Dat is zoo. Maar zoo’n boom kan zoo

vertrouwelijk doen met zijn bladeren, en ook zoo diep zuchten, met

vreemd gekreun, en dan kan hij ook weer ineens zoo heel stil zijn, of

hij iets heel volzaligs ergens zag in de lucht, en dan zóó roerloos van

aandacht zijn blaadjes uitgespreid houden, dat je al heel dom moet zijn

om niet te begrijpen, dat er iets van innig leven in hem omgaat. En dan

een bloem! Zooals die ’s morgens vriendelijk staat te lachen, met

dauwdroppeltjes in haar oogen, en zooals die zijn geur naar je toe

wuift! En zooals die ’s avonds zachtjes wat gaat neigen, en knikkebolt,

als een meisje, dat slaap heeft, en dan voorzichtigjes de blaadjes

heenvouwt om haar hoofdje, om het niet te koud te hebben ’s nachts! En

zoo gelukkig en deemoedig-tevreden als ze dan staan te slapen, die

bloemen, tot het goede licht weer komt, dat ze wekt! Dan doen ze

allemaal hun blaadjes weer open, en lachen tegen de zon.

Maar behalve de bloemen en de boomen had Paulus nog andere vrienden. De

vogels. En die konden wèl praten. Daar behoefde je niet zoo erg knap

voor te wezen om te verstaan wat die zeiden. Ze waren ook niets bang

voor hem, en vlogen niet weg als hij aankwam. Hij zou ook nooit

geprobeerd hebben er een te vangen. Zijn grootvader had hem geleerd,

dat hij géén levend wezen, hoe klein ook, ooit mocht pijn doen. Want

alle levende schepselen waren als hij, had Willebrordus gezegd, en

hadden met hem éénen Vader. Evenmin als onder de menschen iemand zijn

broeder of zuster mocht dooden, mocht je ooit een levend wezen pijn

doen. Paulus had dat trouwens altijd heel natuurlijk gevonden. Het zou

bijvoorbeeld niet in hem op zijn gekomen om zoo’n vogeltje te vangen.

Het was veel te heerlijk voor zoo’n beestje om zijn vlerkjes uit te

spreiden, en dan vèr weg te vliegen, waar hij maar wilde. Hij benijdde

ze wel eens. Vooral de leeuwerik. Hoe die op zijn trillende vleugeltjes

in den hemel vloog, naar de zon, en dan heel, heel hoog, een zwart

tipje in het goud, hing te kwetteren van pleizier!

Ook kwam hij wel eens herten en reeën tegen als hij ver wandelde in het

bosch. Die lieten zich gerust door hem streelen, en keken hem

vertrouwelijk aan met hun groote, bruine oogen. Nog mooier oogen hadden

ze dan honden of paarden, vond hij. Ze konden zoo lief en goedig

kijken, zoo heelemaal oprecht, en zonder iets achter te houden. Zoo of

ze wilden zeggen: daar heb je me nu, heelemaal zooals ik ben. Paulus

was altijd erg blij als hij er een tegenkwam, en dat vertelde hij dan

later aan zijn grootvader, zooals een ander zou vertellen van een

vriend, dien hij ontmoet had. Van héél ver kwamen ze, zeide

Willebrordus, van dagen aan dagen vèr loopen, en als er veel in de

buurt kwamen, was dat een teeken, dat de menschen van ’t Leliënland een

groote jacht hadden gehouden.

Dat was iets verschrikkelijks voor Paulus. Grootvader vertelde het hem,

hoe die menschen de arme herten opjoegen, en doodschoten met pijlen, en

er woeste bloedhonden op af stuurden, als ze gewond waren en vluchtten.

En als de jager dan kwam stak hij het hert nog eens met een scherp

jachtmes in de keel.

De menschen.... Dat was iets vaag beangstigends voor hem. Niet de

enkele menschen, die hij wel eens ver in ’t bosch ontmoette, en die

thuis de oude Mareta dingen brachten voor de huishouding. Dat waren

boeren van de grenzen, zeide grootvader, en zij waren goedaardig en

vriendelijk van aard. Maar de menschen ... dat waren de menschen van de

steden, vèr, vèr weg gelukkig, waar hij nooit naar toe mocht gaan, en

waar hij ook instinctmatig bang voor was als voor iets

verschrikkelijks.

Dagen en dagen ver loopen, eerst het groote bosch uit, en dàn een

rivier over, dàn over bergen en dàn een verre vlakte, daar moest ergens

de stad zijn, waar de menschen woonden. Dáár woonden ze, niet bij de

boomen, in de open, vrije lucht, maar in groote, groote gebouwen van

steen, die ze huizen noemden, duizenden aan duizenden naast elkaar en

boven elkaar, dat je nooit iets anders zag dan steenen; en daar waren

donkere holen, die ze fabrieken noemden en waar duizenden slaven

werkten, die nooit buiten de zon konden zien en nooit bloemen hadden;

daar werden koeien en kalveren en paarden geslacht, vogels en lammeren

vermoord, en hun vleesch en hun bloed verzwolgen. Daar moesten bij

honderdduizenden naast elkaar de „menschen” wonen, die allemaal in die

steenen hokken moesten bestaan, en, zooals grootvader zeide, altijd

maar doorvochten, als wilde roofbeesten eigenlijk, wie leven zou ten

koste van den ander. Als ze buiten op het land wilden wonen zou er voor

ieder ruim genoeg zijn, maar dat wilden ze niet. Ze zouden en ze

moesten hokken blijven in hun steenen kooien, die ze steden noemden,

allemaal dicht op elkaar gekropen en elkaar verdringend, als vee, dat

in een te nauwe ruimte is gedreven.

Paulus had zijn grootvader moeten beloven om nooit, nooit te vragen met

hem de stad te gaan zien, en het ook nooit te verzwijgen, als hij lust

mocht krijgen uit de eenzaamheid weg te gaan naar de menschen. Als

Paulus absoluut wilde, en zich anders ongelukkig voelde, zou

Willebrordus hem niet tegen houden, en hem laten gaan. Doch met hem

medegaan zou hij nooit.

Maar dit boek is een sprookje, en Paulus voelde geen behoefte om weg te

gaan uit zijn goed, schoon bosch, al dacht hij veel om de menschen daar

ginds ver, en hoe zij er wel zouden uit zien, en wat zij doen zouden.

Hij had genoeg te doen in al het mooie om zich heen om zich niet te

vervelen, en niet naar méér te verlangen dan hij had. ’s Ochtends kreeg

hij geregeld les van zijn grootvader, die heel wijs en knap was, en hem

veel kon vertellen. Hij leerde Paulus véél van de sterren, en hoe zij

rondwentelen in de eeuwigheid, op rythmus van vaste wetten, en hoe die

rythmus even schoon en volheerlijk was als die van de verzen der oude,

ware dichters, die hij hem voorlas. Hij leerde hem van de poëzie der

eindelooze getallen, en hoe de wiskunde even warm van poëzie was als ál

het andere bestaande, en hij leerde hem, hoe het alles één en hetzelfde

groote was, dat de sterren voortstuwde in hun baan, en het zaadje van

een bloem deed kiemen tot een zoo wondere schoonheid als van een lelie

of een roos. En bij alles, bij de sterrenkunde als bij de botanie, bij

de wiskunde als bij de poëzie vertelde Willebrordus hem van den éénen

Geest, die het Al doordringt, en die zich manifesteert zoowel in het

simpele viooltje als in den statigen eik, in het licht der blinkende

Avondster zoowel als in de zachte, bruine oogen van de ree. Niet in den

Hemel, ergens boven de wolken en de luchten, woonde die Geest, maar in

alles en allen was Hij geopenbaard, en Hij leefde in alle dingen

onsterfelijk en onvernietigbaar. Als de boomen doodgingen, of de

vogels, of de bloemen, of de menschen, dan was dat maar éven een

weggaan van een uiterlijken schijn. Want de Geest, die er in geleefd

had, was gaaf en puur gebleven, en uitte zich drá weer in nieuwe

openbaringen, even schoon.

Dat had Paulus trouwens ook altijd intuïtief gevoeld, óók vóór zijn

grootvader het hem leerde. Want in de groote eenzaamheid van de natuur

zie je God het dichtste nabij. Als het morgen was, en het goede Licht

kwam aan in het Oosten, en ging zegenend over het bosch; als dan de

bladeren van de wakker geworden boomen zachtjes ruischend dat licht

begroetten, en al de vogeltjes hun stemmetjes probeerden voor de muziek

van den dag, dan kwam dat over hem als een groote blijheid, als iets

dat hem door iemand gegeven werd die heel goed en lief voor hem was, en

alles met hem deelde. En hij wist vanzelf ook wel dat het alles

hetzelfde was, het bladeren-ruischen, en het schijnen van het licht,

het vogelen-gezang en de geuren van de bloemen, het wind-gewaai en het

vertrouwelijk gepraat van de beekjes. Het was telkens op andere wijze

geuit, de eene nog mooier dan de andere, maar het moest van Eenen zijn

gegeven, en Één leefde in al de dingen om hem.

Of ’s avonds, als het licht weg was gegaan, en de sterren begonnen op

te blinken aan den hemel. Hoe dan ineens al die boomen ernstig werden,

en toch zachter dan overdag, met al hun stammen en takken véél

duidelijker uitgekomen, hoe ze stil werden van aandacht, en hoe ze dan

soms inééns met hun breede kruinen éven opruischten, zoo héél anders

dan overdag, plechtig alsof ze fluisterden een gebed. Hoe wijs waren ze

dan geworden, zoo verdiept in gedachten, en hoe rustig, alsof het zóó

nu eigenlijk pas goed was, en dít nu de allergrootste innigheid was,

waartoe ze in staat waren te komen. Den gehéélen dag hadden ze er over

gedaan om dít nu te kunnen worden, en het zóó te zeggen. Ik zeg te

zeggen, omdat al die ranke takjes met hun teere gebaren, en al die

fijne loovertjes zoo doodstil uitgespreid, heusch net zoo spraken tegen

den kleinen Paulus alsof iemand hem toefluisterde iets heel goeds en

innigs. Als het dan zoo stil was, en roerloos stonden de boomen te

droomen, en het loover bewoog niet meer, dan voelde hij even duidelijk

of iemand vlak naast hem stond, dat Eéne, dat de eeuwige, goddelijke

Geest was, dicht, heel dicht bij hem, zoo dicht als een moeder bij het

kind, dat rustigjes slaapt aan haar borst.

Hij was ook nooit bang, Paulus. Hij wist niet wat het was, en er wás

ook niets om bang voor te zijn. Alles om hem heen was veilig en

vertrouwd. Hij wist ook ’s nachts precies waar alles stond, al was het

donker, en de zwarte boomstammen waren even gewoon als de donkere

lichamen van vrienden zouden zijn, die om hem heen stonden. De dingen

van den nacht waren hem allen even eigen als die van den dag. Vooral de

sterren. O! De sterren! De sterren! Die had hij eigenlijk nóg liever

dan de bloemen, al noemde hij ze wel eens de bloemen, die bloeiden in

den hemel. Grootvader had hem heel wat er van geleerd, en hij kende

veel sterren, zooals hij veel bloemen kende.—Hij vond het altijd zoo

heerlijk op hen te wachten als het donker werd, en ze kwamen opdagen,

trouw als vrienden op hun tijd. Hij wist het, eerst moet déze

komen—kijk, daar was zij al—, dan díe—daar was zij—en nu díe, en dan

díe, totdat er inééns te veel waren om goed te onderscheiden. O! kijk!

kijk! daar waren ze, hier, en daar, en daar, en overal, daar hingen ze

hem inééns aan te zien met hun gouden en zilveren gezichtjes, en

groetten hem met hun reine licht. Als het dan zoo héél groot en

schitterend was, op een bizonder helderen nacht, dan kreeg hij dikwijls

een vreemd, vaag verlangen, dat bijna droefheid en toch óók zalig geluk

was, om bij hen te zijn. Het was hem dan, of hem iets riep, wat wist

hij niet, maar iets dat liever en beter was dan het allerliefste en

beste, hem meer vertrouwd nog dan grootvader, en zijn kamertje thuis,

en zijn liefste vogels en bloemen. Dan gevoelde hij een behoefte, om

dichter en dichter bij die sterren te zijn, en hij klom in den hoogsten

boom, zoo ver hij kon, in de kruin. Daar bleef hij dan roerloos zitten.

Beneden hem stonden vèr en vèr de stille, donkere boomen rustig te

droomen in den nacht, tevreden en zacht als kinderen, die slapen zijn

gegaan. Alles was verzonken in roerloozen sluimer, waar alle geluiden

zwegen. Dan keek hij in groot verlangen naar boven, naar de sterren,

die zoo hoog boven al de dingen van de wereld stonden te schitteren, in

de eindelooze stilte van de sferen. Maar ach! hij was niet dichterbij

gekomen, al waren zijn armen en beenen van ’t klimmen moe. Altijd waren

de sterren nog even ver. Dan voelde hij wel eens een vreemde pijn, en

welden hem de tranen in de oogen, omdat het zoo ver, zoo eindeloos ver

was, dat mooie licht, dat hij liefhad, en grooter en grooter werd het

verlangen in zijn onbewuste ziel om nu zacht, zacht omhoog te mogen

zweven, en ál die toch zoo lieve en vertrouwde dingen van beneden ver

onder zich te laten, om daarboven in dat volheerlijke, zalige licht van

de sterren te vergaan...

Dat was zoo vreemd voor hem. Hij had alles om hem heen zoo lief. Zijn

grootvader. De oude Mareta. Zijn kamertje thuis. Zijn bloemen en vogels

en dieren. En tóch was er iets, dat hem van al die lieve dingen

wegriep, en waar hij altijd bij verlangde te wezen, héél, héél ver. Het

was zoo vreemd, en toch zóó innig, dat hij het nooit aan grootvader had

gezegd, wien hij toch alles toevertrouwde. Het was ook maar heel

zelden, en nooit dikwijls achter elkaar, dat gevoel, en altijd alleen

als de avond was gevallen.

’s Ochtends voelde hij het nooit. Dan was alles goed zooals het was, en

alle dingen waren blij en tevreden. Hij had overdag ook te veel te

doen, om zoo weg te verlangen naar het vreemde en verre. De lessen van

grootvader, het werken in den tuin om het huisje, het baden, en de

wandelingen door het bosch, het roeien op de rivier, en het lezen. Daar

was hij ’s avonds meestal moe van, zoodat hij vroeg naar bed ging, waar

hij dadelijk insliep, rustig en gezond, zooals een vogel slaapt en een

bloem. Het licht maakte hem ’s morgens wakker, sterk en tevreden, en

hij aanvaardde blij den nieuwen dag, zooals alle dingen om hem in de

natuur.

Hij had een paar lievelingsplekjes in het bosch waar hij zich

gelukkiger voelde dan ergens anders. Een er van was een groep van

groote purperbeuken, met een open plek in het midden, waar

rood-en-gouden blaren waren opgehoopt tot een bed. Daar lag hij dan,

met het hoofd op een arm geleund, uren lang te lezen in de boeken met

verhalen en verzen, die grootvader hem gaf. Dat was zoo heerlijk, zich

te laten wiegen op de rythmen van een vers, dat zoo wonderwèl aanpaste

aan het zacht geruisch van de boomenkruinen op de ademen van den wind.

Somtijds, als hij ophield met lezen, was het of het gedicht nog altijd

voortruischte, hoog boven zijn hoofd, en dan in de luchten verging.

Dán was er nog een andere plek, waar hij het liefste zat als hij zich

alleen voelde, en behoefte had aan iets vriendelijks van vertrouwen.

Het was een groepje rotsblokken, waar steenachtige heuvelen omhoog

stegen, en beken met kleine watervallen kletterden neêr. Dat deed zoo

goed, het mededeelzame gepraat van het vallende water, dat maar niet

kon ophouden te vertellen van allerlei blijde en vroolijke dingen.

Nooit hielden die beekjes hun mondjes stil, altijd ratelden ze maar

door, voortdurend bereid om iets te zeggen, zoodra hij maar kwam. Ook

’s nachts hield het niet op, en te midden van al het donker dat zweeg,

babbelde het water maar altijd door, onbezorgd en expansief als een

kind, dat ’s nachts in bed niet slapen kan, te blij om zich te uiten in

vreugdevol vertellen.

Maar de mooiste plek in het geheele bosch was een stille vijver, heel

ver weg, in de schaduw van hooge, rechte boomen, wier breede kruinen

bijna nooit bewogen, en roerloos uitgespreid bleven boven het vlakke

water. En in dien vijver, rustig drijvende op den kalmen spiegel,

bloeiden de witte waterlelies, met hun gouden bloemen-harten wijd open

naar het licht, als om hun ziel ganschelijk heen te geven aan de zon.

Hoe die bladen zich kuischelijk ontsloten, hoe die gouden harten

vreezeloos open lagen, en hoe aandachtig die witte lelies opzagen naar

omhoog, van waar het licht moest komen dat hen drenkte! Zoo stil, zoo

roereloos rein als die blanke bloemen op het pure water lagen, in zoo

groote oprechtheid, van zoo kalme, gewijde rust overtogen! Hoe heerlijk

vooral, als de avond begon te dalen, en alle geluiden zwegen, hoe dat

vlekkelooze wit dan opscheen in het donker, met een zachte innigheid,

vroom als een gebed! Dan ging Paulus stil aan den oever van den vijver

zitten, alle dingen om hem heen begonnen langzaam te vervagen, en hij

zag niets meer dan die heilige bloemen van wit, hoe die bewegingloos op

het rimpellooze water dreven, tot de tranen van een onbewuste, vreemde

zaligheid, droef en toch eindeloos blij, hem in de oogen kwamen, en hij

droomde wonderen droom....

Leliane: een modern sprookje · 第 5 / 21 题