dien hij des morgens ontdekt had; onder Baxter’s leiding zou de politie
toezicht komen houden op het kostbare werk.
Mr. Fergusson was aan boord van het duikerschip, waar zich ook twee
directeuren van de Engelsche Bank bevonden, voorts Baxter en
rechercheur Marholm.
De heeren spraken natuurlijk druk over de gezonken millioenen en den
duikersarbeid.
Edmonds zou met de drie duikers tegelijk naar beneden gaan, opdat
Casati hun duidelijk de schatkamer zou kunnen toonen.
Met z’n vieren zouden zij gemakkelijker den schat kunnen naar boven
brengen.
De duikers waren in de beste stemming door het vooruitzicht op de
premie.
De spanning werd algemeen, toen het viertal ging duiken.
Eindelijk, na twintig minuten, kwam het viertal weer boven en Edmonds
deelde mede, dat het ’t beste zou zijn, als het schip vlak boven het
wrak ging liggen.
Zoo gezegd zoo gedaan.
Kapitein Brown manoeuvreerde aldus met het vaartuig en liet den kraan
plaatsen, waarmee aan lange kettingen de ijzeren kistjes konden worden
opgetakeld.
’t Werd doodstil in het rond.
De nieuwsgierigen in hun booten hadden een grooten kring gevormd en
keken toen in ademlooze spanning.
Millioenen, vele millioenen zouden straks worden opgeheschen.
Ieder der omstanders wenschte op dit oogenblik duiker te zijn om vele
duizenden van de premie te kunnen opstrijken.
En allen keken—en zwegen.
De arbeid had een geregeld verloop.
Twee uur later kon het signaal gegeven worden: de eerste kist ophalen!—
Dat gebeurde!
Knersend sloegen de ketenen, de stoommachine proestte en pruttelde.
Toen—een plassen—een ijzeren kistje werd opgeheven—de kraan draaide—en
nu lagen de eerste 250,000 pond—drie millioen gulden—op dek.
De Engelsche Bank had een dubbel stel sleutels van de
goudcassettes;—een der directeuren had ze meegenomen, het kistje werd
geopend en daar schitterde het gele, glanzende metaal in
duizendvoudigen gloed.
In zijn groote vreugde ging de eerste Bankdirecteur naar Casati toe:
„U, signor”, sprak hij, „danken wij deze vondst. Wilt ge hier maar de
premie van duizend pond voor den ontdekker in ontvangst nemen? De Bank
zal u steeds groote dankbaarheid blijven toekennen!”
Met deze woorden overhandigde hij Casati een enveloppe.
Deze was opgestaan.
Hij sprak eenige woorden van dank en stak de enveloppe in den zak.
Toen strekte hij zich weer uit op den ruststoel, alsof er niets
bijzonders gebeurd was.—
Tot den avond werd doorgewerkt.
De zevende kist lag reeds op dek, toen door de duikers gemeld werd, dat
dit de laatste was.
De Bankdirecteuren keken elkaar verstomd aan.
Zij hadden hier geen cijfer genoemd, maar het stond vast, dat in Sydney
acht kistjes aan boord waren geheschen.
Edmonds werd nu ontboden.
„Hebt gij het aantal kistjes ook geteld?” vroeg hij een der
Bankdirecteuren.
„Zeker. Toen ik het laatst beneden lag, waren er nog vier kistjes. Drie
waren toen al opgeheschen. Er moeten dus zeven kistjes geweest zijn.”
„Juist—zeven kistjes zijn aan boord. Maar acht werden indertijd
verscheept. Dat is wel heel merkwaardig! Waar kan dat achtste kistje
zijn?”—
Edmonds keek den spreker verbluft aan.
„Hoe zou ik dat weten, sir! Mijn duikers en ik kunnen u verklaren, dat
er maar zeven kistjes in de schatkamer waren.”
„Dan is het achtste kistje waarschijnlijk in een ander deel van het
schip, of— —”
Hij voltooide niet.
Zijn collega keek hem vragend aan, maar de ander zei slechts:
„Merkwaardig—heel merkwaardig!”
De andere Bankdirecteur zei thans:
„Waarde heer Edmonds, zeg niets van alles wat ik u meedeelde, maar laat
het wrak nog eens nauwkeurig onderzoeken. Het achtste kistje moet er
toch ook zijn, want geen uwer duikers kan zoo’n centenaarslast
verdonkeremanen en 250,000 pond is geen bagatel.”
Edmonds antwoordde:
„Ik ga dadelijk met Casati, mijn besten duiker, weer naar beneden.
Dadelijk!”
Edmonds ging naar Lord Lister.
Zij bereidden zich terstond voor op een nieuwen tocht.
Een oogenblik later doken zij opnieuw.
Na een uur was de tocht afgeloopen. Er was geen achtste kistje gevonden
en Edmonds geloofde, dat dit kistje bij het vergaan van het schip was
verloren gegaan.
Bovendien was achter in de schatkamer een groot gat, waardoor de kist
heel makkelijk kon zijn heengegleden.
Deze verklaring was heel aannemelijk.
Baxter alleen schudde ongeloovig het hoofd.
Toen Edmonds hem voorstelde om zich dan eens persoonlijk te gaan
overtuigen, wees hij dit aanbod met groote beslistheid van de hand.
De directeuren moesten zuchtend constateeren, dat 250,000 pond sterling
voor de Bank waren verloren gegaan.
Hun taak was hier echter thans afgeloopen en het schip van kapitein
Brown kon naar Plymouth terugkeeren.
Onderweg kon rechercheur Marholm niet nalaten om tegen Baxter te
beweren:
„Als de geschiedenis zich niet op den bodem der zee had afgespeeld, zou
ik er op zweren, dat Raffles die 250,000 pond had gestolen.”
„Herinner mij niet aan dien man, die de vloek is van mijn leven”, zei
Baxter op giftigen toon.
„Maar Raffles heeft ons toch een dienst bewezen, door ons opmerkzaam te
maken op het helershol van dien Fox.”
„Dat is waar!”
„Hij is zoo kwaad nog niet!”
„Wie niet?”
„Wel, Raffles!”
„Maar Marholm, je bent gek, stapelgek. Zou je dien Raffles niet een
premie willen toekennen?”
„Hij zal zich wel een en ander zelf hebben genomen, chef!”
„Zoo, denk je?”
„Natuurlijk!”
„En je vindt hem zoo kwaad nog niet!”
„Hij zal nooit menschen benadeelen, die eerlijk en braaf zijn. Alleen
schurken besteelt hij.”
„Hou op, Marholm, hou op over Raffles!”
— — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — —
Toen de stoomboot in Plymouth was binnengeloopen, bracht een postbode
een spoedbrief voor Baxter.
Deze opende haastig het epistel, maar nauw had hij het gelezen, of hij
stiet een kreet van woede uit.
„Wat is er?” vroeg een der directeuren.
Bleek van opwinding overhandigde Baxter hem het schrijven.
En de directeur las met groote oogen luid-op:
„Ik deel den politie-inspecteur Baxter door dezen mede, dat het
achtste vermiste kistje met goudstaven van de Engelsche Bank zich
bevindt in den bekenden driehoek bij de molenrotsen. Als het ebbe
is, kan het kistje heel gemakkelijk van daar worden weggehaald. De
plaats is dan droog.
Hoogachtend,
JOHN C. RAFFLES.”
Marholm deed alle moeite, om een opkomenden lach te verbergen.
Maar hij bedwong zich en zei met onschuldig gelaat tot Baxter:
„Dat is een gladde vogel, die Raffles, nietwaar, chef?”
Baxter antwoordde niet en draaide zich om.
De zonderlinge brief ging van hand tot hand en Edmonds zei:
„Ik denk, dat iemand hier een heel flauwe grap heeft willen uithalen,
maar in elk geval moet de aangeduide plaats nader onderzocht worden!”
Nu las Brown den brief.
Hij lachte en maakte de opmerking, dat op de aangeduide plek inderdaad
een driehoek door rotsen was gevormd. Met een boot kan men heel
makkelijk deze plek bereiken.
Besloten werd om denzelfden nacht bij ebbe naar de plaats te varen.
Kapitein Brown zou voor dien tocht een boot beschikbaar houden.
Terwijl de heeren het schip verlieten, had lord Lister zich omgekleed
en nu deelde hij kapitein Edmonds mee, dat hij zich wat in Plymouth
wilde gaan vermaken na al dien inspannenden arbeid.
De duikerchef gaf daartoe gaarne verlof en Lister verliet het schip om
er nooit op terug te keeren.
Toen de boot zich gereed maakte om naar den rots-driehoek te varen,
zaten Lister en Charly Brand al in een coupé eerste klasse, op weg naar
Ramsgate, om vandaar Oostende te bereiken.
De heeren in de boot zaten allen met mistroostige gezichten te kijken.
Zij hadden een gevoel, alsof zij een vreemde gebeurtenis tegemoet
voeren.
Kapitein Brown had het bevel op de boot.
Hij wist uitstekend den weg in deze plekken, vol verborgen klippen. De
eb had thans alle rotsen blootgelegd en bij het schijnsel van lantaarns
en fakkels manoeuvreerde de boot handig overal tusschen door.
Daar werd reeds de driehoek zichtbaar.
Groote onrust greep de inzittenden aan.
Toen het schip stil lag, was Baxter de eerste, die uitsprong, spoedig
gevolgd door de anderen.
Waarlijk!
Daar lag, op den rotsbodem, het vermiste kistje en de bankdirecteur
haastte zich, het zware deksel op te lichten.
Een kreet van verrassing en schrik steeg op uit alle kelen.
Het kistje was leeg!
Maar aan het deksel was aan de binnenzijde een stuk perkament
bevestigd, waarop in groote letters stond geschreven:
„Ik geef de Engelsche Bank het achtste kistje gaarne terug. Met
haar inhoud hoop ik nog heel wat ellende in de wereld te lenigen.
Mijn aandeel in de winst sta ik graag af aan mijn drie collega’s.
Ik heb dat geld niet noodig. Met een vriendelijken groet aan den
heer Baxter.
JOHN C. RAFFLES,
de gewezen duiker Casati.”
De uitwerking van dezen brief was inderdaad hevig.
Baxter was razend. Want het was heel wat voor iemand, die zoozeer met
zichzelven is ingenomen als deze inspecteur der recherche, om voor den
zooveelsten keer te moeten erkennen, dat hij bij den neus genomen is
door een inbreker van beroep. En Baxter bekende het niet graag, als hij
een nederlaag had geleden. Hij smoorde een zwaren vloek tusschen de
lippen, bedwong zich met de meest mogelijke moeite en bracht er
eindelijk uit, daar aller oogen op hem gericht waren:
„Die Raffles—die Raffles! Ik zal niet veel meer zeggen, maar tòch moet
mij van het harte, dat ik hoop, dat dit nu de laatste maal zal zijn, de
allerlaatste maal!”
Toen zweeg hij, inwendig diep gegriefd.
En detective Marholm?
Die kon zijn lachen niet bedwingen, maar proestte het uit toen men wat
bekomen was van den algemeenen schrik.
Toen hij was uitgelachen riep hij vroolijk, zonder te letten op
Baxter’s boosheid:
„Ik heb het wel gedacht—ik heb het zeker gedacht!”