De volgenden dag voer het tweetal naar Oostende, waar het bij miss

Walton en haar moeder allerhartelijkst werd ontvangen.

Een paar dagen later verklaarde lord Lister, dat zijn plan nog slechts

voor de helft was uitgevoerd, want dat hij het testament van den

verdronkene nog niet bemachtigd had.

„Wij moeten dat testament van den bodem der zee halen,” sprak hij,

„laat dat maar aan mij over, miss Watkins, ik hoop mijn doel te

bereiken en naar Plymouth te gaan.”

Zoo sprak lord Lister op zekeren dag tot het jonge meisje en zij was er

van overtuigd dat alles, wat de energieke man van plan was door te

zetten, ook inderdaad werd doorgevoerd.

VIERDE HOOFDSTUK.

OP DEN BODEM DER ZEE.

Den volgenden dag reisde lord Lister met Charly naar Plymouth en naar

den beroemden vuurtoren van Eddystone.

Op de reede liep ongeduldig een chic gekleed heer heen en weer. Hij

tuurde naar den ingang der haven en keek met tevreden gelaat naar een

naderende stoomboot.

Het was een boot, die door de Engelsche Bank gecharterd was om den

kostbaren schat der „Tasmania”, die nog steeds op den bodem der zee

lag, op te halen.

De chic gekleede heer was mister Fergusson, een hooggeplaatst

Bankambtenaar, die vol verlangen naar de terugkomst der boot uitzag, om

te hooren, hoe de eerste pogingen waren afgeloopen.

De boot meerde aan de kade.

Mr. Fergusson begaf zich snel aan boord, begroette den kapitein en een

forschen kerel, die naast den kapitein stond en ging toen met beiden in

de kajuit.

„Nu, hoe staat het er mee, Edmonds? Ben je geslaagd?”

„’t Staat slecht, meneer, meer dan slecht. Tot nog toe weten we alleen

nog maar waar het wrak ligt. Wij hebben gedoken, toen het eb was, omdat

dan alleen te arbeiden is. Bij vloed houdt geen duiker het beneden uit.

Neen, het ziet er leelijk uit, met de millioenen daar beneden.”

„Hoe lang kunnen de lui onder water blijven?”

„Ik kan voor het duiken maar twee van mijn mannetjes gebruiken, maar

dat zijn ook jongens van ijzer. En die kunnen niet meer dan een half

uur beneden blijven. Ik heb vandaag zelf gedoken, maar ik verzeker u,

dat het een duivelsch werk is.”

„Zou het niet mogelijk zijn, nog meer duikers te werven? De Bank geeft

den duiker die den schat ontdekt, een belooning van 1000 pond en aan

wien hem boven brengt een van 10,000 pond. Dat is toch de moeite

waard.”

„Allright, sir! Ik zou graag dat sommetje willen verdienen en mijn

mannetjes nog liever, maar tegen de natuur kan niemand vechten.”

„Ge weet nu toch nauwkeurig, waar het wrak ligt, niet waar?”

„Heel precies.”

„Mooi zoo!”

„Maar de duikers zullen het heel moeilijk hebben om in het inwendige

van het schip te komen. Alles is verbogen en de kajuiten zijn versperd

door stukken ijzer. Ik betwijfel het, of de mannen zich daar beneden

wel voldoende zullen kunnen bewegen.”

„Wanneer gaat ge er weer heen?”

„Als de eb is ingetreden. Wij moeten den tijd gebruiken en des nachts

werken bij electrisch licht. Het weer schijnt zich goed te houden en

wij hebben spoedig volle maan.”

„Wat zou dat?”

„Wel, dan is de vloed het hoogst, maar ook de ebbe!”

„Zoodra ge iets bijzonders hoort, zult ge het mij zeker wel laten

weten? Ge hebt overigens verlof om geheel naar eigen goedvinden te

handelen.”

Kapitein Brown, de tweede man, had zwijgend het gesprek mee aangehoord.

Nu verschoof hij eens den pruim in zijn mond en zei:

„Ge zijt een verstandig man, mr. Fergusson. En wij zullen ons best doen

zooveel als wij kunnen.”

„Uitstekend, heeren! Ik wensch u veel geluk met uw beproevingen!”

Fergusson stond op en verliet een oogenblik later het schip.

Kapitein Brown en Edmonds, de chefs en aanvoerders der duikersafdeeling

te Plymouth, wandelden op dek heen en weer.

Daar kwam een matroos iemand melden om mr. Edmonds te spreken.

Deze ontving den bezoeker.

Het was een zwartgelokt Italiaan, die het Engelsch sprak met sterk

Italiaansch accent.

„Ik heb gehoord,” zei hij, „dat ge duikers noodig hebt voor zeer zwaren

arbeid. Daarvoor kom ik mij aanmelden.”

„Zijt ge duiker van beroep?”

„No, signore, dat niet! Maar ik heb langen tijd in Zwitserland gewerkt

bij de doorgraving van een tunnel. Daar werd steeds verse lucht

ingepompt en de ademhaling ging moeilijk. Ik kan er best tegen en

geloof ook, het duikerswerk uitstekend te kunnen verrichten.”

„Dat staat mij aan! Zoudt ge nu reeds een proef willen nemen?”

„Terstond?”

„Ja, nu dadelijk!”

„Si, signore, heel graag!”

„Wel, sir, ga dan terstond mede, onze tijd is kostbaar. Hoe heet ge?”

„Casati di Napoli, uit Napels, sir!”

Edmonds knikte verheugd.

„Denk er aan, vanmiddag steken we in zee!”

En met den nieuwen duiker vertrok hij om de proef bij te wonen, die

deze thans ging nemen.

— — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — —

— — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — —

— — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — —

Toen de boot wegstoomde naar de plaats van bestemming, stonden kapitein

Brown en kapitein Edmonds op de commandobrug.

Casati, de nieuwe duiker, redeneerde druk met zijn beide kameraden.

„Alle duivels,” zei Brown en hij wees op Casati, „hebt ge den nieuwen

duiker vandaag al meegenomen? Moet hij nu al werken?”

„Ja, hij staat er op. ’t Is een moedige kerel. Dat is er nou een,

zooals ik al zoolang gewenscht heb. Het zou mij niets verbazen, als hij

den schat ontdekt.”

„Zoo, zoo,” bromde Brown. „ik heb nooit veel op gehad met Italianen.

Deze kerel maakt dan zeker een gunstige uitzondering.”

„Daar ben ik zeker van!”

„Ik hoop het!”

„Gaat gij ook weer duiken?”

„Dat moet wel! Mij meegerekend, zijn we maar met z’n vieren. Wij gaan

telkens met z’n tweeën, anders acht ik het veel te gevaarlijk.”

„Duikt gij met den Italiaan?”

„Dat weet ik nog niet!”

„Ik zou het niet doen, Edmonds!”

„Wel, waarom niet!”

„Omdat de kerel zeker verdrinkt!”

„Daar ben ik nog zoo zeker niet van!”

„Omdat je het land hebt aan Italianen!”

„Kan zijn!”

De kapiteins waren in levendig gesprek gewikkeld.

Plotseling stiet Edmonds een angstkreet uit en in hetzelfde oogenblik

beval hij met stentorstem den stuurman om het roer te wenden.

Vlak voor de stoomboot schoot een klein, rank bootje voorbij.

Het had maar héél weinig gescheeld, of het scheepje was door de boot

met duikers overvaren en in den grond geboord.

Allen hadden het dreigende gevaar gezien.

De Italiaan had zich over de verschansing gebogen en met luider stemme

geroepen:

„Per dio, signore, hoe kan men zóó onvoorzichtig zijn?”

De inzittende, een jongeman, in wien wij Charly Brand herkennen, had al

zóó handig gemanoeuvreerd, dat hij, ook zonder het bevel van den

kapitein, elk bevel ontsnapt zou zijn.

Nu verwijderde het scheepje zich snel.

Charly had er zich even van overtuigd, dat Edward inderdaad aan boord

was.

De boot had in de buurt van Eddystone het anker uitgeworpen en niet ver

vandaar dobberde een ton op het water. Dat was de plaats, waar de

„Tasmania” gezonken was.

Nauwelijks had de boot de eerste voorbereiding getroffen, of van alle

kanten kwamen nieuwsgierige stoombootjes opzetten, tot groot misnoegen

van kapitein Brown, die geweldig het land had aan al deze kijkers.

„Daar zijn natuurlijk weer krantenmenschen bij”, mopperde hij woedend.

En toen:

„Stuurman, laat een paar matrozen die kerels wat van ons lijf houden!”

„Best, kapitein!”

Intusschen had Edmonds zijn mannetjes om zich heen verzameld.

De groote luchtpomp was opgesteld en twee duikers kleedden zich om in

het water te gaan.

Een trap was overboord gehangen.

Edmonds wilde straks met Casati, die niemand anders dan lord Lister

was, gaan duiken.

De beide anderen waren nu klaar.

De zware koperen helm werd hun over het hoofd gedaan en door schroeven

verbonden aan de waterdichte kleeding. Langzaam en moeizaam door de

looden zolen aan de voeten, daalden zij de trap af.

Aan de luchtpomp werkte twee lieden. Een derde liet de luchtbuizen

vieren, een vierde het touw, waarmee de duikers werden neergelaten en

opgehaald en waaraan ook het dunne signaaltouw is bevestigd. Een

electrische lantaarn was aan hun gordel bevestigd, een stevige bijl,

een korte zaag en messen.

Zoo uitgerust verdwenen zij in de groene golven.

Na een klein half uur trok een der duikers aan het signaaltouw.

Snel werd hij opgehaald. Helpende handen strekten zich uit, trokken hem

op het dek en bevrijdden hem allereerst van den koperen helm, opdat hij

frissche lucht zou kunnen inademen.

De man, wiens gelaat donkerrood gekleurd was, werd totaal uitgeput in

een ruststoel neergelegd.

Een paar minuten later gaf nu de tweede duiker ook een sein.

Deze was minder uitgeput en vertelde, dat het wel mogelijk was door het

lek in het onderste ruim van het schip te komen. In het achterschip of

de kajuiten zou men echter nooit kunnen komen, daar deze door al het

ijzer versperd waren.

Nu konden Edmonds en Casati zich gereed maken voor den gevaarvollen

tocht.

Edmonds ging eerst naar de diepte, de Italiaan, alias lord Lister,

volgde.

Op den bodem der zee was het tamelijk licht.

Casati zag al heel spoedig den kapitein op den rand van het wrak staan.

Edmonds wees hem op den bodem der zee allerlei zeesterren, krabben,

kreeften, slakkenhuizen en velerlei vischsoorten. De schollen hadden

hun lichaam geheel en al in het zand begraven, en keken slechts met de

koppen eruit.

Edmonds maakte door een teeken kenbaar, dat zij naar beneden moesten en

liet zich toen langs het schip afglijden.

Lister volgde onmiddellijk.

Toen beiden op den zeebodem waren aangeland, stoven de visschen vol

schrik uit elkander.

De duikers liepen langs het wrak, dat nog een weinig op zij helde. In

het middengedeelte kon men het inwendige van de „Tasmania” geheel

overzien.

Lord Lister wist, dat de schatkamer met de goudkisten zich in het

achterschip bevond. Voor hem kwam het er slechts op aan de cassette van

den verdronken Fox te vinden, en waar deze zich bevond was natuurlijk

niet bekend.

Zoo was hij dus gedoemd, alle hoeken te doorzoeken.

Het tweetal werkte met bijl, zaag en hakmes, en trachtte zich op deze

manier een weg te banen. Zij stieten op velerlei hinderpalen in den

vorm van allerhande bagage van de verongelukte opvarenden, maar

behendig wisten zij alles ter zijde te schuiven, en zoo klouterden zij

langzaam maar zeker verder.

Thans bevonden zij zich in een groote donkere ruimte, in het midden van

het schip gelegen. Een ontzettende aanblik deed zich voor hun oogen op.

Hier was waarschijnlijk vroeger de eetzaal geweest, want op een lange

tafel stonden nog borden en schotels. En tegen de muren stonden in

loodrechte houding in het kalme afgesloten water verscheiden lijken nog

in dezelfde houding, als waarin de dood hen had verrast.

Toen de mannen binnenkwamen werd het water in beweging gebracht en de

lijken begonnen te wankelen, met wijd opengesperde oogen schenen zij

dreigend te zullen toekomen op de rustverstoorders. De armen en hoofden

waggelden, de lichamen bewogen zich voor- en achterwaarts, en

plotseling zweefde het lijk van een man langzaam naar boven, naar het

dek, alsof het zich op de indringers wilde storten.

Aan het einde der eetzaal zat een vrouw, die in doodsangst haar

dochtertje in de armen knelde.

Edmonds, die reeds meerdere malen op den zeebodem dergelijke tafereelen

had bijgewoond, bleef volkomen kalm, maar Lister spande alle krachten

in om niet te bezwijmen bij den aanblik van deze ontzettende

tafereelen.

Edmonds ging nu verder. Hij opende de deur, die naar een gang voerde,

waar zich aan weerszijden de passagiershutten bevonden.

Al heel spoedig waren zij tot de overtuiging gekomen, dat hier

onmogelijk de schatten konden geborgen zijn. Aan het einde der gang

vonden zij het lijk van een man, die een ijzeren cassette krampachtig

in de armen hield. Het flitste door Lord Listers brein, dat hij thans

aan het doel was.

Hij maakte de cassette los uit de verstijfde vingers van den doode, en

nam toen op een teeken van zijn chef de vondst mede, nadat hij nog uit

de zakken van den verdronken man eenige sleutels en papieren had

gehaald.

Edmonds beduidde thans, dat hij het niet langer onder water kon

uithouden, en naar boven wilde, en hoewel Lord Lister nog niet de

minste onaangename gewaarwording ondervond, volgde hij toch zijn chef.

Een oogenblik later stond het tweetal weer op het dek van het

duikerschip. Edmonds was met de expeditie zeer in zijn schik, en hij

was verstomd over de praestaties van zijn leerling Casati, die na zóó

korten oefentijd reeds zulke geweldige dingen had tot stand gebracht.

Toen Lister zijn duikerspak had afgedaan, gevoelde hij zich niet in het

minst vermoeid, en was hij zelfs bereid om na een korte pauze weer in

het water te gaan.

De andere collega’s kregen bevel om de lijken te brengen, opdat men de

identiteit ervan zou kunnen vaststellen. Op de cassette, die naar de

kajuit van den kapitein was gebracht stond duidelijk de naam Richard

Fox gegraveerd. En toen met behulp van de sleutels die Casati van het

lijk had genomen, het kistje werd geopend, vond men daar verscheiden

papieren, die, hoewel nat geworden, toch nog uitstekend te lezen waren.

„Wel Casati, heb je lust om nog eens te duiken, voordat de vloed komt

opzetten?” vroeg Edmonds den duiker.

„O dio, zeker signor, heel graag. Wij hadden den dooden mr. Fox

dadelijk moeten meenemen. Ik ga hem halen!”

„Wel sir. Die arbeid zal u niet moeilijk vallen. Daar hebt ge mij niet

bij noodig. Ik sta er op, vannacht weer met u te duiken. Blijf dus niet

te lang beneden!”

Lord Lister, alias Casati, deed wat hem gezegd was.

Daarop ging hij nog eens de verschillende kajuiten na, zonder echter te

vinden wat hij zocht.

Even nadat Casati weer aan boord was gekomen, gaf kapitein Brown bevel

om naar Plymouth terug te keeren.

Het anker werd gelicht en, vergezeld van een heele flottielje kleinere

en grootere vaartuigen, stoomde de boot naar de veilige haven terug.

VIJFDE HOOFDSTUK.

DE SCHAT VAN DE „TASMANIA”

In een Hotel van den derden rang te Plymouth, vlak bij de haven, had

Charly Brand een kamer gehuurd, waarvan de vensters uitkeken op den

haveningang, zoodat hij alle uitvarende en binnenkomende schepen kon

waarnemen. Het was Zondagmiddag, en Charly zat met Lister voor het

geopende venster een cigaret te rooken. Zij spraken samen op

fluisterenden toon, want vooral in hotels moet men met geheimen zeer

voorzichtig zijn.

Lister had zijn vriend juist verhaald van het avontuur op den bodem der

zee.

Thans vervolgde hij:

„De cassette, die ik gisteren naar boven heb gebracht, is in

tegenwoordigheid van mr. Fergusson geopend. De inhoud was nog in

ongeschonden staat. Het kistje bevatte de familiepapieren van mr. Fox,

zijn laatste correspondentie, niet minder dan 1000 pond in effecten en

ongeveer 100 pond in banknoten, benevens een testament, waarbij mrs.

Watkins en haar broer Tommy tot universeele erfgenamen worden benoemd.

„Mr. Fox heeft zijn neef totaal onterfd. Mr. Fergusson heeft de

regeling van alles in handen, en zal miss Watkins zoo spoedig mogelijk

op de hoogte stellen.”

„We gaan nu toch zeker zoo mogelijk hier vandaan?” vroeg Charly.

„Hoe kom je erbij? Ben je dan vergeten, wat ik aan het strand van

Oostende tot je gezegd heb?”

„Ja”.

„Dat ik de verzonken schatten van den zeebodem zou halen.”

„Maar dat kan je toch geen ernst zijn?”

„Dat is het inderdaad. Ik heb van Edmonds tot Maandag verlof gekregen.

Dan moet ik terug zijn, om opnieuw te gaan werken.”

„Maar Edward, wees toch niet zoo dwaas.”

„Hou je kalm,” lachte lord Lister, „en maak je niet ongerust. Ik zal

wel duiken, zonder dat Edmonds er bij is, en op eigen houtje de

schatten te voorschijn halen”.

„Maar al de luchtpompen en de andere apparaten dan?”

„O, die heb ik al uit Parijs laten komen, en ze naar Oostende laten

sturen. Alles komt uitstekend in orde, Charly, als jij je maar niet

zenuwachtig maakt”.

Charly keek zijn vriend met bezorgden blik aan, en schudde het hoofd.

Maar Lord Lister lachte en zei:

„Weet je dat wij onzen vriend Baxter hier ook nog eerstdaags kunnen

verwachten.”

Charly sprong op van schrik.

„Wat wil die hier?”

„Hij komt er bij, om te zien, dat de schatten naar boven gebracht en of

er niets gestolen wordt.”

Lord Lister lachte ironisch. Wederom schudde Charly bedenkelijk het

hoofd.

„Ik waarschuw je nog eens Edward, laat je plan varen.”

Lister drukte zijn vriend met warmte de hand.

„Kom kerel, maak je niet ongerust. Alles komt op zijn pootjes terecht.

En laat ons nu in de eetzaal een flesch Sect gaan drinken.”

Het was een wondermooie, heldere nacht, met een schitterenden

sterrenhemel. De vuren van de havenstad Plymouth rijden zich in een

lange keten langs den oever; aan den horizon schitterde de vuurtoren

van Eddystone en wierp zijn lange stralenbundels ver over de zee. Uit

de herbergen aan de haven klonk woest gezang van matrozen, vroolijk

lachen, en schetterende muziek. Morgen was het Zondag, en die rustdag

moest feestelijk worden ingezet, want op Zondag waren de kroegen

gesloten, en geen lawaai mocht de heilige rust verstoren.

Lord Lister had het wèl overdacht, om dézen nacht voor zijn avontuur te

gebruiken.

Het bootje, waarin hij met zijn vriend Charly had plaats genomen, had

de haven reeds langen tijd verlaten, en dobberde nu op de baren der

eindelooze zee.

Middernacht was reeds voorbij, toen zij langzaam het doel van den tocht

naderden.

De machines stopten, en werkten nu bijna onhoorbaar, en in de verte

doemde reeds de ton op, het kenteeken van de plaats, waar het wrak was

gezonken.

Lord Lister ging thans nog eenige voorbereidende maatregelen treffen.

Hij maakte het bootje stevig vast met ankerkettingen, deed zijn

duikerspak aan, voorzag zich van alle mogelijke werktuigen en had het

geheel zóó ingericht, dat hij zelf het apparaat met gecomprimeerde

lucht op de schouders torste.

Nu ontstak hij de electrische lantaarn langzaam en, als een meteoor,

zonk hij langzaam in de diepte.

Charly keek hem bezorgd na en hield de telephoon aan zijn oor.

Eenigen tijd later meldde lord Lister hem, dat hij den zeebodem had

bereikt, waardoor Charly, die trilde van zenuwachtigheid, alweer wat

kalmer was.

Daar beneden, op den bodem der zee, werd lord Lister door de

heerschende duisternis leelijk belemmerd in de uitoefening van zijn

werk.

Hij moest het smallere achterschip zien binnen te komen, waarin zich de

goudkistjes bevonden.

Zijn electrische lamp verlichtte de omgeving thans voldoende. De duiker

wrong zich nu door een opening in het achterschip en verbrijzelde daar

met heftige bijlslagen een deur, waardoor hij in eene grootere ruimte

kwam.

Hier lagen wederom verscheidene lijken, bij den aanblik waarvan hij

wederom hevig ontstelde.

Maar manmoedig overwon hij alle gevoelens en met zijn werktuigen

arbeidde hij steeds voorwaarts.

In een ruime kajuit gekomen, stiet hij op een groot aantal koffers en

kisten en het kostte hem reusachtig veel moeite om deze allemaal uit

den weg te ruimen. Toen hij dat gedaan had, zag hij weer een deur, en

opnieuw beukten zijn hamerslagen met geweldige kracht op het vochtige

hout. Maar toen ook zag de duiker acht niet al te groote cassettes, met

ijzer beslagen, en voorzien van initialen der Engelsche Bank. Dat was

dus de groote schat. Acht kistjes. En ieder hield voor ongeveer 3

millioen gulden aan goudstaven in. Dat maakte dus samen het niet

onaardig sommetje van 2 millioen pond sterling of 24 millioen gulden.

Lister telephoneerde nu naar zijn vriend, die in ademlooze spanning

luisterde, dat hij den schat gevonden had, en toen probeerde hij een

der kistjes op te tillen.

Tevergeefs!

Het enorme gewicht der goudstaven en van het ijzeren kistje maakte het

onmogelijk deze van hun plaats te brengen.

Toen Lister met zijn lantaarn de ruimte verlichtte, zag hij plotseling

achter de kistjes de afschuwelijke gedaante van een inktvisch, die zijn

vangarmen naar alle kanten kronkelde, en plotseling een zwarte

vloeistof in het water spoot, waardoor elk uitzicht werd belemmerd.

Enkele oogenblikken keek Lister met verbazing en afschuw naar het

weerzinwekkende beest, maar toen begreep hij ook, dat hij voor het

oogenblik niets meer hier te doen had.

Den schat kon hij immers toch niet meenemen, en hij voelde er bitter

weinig voor, om louter voor zijn genoegen nog langer te blijven in deze

onderzeesche ruimte met zulk een afschuwelijk zeemonster tot

gezelschap.

Spoedig besloten telephoneerde hij nu naar Charly, dat deze het touw

langzaam moest opwinden en toen Lister een tijd later weer aan boord

van het bootje was aangeland, maakte Charly zoo spoedig mogelijk den

zwaren duikershelm los.

„Ben je erg vermoeid, Edward?” vroeg zijn vriend.

„Heelemaal niet. Ik had het best nog langer kunnen uithouden, maar vond

het beter, om eerst eens even naar boven te komen.”

„Je gaat toch niet weer duiken?”

„Maar natuurlijk!”

„Neen, Edward, ik wil het niet!”

Charly maakte zich boos.

„Hou je kalm, vriendje”, spotte Lister en hij klopte den jongen man

eens vriendelijk op den schouder.

Charly moest wel gehoor geven aan de bevelen van zijn vriend.

Hij bracht spoedig een en ander in orde, en een paar minuten later

zakte lord Lister wederom naar den bodem der zee.

Daar aangekomen legde hij een groote hoeveelheid touw, dat hij had

meegenomen, ter zijde.

Toen ging hij opnieuw door de opening kruipen en bereikte weer langs

denzelfden weg de schatkamer.

Hij had een handig apparaat meegenomen, voorzien van een hefboom. Hij

bevestigde nu een der uiteinden van het geweldige zware kabeltouw aan

een der millioenenkistjes, hief de cassette van den grond en nu viel

het hem niet meer moeilijk om het kistje van den grond te heffen en een

oogenblik later zweefde bet langs het wrak. Nu ontvouwde lord Lister

een groot stuk linnen, dat hij had meegebracht. Hij maakte daar van dit

waterdichte linnen, waaromheen een stevig net zat, een ballon, liet

daarin de gecomprimeerde lucht uit het apparaat ontsnappen en ten

slotte kon de groote, omvangrijke ballon het gewicht van het kistje mee

naar boven nemen door het water.

Nu telephoneerde Lister naar Charly, op welke wijze het hem gelukt was,

het kistje naar boven te krijgen.

Charly riep terug, dat de maan juist was opgekomen en dat hij zich

moest haasten terug te komen, want dat de vloed kwam. Ook had hij van

Eddystone lichten zien naderen.

Eindelijk dan had Lister zijn duikerspak weer uit en stond hij aan

boord van het bootje, naast zijn trouwen vriend Charly, die zich zoo

ongerust had gemaakt, maar nu den koning te rijk was.

Ook Edward lachte.

En geen wonder!

Hij had er alle reden voor.

„Drie millioen voor ons, Charly, wat zeg je ervan?” De rest moeten we

voor de Bank laten, jammer genoeg, maar wij hebben geen tijd meer om

die andere zware kisten nog omhoog te halen.

„En nu, Charly, voortgemaakt!

„Gooi het vischtuig uit, opdat iedereen meent, dat we op de vangst zijn

geweest en niemand achterdocht gaat koesteren.”

Aldus geschiedde.

Langzaam voer het scheepje naar de kust en de groote ballon, die den

goudschat naar boven had gebracht, zweefde aan het achterdek.

Zuidelijk van Plymouth werd het schip gemeerd.

Hier was het eenzaam.

Voordat het scheepje aan de kust kwam, beproefden de beide vrienden de

zware cassette, die onder den ballon meevoer, aan boord te hijschen.

Het bleek onmogelijk!

Het kistje was zoo zwaar, dat de boot op levensgevaarlijke wijze ging

overhellen naar den kant, waar men het binnen boord wou halen.

Lord Lister zocht nu tusschen de rotsen naar een geschikte plaats om te

landen en vond deze ook al spoedig.

Door verscheiden klippen werd een beschutten driehoek gevormd, die een

waterbassin insloot en in deze natuurlijke haven bracht Lister het

scheepje.

„Als nu de vloed komt”, sprak Lister, „drijft de ballon vanzelf met

zijn kostbaren last deze haven binnen. Dan laten wij de lucht eruit en

alles zinkt op den bodem, totdat wij bij ebbe den schat kunnen

meenemen.

„Morgen is het Zondag. Dan hebben wij tijd in overvloed.”

ZESDE HOOFDSTUK.

VIJF MILLIOEN GULDEN.

Des Maandagsmiddags was heel Plymouth in rep en roer.

Als een loopend vuurtje had het zich door de stad verbreid, dat duikers

den schat van de „Tasmania” hadden gevonden. Deze zou bij eb naar boven

worden gehaald.

De wonderlijkste verhalen deden de rondte van millioenen, die in de hut

van een Australiër waren gevonden.

Een heele vloot van booten en bootjes verliet Plymouth om het zeldzame

schouwspel te gaan bijwonen, dat een schat uit de diepte werd

geheschen.

Wat was er waar van deze verhalen?

Het volgende:

Lord Lister No. 0012: Verzonken schatten · 第 2 / 3 段